Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7245

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
C/03/228554 / FA RK 16-4293
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijksvermogen naar het recht van de Staat New York. Is de erfenis van de man op de gezamenlijke bankrekening van partijen te bestempelen als privévermogen of als gemeenschappelijk vermogen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 27 juli 2018

Zaaknummer: C/03/228554 / FA RK 16-4293

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoeker],

wonend te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaten mr. L.H.M. Zonnenberg en mr. T.J. Backx, beiden kantoor houdend te

's-Hertogenbosch,

tegen:

[verweerster],

wonend te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P.J. Montanus, kantoor houdend te Amsterdam.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op

1 februari 2018 uitgesproken beschikking.

1 Verder verloop van de procedure

Het verder verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de brief, met bijlagen, van de man van 16 maart 2018;

  • -

    de brief van de man van 29 maart 2018;

  • -

    het faxbericht, met bijlage, van de vrouw van 3 april 2018;

  • -

    het deskundigenrapport van de in de beschikking van 1 februari 2018 benoemde deskundige van 13 april 2018;

  • -

    het e-mailbericht van de vrouw van 1 mei 2018;

  • -

    de brief van de man van 4 mei 2018;

  • -

    het e-mailbericht, met bijlage, van de man van 23 mei 2018;

  • -

    de brief, met bijlagen, van de man van 19 juni 2018;

  • -

    de brief, met bijlagen, van de vrouw van 19 juni 2018.

2 Verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

In voormelde beschikking heeft de rechtbank de beslissing over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen aangehouden in afwachting van het door partijen in te dienen deelconvenant en het door de deskundige in te dienen definitieve rapport. Voorts is bepaald dat de vrouw binnen drie maanden na de datum van het definitieve deskundigenrapport bij akte, onderbouwd met bescheiden, dient aan te geven of zij de echtelijke woning (hierna: de woning) kan overnemen, waarna de man de gelegenheid zal krijgen om daar bij antwoordakte op te reageren.

Naar aanleiding van de hiervoor genoemde reacties van partijen van 1 en 4 mei 2018 is de rechtbank van voornoemde procesroute afgeweken. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat de vrouw heeft gesteld dat het antwoord op de vraag of zij de woning kan overnemen afhangt van de beslissing over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen, zodat daar eerst duidelijkheid over zou moeten komen middels een door de rechtbank te geven beschikking. De man heeft met die route ingestemd, mits hij dan wel nog de gelegenheid zou krijgen om te reageren op het deskundigenrapport, nu partijen daarvoor nog niet de gelegenheid hebben gekregen. Vervolgens heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het deskundigenrapport, hetgeen zij hebben gedaan in de hiervoor genoemde brieven van 19 juni 2018, en heeft de rechtbank partijen bericht dat in deze beschikking (in ieder geval) een oordeel zal worden gegeven over (1) de waarde van de woning en (2) de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen.

2.1.

De waarde van de woning

De deskundige heeft de marktwaarde van de woning, op de dag dat de taxatie heeft plaatsgevonden (28 februari 2018), getaxeerd op € 340.000,-.

De vrouw heeft, nadat zij opmerkingen heeft gemaakt bij de deskundige over de conceptrapportage, alsnog ingestemd met voornoemde waardering, nadat zij zelf een taxatie heeft laten verrichten door een onafhankelijke makelaar, die eveneens op een getaxeerde marktwaarde van de woning van € 340.000,- is uitgekomen.

De man heeft bepleit waarom niet van de door de deskundige bepaalde waarde dient te worden uitgegaan. Gelet op de beschikbare informatie die de man bij brief van

19 juni 2018 in het geding heeft gebracht, vergelijkbare woningen die omstreeks de waardepeildatum te koop zijn aangeboden en spoedig zijn verkocht, en de discrepantie tussen de verkoopprijs van die objecten en de door de deskundige getaxeerde waarde van de woning van partijen, meent de man dat zonder nadere toelichting, die in het deskundigenrapport ontbreekt, het deskundigenrapport onvoldoende is onderbouwd (doordat de deskundige slechts een prijsindexatie heeft toegepast op referentieobjecten die twee tot drie jaar daarvoor zijn verkocht onder andere marktomstandigheden) en er van een hogere waarde van de woning dient te worden uitgegaan. De man stelt daarom dat een waarde van € 400.000,- correspondeert met de huidige marktomstandigheden. Hij verzoekt de woning voor een waarde van € 400.000,- toe te delen aan de vrouw en haar te verplichten hem zijn aandeel in de overwaarde te betalen, onder de opschortende voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Slaagt de vrouw er niet in om binnen drie maanden na de datum van de beschikking de benodigde financiering te verwerven, dan zal de woning verkocht dienen te worden en de verkoopopbrengst bij helfte gedeeld dienen te worden, aldus de man.

De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan niet van de door de deskundige getaxeerde marktwaarde kan worden uitgegaan. De man heeft verwezen naar twee panden die in de dezelfde wijk van de woning van partijen te koop stonden (voor beduidend hogere prijzen dan € 340.000,-) en – zo mogelijk – spoedig zijn verkocht. Daar waar de man heeft gesteld dat het pand aan de [adres 1] reeds op 26 februari 2018 was verkocht en de man hiervan ook melding heeft gemaakt richting de deskundige in zijn reactie van 6 april 2018 op het conceptrapport, had het toen op de weg van de man gelegen om de deskundige daarover zo mogelijk concreter, zoals over de daadwerkelijke verkoopprijs, te informeren. Vervolgens heeft de deskundige het rapport definitief vastgesteld op 13 april 2018, maar ook daarna, in de reactie van de man op het deskundigenrapport op 19 juni 2018, moet de rechtbank constateren dat een concrete onderbouwing van de man over de uiteindelijke verkoopprijs van dit pand uitblijft en is het thans bovendien maar de vraag of deze woning daadwerkelijk is verkocht, nu gebruikelijk is dat woningen worden verkocht onder voorbehoud van financiering. Dat laatste had in juni 2018 duidelijk moeten zijn, maar hierover heeft de man zich niet uitgelaten. Gelet op het voorgaande kan de woning aan de [adres 1] niet bestempeld worden als een vergelijkingspand waarmee de deskundige bij de bepaling van de waarde van de woning rekening had moeten houden en heeft de deskundige dit pand in redelijkheid buiten beschouwing kunnen laten.

Ook met betrekking tot de door de man aangehaalde woning aan de [adres 2] stelt de rechtbank vast dat de man weliswaar heeft gesteld dat deze woning te koop heeft gestaan voor € 430.000,-, maar heeft de man niet nader onderbouwd dat, en voor welke verkoopprijs, deze woning uiteindelijk (daadwerkelijk) is verkocht. Voorts is het maar de vraag of deze woning kan gelden als een vergelijkingspand, gelet op het feit dat deze woning beschikt over beduidend meer kamers dan de woning van partijen. Ook ten aanzien van deze woning kan derhalve niet gezegd worden dat de deskundige deze woning bij de bepaling van de waarde van de woning van partijen had moeten betrekken.

Voorts constateert de rechtbank dat de man de (becijfering van de) door de deskundige toegepaste prijsindexatie aan de hand van in het verleden verkochte referentieobjecten op zichzelf niet ter discussie heeft gesteld. De man heeft niet gesteld dat de deskundige hierbij een onjuiste benadering heeft gekozen. Weliswaar heeft de man, zoals hiervoor is overwogen, vraagtekens geplaatst bij de vraag of de deskundige wel in voldoende mate de huidige marktomstandigheden in aanmerking heeft genomen, maar de huidige marktomstandigheden zijn door de deskundige in zijn ‘SWOT analyse’ (zie pagina 12 van het deskundigenrapport) meegewogen bij het bepalen van zijn taxatie.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat van de door de deskundige getaxeerde waarde van de woning van € 340.000,- dient te worden uitgegaan.

2.1.1.

Afwikkeling van de woning

Gelet op het tijdsverloop in deze procedure, waarbij aanvankelijk tussen partijen is afgesproken dat de vrouw uiterlijk drie maanden na de datum van het definitieve deskundigenrapport zou laten weten of zij de woning zou willen en kunnen overnemen onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid betreffende de hypothecaire schulden, ziet de rechtbank, mede gelet op de gewenste duidelijkheid bij partijen over de financiële afwikkeling van hun huwelijksvermogen, voldoende aanleiding om reeds thans op verzoek van de man ook over de toedeling (en afwikkeling) van de woning te beslissen. Sedert de datum van het definitieve deskundigenrapport, 13 april 2018, heeft de vrouw immers voldoende gelegenheid gehad om zich te oriënteren over haar mogelijkheden om de woning over te nemen, in welk scenario ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijksvermogensregime dan ook, waarbij komt dat de door de rechtbank in deze beschikking besliste afwikkeling een niet ongunstig scenario voor de vrouw is.

De rechtbank zal bepalen dat de vrouw uiterlijk 1 oktober 2018 aan de man middels een aangetekende brief, inclusief daarbij gevoegde financiële stukken, (1) dient aan te geven of zij de echtelijke woning wil overnemen en, zo ja, (2) dient aan te tonen dat zij de echtelijke woning tegen de waarde van € 340.000,- kan overnemen, waarbij kan worden bewerkstelligd dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening(en), en de vrouw in staat is de helft van de overwaarde van de woning

(€ 340.000,- minus de hypothecaire geldlening(en)) aan de man uit te betalen. Slechts indien deze voorwaarden zijn vervuld, zal de woning aan de vrouw worden toegedeeld. Indien de vrouw één van deze voorwaarden niet wil of kan vervullen, zal de woning verkocht moeten worden. De wens van de man om de woning in dat geval te verkopen duidt er immers niet op dat de man de woning mogelijk zelf wil overnemen. Na verkoop van de woning dient de overwaarde (verkoopopbrengst woning minus de hypothecaire geldlening(en)) bij helfte tussen partijen te worden verdeeld.

Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank ten aanzien van de woning beslissen, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

2.1.2.

Kosten deskundigenrapport

De kosten van het definitief deskundigenrapport bedragen € 1.000,-. Nu beide partijen belang hebben gehad bij dit deskundigenrapport is de rechtbank van oordeel dat zij beiden de helft van deze kosten dienen te dragen, ook omdat niet gesteld of gebleken is dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Nu zowel de man als de vrouw reeds de helft van voornoemd bedrag (ieder € 500,-) als voorschot hebben voldaan, zijn de kosten reeds door ieder der partijen voor de helft voldaan en hoeft hierover geen beslissing meer te worden genomen.

2.2.

De vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijksvermogensregime

Bij voornoemde brief van 16 maart 2018 heeft de man een door beide partijen geparafeerd en ondertekend deelconvenant overgelegd. Hoewel deze brief alleen door voornoemde advocaat mr. Backx van de man is ondertekend, gaat de rechtbank ervan uit dat de hierin vermelde verzoeken, mede gelet op de formulering daarvan, zijn gedaan namens partijen, ook omdat de advocaat van de vrouw hier geen afstand van heeft genomen.

Partijen hebben in laatstgenoemde brief verzocht het deelconvenant aan de beschikking te hechten, aan welk verzoek de rechtbank zal voldoen. Voorts hebben partijen de rechtbank nadrukkelijk verzocht om de door hen overeengekomen regeling in artikel 2.4 en 2.5 van het deelconvenant in het dictum van de beschikking op te nemen ter voorkoming van mogelijke fiscale problemen in de Verenigde Staten bij uitvoering van deze regeling. Ook aan dit verzoek zal de rechtbank voldoen, nu partijen hier kennelijk belang bij (kunnen) hebben.

Gezien de inhoud van het deelconvenant hebben partijen een regeling weten te treffen over de verdeling en afwikkeling van het grootste deel van hun huwelijksvermogen. Op verzoek van de rechtbank hebben partijen in het deelconvenant vermeld over welke geschilpunten de rechtbank nog zou moeten beslissen. Immers, partijen hebben géén regeling weten te bereiken over de discussie omtrent de bankrekening bij Morgan Stanley met het nummer eindigend op 579 (hierna: rekening 579) noch de discussie of een bedrag van $ 20.800,- op de rekening met het nummer eindigend op 087 (hierna: rekening 087) afkomstig van rekening 579 tot het gezamenlijk vermogen van partijen dan wel tot het privévermogen van de man behoort. De uitkomst van de laatste discussie is volgens partijen afhankelijk van het antwoord op de vraag of rekening 579 tot het gezamenlijk vermogen van partijen dan wel tot het privévermogen van de man behoort. Daarnaast zijn partijen het niet eens geworden over de wijziging van de tenaamstelling van rekening 579 en het moment waarop en de voorwaarden waaronder de uitbetaling aan de man dan wel aan partijen van het saldo op deze rekening plaats behoort te vinden, nadat de rechtbank een oordeel heeft gegeven over de vraag of de rekening tot het privévermogen van de man dan wel tot het gezamenlijk vermogen behoort. Deze onderwerpen hebben partijen aan de rechtbank voorgelegd met het verzoek hierover een beschikking af te geven.

In voornoemde beschikking van 1 februari 2018 heeft de rechtbank overwogen dat zij zich nog zou uitlaten over de peildatum vanaf welk moment Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is geworden, nu partijen in dit verband verschillende data (1 juli 2014 en 1 september 2014) hanteerden. Dat oordeel hoeft de rechtbank evenwel niet meer te geven, nu partijen in het deelconvenant zijn overeengekomen dat vanaf de huwelijkssluiting (15 mei 1994) tot 1 augustus 2014 het verkregen dan wel aanwezige vermogen afgewikkeld dient te worden overeenkomstig het recht van de Staat New York (van de Verenigde Staten van Amerika), en dat het vermogen dat partijen vanaf 1 augustus 2014 tot aan de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (14 april 2016) hebben verkregen, afgewikkeld dient te worden naar Nederlands recht en overeenkomstig de regels van de tot 1 januari 2018 geldende gemeenschap van goederen.

Voorts zijn partijen overeengekomen dat als peildatum voor de waardering van goederen die verkregen zijn in de periode dat het recht van de Staat New York geldt, onderscheid gemaakt dient te worden tussen actieve en passieve vermogensbestanddelen. Voor actieve vermogensbestanddelen (welke goederen in waarde fluctueren door actief handelen van de echtgenoten) geldt in beginsel de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (14 april 2016) als peildatum. Voor passieve vermogensbestanddelen (die zich kenmerken doordat de waarde niet afhankelijk is van het doen of nalaten van de echtgenoten, zoals het geval is bij een woning) geldt als peildatum in beginsel de datum van de mondelinge behandeling (19 december 2017) bij de rechtbank.

Beide partijen hebben, onafhankelijk van elkaar, bij (met name) familierechtadvocaten in New York advies ingewonnen over de vermogensrechtelijke afwikkeling naar het recht van de Staat New York. Partijen verschillen niet (langer) van mening over de wijze waarop het gemeenschappelijk vermogen (marital) verdeeld moet worden, namelijk bij helfte. Enkel ten aanzien van het saldo op de rekening 579 bij Morgan Stanley verschillen partijen van mening en verzoeken zij de rechtbank een oordeel te vellen, aldus partijen in het deelconvenant.

2.2.1.

Feiten ten aanzien van rekening 579

Met betrekking tot de rekening 579 gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten. Deze rekening (thans volgens het deelconvenant eindigend op 260) is een gezamenlijke bankrekening op naam van beide partijen, welke op 16 mei 2014 is geopend bij Morgan Stanley. Op 21 mei 2018 is een bedrag van $ 400.000,- op deze rekening gestort, afkomstig van de gezamenlijke bankrekening op naam van beide partijen met het nummer eindigend op 005 (thans eindigend op 832). Deze laatste rekening was op 12 mei 2008 geopend en hierop is in de periode februari-mei 2014 in vijf tranches in totaal een bedrag van $ 615.140,82, afkomstig uit de erfenis van de moeder van de man, gestort. In het deelconvenant zijn partijen overeengekomen dat ieder der partijen recht heeft op de helft van het op de rekening 005 aanwezige saldo. De vraag die partijen dan in feite nog verdeeld houdt, is of het vanuit rekening 005 naar rekening 579 overgemaakte bedrag van $ 400.000,- bestempeld dient te worden als privévermogen van de man of als gemeenschappelijk vermogen van partijen. Om deze vraag te kunnen beantwoorden zal de rechtbank eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, zoals dat uit de stellingen en stukken van partijen naar voren is gekomen.

2.2.2.

Juridisch kader

Uit de overgelegde “legal opinions” van [A] (namens de man) en [B]/[C] (namens de vrouw) leidt de rechtbank af dat het toepasselijke juridisch kader als volgt kan worden weergegeven.

De wetgeving van New York betreffende rechtvaardige verdeling is vastgelegd in de Domestic Relations Law (DRL), artikel 236B. Naar het recht van de staat New York is de titel waaronder een vermogensbestanddeel wordt gehouden geen bepalende factor voor de eigendomsrechten. Vermogen wordt gekenmerkt hetzij als “onderdeel van de huwelijksgoederengemeenschap”, “afgescheiden vermogen” of als “hybride” vermogen. Vermogen dat wordt verkregen tijdens het huwelijk wordt geacht onderdeel uit te maken van de huwelijksgoederengemeenschap, “ongeacht de vorm waarop men een titel heeft” (conform DRL artikel 236B 1 c). Er is daarom een sterk vermoeden in New York dat vermogen verkregen tijdens een huwelijk onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap. Conform DRL, artikel 236B 1 d, wordt privévermogen, voor zover van belang, gedefinieerd als het vermogen dat voorafgaand aan het huwelijk is verkregen of is verkregen door middel van legaat, testamentaire beschikking of afstamming, of schenking van een partij anders dan de echtgeno(o)t(e).

Indien partijen geërfde gelden storten op een gezamenlijke rekening “ontstaat er een weerlegbaar vermoeden dat beiden daarin een 50%-belang hebben”. Dit is een sterk vermoeden, zo heeft [B] gesteld en heeft [A] niet betwist. In dit verband bepaalt de New York Banking Law, artikel 675 (b), immers, voor zover van belang:

“het doen van die storting (…) levert voorshands (…) bewijs op van de intentie van beide deposanten om een gezamenlijk bezit te creëren en om rechten te verbinden aan die storting en toevoegingen en aangroei daarvan, voor die langstlevende. De bewijslast om dergelijk summierlijk bewijs te weerleggen ligt bij de partij die de eigendomstitel van de langstlevende in twijfel trekt.”

Hieruit volgt dat de bewijslast dat het betreffende vermogen afgescheiden is, ligt bij die partij die tracht aan te tonen dat het vermogen afgescheiden is en juist geen onderdeel van de huwelijksgemeenschap is, zo heeft ook [B] in zijn legal opinion gesteld en heeft [A] in zijn nadien ingediende reactie van 11 december 2017 niet weersproken. Het is aan de partij om voornoemd vermoeden te weerleggen door middel van, zo heeft [B] aangegeven en heeft [A] erkend, duidelijk en overtuigend bewijs – een hoge lat – dat de rekening “gezamenlijk was geopend uit gemaksoverwegingen, zonder de intentie om een economisch eigendom te creëren”.

2.2.3.

Standpunt man: privévermogen

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van ruim $ 400.000,- op rekening 579 is aan te merken als privévermogen. Dit standpunt heeft de man met name ontleend aan

de legal opinions van Jason Advocate en [A] en de ter zitting overgelegde e-mail van [A] van 11 dec 2017, alsmede verder toegelicht in:

- de punten 31 t/m 35 van het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van

3 november 2016;

  • -

    de punten 32 t/m 37 van het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van 30 maart 2017;

  • -

    de punten 26 t/m 35 van de ter zitting overgelegde pleitnota.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man onder meer gesteld dat de overboeking van zijn privégelden (uit de erfenis van zijn moeder) naar rekening 005 deze gelden niet heeft getransformeerd in gemeenschappelijke gelden, omdat de man deze gelden destijds enkel en alleen vanuit praktisch oogpunt tijdelijk op de rekening met nummer 005 heeft gestald. Waarom zou de man een nieuwe rekening (579) openen om daar gelden op te storten indien hij ze ook op de gemeenschappelijke rekening met nummer 005 had kunnen laten staan? De man heeft de rekening met nummer 579 enkel op beider naam gezet, zodat de vrouw bij een eventueel noodgeval (zoals het overlijden van de man), over gelden kon beschikken om waar nodig in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te kunnen voorzien. Immers, de man beschikte in het voorjaar 2014 nog niet over een privérekening op zijn naam. De privérekening van de man in de VS (rekening 087) is pas in september 2014 geopend. De man heeft er bewust voor gekozen om ruim $ 215.000,- (van de verkregen erfenis) op de rekening 005 achter te laten, wetende dat die gelden op die wijze door vermenging gezamenlijk zouden worden. Op rekening 579 is nauwelijks sprake geweest van vermenging met gemeenschappelijk vermogen, namelijk een sinds de opening van de rekening hierop gestort bedrag van $ 3.450,-. [accountmanager], de gezamenlijke accountmanager van partijen bij Morgan Stanley, kan niet weten wat de intentie van de man is geweest. Dat blijkt ook niet uit de e-mails die de man maanden voorafgaand aan het openen van de rekening 579 aan [accountmanager] heeft gestuurd. Het huwelijk van partijen was toen al wankel (zij zaten in relatietherapie). Voorts is de covered calls strategie niet de reden voor de man geweest om rekening 579 te openen. Hier kwam [accountmanager] later mee op de proppen, aldus de man.

2.2.4.

Standpunt vrouw: gemeenschappelijk vermogen

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van ruim $ 400.000,- op rekening 579 is aan te merken als gemeenschappelijk vermogen. Dit standpunt heeft de vrouw met name ontleend aan het advies van Ian Sumner en de legal opinion van [B]/[C] en de reactie van [B] van 6 januari 2018 (bijlage 3 bij brief van

5 januari 2018) op de e-mail [A] van 11 december 2017, alsmede verder toegelicht in:

- de punten 8 t/m 11 van het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van

25 jan 2017;

- de punten 62 t/m 74 van de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de vrouw onder meer gesteld dat uit de legal opinion van [B] kan worden afgeleid dat indien geërfde gelden gestort worden op een gezamenlijke rekening ‘er een weerlegbaar vermoeden ontstaat dat beiden daarin een 50%-belang hebben’. Het is aan de partij om dat vermoeden te weerleggen door middel van duidelijk en overtuigend bewijs – een hoge lat – dat de rekening ‘gezamenlijk was geopend uit gemaksoverwegingen, zonder de intentie om een economische eigendom te creëren’. De man heeft evenwel de intentie gehad om de geërfde gelden gemeenschappelijk vermogen te laten worden, waarvoor de vrouw verwijst naar de mails van de man aan [accountmanager]. Bovendien heeft de man aan de vrouw nog op 23 december 2014 gemaild dat zij ongeveer 1,8 miljoen op hun rekening bij Morgan Stanley hebben staan en dat zij financieel meer dan okay zijn. Volgens de vrouw was een andere beleggingsstrategie voor de man de reden om rekening 579 te openen, niet om zijn erfenis veilig te stellen. Er is wel sprake geweest van vermenging met gemeenschappelijke gelden. De gelden op rekening 579 zijn verder nooit voor privédoeleinden gebruikt, maar zijn juist gebruikt om uitgaven van de familie te bekostigen. Immers, er zijn gelden van rekening 579 voor in totaal ongeveer $ 25.000,- naar de gezamenlijke bankrekening van partijen in Nederland (eindigend op 7498) overgeboekt in de zomer en herfst van 2014, begin 2015 en in 2016. Deze overboekingen onderstrepen de bedoeling van de man om de gelden de gehele familie [verzoeker]/[verweerster] ten goede te laten komen.

2.2.5.

Oordeel rechtbank

Uit het voorgaande volgt dat er een vermoeden bestaat dat het op rekening 579 gestorte bedrag van ruim $ 400.000,- gemeenschappelijk vermogen is geworden. Zoals hiervoor bij het juridisch kader is verwoord, ligt het vervolgens op de weg van de man om dit sterk vermoeden te weerleggen door duidelijk en overtuigend bewijs dat er – kort gezegd – geen intentie was om een gemeenschappelijk economisch eigendom met de vrouw te creëren. De rechtbank is van oordeel dat de man dit vermoeden niet heeft kunnen weerleggen en overweegt daartoe als volgt.

De man heeft gesteld dat hij de rekening met nummer 579 enkel op naam van beide partijen heeft gezet, zodat de vrouw bij een eventueel noodgeval (zoals het overlijden van de man), over gelden kon beschikken om waar nodig in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te kunnen voorzien. Verder heeft de man gesteld dat hij in het voorjaar van 2014 immers nog niet over een privérekening op zijn naam beschikte, omdat de privérekening van de man in de Verenigde Staten (rekening 087) pas op 23 september 2014 is geopend. De rechtbank stelt vast dat deze stellingen van de man niet juist (kunnen) zijn. In de eerste plaats ligt het voor de hand dat de rekening 579 niet op initiatief van de man op naam van beide partijen is gezet, maar is geopend met toestemming van beide partijen, zoals de vrouw heeft gesteld, omdat dit een rekening op beider naam is en beide partijen over het saldo kunnen beschikken. Voorts beschikte de man blijkens de opsomming van de bankrekeningen in het deelconvenant in het voorjaar van 2014 over een IRA-rekening op zijn naam (eindigend op 529), welke rekening reeds op 13 mei 2008 is geopend en waarop de man tijdens het huwelijk heeft gespaard. Niet valt in te zien waarom de man de gelden uit de erfenis van zijn moeder niet hetzij op deze privérekening had kunnen laten storten met het oog op het veilig stellen als zijn privégelden dan wel in september 2014 op zijn net geopende (privé) rekening 087 had kunnen laten overmaken.

Daar waar de man heeft gesteld dat het huwelijk maanden voorafgaand aan het openen van rekening 579 al wankel was (omdat partijen toen in relatietherapie zaten), moet deze stelling in een ander daglicht worden geplaatst gelet op het e-mailbericht die de man aan [accountmanager] op 25 september 2014 heeft gestuurd, waarin de man onder meer schrijft: “we want to make sure it fits with our long term plans (retirement, college), but also with our desire to upgrade our lifestyle somewhat – have more money for travel, possibly get a larger house, etc”. Indien het toen al zo slecht ging in de relatie tussen partijen en het huwelijk zo mogelijk op kiepen stond, zou de man in dit e-mailbericht niet de woorden ‘we’ en ‘our’ gebruikt hebben en niet gesproken hebben over gezamenlijke toekomstplannen, laat staan over vooruitzichten met betrekking tot pensioen. De man heeft het zelfs over het mogelijk betrekken van een groter huis, hetgeen geenszins wijst op een aanstaande echtscheiding. Twee dagen vóórdat hij dit e-mailbericht verstuurde, had de man bovendien de rekening 087 op zijn naam geopend, zodat hij ook hierop de geërfde gelden had kunnen laten overboeken indien hij deze wou veiligstellen. De man heeft dit niet gedaan, terwijl hij nog op 23 december 2014 aan de vrouw heeft gemaild dat zij ongeveer 1,8 miljoen op hun rekening bij Morgan Stanley hebben staan en dat zij financieel meer dan okay zijn. Gelet op de bewoordingen van de man in dit e-mailbericht was van een op handen zijnde echtscheiding op dat moment kennelijk ook (nog) geen sprake. Immers, uit de beschikking van 1 februari 2018 volgt dat partijen begin 2015 de samenleving hebben verbroken en uit het verzoekschrift tot echtscheiding (ingediend op 14 april 2016) volgt dat partijen gedurende bijna één jaar hebben getracht middels mediation een algehele regeling te bereiken.

Uit het voorgaande volgt dat de gelden op rekening 579 tot de daadwerkelijke start van de echtscheiding (begin 2016) derhalve circa twee jaar (zonder dat één van partijen dat ter discussie heeft gesteld) op rekening 579 hebben gestaan. Onbetwist is dat in die periode tot circa $ 25.000,- is gebruikt voor het bekostigen van gemeenschappelijke uitgaven van partijen door diverse overboekingen in 2014, 2015 en 2016 naar een gezamenlijke rekening van partijen in Nederland (7498). Dat de rekening 579 alleen bestemd was voor noodgevallen, zoals de man heeft gesteld, is daarmee niet aannemelijk geworden. Gelet op voornoemd feitencomplex alsmede op de inhoud van voornoemde e-mails die de man aan [accountmanager] en de vrouw heeft verstuurd, moet worden aangenomen dat de man de intentie heeft gehad om het bedrag van ruim $ 400.000,- op rekening 579 mede ten goede te laten komen aan de vrouw en dat hij op die intentie, overeenkomstig zijn handelswijze, tot de start van de echtscheiding niet is teruggekomen. Aan de schriftelijke verklaring van de man kent de rechtbank ten slotte geen betekenis toe, omdat deze geen afbreuk doet aan hetgeen hiervoor is vastgesteld en geoordeeld, en bedacht moet worden dat de man die verklaring eerst veel later heeft afgelegd toen hem kennelijk duidelijk is geworden dat het bedrag van ruim

$ 400.000,- mogelijk zou moeten worden verdeeld.


Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man het vermoeden, dat het saldo op de gezamenlijke rekening 579 gemeenschappelijk vermogen is, niet heeft weerlegd met duidelijk en overtuigend bewijs. Nu deze bankrekening moet worden bestempeld als een actief vermogensbestanddeel (waarvan de waarde immers fluctueert door actief handelen van de echtgenoten) dient het saldo op deze rekening op 14 april 2016 bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. Het exacte saldo kent de rechtbank niet op deze datum, maar dat is voor de te nemen beslissing niet noodzakelijk. De rechtbank zal derhalve aan ieder der partijen de helft van het saldo op 14 april 2016 toedelen van de rekening 579, thans eindigend op 260.

2.2.6.

Afwikkeling bij oordeel dat rekening 579 gemeenschappelijk vermogen betreft

Partijen zijn op hun verzoek in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze met betrekking tot de wijziging van de tenaamstelling van rekening 579 en het moment waarop en de voorwaarden waaronder de uitbetaling van het saldo op deze rekening aan de man dan wel aan partijen plaats behoort te vinden.

In dit verband heeft de man, voor zover nog van belang, verzocht om de vrouw te veroordelen binnen twee weken na de datum van de beschikking haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen aan uitbetaling van de helft van het op rekening 579 aanwezige saldo op althans over te maken naar een door de man aan te wijzen privérekening. Van de man kan niet worden verlangd dat hij, indien de vrouw tegen deze beschikking in hoger beroep zou gaan, gedurende de gehele beroepsprocedure niet over ten minste zijn helft van het saldo kan beschikken. Die helft staat immers niet ter discussie, terwijl de man met deze gelden wenst te investeren, hetgeen thans niet mogelijk is.

Ten aanzien van de resterende helft heeft de man verzocht vast te stellen dat dit deel zal worden uitbetaald (aan de vrouw) nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Het aandeel van de man ten aanzien van rekening 579 staat niet ter discussie, maar mogelijk wenst de man in die situatie wel beroep in te stellen van de beschikking. Mocht het Hof tot een ander oordeel komen dan wordt met deze regeling een mogelijk restitutierisico voor de man voorkomen. Een dergelijk risico loopt de vrouw niet, omdat haar maximale aandeel (te weten de helft van het saldo) op de rekening geparkeerd blijft staan.

De vrouw heeft gesteld dat de rekening 579, eerst nadat de beslissing met betrekking tot deze rekening in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, moet worden gesplitst. Verder heeft de vrouw er recht op en belang bij om in een eventueel hoger beroep alsnog een beroep te doen op de zogenaamde ‘equitable distribution’ (billijke verdeling naar het recht van de Staat New York) op grond waarvan het saldo niet in de verhouding 50/50 maar bijvoorbeeld in de verhouding 40/60 wordt verdeeld (onder verwijzing naar het advies van Ian Sumner). Daarnaast is het volgens [accountmanager] niet mogelijk de rekening eerder te splitsen voordat er een definitieve beslissing van de rechter is. Ten slotte bestaat er volgens de vrouw geen urgente reden aan de zijde van de man om deze rekening reeds thans te splitsen dan wel het aan de man toekomende saldo op een andere rekening over te boeken, omdat de man over voldoende overig vermogen beschikt.

De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen hebben verzocht de vaststelling van de verdeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit betekent dat de verdeling kan worden geëffectueerd niettegenstaande een eventueel hoger beroep en dat beide partijen gehouden zijn om aan de uitvoering van de verdeling mee te werken.

Dat de vrouw mogelijk in hoger beroep een andere billijke verdeling wil gaan bepleiten is thans irrelevant. Nu de vrouw deze optie niet (langer) heeft bepleit, komt daaraan ook rechtens geen betekenis toe in deze aanleg. Bovendien heeft de vrouw juist aangevoerd dat zij, in verband met de door haar gewenste duidelijkheid met betrekking tot de overname van de echtelijke woning, van de rechtbank wil weten op welk deel van het vermogen zij recht heeft.

Hoewel de man expliciet heeft verzocht de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan het beschikbaar stellen van zijn aandeel in het vermogen, heeft de man daar geen belang bij gelet op de wijze waarop de rechtbank over de toedeling van dit vermogen zal beslissen. Die toedeling maakt dat de man tegenover de bank het recht heeft om de helft van het saldo op rekening 579 aan hem te laten uitbetalen. Niet valt in te zien waarom de man daarvoor, zonder nadere toelichting (die van de zijde van de man ontbreekt), nog de medewerking van de vrouw nodig heeft, zodat dit verzoek zal worden afgewezen. Een splitsing van de rekening wordt in zoverre evenmin noodzakelijk geacht.

Ten slotte heeft de man verzocht het aandeel van de vrouw in het vermogen “te bevriezen” totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, waarmee de man zich in feite deels verzet tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Nu de man geen concreet restitutierisico heeft gesteld, mede gelet op het waarschijnlijke voornemen van de vrouw om haar deel van het vermogen in de echtelijke woning te investeren, zal de rechtbank ook dit verzoek afwijzen.

2.2.7.

Rekening 087 en het daarop overgemaakte bedrag van $ 20.800,- afkomstig van rekening 579

Nu hiervoor is overwogen dat het saldo op rekening 579 tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen behoort en partijen het er in dat geval over eens zijn dat ook het op de privérekening van de man overgeboekte bedrag van € 20.800,- vanuit deze rekening ook als gemeenschappelijk vermogen beschouwd dient te worden, betekent dit dat de man in dit kader een bedrag van $ 10.400,- aan de vrouw dient te betalen, zodat de rechtbank aldus zal beslissen.

2.3.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren op de wijze zoals in het dictum is bepaald.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt dat de vrouw uiterlijk op 1 oktober 2018 aan de man middels een aangetekende brief, inclusief daarbij gevoegde financiële stukken, (1) dient aan te geven of zij de echtelijke woning, gelegen aan de [adres 3] te [woonplaats], wil overnemen en, zo ja, (2) dient aan te tonen dat zij de echtelijke woning tegen een waarde van € 340.000,- kan overnemen, waarbij wordt bewerkstelligd dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening(en), en de vrouw de helft van de overwaarde van de woning (€ 340.000,- minus de hypothecaire geldlening(en)) aan de man dient uit te betalen;

3.2.

deelt de echtelijke woning aan de vrouw toe indien aan alle hiervoor genoemde voorwaarden onder 3.1. is voldaan;

3.3.

bepaalt dat de echtelijke woning dient te worden verkocht indien aan één van de hiervoor genoemde voorwaarden onder 3.1. niet is voldaan, waarbij na verkoop van de woning de overwaarde (verkoopopbrengst woning minus de hypothecaire geldlening(en)) bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld, en beveelt de vrouw om aan de verkoop ervan haar medewerking te verlenen;

3.4.1.

deelt aan de man toe de ene helft van het saldo op de datum 14 april 2016 van de gezamenlijke bankrekening eindigend op -579, thans eindigend op -260;

3.4.2.

deelt aan de vrouw toe de andere helft van het saldo op de datum 14 april 2016 van de gezamenlijke bankrekening eindigend op -579, thans eindigend op -260;

3.5.

bepaalt dat de man $ 10.400,- aan de vrouw dient te betalen;

3.6.

bepaalt – conform artikel 2.4 van het door partijen op 11 en 13 maart 2018 ondertekende deelconvenant tevens vaststellingsovereenkomst – dat de privé IRA-rekening van de vrouw (-533) zal worden gesplitst, waarbij de helft van het saldo op de datum van de splitsing zal worden overgemaakt op de reeds op naam van de man bestaande IRA-rekening (-529);

3.7.

bepaalt – conform artikel 2.5 van het door partijen op 11 en 13 maart 2018 ondertekende deelconvenant tevens vaststellingsovereenkomst – dat de privé IRA-rekening van de man (-529) zal worden gesplitst, waarbij de helft van het saldo op de datum van de splitsing zal worden overgemaakt op de reeds op naam van de vrouw bestaande IRA-rekening (-533);

3.8.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

neemt in deze beschikking op het door partijen op 11 en 13 maart 2018 ondertekende deelconvenant tevens vaststellingsovereenkomst, waarvan een exemplaar van elf pagina’s aan deze beschikking is gehecht;

3.10.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.11.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.P.H. Welie, griffier, op 27 juli 2018.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.