Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7158

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
04 6878798 CV 18-2668
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde betwist hoogte facturen. Niet onderbouwd betwist. De door gedaagde partij gestelde betalingsregeling wordt betwist en is door gedaagde partij niet aangetoond. Vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6878798 \ CV EXPL 18-2668

Vonnis van de kantonrechter van 25 juli 2018

in de zaak van:

de burgerlijke maatschap [eisende partij],

gevestigd te [vestigingsplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,

tegen:

[gedaagde partij] , h.o.d.n. [handelsnaam gedaagde partij],

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisende partij heeft in of omstreeks augustus 2014 tot en met maart 2016 onder toepasselijkheid van de gehanteerde voorwaarden in opdracht en voor rekening van gedaagde partij werkzaamheden verricht, bestaande uit onder andere financieel advies.

2.2.

Gedaagde partij heeft de volgende facturen ontvangen en onbetaald gelaten:

Factuurdatum nummer/omschrijving bedrag

12/08/2014 9416368 € 3.603,21

13/08/2014 betaling voor interventie -/- € 2.000,00

11/09/2014 9418646 € 4.976,13

10/10/2014 9420794 € 211,75

11/12/2014 9424936 € 317,63

15/01/2015 9427404 € 847,00

10/04/2015 9505580 € 428,34

10/09/2015 9517623 € 428,34

09/03/2016 9603023 € 428,34

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 13.067,13, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Aan haar vordering legt eisende partij de door gedaagde partij onbetaald gelaten facturen ten grondslag. Partijen zijn een betalingsregeling overeengekomen; gedaagde partij betaalt een bedrag van € 7.500,00, tegen finale kwijting. Nu gedaagde partij deze regeling niet is nagekomen, is de betalingsregeling komen vervallen en maakt eisende partij thans aanspraak op het volledig verschuldigde bedrag.

3.3.

Gedaagde partij voert verweer en stelt zich op het standpunt dat tussen partijen een betalingsregeling voor een bedrag van € 7.500,00 tegen finale kwijting bestaat. Overeengekomen is dat dit bedrag zal worden betaald uit een fee die gedaagde partij nog van een relatie tegoed heeft inzake een verkooptransactie waarbij zowel eisende partij als gedaagde partij betrokken waren.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen houdt verdeeld de vraag of gedaagde partij gehouden is het volledige bedrag van € 9.240,74 of een bedrag van € 7.500,00 aan eisende partij te voldoen en wanneer dit bedrag dan dient/diende te worden voldaan.

4.2.

Gedaagde partij beroept zich op een betalingsregeling. Eisende partij erkent dat sprake is geweest van een betalingsregeling, maar stelt dat nu gedaagde partij de betalingsregeling niet is nagekomen deze is vervallen.

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Gedaagde partij stelt dat bij de betalingsregeling eveneens is overeengekomen dat het bedrag eerst betaald hoefde te worden wanneer de fee uit een verkooptransactie (door een derde aan gedaagde partij) zou zijn betaald. Uit de door partijen in het geding gebrachte stukken blijkt dit echter niet. De e-mail van 18 augustus 2017 waarnaar gedaagde partij verwijst, is, zo de kantonrechter begrijpt, een voorstel van gedaagde partij, nog in het kader van de onderhandelingen. Niet blijkt dat eisende partij hiermee heeft ingestemd.

Op enig moment is er dan kennelijk overeenstemming over een bedrag van € 7.500,00, echter ontbreekt een betalingstermijn. Vast staat dat gedaagde partij al die tijd, tot op heden, geen enkele betaling heeft verricht. Naar het oordeel van de kantonrechter is er dan ook geen voldragen betalingsregeling tot stand gekomen.

4.4.

Gedaagde partij stelt tevens dat partijen een bedrag van € 7.500,00 zijn overeengekomen, nu gedaagde partij het niet geheel eens was met de door eisende partij gestuurde declaraties. De kantonrechter leidt hieruit af dat gedaagde partij mogelijk de hoogte van de declaraties betwist. De kantonrechter overweegt als volgt.

Bij e-mail van 14 maart 2017 zegt gedaagde partij toe maandelijks € 500,00 te zullen gaan betalen. Gedaagde partij heeft hierbij niet te kennen gegeven de facturen, althans een deel daarvan, te betwisten. Aan de betaling van dit (termijn)bedrag wordt hij herhaaldelijk herinnerd, zonder succes. Op 13 juli 2017 ondertekent gedaagde partij vervolgens een schriftelijke betalingsregeling voor € 500,00 per maand, zonder vermelding van een totaalbedrag.

Wat hier verder ook van zij, gedaagde partij heeft aan de betwisting van de facturen geen handen en voeten gegeven. Hij heeft zijn standpunt algemeen geformuleerd, zonder concrete details als welke facturen/declaraties kloppen niet, wat zou het wel moeten zijn en waar blijkt dat dan allemaal uit. Het lag op de weg van gedaagde partij zijn stelling met voldoende concrete feiten te omkleden. Alleen dan kan een wederpartij zich voldoende verweren en alleen dan leent een geschilpunt zich eventueel voor bewijslevering. Nu gedaagde partij dit heeft nagelaten, zal dit verweer worden verworpen.

4.5.

Gezien het bovenstaande kan worden vastgesteld dat de betaling van de gevorderde facturen tot een bedrag van € 9.240,74 aan eisende partij kan worden toegewezen. Nu de betalingstermijn van de afzonderlijke facturen reeds is verstreken, zal ook de gevorderde rente worden toegewezen.

4.6.

De kantonrechter stelt vast dat eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 837,04 komt de kantonrechter niet onredelijk voor en zal aan eisende partij worden toegewezen.

Dat gedaagde partij twee keer op een oud e-mailadres is aangemaand, maakt het voorgaande niet anders. De overige door eisende partij aangetoonde buitengerechtelijke werkzaamheden rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam de vergoeding van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4.7.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 81,00

  • -

    griffierecht 952,00

  • -

    salaris gemachtigde 600,00 ( 2 x tarief € 300,00)

totaal € 1.633,00

4.8.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 13.067,13, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 12.586,59 vanaf 23 april 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 1.633,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: