Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7064

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
03/700410-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Viervoudige poging tot moord: 25 jaren gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700410-16

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 juli 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

gedetineerd in de P.I. Vught, Vosseveld 2 H.v.B. Regulier, te Vught.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.A. Van der Horst en mr. A. Slijter advocaten kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 juni 2018. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 10 juli 2018. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is (na wijziging) als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat de verdachte:

  • -

    twee keer heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te vermoorden (feiten 1 en 2);

  • -

    heeft geprobeerd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te vermoorden (feit 3);

  • -

    wapens en munitie voorhanden heeft gehad (feiten 5 en 6);

  • -

    andere misdrijven heeft beraamd (feit 4).

3 De voorvragen

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de dagvaarding nietig te verklaren ten aanzien van feit 4, het beramen van misdrijven. De tenlastelegging is volgens de raadsman innerlijk tegenstrijdig en niet specifiek genoeg. Welk verwijt nu concreet wordt gemaakt, is de verdediging een raadsel. De tenlastelegging voldoet daarom niet aan het vereiste van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.).

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat het verweer moet worden verworpen. Feit 4 is op een gangbare manier tenlastegelegd en voldoende duidelijk.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 4 nietig moet worden verklaard. Een tenlastelegging moet voldoende duidelijk zijn, teneinde een verdachte in de gelegenheid te stellen zich te verweren. Of het verwijt duidelijk is of niet, wordt mede beoordeeld aan de hand van het dossier dat is verstrekt. Uit de combinatie van tenlastelegging en dossier moet voldoende concreet kunnen worden afgeleid op welke strafbare gedragingen het openbaar ministerie doelt.

In de onderhavige zaak betekent dit dat het duidelijk moet zijn welk concreet misdrijf door de verdachte zou zijn voorbereid en op welke manier.

De tenlastelegging gaat van start met het verwijt van het voorbereiden van één misdrijf, maar noemt evenwel vervolgens meerdere misdrijven, niet alleen moord en/of doodslag, maar ook nog vier andere misdrijven, alle ten laste gelegd als “en/of”-variant. Dat maakt het verwijt niet erg concreet en roept de vraag op of nu sprake is van een enkelvoudige of van een cumulatieve tenlastelegging. Verder is niet zonder meer duidelijk welke voorbereidingshandelingen dan concreet bij welk misdrijf of misdrijven aan de orde zijn. De manier waarop het feit (of de feiten) zou(den) zijn voorbereid is namelijk, ook tegen de achtergrond van het dossier bezien, weinig concreet omschreven. Het zou gaan om informatie verzamelen over een of meer personen als mogelijke doelwitten, afspraken/ besprekingen met een of meer andere personen maken en voertuigen en wapens/explosieven voorhanden hebben. Verder is niet duidelijk op welk slachtoffer of welke slachtoffers het misdrijf of al die misdrijven dan betrekking zou(den) kunnen hebben.

Gelet op het juridische kader voor de beoordeling dat de Hoge Raad gegeven heeft in zijn arrest van 5 april 20111, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak onvoldoende uit de verf komt op welke specifieke hoofdfeiten de officier van justitie doelt en op welk(e) hoofdfeit(en) welke voorbereidingshandelingen waren gericht. Daarmee voldoet de tenlastelegging niet aan het vereiste van artikel 261 Sv.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten bewezen. De verdachte heeft twee keer geprobeerd [slachtoffer 1] te vermoorden, door hem met telkens een vooropgezet plan in zijn auto onder vuur te nemen. De tweede keer zaten ook de vrouw en zoon van [slachtoffer 1] in de auto. Het voornemen van de verdachte om [slachtoffer 1] te doden omvatte ook deze twee inzittenden. Zij waren weliswaar niet het primaire doelwit, maar de verdachte heeft hun dood op de koop toegenomen, terwijl er gelegenheid is geweest om van zijn daad af te zien, waarmee er ook in hun geval sprake is van poging tot moord. De aanslagen zijn uitgevoerd met vuurwapens en munitie van categorie II van de Wet wapens en munitie. Dit soort wapens en munitie had de verdachte voorhanden. Dat levert nog twee zelfstandige strafbare feiten op, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De beschuldigingen van de officier van justitie zijn gebaseerd op gesprekken die de verdachte met anderen heeft gevoerd en die heimelijk door de politie zijn opgenomen. De verdachte vertelt daarin eindeloze onzinverhalen. Daar is vervolgens bewijs bij gezocht door de politie, maar dat bewijs is onvoldoende en op wat de verdachte vertelt, kan geen veroordeling gebaseerd worden, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 2

De rechtbank kan op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vaststellen dat op auto’s is geschoten waarin [slachtoffer 1] reed. Dat is twee keer gebeurd: op 29 december 2014 te Echt en op 1 maart 2016 te Echt. Op 1 maart 2016 bevonden zich in de auto ook [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de vrouw en zoon van [slachtoffer 1] .

Op 29 december 2014 is niemand gewond geraakt. Op 1 maart 2016 is [slachtoffer 1] geraakt in zijn knieën. Tot zover is er geen discussie geweest. De rechtbank zal hierna kort de inhoud weergeven van de bewijsmiddelen die hiervoor relevant zijn. Daarna zal zij ingaan op de vraag wie voor het schieten op de auto’s verantwoordelijk is. De verdachte zelf heeft niet over de verwijten willen verklaren en zich beperkt tot de opmerking dat hij er niets mee te maken heeft.

De aangiften

[slachtoffer 1] heeft op 12 oktober 2016 aangifte gedaan van de pogingen tot moord op respectievelijk 29 december 2014 en 1 maart 2016. Op 29 december 2014 reed hij in een Mercedes-Benz Vito bus richting Aasterberg (gemeente Echt). Een BMW haalde hem in. [slachtoffer 1] zag dat het raam van de BMW aan de bijrijderszijde geopend was, zag een loop en hoorde meteen erna een knal. [slachtoffer 1] trapte op de rem, de BMW reed door.3

Op 1 maart 2016 reed hij in een Mercedes-Benz Viano met zijn vrouw [slachtoffer 2] en zijn zoon [slachtoffer 3] richting Stevensweert. Bij een splitsing gaf hij eerst ruimte aan een personenbus. Toen hij verder reed en rechtsaf sloeg, hoorde en zag hij schoten. Hij voelde dat hij werd geraakt in zijn benen.4

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij en haar man [slachtoffer 1] en hun jarige zoon [slachtoffer 3] op 1 maart 2016 naar de bioscoop waren geweest. Op de terugweg naar huis wilden zij rechtsaf slaan. Zij lieten een bus voorgaan en toen zij verder reden, werden zij beschoten. Zij hoorde haar man zeggen dat hij geraakt was.5

Het letsel van [slachtoffer 1]

Aan beide knieën heeft [slachtoffer 1] op 1 maart 2016 verwondingen opgelopen, zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde. Dat betrof in- en uitschotverwondingen. Verder had [slachtoffer 1] botbreuken van beide onderbenen en van een bovenbeen: gefragmenteerde botbreuken in het linker en rechter kniegewricht.

[slachtoffer 1] is geopereerd en op 4 mei 2016 ontslagen uit het ziekenhuis. Later is links een knieprothese geplaatst en er zou waarschijnlijk ook een knieprothese worden geplaatst in de rechterknie.6 Uit de stukken die bij de vordering benadeelde partij zijn gevoegd blijkt dat die rechterknieprothese inmiddels is geplaatst.

Het (forensisch) onderzoek en de gebruikte wapens en munitie

Uit het sporenonderzoek is gebleken dat er zes inslagen van projectielen werden aangetroffen in de Mercedes-Benz Viano waarin [slachtoffer 1] reed op 1 maart 2016: twee in de motorkap, één in het linker voorscherm en drie in het linker voorportier. Op de locatie van de aanslag, een T-splitsing op de Aasterbergerweg te Echt, werden hulzen aangetroffen en veiliggesteld, 15 in totaal.7 Enkele ingeslagen projectielen werden ook veiliggesteld. Uit het sonderingsonderzoek bleek dat [slachtoffer 1] getroffen is door één van de kogels die het voorportier raakten.8

De veiliggestelde hulzen zijn door het NFI onderzocht. Het betrof hulzen van het kaliber 7,62 mm. De afvuursporen die op de hulzen te zien waren, leverden de aanwijzing op dat deze verschoten waren met één vuurwapen (een zeer veel waarschijnlijker hypothese dan de hypothese dat de hulzen met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken zijn verschoten). De vorm en ligging van de systeemsporen in de hulzen vertoonden sterke gelijkenis met die van een (semi-)automatisch werkend aanvalsgeweer van het type Kalasjnikov.9 Het betreft dan munitie van categorie II van de Wet wapens en munitie.10

Uit het onderzoek is verder gebleken dat delen van een ingeslagen projectiel werden aangetroffen in de Mercedesbus waarin [slachtoffer 1] reed op 29 december 2014. In het voorportier aan de bestuurderszijde van de bus zag men een gat. Het deurpaneel van het portier was doorboord. In een kokerbalk achter het deurpaneel werden projectielresten aangetroffen (een kogelmanteldeel en een loden kerndeel). Deze werden veiliggesteld en onderzocht door het NFI. Deze resten pasten het best bij een kogel van het kaliber 9 mm Parabellum. Binnen dit kaliber pasten de systeemsporen van het kogelmanteldeel onder andere bij (semi-)automatisch werkende machinepistolen van het type Uzi.11

De uitlatingen van de verdachte die in het geheim zijn opgenomen door de politie: feiten of fictie?

Met het voorgaande is er voldoende bewijs dat er twee aanslagen zijn gepleegd, waarbij drie personen als slachtoffer betrokken zijn. Gelet op de hoogte waarop de kogels de auto’s doorboord hebben, dat wil zeggen ter hoogte van de bestuurdersstoel12, is het goed mogelijk geweest dat de inzittenden van die auto getroffen zouden worden in het bovenlichaam en dat dit tot dodelijk letsel had kunnen leiden. De kans daarop is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen. Indien niet vastgesteld kan worden dat het opzet van de schutter rechtstreeks op de dood van de inzittenden was gericht, dan moet uit het handelen van de schutter worden aangenomen dat hij deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Dan is er sprake van voorwaardelijk opzet.

Kernvraag is wie nu deze aanslagen heeft gepleegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit de verdachte is geweest. Zij baseert dit op zijn eigen uitlatingen in door de politie heimelijk opgenomen gesprekken. De uitspraken zijn door de raadsman naar het rijk der fabelen verwezen, maar de rechtbank neemt ze serieus en zal hierna motiveren waarom. Kort samengevat: de uitlatingen passen zo nauw bij de feiten en omstandigheden dat er geen reden is om die uitlatingen als onzin af te doen.

De opgenomen gesprekken

In het politieonderzoek “Specht” werd vertrouwelijke communicatie opgenomen in een woning van een verdachte. Aan de opgenomen gesprekken nam de verdachte deel.13 Hij is dan in gesprek met twee mannen genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . De gesprekken zijn uitgewerkt in het dossier.

Op 27 juli 2016 gaat het gesprek over een niet met name genoemde man. De verdachte zegt tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] :

“Ik heb twee acties gedaan op hem. Ene keer doet het ding het niet. Was perfect, ga ik, met bodyguards en alles achter zich. Ondertussen met een snelle auto erachter in een keer. Had ik een mooie stellage gemaakt zo met de uzi zo erop, doorgelaaije/bovenlader en al in het midden. Vrooeem, vrooeem vrooeemm krrtsj tak, doet maar een schot. Ik door. Komen meer auto’s, afgeblazen.

De tweede keer, mooie ambush, maar ja hij had de hele familie bij zich, moest ik kijken hoe ik dat moest doen, bambambambambambam. Hij loopt nou, weet je…. op krukken.” 14

Details uit dit gesprek komen overeen met de verklaring van [slachtoffer 1] en de sporen die zijn aangetroffen, zoals hiervoor al weergegeven. Op 1 maart 2016 werd [slachtoffer 1] in zijn knieën getroffen, ten gevolge waarvan hij langdurig moest revalideren en daarom met behulp van krukken heeft moeten lopen. Op die dag zat hij bovendien met zijn familie in de auto en werden er in korte tijd meer schoten gelost. Ter plaatse werden 15 hulzen aangetroffen, hetgeen verdachte treffend verwoordt met “bambambambambambam”. Daar komt nog bij dat de politie beschreven heeft hoe de schutter zich op 1 maart 2016 verdekt kan hebben opgesteld bij de T-splitsing waar [slachtoffer 1] rechtsaf moest, op een talud, achter een schakelkast en dat de schutter ook gemakkelijk ongezien weer kon weggaan na de aanslag, wat samen te vatten valt in het door de verdachte gebruikte woord “ambush”.15

Op 29 december 2014 werd [slachtoffer 1] voorbij gereden met een BMW, een auto die in het algemeen bekend staat als snel. Er werd maar één schot gelost. Verder blijkt uit het dossier dat [slachtoffer 1] op weg was met zijn zoon [zoon slachtoffer 1] in een tweede auto, die achter hem aanreed. Dat kan betrekking hebben op de opmerking van de verdachte dat [slachtoffer 1] bodyguards achter zich had. [slachtoffer 1] verklaarde dat de BMW erg kort op de auto van zijn zoon reed en ging inhalen.16 Er reden meer auto’s, getuige de verklaring van de getuige [getuige] , één van de andere bestuurders, die ook weer past bij de uitlatingen van de verdachte. [getuige] verklaarde dat hij zelf ook werd ingehaald door een BMW met zeer hoge snelheid. Hij zag daarna dat de BMW vervolgens flink gas gaf (“Vrooeem, vrooeem vrooeemm”) en naast de Mercedes Vito stopte, die vaart geminderd had voor een verkeersdrempel. De getuige hoorde toen een knal.17

[slachtoffer 1] heeft bovendien verklaard dat hij, hoewel hij het wapen niet heeft gezien, wel zag dat het ergens (een steun) op rustte.18 Dat komt weer overeen met de uitspraak van de verdachte dat hij een stellage had gemaakt.

Daar komt nog het volgende bij. De verdachte verklaart in het gesprek dat hij schoot met een Uzi. Dat past bij de kogelresten die zijn aangetroffen van het kaliber 9 mm Parabellum, zoals door het NFI gerapporteerd is.

Ten aanzien van al deze details, zeker in onderlinge samenhang bezien, passen de feiten zo treffend bij de uitlatingen van de verdachte, dat er voldoende wettig bewijs is om aan te kunnen nemen dat hij de aanslagen heeft gepleegd.

De rechtbank ziet bovendien niet in waarom de verdachte een en ander volledig verzonnen zou hebben. Dat baseert zij niet alleen op de vele overeenkomsten tussen de voornoemde uitlatingen en de feiten, maar in het kader van de overtuiging ook op nog andere onderdelen van de opgenomen gesprekken, waarin de details die de verdachte noemt, opvallend goed passen bij de feiten van het dossier. Dat betreft het gedeelte dat over wapens en munitie gaat en het gedeelte waarin de verdachte vertelt dat hij over een informant bij de politie beschikt. De rechtbank zal dit hierna bespreken en daarna nog enkele slotconclusies trekken.

De vondsten van wapens, munitie en explosieven

In de opgenomen gesprekken spreekt de verdachte over wat hij allemaal wel niet aan wapens en springstof heeft liggen. Hij zegt dan onder andere:

Ik heb 2 soorten springstof liggen, 1 moet je mengen, ene semtex met verschillende ontstekers. Ik heb twee kilo semtex geloof ik. Met tien ontstekers. Bazooka’s hebben we ook, die LAW’s en een paar snipers heb ik nog liggen. Ik geloof dat ik 10 15 ontstekers heb.

Ik wil liever niet met zo’n ding gepakt worden, want daar krijg je makkelijk twee jaar voor. Ik heb echt heavy shit, maar werken doe ik er liever niet mee. Beretta’s, twee 65 met demper, 2 en twintigers met demper, micro uzi een kleine, met demper, laser alles erop, Baretta, twee 65 met demper. Automaat, Glock 19 automaat, vierde generatie, helemaal nieuw, volautomaat, prrr, magazijnen erin van 50, just in case, shotguns, automatische shotgun.”19

Zo op het eerste gezicht lijkt deze opsomming van de verdachte grootspraak. Dat is het echter niet, omdat het tot in detail past bij wat bij doorzoekingen is aangetroffen en past bij de sporen die zijn aangetroffen op de plaatsen delict. In een kelderbox in Echt bij een pand aan de [getuige] , waar de verdachte gezien is tijdens een observatie, wordt onder andere aangetroffen:

  • -

    3 pakjes met in totaal 1278 gram springstof, kneedbaar op basis van pentriet (de rechtbank: een van de stoffen in semtex) met bijpassende ontstekers (slagpijpjes);

  • -

    diverse ontstekers en slagsnoeren, meer dan 13 stuks, getuige de foto’s in het dossier;

  • -

    een mengsel (86 gram) met afzonderlijke chemische bestanddelen, die toegevoegd worden aan springstoffen;

  • -

    2 Bazooka’s, raketwerpers (zijnde LAW’s: lichte antitankwapens),

  • -

    een shotgun Browning met afgezaagde loop en kolf, zijnde een semi automatisch hagelgeweer;

  • -

    een riotgun FabArms ;

  • -

    Uzi houders;

  • -

    patroonmagazijnen die passen bij een Kalasjnikov, kaliber 7,62x39mm.

Op de behuizing van één van de raketwerpers, op de Browning shotgun en op de riotgun is DNA aangetroffen van meerdere personen. De conclusie van het NFI na onderzoek is dat het extreem veel waarschijnlijker is dat het DNA-materiaal van de verdachte en een andere man is dan van twee onbekende personen. 20

Bij een doorzoeking op 8 augustus 2016, dus kort na voornoemd gesprek, van een chalet in Zutendaal in België, alwaar een vriendin van de verdachte woonde en documenten op naam van de verdachte werden aangetroffen:

  • -

    een scherpschuttersgeweer met richtkijker (sniper), Kaliber 22;

  • -

    een Glock, model Gen. 4 (de rechtbank: afkorting voor Generation), waarbij een magazijn werd aangetroffen. Dit wapen had werkend een automatischvurenfunctie.21

Bij een doorzoeking in Brunssum op 9 augustus 2016, dus kort na voornoemd gesprek, in een woning aan de Keizerstraat werd een Beretta met geluiddemper, model 70, kaliber 7.65 mm aangetroffen, inclusief 6 patronen. Daarop werd ook DNA aangetroffen. Ook hier luidt de conclusie van het NFI dat het extreem veel waarschijnlijker is dat het DNA-materiaal van de verdachte en een andere man is, dan van twee onbekende personen.22

Kortom: vrijwel alles wat de verdachte opsomt, blijkt te kloppen.

De politiemol [betrokkene 3]

In een ander deel van het opgenomen gesprek praten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de verdachte over een persoon genaamd [betrokkene 4] . Dit betreft een politieambtenaar, die onder dekmantel werkte in het hierboven genoemde onderzoek “Specht” (hierna: WOD-er). Uit het gesprek blijkt dat de gesprekspartners zaken met deze [betrokkene 4] en nog een andere WOD-er willen doen. Onder andere betreft dat de verkoop van politie-informatie. De verdachte en [betrokkene 2] zeggen onder meer het volgende:

De verdachte:Ze zijn gemakkelijk met geld geven. Hij kijkt, ik heb hem nu eventjes aangezet, ik zeg luister this is police, you can not get it, if you give me now one hundred thousand i can not give anyone for you anymore. There is only one. Ik zeg die ander houd ik zelf. Ik heb geld nodig anders had ik hem helemaal niet weggedaan. Had ik hem dinge, zeg eens gauw, ik heb hem al gezegd, ik moet die informatie hebben. Zo en zo en zo dan kom ik je dadelijk gelijk geld geven. Goed toen is hij meteen naar het bureau gegaan en heeft hij meteen gedaan. Ik zeg luister, ik verkoop 12 van die dingen nou, zegt hij is goed. Hij zegt doe maar weg.

Ik heb geluk daarmee, als ik die contact niet had gehad, kon ik het ook niet regelen. Maar ik heb geluk dat ik die contact al jaren heb betaald en heb geholpen.

[betrokkene 2] : we zijn goed bezig hier.

De verdachte: Ik denk het wel, want hij heeft dat nu weer meteen.. en ik moet die radio ook meenemen, zegt ie. Ik zeg weet je wat die kost? Hij zegt, ja ik heb het geld bij me.

[betrokkene 2] : ik zei het toen toch, hun kopen alles.

De verdachte: ik ben benieuwd hoeveel hij me gegeven heeft. Tel dat geld eens. Moet zeven en een half zijn. Hij zegt wat is dit. Ik zeg dat is the original paper. Ik had dat uitgedraaid van de politie. Met datum en alles. En toen deed ik dat ding aan en als je dat ding aanzet, zie je politie op het scherm.

[betrokkene 2] : dit is zeven en een half.23

Uit het dossier blijkt dat het gesprek wederom geen grootspraak is, maar betrekking heeft op een transactie waarbij de verdachte aan de WOD-er politie-informatie heeft geleverd en een politieportofoon heeft verkocht voor € 7.500,-. Die informatie was aan de verdachte geleverd door een politiemedewerker, genaamd [betrokkene 3] , die op 27 juli 2016, enkele dagen nadat de verdachte tegen de WOD-er zegt dat hij politie-informatie kan regelen, de desbetreffende informatie heeft opgevraagd uit de politiesystemen. Tegenover WOD-er [betrokkene 4] heeft de verdachte verklaard dat hij deze politieman de voorgaande jaren al meer dan € 300.000,- had gegeven voor informatie.24

Uit het onderzoek blijkt tot slot dat de verdachte [slachtoffer 1] kende en aan [betrokkene 3] zowel in 2016 als in 2014, kort na de aanslagen op [slachtoffer 1] , om informatie over de aanslagen en [slachtoffer 1] heeft gevraagd of met [betrokkene 3] daarover heeft gesproken.25

De verdachte heeft dus gesproken over vele zaken die kloppen met de feiten van het dossier, niet alleen over de aanslagen, maar ook over wapens en het kopen en verkopen van politie-informatie. Hij had de middelen om aanslagen te plegen, kende [slachtoffer 1] en hij wilde meer te weten komen over [slachtoffer 1] na die aanslagen. Dat draagt bij aan de overtuiging van de rechtbank dat de politie niet willekeurige gebeurtenissen aan de verdachte heeft willen koppelen en daar het bewijs van aan de haren erbij heeft gesleept, wat de raadsman de officier van justitie verwijt. De verdachte verzint dus niets, als het gaat om de feiten van de tenlastelegging.

De rechtbank vindt dat een en ander zo naadloos aansluit, dat vastgesteld kan worden dat de verdachte buiten gerede twijfel als degene kan worden aangewezen die op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft geschoten.

Het oordeel van de rechtbank wordt niet anders door het gegeven dat een ander deel van de gesprekken ook op het eerste gezicht overkomt als grootspraak en niet verankerd kan worden in feiten. Dat deel gaat over de maffia/comorra, een consigliere, grote jongens en opdrachten die de verdachte zou hebben tot het plegen van aanslagen en over het plegen van andere misdrijven. Aan het dossier kan de rechtbank geen (overtuigende) feiten en omstandigheden ontlenen om al die opmerkingen voor waar aan te nemen, maar dat wil nog niet zeggen haar eerdere conclusies op losse schroeven komen te staan. De rechtbank krijgt uit de gesprekken de indruk dat de verdachte graag met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een samenwerkingsverband wil aangaan en zoals hij het zelf zegt een “club” wil vormen. De verdachte beweert dan dat hij gemakkelijk aan opdrachten kan komen die geld opleveren en het is goed mogelijk dat hij hierbij schromelijk overdrijft. Een en ander zou meer aandacht behoeven als de rechtbank het tenlastegelegde onder feit 4 had moeten beoordelen, maar daar komt zij gelet op het nietig verklaren van de dagvaarding ten aanzien van dit feit, niet aan toe. Voor haar bewijsoordeel ten aanzien van de overige feiten is het in elk geval niet relevant.

Poging moord of alleen poging doodslag?

De rechtbank deelt de visie van de officier van justitie dat in deze zaak het opzet van de verdachte in zuivere zin gericht was op het doden van [slachtoffer 1] en in voorwaardelijke zin op het doden van diens vrouw en zoon. Het zuivere opzet blijkt uit de uitlatingen van de verdachte in de opgenomen gesprekken. Het opzet op het doden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt uit het gegeven dat de verdachte hen heeft waargenomen en dus bewust niet heeft afgezien van de aanslag (voorwaardelijk opzet).

Duidelijk is verder dat de verdachte zich op het doden van [slachtoffer 1] heeft voorbereid. Hij had een wapen en munitie, een snelle auto en een stellage gemaakt voor zijn uzi op 29 december 2014. Op enig moment is hij zijn voornemen gaan uitvoeren door [slachtoffer 1] met zijn BMW te gaan inhalen. Voorafgaand daaraan moeten er voldoende momenten geweest zijn waarop hij zich had kunnen beraden of hij zijn voorgenomen plan wel echt zou gaan uitvoeren. Op 1 maart 2016 heeft hij zich verdekt weten op te stellen om [slachtoffer 1] op te wachten met zijn Kalasjnikov om hem te kunnen beschieten en moet er ook tijd geweest zijn om te beslissen dit toch niet te doen, zeker toen hij ook nog zag dat [slachtoffer 1] niet alleen was. Dat alles levert voorbedachte raad op, ook ten aanzien van het doden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De verdachte heeft dus twee keer een poging tot moord op [slachtoffer 1] gepleegd en één keer op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1 primair

op 29 december 2014 te Echt ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen heeft geschoten op een Mercedes bus, in welke bus op dat moment die [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 primair

op 1 maart 2016 te Echt ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano, in welke Mercedes op dat moment die [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3 primair

op 1 maart 2016 te Echt, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano, in welke Mercedes op dat moment die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waren gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 5

op 29 december 2014 te Echt een wapen van categorie II, onder 2 (te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren) en munitie van categorie II voorhanden heeft gehad;

Feit 6

op 1 maart 2016 te Echt een wapen van categorie II, onder 2 (te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren) en munitie van categorie II, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair en feit 5

de eendaadse samenloop van:

poging tot moord en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

feit 2 primair, feit 3 primair en feit 6

de eendaadse samenloop van:

poging tot moord, meermalen gepleegd en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 26 jaren en 8 maanden wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft twee keer geprobeerd [slachtoffer 1] om het leven te brengen. De tweede keer werden diens vrouw en zoon zonder pardon meegenomen in de uitvoering van het plan [slachtoffer 1] te doden. De eerste keer bevond zich ook nog een tweede persoon in de auto van [slachtoffer 1] . Deze feiten hadden verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben en de slachtoffers mogen van geluk spreken dat het wapen van de verdachte de eerste keer blokkeerde en dat zij de tweede aanslag hebben overleefd. [slachtoffer 1] heeft ernstig letsel opgelopen. Hij zal daarvan niet volledig herstellen en heeft inmiddels twee knieprothesen. Hij heeft veel pijn en heeft zijn vroegere leven niet meer op kunnen pakken. Bovendien zal alleen al door de psychische gevolgen van de traumatische feiten het leven voor het gezin [slachtoffer 1] niet meer worden zoals het was.

Over het motief van de verdachte kan de rechtbank niet veel zeggen, maar er zijn aanwijzingen te vinden in de opgenomen gesprekken dat de verdachte meende dat er bij [slachtoffer 1] veel (verborgen) geld te halen viel en dat de verdachte op allerlei manieren geld wilde halen uit criminele activiteiten. Ook zijn in die gesprekken aanwijzingen te vinden dat de verdachte nog een derde keer wilde proberen om [slachtoffer 1] om het leven te brengen. Of er andere mensen dan [slachtoffer 1] getroffen worden, maakt de verdachte niet uit. Hij heeft gezien dat [slachtoffer 1] niet alleen in de auto zat, maar voerde zijn plan toch uit en bovendien vonden de aanslagen plaats op de openbare weg op momenten dat er nog ander verkeer was. Dat alles betekent dat de samenleving te maken heeft met een gewetenloze man, die ook nog eens beschikte over een grote voorraad gevaarlijke wapens, munitie en explosieven. Zo beschikte de verdachte bijvoorbeeld over hollowpoint kogels. Deze patronen kunnen door hun uitwerking gruwelijke verwondingen veroorzaken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook de enige passende sanctie. Die moet dienen als vergelding voor de ernstige feiten, maar ook om de verdachte uit de samenleving te verwijderen waarvoor hij een groot gevaar vormt.

[slachtoffer 1] is een man die toegegeven heeft dat hij in het verleden in het criminele circuit heeft gewerkt. Daarmee komen de onderhavige feiten in de sfeer terecht van liquidaties in het criminele milieu. De samenleving heeft er alle belang bij dat aan dit soort feiten een halt wordt toegeroepen. Moord wordt algemeen beschouwd als het ernstigste misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht. Het doet er op zichzelf voor de strafwaardigheid niet toe of een crimineel daarvan het slachtoffer wordt of een keurige burger. Voor nabestaanden wordt het verlies en verdriet er immers niet minder om. Wel is bij het onderhavige soort feiten een strafverhogende factor aan te wijzen. Het idee achter criminele afrekeningen zal in het algemeen een of ander conflict zijn. De kille afrekeningen in het criminele milieu spelen zich vervolgens geregeld in het openbaar af, waardoor mensen die volkomen buiten zo’n conflict staan ook in gevaar worden gebracht. Dat maakt zwaardere straffen nodig, ook in deze zaak. Er kan moeilijk een einde aan deze praktijken worden gemaakt, als potentiële daders niet genoeg boven het hoofd hangt.

De maximumstraf voor moord heeft de wetgever bepaald op levenslang of anders een tijdelijke straf van ten hoogste 30 jaar. Bij een poging moet die tijdelijke gevangenisstraf met eenderde worden verlaagd ten opzichte van het maximum. Omdat sprake is van een meerdaadse samenloop van feiten, kan de straf weer worden verhoogd met een derde. De maximaal op te leggen straf komt dan uit op 26 jaar en 8 maanden. Dat is wat de officier van justitie heeft geëist, waarbij de officier van justitie ook rekening heeft gehouden met de onder 4 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen.

Voor feiten als de onderhavige zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten voorhanden om de strafmaat op te baseren. In dat geval kijkt de strafrechter naar vergelijkbare zaken en de straffen die daarin zijn opgelegd. In het algemeen laten die zaken zich moeilijk vergelijken, maar wanneer het gaat om moordpogingen die zich laten aanmerken als criminele afrekening, zijn er vrij recente uitspraken beschikbaar waar de rechtbank naar gekeken heeft. Dan moet gedacht worden aan een gevangenisstraf van minimaal 15 tot 20 jaar voor een voltooide moord en dus 10 tot 13 jaar voor een poging daartoe. Omdat hier sprake is van 4 pogingen tot moord komt de maximumstraf in beeld. De rechtbank zou daar ook voor kiezen, ware het niet dat zij feit 4, het beramen van een ander ernstig misdrijf, buiten beschouwing laat, terwijl de officier van justitie dit feit wel bij zijn eis heeft betrokken. Alles afwegend komt de rechtbank tot het opleggen van een gevangenisstraf van 25 jaren.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 194.847,54 ter zake van feit 2, waarvan € 50.000,- voor geleden immateriële schade (smartengeld). De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] vorderen ieder een schadevergoeding van € 2.500,- ter zake van feit 3 voor geleden immateriële schade.

De officier van justitie acht de vorderingen toewijsbaar. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , wanneer zij tot een bewezenverklaring komt van feit 3. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de raadsman aangevoerd dat, wanneer de feiten bewezen worden verklaard, het overgrote deel van de materiële schadeposten zich niet leent voor een behandeling in het strafproces. De raadsman mist onderbouwing van posten en heeft veel vragen. Die schadeposten moeten door de civiele rechter worden beoordeeld. Het gevorderde bedrag voor geleden immateriële schade acht hij volkomen buiten de orde en moet fors gematigd worden.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van het bewezenverklaarde onder feit 3. De vorderingen zijn inhoudelijk niet betwist door de verdediging. De rechtbank acht de verdachte aansprakelijk voor die schade. Zij zal de vorderingen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal de rechtbank gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren. Dit betreft de posten verlies van arbeidsvermogen, trainingskosten, verlies zelfwerkzaamheid, kosten voor paardenhulp, stalwerkzaamheden en werkzaamheden die de zoon van [slachtoffer 1] heeft verricht. Deze kosten zien op het bedrijf, een paardenstal, dat de benadeelde partij samen met zijn vrouw heeft. Dit bedrijf staat echter op naam van [slachtoffer 2] en daarmee valt de schade in beginsel formeel juridisch bij de echtgenote van de benadeelde partij. De rechtbank heeft onvoldoende informatie om de onderliggende vermogensrechtelijke verhoudingen in het bedrijf te kunnen beoordelen en te bepalen welk deel van de bedrijfsschade als schade van de benadeelde partij zelf moet worden aangemerkt. Het strafproces wordt onevenredig belast, wanneer daar nader onderzoek naar moet worden gedaan. Hiervoor zal de benadeelde partij zich tot de civiele rechter moeten wenden.

De overige posten zijn niet of onvoldoende betwist. De rechtbank acht de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde onder feit 2. Zij acht de verdachte aansprakelijk voor die schade. Zij zal de vordering toewijzen. Dit betreft een bedrag van € 92.617,54, waarvan € 50.000,- voor geleden immateriële schade. Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 Het beslag

In het onderzoek is een groot aantal voorwerpen, voornamelijk sporen, in beslag genomen. De rechtbank heeft gezien dat de officier van justitie voorafgaand aan de zitting een voor het strafproces gebruikelijke beslaglijst heeft overgelegd. Doorgaans moet de rechtbank dan over dit beslag een beslissing nemen. De officier van justitie heeft geen specifieke beslissing gevorderd. De rechtbank gaat ervan uit dat de voorwerpen nog een bewijsfunctie kunnen hebben. Zij zal daarom geen beslissing nemen, zodat het beslag ex artikel 94 Sv. zal blijven bestaan.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 55, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

De voorvragen

- verklaart de dagvaarding met betrekking tot feit 4 nietig;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 25 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats] , gedeeltelijk toe ter zake van feit 2 primair en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 92.617,54, waarvan € 50.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 maart 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van € 92.617,54, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats] , ter zake van feit 3 primair toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 2.500,- (ter zake

  • -

    van immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 maart 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van € 2.500,- bij niet betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , wonende te [woonplaats] , ter zake van feit 3 primair toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 2.500,- (ter zake van immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 maart 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van € 2.500,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en mr. M.M. Beije, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 juli 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging- ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 december 2014 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes bus, in welke bus op dat moment die [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 29 december 2014 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes busje, in welk busje op dat moment die [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, althans in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen

een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano (kenteken [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment die [slachtoffer 1] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, althans in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen met een vuurwapen te schieten op een Mercedes Benz, Viano

(kenteken [kenteken] ) in welke Mercedes op dat moment die [slachtoffer 1] was gezeten;

3.

hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, althans in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano

(kenteken [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] waren gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, althans in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, althans in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meermalen heeft geschoten op een Mercedes-Benz Viano (kenteken [kenteken] ), in welke Mercedes op dat moment die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] waren gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 8 augustus 2016, althans in ieder geval in het jaar 2016, in het arrondissement Limburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of doodslag en/of gijzeling en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of diefstal met

geweld c.q. afpersing, telkens opzettelijk:

-informatie heeft verzameld over/van een of meer personen als mogelijke doelwitten van een of meerdere van de voornoemde misdrijven en/of:

-afspraken en/of besprekingen met een of meer andere personen heeft gemaakt en/of gevoerd over de uitvoering van een of meerdere van voornoemde misdrijven en/of:

-een of meer voertuigen en/of een of meer vuurwapens en/of springstof en/of een of meer ontstekers en/of een of meer informatiedragers, bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 29 december 2014 te Echt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 (te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren) en/of een wapen van categorie III (te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool) en/of munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

6.

hij op of omstreeks 01 maart 2016 te Echt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren en/of te Ohé en Laak, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 (te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren) en/of munitie van categorie II, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

1 Het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2011, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:HR:2011:BO6691.

2 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, Team Grootschalige Opsporing, proces-verbaalnummer LB1R016022, gesloten d.d. 5 juli 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 3522.

3 Het proces-verbaal aangifte, dossierpagina 1377.

4 Het proces-verbaal verhoor aangever, dossierpagina 1358.

5 Het proces-verbaal verhoor getuige, dossierpagina 1404.

6 Het geschrift Medische Informatie, dossierpagina 137 en 138.

7 Het Proces-verbaal Sporenonderzoek, dossierpagina 365, o.v.v. Spoor Identificatie nummers AAJJ8281NL tot en met AAJJ8295NL.

8 Het proces-verbaal Sporenonderzoek, dossierpagina 399.

9 Het deskundigenrapport d.d. 20 oktober 2016, opgemaakt door [naam deskundige 1] , verbonden aan het NFI, dossierpagina 504 en 505.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 2608.

11 Het proces-verbaal Sporenonderzoek, dossierpagina 1568 en 1569, o.v.v. Spoor Identificatie nummer AAIA8607NL en het deskundigenrapport d.d. 1 augustus 2017, opgemaakt door [naam deskundige 2] , verbonden aan het NFI, dossierpagina 2912.

12 Het proces-verbaal Sporenonderzoek, de foto’s in bijlage 1, dossierpagina 372.

13 Het proces-verbaal van bevindingen gebruiker nummer 06-21448018, dossierpagina 1688.

14 De woordelijke uitwerking van opgenomen gesprekken, dossierpagina 1271.

15 Het proces-verbaal Sporenonderzoek, dossierpagina 426 en 427.

16 Het proces-verbaal van verhoor aangever, dossierpagina 1377, tweede helft.

17 Het proces-verbaal verhoor getuige, dossierpagina 1320.

18 Het proces-verbaal van verhoor aangever, dossierpagina 1378, bovenaan.

19 De woordelijke uitwerking van opgenomen gesprekken, dossierpagina 1263, 1269, 1265 en 1275.

20 Het proces-verbaal van observatie, dossierpagina 2271 en 2272 bovenaan, het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, dossierpagina 2485 en 2486, het Informatierapport Sectie 2 EOD, dossierpagina 2520 tot en met 2552, het deskundigenrapport d.d. 15 mei 2017, opgemaakt door dr. [naam deskundige 3] , verbonden aan het NFI, dossierpagina 2281 tot en met 2299 o.v.v. Spooridentificatienummers AAJN2687NL, AAJN2688NL, AAJN2686NL, AAJN2690NL, het Proces-verbaal van Forensische opsporing Expertise Wapens, Munitie en Explosieven, dossierpagina 2588 tot en met 2625, het proces-verbaal Sporenonderzoek, dossierpagina 2913 tot en met 2968 o.v.v. Spoor Identificatienummers AAKV8584NL, AAKV8548NL en AAKV8581NL, het deskundigenrapport d.d. 7 april 2017, opgemaakt door Dr. [naam deskundige 4] , verbonden aan TMFI, dossierpagina 2277 tot en met 2279.

21 Het geschrift Omschrijving goed, dossierpagina 3018, Het Proces-verbaal van Forensische Opsporing Expertise Wapens, Munitie en Explosieven, dossierpagina 2308 tot en met 2317.

22 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, dossierpagina 2756, de kennisgeving van inbeslagneming, dossierpagina 2816, het Proces-verbaal Sporenonderzoek, dossierpagina 2829 en 2830, o.v.v. Spoor Identificatienummers AAJN2840NL en AAJN2839NL, het proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek, dossierpagina 2841, het deskundigenrapport d.d. 19 oktober 2016, opgemaakt door Dr. [naam deskundige 5] , verbonden aan TMFI, dossierpagina 2851 tot en met 2856, het Proces-verbaal van Forensische Opsporing Expertise Wapens, Munitie en Explosieven, dossierpagina 2832 tot en met 2835.

23 De woordelijke uitwerking van opgenomen gesprekken, dossierpagina 1263, 1264, 1265 en 1267.

24 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 768 tot en met 771.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 1037, onderaan en het proces-verbaal, dossierpagina 2000, onderaan