Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7063

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
03/700579-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging zware mishandeling en voor diefstal. De verdachte nam na een verkeersruzie de scootersleutels van het slachtoffer mee en reed fors optrekkend met zijn bestelauto weg, terwijl het slachtoffer aan de buitenzijde van het portier van die auto hing. Aanmerkelijke kans op dood niet bewezen, wel aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Taakstraf van 180 uur en vergoeding materiële en immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700579-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 juli 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.B.E. van Kan, advocaat, kantoorhoudende te Heerlen. Hij neemt waar voor zijn kantoorgenoot mr. Th. Boumans.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 juli 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De benadeelde partij, [slachtoffer] , is niet in persoon verschenen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1, primair, subsidiair en meer subsidiair: heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden dan wel zwaar te verwonden dan wel hem heeft mishandeld door met zijn bestelauto fors op te trekken en met grote snelheid weg te rijden, terwijl [slachtoffer] aan het portier hing.

Feit 2 primair: sleutels van [slachtoffer] heeft gestolen door hem op de openbare weg meermalen in het gezicht te slaan;

Feit 2 subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen in het gezicht te slaan.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen kan worden.

Daartoe heeft zij aangevoerd dat het slachtoffer en de verdachte weliswaar een andere lezing hebben, maar dat de verklaring van het slachtoffer op meerdere punten wordt ondersteund door getuigenverklaringen en door de gemaakte camera-opnamen. Daarom gaat zij uit van de lezing van het slachtoffer. De verdachte heeft minimaal 30 km/h uur gereden over een afstand van 200 meter, terwijl het slachtoffer aan het portier van zijn bestelbus hing. Het was een bewuste keuze van de verdachte om onder die omstandigheden te gaan rijden. Hoewel de verdachte niet de bedoeling had om het slachtoffer te doden, heeft hij door zodanig te handelen wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hard ten val zou komen en gewond zou raken aan vitale onderdelen van zijn lichaam door onder de bestelbus terecht te komen of in aanraking te komen met andere verkeersdeelnemers of wegobjecten.

Ook ten aanzien van de onder feit 2 primair tenlastegelegde diefstal met geweld heeft de officier van justitie gesteld dat het feit kan worden bewezen.

Ook hiervoor heeft zij verwezen naar de verklaring van het slachtoffer, die op meerdere punten wordt ondersteund door getuigenverklaringen. Op basis daarvan staat vast dat de verdachte het slachtoffer meermalen heeft geslagen en dat hij daarna de sleutels van het slachtoffer heeft weggenomen. Aldus heeft de verdachte de diefstal van de sleutels mogelijk gemaakt door het slachtoffer te slaan. Dit is bovendien gebeurd aan de openbare weg.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag en van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

De raadsman stelt voorop dat de verdachte niet het voornemen had om [slachtoffer] te doden of zwaar letsel toe te brengen.

Aan de hand van de camerabeelden heeft de raadsman de exacte plaats van het incident via Google Earth opgezocht. Hieruit blijkt dat er een middenberm aanwezig was en dat de rijbanen ruim van elkaar waren gescheiden. Ook droeg [slachtoffer] op het moment van het incident een helm. De bodem van de bestelbus bevindt zich bovendien dusdanig laag bij de grond, dat er geen gevaar was dat [slachtoffer] onder de bestelbus terecht zou komen. Gelet op die omstandigheden was er geen sprake van een aanmerkelijke kans op dodelijk of zwaar lichamelijk letsel en dit is ook niet door de verdachte op de koop toegenomen. Naast het ontbreken van boos opzet, was er dan ook geen voorwaardelijk opzet.

De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit van de onder feit 2 primair tenlastegelegde diefstal met geweld, omdat bij de verdachte de bedoeling ontbrak om zich de sleutels wederrechtelijk toe te eigenen. Hij wilde slechts voorkomen dat het slachtoffer zou wegrijden zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Het slaan was niet bedoeld om de sleutels weg te nemen.

Ten aanzien van de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Aangifte van het slachtoffer

Op 7 december is door [slachtoffer] aangifte2 gedaan tegen de bestuurder van een bestelbusje na een verkeersruzie.

Hij heeft verklaard dat hij die dag op zijn bromfiets over de John F. Kennedylaan te Heerlen in de richting van de Heerlerbaan reed. Achter hem reed een grijs bestelbusje. Direct nadat hij de rotonde, net voorbij het tankstation gelegen, gepasseerd was, hoorde hij getoeter. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij dat het grijze bestelbusje vlak achter hem reed, op twee of drie meter afstand. De bestuurder van het bestelbusje knipperde met groot licht naar hem, kennelijk omdat hij wilde dat [slachtoffer] aan de kant ging. Daarvoor was echter op dat moment geen ruimte. Om dat aan te geven heeft [slachtoffer] zijn linkerhand in de lucht gestoken. Op hetzelfde moment zag hij dat het bestelbusje harder ging rijden, terwijl zijn eigen snelheid op dat moment ongeveer 45 km/h moet zijn geweest. Het busje kwam dichterbij en hij voelde een klap tegen de achterkant van zijn bromfiets. Daardoor begon zijn bromfiets te slingeren en daar schrok hij erg van, maar het lukte hem om snel weer de controle over de bromfiets terug te krijgen. Op dat moment werd de weg breder en is hij aan de kant gegaan om het busje te laten passeren. Het busje passeerde hem aan de linkerkant met hoge snelheid en raakte daarbij de linker achteruitkijkspiegel van de bromfiets. [slachtoffer] schrok opnieuw, maar was ook boos omdat hij nu voor de tweede keer aangereden werd. In zijn boosheid heeft hij toen met zijn linkerbeen tegen het busje geschopt. De bestuurder van het bestelbusje stuurde daarop naar rechts, scherp richting stoeprand, kennelijk om hem af te snijden. [slachtoffer] moest vol in de rem om een aanrijding te voorkomen. De bestuurder stapte uit het busje, kwam op hem af lopen en zei: “Tegen mijn auto schoppen!”. De man pakte [slachtoffer] met zijn linkerhand bij de kinbescherming van de helm. De man sloeg hem door het geopende vizier vier of vijfmaal met zijn rechtervuist. [slachtoffer] voelde hierdoor pijn aan zijn gezicht. Door zijn helm kon de man hem echter niet goed raken. De man had de kinbescherming nog steeds vast, toen hij met zijn rechterhand naar de bromfietssleutels reikte en de sleutels uit het contact haalde. De man liep daarop terug naar zijn bestelbusje en stapte in. Op dat moment is [slachtoffer] rechts om het busje heen gelopen en heeft op de voorruit geslagen. Daarbij heeft hij naar de man geroepen dat die zijn sleutels moest teruggeven. De man deed echter zijn portier dicht, kennelijk om weg te rijden. [slachtoffer] heeft het portier toen weer geopend. Op het moment dat hij het portier opende, zag en voelde hij dat het busje fors optrok en met grote snelheid wegreed. Hij voelde dat hij door het busje werd meegesleurd en durfde het portier niet meer los te laten. Hij was bang dat hij dan onder de wielen van het busje terecht zou komen, omdat dit busje een lange bocht naar links nam of, gezien de snelheid, fikse verwondingen zou oplopen. Hij was op dat moment doodsbang. Terwijl hij door het busje werd meegesleept, voelde hij dat zijn rechterbeen over het asfalt sleepte en daardoor voelde hij enorme pijn aan zijn been. Het lukte hem niet om zijn been van het asfalt te trekken. Hij had al zijn kracht nodig om zich aan het portier vast te houden om te voorkomen dat hij zou vallen. Tijdens het meeslepen, riep de bestuurder meermalen dat hij moest los laten. Hij voelde dat het busje harder dan 50 km/h per uur reed. [slachtoffer] relateert dat aan de snelheid die hij normaal gesproken zelf rijdt op zijn bromfiets. Nadat hij ongeveer 400 tot 500 meter door het busje was meegesleept, zag hij een lichtkleurige personenauto voor het busje rijden. Die auto remde af en stuurde naar links, kennelijk om het busje tot stoppen te dwingen. Het busje remde toen inderdaad fors af en kwam tot stilstand. [slachtoffer] is toen opgestaan en heeft het bestuurdersportier geopend om zijn sleutels terug te pakken. De bestuurder had deze sleutels nog in zijn rechterhand en probeerde [slachtoffer] met zijn linkerhand weg te duwen. De man gooide zijn sleutelbos naar buiten. [slachtoffer] is naar zijn sleutels toegelopen, waarop de man wegreed in de richting van de Heerlerbaan. Later bleek de sleutel van de bromfiets niet meer aan de sleutelbos te zitten.

[slachtoffer] heeft als gevolg van het incident schaafwonden opgelopen aan zijn rechterbeen en rechterbil. Zijn schoenen en zijn broek zijn kapot geschuurd en er zit een gat in zijn rugzak.

Ten slotte geeft [slachtoffer] aan dat zich vier getuigen bij hem hebben gemeld:

- [getuige 1] , zijnde de persoon die het busje tot stilstand heeft gedwongen;

- [getuige 2] ;

- [getuige 3] ;

- [getuige 4] .

Getuigenverklaringen

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op 7 december 2016 over de John F. Kennedylaan te Heerlen reed in de richting van de Heerlerbaan, toen hij moest stoppen. Voor hem stonden namelijk vijf auto’s stil, die om een busje heen reden. Eenmaal achter het busje, zag hij twee mannen naast de bus staan. Een van hen stond bij een scooter. Gelet op handgebaren hadden de mannen een agressief gesprek. Hij zag dat een van de mannen iets bij de scooter van de andere man pakte. Met hetgeen hij gepakt had, liep de man naar de bus en stapte in. [getuige 1] zag dat de man van de scooter hem naliep en het portier opende. Vervolgens zag hij dat bus vol gas op trok en begin te rijden met een behoorlijke snelheid, zeker 30 kilometer per uur. Hij zag ook dat de man van de scooter het portier nog vast had en dat de man werd meegesleurd door de bus, waarbij hij met zijn schoenen en knieën over de grond schuurde. [getuige 1] schrok, gaf groot licht en claxonneerde. Na zeker 200 meter stopte de bus en kon de man loslaten. [getuige 1] is direct uitgestapt en zag dat de man het portier los liet. Hij is naar de bus toegelopen en heeft gezegd dat hij het niet normaal vond: Je kunt toch niet zomaar blijven rijden als iemand aan je bus hangt. De bestuurder antwoordde daarop dat hij dan maar niet tegen zijn bus moest trappen. Hij zag dat de bestuurder iets in de struiken weggooide en toen wegreed.3

Ook de getuige [getuige 2] heeft het incident gezien en verklaarde dat haar opviel dat de chauffeur van het busje erg agressief was en de jongen sloeg en duwde. Ze zag hoe de chauffeur opeens in zijn busje sprong en wegreed en dat de jongen zich toen aan de bus vastklampte. Ze schat de snelheid van het busje op 30 tot 40 kilometer per uur; het was beslist niet stapvoets. Na ongeveer 200 tot 300 meter te hebben gereden, dwong een andere auto de chauffeur van het busje om te stoppen. De chauffeur van het busje probeerde de jongen uit zijn auto te houden en gooide op enig moment sleutels naar buiten. Daarna is hij snel weggereden.4

De getuige [getuige 4] heeft ook verklaard dat hij gezien heeft dat de bestuurder van een auto de scooterrijder vastpakte en hem enkele malen sloeg. Hij zag dat de scooterrijder zijn helm nog op had en hij zag dat de andere man hem met een vuist door het vizier probeerde te raken. Hij zag dat de man vervolgens de sleutels van de scooter afhaalde en met die sleutels in de auto stapte. De man reed weg en de scooterrijder bleef aan de auto vasthangen, waardoor hij over een heel stuk werd meegesleurd met een snelheid van ongeveer 50 tot 60 kilometer per uur.5

In het aanvullend verhoor van [slachtoffer] blijkt dat zich ook nog een getuige bij hem heeft gemeld, die een filmpje heeft gemaakt van het meesleuren door het bestelbusje. Het betreft [getuige 5] .

Die getuige heeft verklaard dat hij heeft gezien hoe een scooter iets rechts van een bestelbusje reed en dat hij hoorde en zag dat de bestuurder aan het toeteren was en met zijn verlichting knipperde. Hij zag dat de bestuurder van het busje harder ging rijden en dat het leek alsof de scooter door het busje werd aangereden. Hij zag dat de scooterrijder zijn scooter weer onder controle kreeg en verder reed. Direct daarop zag hij dat het busje de scooter inhaalde en dat de bestuurder zijn busje voor de scooter gooide. Hierop moest de scooterrijder hard remmen. Hij zag dat de bestuurder van het busje uitstapte en dat de twee wild naar elkaar gebaarden. De bestuurder van het busje sloeg meermalen in de richting van de scooterrijder, ongeveer vier keer. Hij zag dat de bestuurder van het busje vervolgens iets wegpakte bij de scooter en dat hij hierop terug naar zijn busje liep en instapte. De scooterrijder liep richting het bestuurdersportier van het busje en opende dit. Op dat moment trok het busje op en reed weg. Dat moment van wegrijden heeft hij gefilmd met zijn telefoon. Hij schat dat het busje ongeveer 30 kilometer per uur reed en vervolgens versnelde naar 50 of 60 kilometer per uur. De scooterrijder werd over een afstand van 300 tot 400 meter meegesleurd.6

Via social media heeft zich ten slotte ook nog de getuige [getuige 6] bij [slachtoffer] gemeld.

Hij heeft verklaard dat hij achter de twee betrokken voertuigen fietste. Hij zag dat de bestuurder van het busje agressief reed en met de voorkant van zijn bus tegen de achterkant van de scooter reed. De bestuurder van het busje probeerde de scooter meermalen klem te rijden. De scooter werd toen ingehaald door het busje en daarbij werd de spiegel van de scooter af gereden. Toen het busje stopte, zag hij dat de bestuurder uitstapte en in de richting van de scooter liep. De bestuurder van het busje schreeuwde dat de scooterrijder van de weg af moest en normaal moest doen. Er ontstond ruzie en hij zag dat de man de scooterrijder ongeveer vier keer sloeg. De man liep naar de scooter en pakte de sleutel uit het contact. Hij liep terug naar zijn bus en stapte in. [getuige 6] zag dat de scooterrijder toen op de motorkap sprong en een aantal keren op de voorruit sloeg. Hij zag dat de scooterrijder naar de deur van de bestuurder liep en het portier vasthield. Hij zag en hoorde dat het busje vol optrok en dat de scooterrijder werd meegesleurd. De snelheid schat hij op 60 tot 70 kilometer per uur. Doordat een taxi voor het busje stopte, moest de chauffeur stoppen. Toen was de jongen ongeveer 400 tot 500 meter meegesleurd.7

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] heeft klem gereden, omdat deze tegen zijn busje had geschopt. Daarvoor gedroeg [slachtoffer] zich al irritant in het verkeer. De verdachte wilde verhaal halen en de identiteit van [slachtoffer] weten. Toen [slachtoffer] dreigde weg te rijden, heeft hij de sleutels uit het contactslot van de scooter gehaald. Hij heeft verklaard dat hij vervolgens zag dat [slachtoffer] naar zijn auto rende en daar op de motorkap en de voorruit begon te slaan. Omdat zijn dochters nog in de auto zaten, maakte zich paniek van hem meester. Hij is ook naar de auto gerend en wilde zo snel mogelijk weg. Op het moment dat hij weg wilde rijden, probeerde [slachtoffer] zijn deur open te trekken. Hij is toen weggereden en heeft afwisselend snel en langzaam gereden. Volgens de dochter van de verdachte was dit nooit harder dan stapvoets, maar op de camerabeelden van [getuige 5] die hij heeft bekeken, heeft de verdachte gezien dat dit niet zo is. De verdachte wilde naar eigen zeggen dat [slachtoffer] los liet, zodat hij weg kon. Toen hij door had dat hij de sleutels nog had, is hij gestopt en heeft de sleutels in de middenberm gegooid. Toen kon hij wegrijden. Later bleek de scootersleutel nog in zijn auto te liggen. Hij ontkent dat hij tot tweemaal toe tegen de scooterrijder is aangereden en kan zich niet herinneren dat hij de scooterrijder heeft geslagen.

Geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte

De verdachte doet het in zijn verklaring voorkomen alsof de agressie van [slachtoffer] uit kwam en hij zichzelf en zijn dochters hiertegen slechts wilde beschermen.

Die verklaring van de verdachte wordt echter tegengesproken door de aangifte en ook door de objectieve getuigen. De verschillende getuigen verklaren allen over de agressieve rijstijl van de verdachte, over het klemrijden en het meermalen slaan van de scooterrijder en het vervolgens wegpakken van de sleutels. Verschillende getuigen bevestigen ook het relaas van aangever dat de verdachte, nadat hij de scootersleutels had afgepakt, naar zijn auto is gelopen en wilde wegrijden en dat [slachtoffer] verdachte is gevolgd naar de auto in plaats van andersom. Het verhaal over de bij de verdachte ontstane paniek, kan de rechtbank dan ook niet plaatsen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de aangifte van [slachtoffer] geloofwaardig en stelt zij op basis van die verklaring, in combinatie met de getuigenverklaringen, de feitelijke toedracht vast.

Kwalificatie van het handelen van de verdachte

Feit 1

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte met zijn handelingen de bedoeling had om [slachtoffer] te doden of zwaar te verwonden. Een dergelijke bedoeling heeft de rechtbank op basis van het dossier niet kunnen vaststellen.

Ook als de intentie van de verdachte niet gericht is geweest op het toebrengen van dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] , dan nog kunnen sommige handelingen echter toch dusdanig gevaarzettend zijn dat alleen al in de aard van die handelingen het opzet op een bepaald gevolg schuilt. Het gevolg wordt dan zogezegd op de koop toe genomen. Dat heet met een juridische term voorwaardelijk opzet: het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of uit het rijgedrag van de verdachte blijkt van voorwaardelijk opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] .

Om deze vraag te beantwoorden moet de rechtbank eerst vaststellen of er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer] gedood kon worden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door de concrete handelingen van de verdachte. Vervolgens moet zij vaststellen of verdachte deze kans dan op de koop toe heeft genomen.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden, in dit geval de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Daarbij mag de aard van het risico en het gevaarzettende karakter van de gedraging geen indicator vormen. Dat laatste is een zeer belangrijke kanttekening.

Het betekent dat de rechtbank - achteraf - vast moet stellen of er daadwerkelijk een kans was dat [slachtoffer] levensgevaarlijk of zwaar gewond kon raken. Dit is een heel objectieve en feitelijke benadering, die mogelijk geen recht doet aan het gevoel dat [slachtoffer] heeft gehad en dat hij omschreven heeft als doodsangst. Van de rechtbank wordt echter verwacht dat zij op basis van objectieve feiten oordeelt en niet op basis van gevoelens.

Wat we weten is dat [slachtoffer] het portier vast had van de bestelbus van de verdachte en dat de verdachte toen is opgetrokken en een stuk heeft gereden, waardoor [slachtoffer] zich gedwongen voelde om het portier te blijven vasthouden. Maar was deze situatie nu zodanig dat [slachtoffer] het leven zouden hebben gelaten of zwaar lichamelijk letsel had opgelopen als hij het portier had losgelaten? Naar het oordeel van de rechtbank bestond er een aanmerkelijk te achten kans dat [slachtoffer] het portier had moeten loslaten. Het vereist namelijk een behoorlijke krachtinspanning om je aan je armen aan een portier op te trekken en deze lichaamshouding gedurende enige tijd vol te houden. En het uithoudingsvermogen van [slachtoffer] is inderdaad enige tijd op de proef gesteld. Uit de verklaringen van de aangever en de verschillende getuigen, leidt de rechtbank af dat de verdachte minimaal een afstand van 200 meter heeft afgelegd met een snelheid van minimaal 30 kilometer per uur. Bovendien blijkt uit de getuigenverklaringen dat een andere auto de verdachte tot stoppen heeft gedwongen, waarna [slachtoffer] zich in veiligheid kon brengen. De verdachte lijkt dus niet, zoals hij zelf zegt, uit zichzelf te zijn gestopt.

Om te beoordelen hoe groot de kans op dodelijk of zwaar lichamelijk letsel was geweest als [slachtoffer] eerder los had gelaten of los had moeten laten, kijkt de rechtbank naar de situatie ter plaatse zoals bijvoorbeeld de weginrichting en aanwezige obstakels ter plaatse, waarmee [slachtoffer] in botsing had kunnen komen.

Gelet op voornoemd kader van de Hoge Raad, is de rechtbank van oordeel dat zij te weinig weet van de feitelijke omstandigheden om objectief te kunnen vast stellen dat er een grote kans was dat [slachtoffer] dodelijk letsel zou oplopen. Hij droeg een helm en de weghelft waarover de verdachte reed, blijkt door een middenberm te zijn afgescheiden van het tegemoetkomend verkeer op de andere weghelft. Ook het risico dat [slachtoffer] onder de bestelauto terecht zou komen met vitale delen van zijn lichaam, kan niet objectief ingeschat worden.

Voor het tenlastegelegde onder feit 1 primair moet daarom vrijspraak volgen.

De rechtbank komt tot een andere conclusie met betrekking tot het risico op zwaar lichamelijk letsel. Daarop was de kans namelijk wel aanmerkelijk.

De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte met een snelheid van minimaal 30 kilometer per uur reed en soms harder. Bovendien reed hij op korte afstand van de middenberm. Als [slachtoffer] het portier tijdens het rijden had moeten loslaten, dan was hij ongecontroleerd op het asfalt terecht gekomen. Of het vervolgens bij een harde botsing met het asfalt of de stoeprand van de middenberm was gebleven of dat de verdachte onder de auto terecht was gekomen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet veel uit. In beide situaties acht zij namelijk in ieder geval de kans op zware botbreuken in bijvoorbeeld benen of rug aanmerkelijk. Beenbreuken of rugletsel vergen beide vaak langdurig herstel, waardoor dergelijk letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.

De laatste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust op de koop heeft toegenomen. De rechtbank vindt van wel, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van de verdachte. Hij heeft er bewust voor gekozen om te gaan rijden en met aanzienlijke snelheid te blijven rijden, terwijl [slachtoffer] zich aan zijn portier had vastgeklampt en met zijn knieën over het asfalt scheerde. Het gevaar van die situatie moet voor de verdachte, net als voor ieder ander weldenkend mens, duidelijk zijn geweest. De verdachte riep echter tijdens het rijden naar [slachtoffer] dat hij los moest laten.

De rechtbank acht daarmee het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Op basis van het hiervoor omschreven feitenrelaas, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de sleutels van [slachtoffer] heeft afgepakt en hiermee in zijn bestelbus is gestapt. Toen [slachtoffer] vervolgens achter zijn sleutels aankwam, weigerde de verdachte kennelijk om die sleutels af te geven en is zelfs met zijn bestelbus gaan rijden. Dit past niet bij de verklaring van de verdachte dat hij enkel wilde voorkomen dat [slachtoffer] er vandoor zou gaan, want dan was hij niet met die sleutels van [slachtoffer] weggelopen en in zijn eigen auto gestapt. Bovendien heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij nog helemaal niet naar eventuele schade van het busje had gekeken. Door op deze manier te handelen, heeft de verdachte zich na toe-eigening van de sleutels juist als heer en meester over de sleutels gedragen. Daarmee is aan de vereisten voor diefstal voldaan. Hoewel uit de aangifte en de getuigenverklaringen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] meermalen heeft geslagen voordat hij de sleutels afpakte, blijkt niet uit de bewijsmiddelen dat hij dit geweld heeft gepleegd met de bedoeling om de sleutels te kunnen afpakken. Vanwege het ontbreken van dat verband, acht de rechtbank enkel de diefstal van de sleutels bewezen en niet voorafgaand geweld met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1, subsidiair:

op 7 december 2016 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met zijn bestelauto fors heeft opgetrokken en met snelheid is weggereden, terwijl die [slachtoffer] aan het portier aan de bestuurderskantvan die bestelauto hing, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2, primair:

op 7 december 2016 in de gemeente Heerlen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sleutels, toebehorende aan [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Feit 2 primair:

diefstal

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft zij gevorderd om aan de verdachte voor de duur van 12 maanden de bevoegdheid te ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Gelet op de ernst van de feiten, is een taakstraf of een geldboete niet passend.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat de verdachte geen strafblad heeft en dat hij zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in december 2016 aan alle voorwaarden heeft gehouden. De verdachte heeft spijt van hetgeen er gebeurd is mede vanwege de gevolgen voor zijn gezin, neemt verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en accepteert dat hij straf krijgt. De verdachte is zelfstandig ondernemer. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou een grote financiële tegenslag betekenen en in het geval de rechtbank de officier in haar eis volgt, zelfs het faillissement van de ondernemingen. Ook het kunnen besturen van de bestelbus is belangrijk voor de broodwinning. De reclassering adviseert een werkstraf of een geldboete op te leggen en acht reclasseringsinterventie niet geïndiceerd. Dat zou een passende straf zijn wanneer de rechtbank enkel de mishandelingen bewezen acht, zoals door de raadsman is gepleit. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor een maximale taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten slotte heeft de raadsman verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak op te heffen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Voor de rechtbank is duidelijk dat de verdachte zich enorm gestoord heeft aan het verkeersgedrag van een scooterrijder, het latere slachtoffer [slachtoffer] . Irritaties in het verkeer zijn voor velen van ons herkenbaar, maar het gedrag dat de verdachte vervolgens laat zien is allerminst normaal te noemen. Het begint met toeteren, signalen geven met groot licht en bumperkleven. Dat bumperkleven leidt dan zelfs tot een eerste aanrijding, waardoor [slachtoffer] zijn scooter nog maar net onder controle kan houden. Vervolgens vindt er een inhaalmanoeuvre plaats, waarbij de linkerspiegel van de scooter wordt geraakt en [slachtoffer] uit boosheid een trap tegen de bestelbus van de verdachte geeft. Dan slaat de vlam in de pan: de verdachte rijdt [slachtoffer] klem om verhaal te halen. Kennelijk zijn de emoties dan al zo hoog bij hem opgelopen, dat hij de jonge scooterrijder meerdere keren in zijn gezicht slaat en hem toebijt “jij moet van de weg af”. Dat [slachtoffer] van de weg moet, lijkt de verdachte vervolgens daadwerkelijk te willen realiseren als hij de sleutels van [slachtoffer] afpakt en daarmee rechtsomkeert maakt naar zijn auto. [slachtoffer] wil voorkomen dat de verdachte er met zijn sleutels vandoor gaat en gaat achter hem aan. [slachtoffer] slaat op de ruit en de motorkap en vervolgens wil hij het portier van de verdachte opentrekken. De verdachte belet dat, trekt op en rijdt ervandoor terwijl [slachtoffer] nog aan het portier hangt. Daardoor wordt [slachtoffer] over minimaal 200 meter meegesleurd. Gelukkig heeft hij het er met een paar schaafwonden vanaf gebracht, maar dat had zomaar anders kunnen aflopen. Dat besef heeft zich ook van [slachtoffer] meester gemaakt en heeft ervoor gezorgd dat de psychische impact van het gebeuren groot is. Gelet op de opeenstapeling van agressieve gedragingen van de verdachte, vindt de rechtbank het bijzonder kwalijk dat de verdachte nog heeft geprobeerd om [slachtoffer] als agressor af te schilderen. Op basis van de getuigenverklaringen komt immers heel duidelijk naar voren dat juist de verdachte agressief was en dat de verklaring van de verdachte dat hij uit angst voor [slachtoffer] is weggereden niet op waarheid berust. Als iemand zich agressief gedraagt in het verkeer, je vervolgens klem rijdt, meermalen met een vuist in het gezicht slaat en er vervolgens met je sleutels vandoor gaat: wie zal er dan bang zijn geweest voor wie? De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte deze verklaringen heeft afgelegd om zijn eigen bizarre gedrag nog enigszins te rechtvaardigen. Mogelijk ook ten aanzien van zijn eigen dochters, die getuige zijn geweest van zijn gedrag en op hun vaders gedrag zijn aangekeken op school. Dat laatste emotioneert de verdachte nog het meest, lijkt het.

Wat is nu een passende straf?

De maatschappij veroordeelt agressief, grensoverschrijdend en gevaarlijke gedrag na irritatie in het verkeer, waarvan een tiener het slachtoffer is. Om die reden heeft de officier van justitie geëist dat de rechtbank een gevangenisstraf oplegt. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte dat een passende straf zou vinden als zijn tienerdochters van dergelijk gedrag het slachtoffer zouden zijn.

Naast de ernst van het feit spelen bij de strafoplegging echter ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een rol. Zo is hij zelfstandig ondernemer in de horeca en kostwinner voor zijn gezin. Hoewel de verdachte een blanco strafblad heeft, zit agressief gedrag kennelijk wel in hem. De rechtbank zoekt daarom naar een straf, die enerzijds als genoegdoening voor het slachtoffer rechtvaardig voelt en anderzijds voorkomt dat de verdachte zich in de toekomst nog eens zo laat gaan in het verkeer en zijn medemens ernstig in gevaar brengt.

De rechtbank acht een dergelijke straf te vinden in een combinatie van een forse taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Dit is een heel andere straf dan door de officier van justitie is geëist, maar de rechtbank is dan ook tot een heel andere bewezenverklaring gekomen. Bovendien acht de rechtbank een gevangenisstraf niet passend, wanneer zij de ernst van de door haar bewezenverklaarde feiten afzet tegen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Een taakstraf zal bovendien ook een forse wissel trekken op het leven van de verdachte, aangezien hij deze moet uitvoeren naast zijn reguliere werkzaamheden als zelfstandig ondernemer.

De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis passend. Hierop dient de in voorarrest doorgebrachte tijd in mindering te worden gebracht, naar rato van twee uren per dag.

Ter verdere onderstreping van de ernst van de feiten en ter voorkoming dat de verdachte opnieuw de verkeersveiligheid door middel van agressief gedrag in gevaar brengt, legt de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke rijontzegging op voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert primair een schadevergoeding van € 2.184,95 op de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van de feiten 1 en 2.

Dit bedrag bestaat uit € 434,95 wegens geleden materiële schade en € 1.750,00 wegens immateriële schade. De benadeelde vordert deze bedragen als voorschot onder algemene titel op de door hem geleden en nog te lijden schade en stelt dat het bepaalde in artikel 51a vierde lid van het Wetboek van Strafvordering hem het recht tot splitsing van de schadevordering geeft en dat op basis daarvan slechts een deel in het strafproces kan worden gevorderd.

Subsidiair vordert de benadeelde partij dat de rechtbank een in goede justitie vast te stellen bedrag toewijst als voorschot onder algemene titel op de door hem geleden en nog te lijden schade. Het bedrag dat niet toegewezen wordt, dient niet te worden afgewezen maar in dat deel van de vordering dient de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard zodat de weg naar de civiele rechter open blijft.

Zowel onder het primair als subsidiair gedane verzoek, eist de benadeelde dat de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis en de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. Ook wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor materiële voldoende is onderbouwd en voor toewijzing gereed ligt. Ook het gevorderde bedrag voor immateriële schade is redelijk en billijk, gelet op hetgeen in dit verband is aangevoerd.

Daarnaast vordert de officier van justitie dat het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte naar voren gebracht dat hij bereid is om de door hem toegebrachte schade te vergoeden. Ten aanzien van het bedrag dat voor materiële schade wordt gevorderd, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met uitzondering van de schade aan de telefoon. Het causaal verband tussen de schade aan de telefoon en de strafbare feiten is namelijk onduidelijk.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman ervoor gepleit om het bedrag te matigen tot een bedrag van € 500,00, wanneer de rechtbank de verdachte vrijspreekt van poging doodslag en poging tot zware mishandeling. Bovendien heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de psychische gevolgen onvoldoende zijn onderbouwd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het onderzoek ter terechtzitting voldoende is komen vast te staan dat [slachtoffer] schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde onder feit 1. Nu de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, kan [slachtoffer] als benadeelde partij worden ontvangen in zijn vordering.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank dat zij deze schadeposten voldoende onderbouwd vindt. Dat geldt ook voor het telefoonscherm, dat blijkens het bonnetje enkele dagen na het strafbare feit is gerepareerd. Zij zal dan ook het totale bedrag voor materiële schade, groot € 434,95 toewijzen.

Dat ligt anders ten aanzien van de gevorderde immateriële schade wegens fysiek letsel en psychische schade. De jurisprudentie, waarop de hoogte van het schadebedrag is gebaseerd, is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak omdat het om heel andere strafbare handelingen gaat dan de rechtbank bewezen heeft verklaard.

Gelet op het letsel en de psychische impact van de ervaren buitensporige agressie door de verdachte, acht de rechtbank een bedrag van € 750,00 redelijk en billijk.

De rechtbank acht aldus een bedrag van in totaal € 1.184,95 toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2016 tot aan de dag van volledige voldoening. De vordering wijst zij voor het overige af. Voorschotten kunnen niet worden toegewezen door de strafrechter: dat is voorbehouden aan de voorzieningenrechter. Het artikel waarop in dit verband namens de veroordeelde een beroep is gedaan, vermeldt niets over een splitsing en is dus onjuist weergegeven. Toekomstige schade kan door de benadeelde wel later separaat bij de civiele rechter worden geclaimd.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten onder 1 subsidiair en 2 primair tot een taakstraf voor de duur van 180 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;

- ontzegt de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onder 1 subsidiair de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat de ontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.184,95, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 7 december 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer] , van € 1.184,95, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 7 december 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter,

mr. W.L.J. Voogt en mr. A. Snijders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.J. Maas, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juli 2018.

Buiten staat

Mr. W.L.J. Voogt is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 7 december 2016 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met zijn (bestel)auto (fors) heeft opgetrokken en met (grote) snelheid is weggereden, terwijl die [slachtoffer] aan het portier aan de bestuurderskant, althans aan de zijkant van die (bestel)auto hing, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 december 2016 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met zijn (bestel)auto (fors) heeft opgetrokken en met (grote) snelheid is

weggereden, terwijl die [slachtoffer] aan het portier aan de bestuurderskant, althans aan de zijkant van die (bestel)auto hing, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 december 2016 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld door met zijn (bestel)auto (fors) op te trekken en met (grote) snelheid weg te

rijden, terwijl die [slachtoffer] aan het portier aan de bestuurderskant, althans aan de zijkant van die bestelauto hing;

2.

hij op of omstreeks 7 december 2016 in de gemeente Heerlen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) sleutel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij,

verdachte, die [slachtoffer] (meermalen) in het gezicht heeft geslagen, zulks terwijl het feit werd gepleegd op een openbare weg, de John F. Kennedylaan;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 december 2016 in de gemeente Heerlen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meermalen) in het gezicht te slaan.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Parkstad-Limburg, Basisteam Heerlen, proces-verbaalnummer PL2300-2016220897, gesloten d.d. 8 december 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 55..

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2016, pagina’s 6 tot en met 8.

3 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] d.d. 8 december 2016, pagina’s 36 en 37.

4 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] d.d. 13 december 2016, pagina’s 40 en 41.

5 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 4] d.d. 8 december 2016, pagina’s 29 en 30.

6 Proces-verbaal van het verhoor van de getuige [getuige 5] d.d. 8 december 2016, pagina’s 31 en 32.

7 Proces-verbaal van het verhoor van de getuige [getuige 6] d.d. 8 december 2016, pagina’s 38 tot en met 39.