Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7060

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
C/03/225359 / HA ZA 16-518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gebruik van weilanden in familiesfeer, geen bezit maar gebruik op persoonlijke titel, bezitspretenties van gebruiker waren niet duidelijk voor de rechthebbenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/225359 / HA ZA 16-518

Vonnis van 25 juli 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. A.L. van den Bergh LLM. te Maastricht,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats 2] ,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats 2] ,

6. [gedaagde 6],

wonende te [woonplaats 2] ,

7. [gedaagde 7],

wonende te [woonplaats 2] ,

8. [gedaagde 8],

wonende te [woonplaats 2] ,

9. [gedaagde 9],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.M.H.J. Colen te Zuiddorpe.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk als zodanig worden aangeduid en afzonderlijk als respectievelijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] , [gedaagde 7] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9] worden genoemd. De rechtbank heeft de volgorde van de gedaagden aangepast omdat [eiser] zijn halfbroer (6), halfzuster (7) en schoonzuster (3) in de dagvaarding twee keer had vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 12 augustus 2016 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

  • -

    de rolbeslissing van 7 december 2016 waarbij een comparitie na antwoord is gelast op 2 februari 2017

  • -

    de rolbeslissing van 13 december 2016 waarbij een comparitie na antwoord is gelast tegelijk met de comparities in de twee kantonzaken, waarin [eiser] door [gedaagde 6] (zaaknummer 5304741 CV EXPL 16-7590) is gedagvaard, respectievelijk door [gedaagde 8] en [gedaagde 7] is gedagvaard (zaaknummer 5311390 CV EXPL 16-7744)

  • -

    de faxbrief van mr. Van den Bergh van 7 maart 2017 met één voor gedaagden geheim te houden bijlage (een verklaring van de huisarts van [eiser] )

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2017 bevattend onder meer het wrakings-verzoek van gedaagden

  • -

    de beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 5 april 2017 waarbij het verzoek tot wraking van de behandelend rechter is afgewezen

  • -

    de rolbeslissing van 26 april 2017 waarbij de voortzetting van de comparitie is gelast, tezamen met de twee voormelde kantonzaken en een derde kantonzaak waarin [eiser] verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis van 1 maart 2017 van de kantonrechter van deze rechtbank in welke zaak [gedaagde 3] [eiser] had gedagvaard (zaaknummer 5809922 CV EXPL 17-2466)

  • -

    de brief van mr. Van den Bergh van 26 september 2017 met één voor gedaagden geheim te houden bijlage (een verklaring van de huisarts van [eiser] )

  • -

    de faxbrief van mr. Colen van 27 september 2017 waarin hij om verwijzing naar een andere kamer verzoekt en om uitstel van de voortzetting van de comparitie

  • -

    de faxbrief van de rechtbank aan beide partijen waarin de beslissing van de rechtbank bekend wordt gemaakt dat de comparitie op 29 september 2017 doorgaat en dat mr. Van den Bergh voorafgaand aan de zitting mr. Colen inzage dient te geven in de verklaring van de huisarts

  • -

    het faxbericht van mr. Van den Bergh van 28 september 2017

  • -

    het faxbericht van de rechtbank aan partijen van 28 september 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 september 2017

  • -

    de akte depot aanvullend bewijs van gedaagden (usb-stick)

  • -

    de akte overleggen aanvullend bewijs van gedaagden (producties A tot en met J)

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende (niet of onvoldoende betwiste) feiten:

  1. partijen zijn familie van elkaar. De familierelatie is de volgende:

  2. [naam vader] , hierna: Vader, is de (schoon-)vader van gedaagden 1 tot en met 8 en grootvader van gedaagde 9. Vader is geboren op [geboortedatum] en overleden op [overlijdensdatum] . Hij had een boerderij aan de Wilhelminastraat in Bocholtz. Vader bezat onder meer ook land bij het huidige klaverblad in de A76, die grond is in de zeventiger jaren verkocht. Hij had ook nog bosgrond bij Nijswiller;

  3. uit het huwelijk van Vader met zijn eerste echtgenote, Moeder [naam echtgenote 1] , zijn achtereenvolgens geboren de kinderen [gedaagde 1] (* [geboortedatum] ), [eiser] (* [geboortedatum] ), [Naam zoon] (* [geboortedatum] , overleden [overlijdensdatum] ) en [gedaagde 2] (* [geboortedatum] ). Vervolgens overleed zijn eerste echtgenote. Haar kinderen hebben toen land van haar geërfd dat tot op heden onverdeeld is gebleven: kadastraal bekend als Simpelveld [perceel 1] , groot 49a 95ca. [eiser] betaalt zijn aandeel in de eigenaarslasten van die grond niet;

  4. Vader is vervolgens in algehele gemeenschap van goederen hertrouwd met [naam echtgenote 2] (* [geboortedatum] , overleden [overlijdensdatum] ), hierna te noemen: Moeder [naam echtgenote 2] . Uit dit huwelijk zijn achtereenvolgens nog geboren de kinderen [gedaagde 6] (* [geboortedatum] ), [gedaagde 4] , (*niet vermeld in het dossier), [gedaagde 7] (* [geboortedatum] ) en [gedaagde 5] (*niet vermeld in het dossier);

  5. [Naam zoon] was tot zijn overlijden gehuwd met [gedaagde 3] , in het exploot van dagvaarding gedaagde sub 1c en 4, in de kop van dit vonnis vermeld als gedaagde sub 3;

  6. [gedaagde 7] is gehuwd met [gedaagde 8] (in het exploot gedaagde sub 5, in dit vonnis gedaagde sub 8) en [gedaagde 9] is hun zoon, in het exploot gedaagde sub 7, in dit vonnis gedaagde sub 9;

  7. op 23 april 1952 heeft Vader als wettelijk vertegenwoordiger van [gedaagde 6] het perceel met boomgaard te Bocholtz “ [perceel 2] ” gekocht, waarbij Vader tevens zowel voor hemzelf als zijn echtgenote het levenslange vruchtgebruik vestigde. Dit perceel is nu kadastraal bekend als de percelen Simpelveld [perceel 2a] , omschreven als terrein (grasland), gelegen aan de [straatnaam] te Bocholtz, groot 18a 45ca en Simpelveld [perceel 2b] , omschreven als terrein (nieuwbouw bedrijvigheid) gelegen aan de [straatnaam] te Bocholtz, groot 5a 3ca, zie producties 1 en 4 van [eiser] . Na het overlijden van de ouders van [gedaagde 6] is het vruchtgebruik vervallen. Op perceel [perceel 2a] bevindt zich een loods/schuur/paardenstal;

  8. Vader en Moeder [naam echtgenote 2] bezaten ten tijde van Vaders overlijden tevens het perceel Simpelveld [perceel 3] , omschreven als terrein (grasland), gelegen aan de [straatnaam] te Bocholtz, groot 23a 90ca. Na het overlijden van Moeder [naam echtgenote 2] hebben gedaagden 1 tot en met 7 in 1999 een brief ontvangen van de notaris over dit stuk grond. Het is onverdeeld gebleven en dus gezamenlijk eigendom van [eiser] en gedaagden onder 1 tot en met 7, ieder voor 1/8e deel. [gedaagde 6] heeft de erfbelasting over perceel [perceel 3] betaald. Dit perceel is nu bij [eiser] in gebruik;

  9. Vader en Moeder [naam echtgenote 2] bezaten ten tijde van Vaders overlijden voorts een perceel weiland Simpelveld [perceel 4] . Het noordelijke deel van dit perceel, nu bekend als Simpelveld [perceel 4a] , terrein (grasland), gelegen aan de [straatnaam] te Bocholtz, groot 17a 5ca is door Moeder [naam echtgenote 2] op 24 maart 1988 verkocht aan (haar stiefzoon) [Naam zoon] en diens echtgenote [gedaagde 3] , die in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren, ieder voor de onverdeelde helft. Het zuidelijke deel van dit perceel, nu bekend als Simpelveld [perceel 4b] , terrein (grasland), gelegen aan de [straatnaam] te Bocholtz, groot 9a 90ca is door Moeder [naam echtgenote 2] op 24 maart 1988 verkocht aan haar dochter [gedaagde 7] en haar echtgenoot [gedaagde 8] , met wie zij in gemeenschap van goederen is gehuwd, ieder voor de onverdeelde helft;

  10. [eiser] heeft aanvankelijk een winkel geëxploiteerd in de boerderij van Vader waar zaden en voer voor vogels, paarden en varkens werden verkocht. Later zijn daar nog bloemen bijgekomen. Op het land achter de boerderij, dat eveneens van Vader was en waar nu de [straatnaam] ligt, heeft [eiser] grond gekregen van Vader en daarop, op nummer 5, een huis gebouwd. Hij exploiteerde in dat pand ook het warenhuis [naam warenhuis] . In 1992 is het warenhuis verkocht aan [betrokkene 1] en heeft de winkel een tijdje [nieuwe naam warenhuis] geheten. Vanaf 1970 tot 1995 heeft [gedaagde 6] ook in die winkel gewerkt. Ook [gedaagde 7] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [echtgenote gedaagde 6] , de echtgenote van [gedaagde 6] , hebben in die winkel gewerkt. In 1995 is [gedaagde 6] door [betrokkene 1] ontslagen. Later is ook [eiser] ontslagen door [betrokkene 1] , wat nog tot een rechtszaak heeft geleid;

  11. ook andere kinderen hebben van Vader grond gekregen om een huis op te bouwen aan de [straatnaam] : [gedaagde 7] en [gedaagde 8] op nummer 1, [gedaagde 5] op 1A en [gedaagde 6] en [echtgenote gedaagde 6] op nummer 3. [Naam zoon] en [gedaagde 3] kregen een stuk grond aan de [straatnaam] ;

  12. de BsGW-aanslag voor [perceel 3] staat op naam van de erven, wordt ieder jaar ontvangen door [gedaagde 6] en betaald door [gedaagde 5] ;

  13. de BsGW-aanslag voor [perceel 2a] en [perceel 2b] ontvangt en betaalt [gedaagde 6] ;

  14. de BsGW-aanslag voor [perceel 4a] ontvangt en betaalt [gedaagde 3] ;

  15. de BsGW-aanslag voor [perceel 4b] ontvangt en betaalt [gedaagde 7] en [gedaagde 8] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [eiser] de eigendom heeft verworven van de percelen gelegen aan de [straatnaam] / [straatnaam] met de kadastrale nummers [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b] en van de percelen aan de [straatnaam] met de kadastrale nummers [perceel 4a] en [perceel 4b] ,

  2. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, gebiedt om [eiser] en de zijnen niet te beletten voornoemde weilanden te betreden en te bewerken en gedaagden te verbieden met de hunnen en de zijnen de hiervoor benoemde weilanden te betreden en/of schade aan de weilanden en de omheining daarvan aan te brengen, zulks binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden daarmee in gebreke zouden blijven,

  3. gedaagden [gedaagde 3] , [gedaagde 8] en [gedaagde 7] ieder apart en hoofdelijk veroordeelt, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van

- een bedrag van € 950,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2013, - een bedrag van € 150, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 respectievelijk 25 juli 2015,

- een bedrag van € 300,- te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 31 juli 2015 - - en primair een bedrag van € 232,- ex btw in geval Intrak Voerendaal mocht oordelen dat de messen nog te repareren zouden zijn en subsidiair, in geval Intrak Voerendaal mocht oordelen dat de messen niet te repareren zouden zijn € 2.000,- ex btw voor de aanschaf van een tweedehands maaier, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016,

gedaagden te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder die van betekening en executie van het vonnis, waaronder begrepen de kosten van eventuele executoriale beslagen.

3.2.

[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen onder meer het volgende.


Met betrekking tot [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b] ( [straatnaam] / [straatnaam] )

3.2.1.

[eiser] heeft “begin zestiger jaren” “besloten de weilanden bij uitsluiting van ieder ander in bezit te nemen” en daaromheen een hekwerk geplaatst. Die weilanden is hij toen gaan gebruiken en onderhouden, enerzijds om te hooien en anderzijds om er pony’s te laten grazen. Dat heeft hij sindsdien dan ook gedaan. Dit alles is niet gebeurd in het kader van het vruchtgebruik van Vader en Moeder [naam echtgenote 2] , hij is dus nooit houder geweest en het interversieverbod is dus niet aan de orde. [eiser] heeft “destijds”, bij repliek stelt hij in 1958, geheel met eigen handen en op eigen kosten een schuur op [perceel 2a] gebouwd en heeft die een jaar later omgebouwd tot stal voor pony’s. Hij gaf aan Vader toestemming voor (mede) gebruik van de schuur voor opslag, voordat hij die heeft dichtgetimmerd en tot stal heeft omgebouwd. Bij repliek stelt [eiser] dat hij begin zestiger jaren aan [schoonzoon gedaagde 6] opdracht heeft gegeven de schuur dicht te metselen, waarbij hij de specie, stenen en de arbeid van [schoonzoon gedaagde 6] betaalde. Begin tachtiger jaren is de verjaring voltooid. Hij heeft toen de weilanden in eigendom verkregen, daarna mochten derden niet zonder zijn toestemming de weilanden betreden of daar werkzaamheden uitvoeren.

3.2.2.

De foto’s die door gedaagden zijn overgelegd bij cva hebben inderdaad betrekking op deze percelen. [betrokkene 2] heeft echter zonder toestemming van [eiser] zijn paard op een smal strookje van [perceel 3] gezet, waar ruzie over is ontstaan, vooral toen [betrokkene 2] er ook nog een paardenonderkomen en een hindernis had gemaakt. Dit gebruik is beëindigd toen [betrokkene 2] elders land had. [eiser] wijst erop dat er geen huurovereenkomst door [betrokkene 2] is overgelegd. [gedaagde 6] heeft erkend dat [eiser] de percelen vanaf 1985 is gaan gebruiken. [eiser] heeft nooit toezeggingen omtrent betaling van een gebruiksvergoeding aan [gedaagde 6] gedaan. [eiser] heeft nooit eigenaarslasten betaald omdat de verschillende instanties, waar [eiser] heeft gemeld dat hij de eigenaar van de gronden was en dus de facturen moest krijgen, hem hebben verteld dat de facturen naar degenen gaan die in het kadaster als eigenaar geregistreerd staan. Het is [gedaagde 6] eigen schuld dat dit zo is gebleven. [eiser] heeft de brief van [betrokkene 3] van 2 juli 2014 en de rappels (productie F gedaagden) niet ontvangen. [eiser] erkent dat hij omstreeks 1996 ontdekte dat niet hij maar [gedaagde 6] als eigenaar van de grond geregistreerd stond in het Kadaster. Hij had toen uiteraard een procedure moeten starten om dit veranderd te krijgen maar dit had geen prioriteit omdat hij immers toch de eigenaar was.

3.2.3.

[eiser] heeft [gedaagde 6] op 15 april 2015 een brief gezonden waarin hij stelt dat “het stuk weiland te [adres] is verjaard” en dat [gedaagde 6] daar vanaf hoort te blijven, productie 8 van [eiser] .

3.2.4.

[eiser] stelt bij repliek op blz.15 randnummer 11 dat hij nooit toestemming heeft gevraagd het weiland op [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b] te omrasteren omdat dit weiland al omrasterd was toen hij het in gebruik nam omdat er koeien hadden gestaan.

Met betrekking tot de percelen aan de [straatnaam]

3.2.5.

[eiser] stelt bij repliek op blz.15 randnummer 11 dat hij nooit toestemming heeft gevraagd het weiland aan de [straatnaam] [perceel 4a] en [perceel 4b] te omrasteren omdat dit weiland al omrasterd was toen hij het in gebruik nam omdat er koeien hadden gestaan.

Met betrekking tot [perceel 4a]

3.2.6.

[eiser] stelt aanvankelijk dat [gedaagde 3] zijn standpunt deelt dat hij dit perceel sedert begin zestiger jaren in bezit heeft genomen met uitsluiting van ieder ander om er te hooien en zijn pony’s te laten grazen. Bij repliek wijzigt hij dit standpunt en stelt het volgende.

3.2.7.

De verjaring is door de verkoop aan [Naam zoon] en [gedaagde 3] niet gestuit en is inmiddels voltooid want [eiser] heeft altijd de feitelijke macht uitgeoefend buiten ieder ander. Hij heeft nooit toestemming gekregen van [Naam zoon] en [gedaagde 3] om het land te gebruiken en heeft hun geen gebruiksvergoeding betaald omdat hij bezitter was en geen houder. Omstreeks 1993 heeft hij geen toestemming gevraagd aan [Naam zoon] en [gedaagde 3] om het land te omrasteren omdat [perceel 4a] en [perceel 4b] al vanaf begin zestiger jaren omrasterd waren omdat er vóór 1960 al melkvee stond. [gedaagde 3] heeft nooit tegen hem gezegd dat hij het land niet meer mocht gebruiken. [gedaagde 3] heeft erkend dat de door [eiser] aangebrachte omrastering door [gedaagde 9] is verwijderd. Hij heeft in 2014 het land weer ingezaaid met gras waarna het door [gedaagde 3] is gemaaid zoals [gedaagde 7] en [gedaagde 8] dit op [perceel 4b] deden. Hij heeft haar gesommeerd hiermee op te houden. [eiser] was uiteindelijk genoodzaakt het op het perceel aangebrachte hek met palen en schapendraad te verwijderen waardoor hij op 2 juni 2015, 24 juli 2015 en 31 juli 2015 zijn gras kon maaien en hooien. Hij heeft geen eigenaarslasten voor deze grond betaald omdat hem, ondanks dat hij zich als eigenaar gemeld had, werd aangegeven dat de facturen werden gestuurd aan degenen die bij het Kadaster als eigenaar geregistreerd staan.

Met betrekking tot [perceel 4b]

3.2.8.

[eiser] heeft sedert begin zestiger jaren openbaar en ondubbelzinnig bezit gehad van dit perceel en de verkoop daarvan aan [gedaagde 7] en [gedaagde 8] heeft de verjaring niet gestuit. Hij heeft gedoogd dat [gedaagde 7] en [gedaagde 8] achter op [perceel 4b] een moestuintje hadden. Bij repliek stelt [eiser] dat hij zelf de moestuin heeft aangelegd en de groenten en vruchten die hij daar kweekte in zijn winkel verkocht. [gedaagde 8] hielp hem wat in de moestuin en mocht van [eiser] af en toe wat houden. [eiser] heeft nooit toestemming gevraagd aan [gedaagde 7] en [gedaagde 8] om die grond te gebruiken want hij was bezitter, daarom heeft hij er ook nooit een vergoeding voor betaald.

[gedaagde 7] en [gedaagde 8] hebben hem in 2012 niet gevraagd het gebruik te beëindigen en hij heeft dat ook niet gedaan, wel heeft hij wegens bedreigingen van [gedaagde 8] en [gedaagde 7] besloten zijn pony’s daar tijdelijk weg te halen. [gedaagde 9] heeft op 6 juni 2013 de afrastering die [eiser] op [perceel 4b] had geplaatst verwijderd en op [straatnaam] [perceel 2a] en [perceel 3] op de mesthoop gegooid waardoor hij een schade heeft geleden van € 950,-. [eiser] heeft het hek daarna aangeboden aan [gedaagde 9] omdat hij zijn pony’s daar niet langer durfde te laten grazen wegens bedreigingen dat zij vergiftigd zouden worden.

3.2.9.

In 2013 en 2014 heeft hij op die percelen een aantal keren gras ingezaaid en zelf gemaaid. [eiser] erkent dat [gedaagde 7] en [gedaagde 8] in 2013 “het hek” hebben verwijderd en prikkeldraad om [perceel 4b] hebben gezet en zij hebben in juli/augustus 2013 het gras daar gemaaid en daarna nog een aantal keren. Op 3 april 2015 heeft hij [gedaagde 3] en [gedaagde 7] en [gedaagde 8] brieven gestuurd waarin hij stelt het weiland al 50 jaar in gebruik te hebben zodat hij daar niet zomaar afgezet kan worden. Hij verzoekt [gedaagde 3] niet meer op het weiland te komen. Hetzelfde verzoek doet hij aan [gedaagde 7] en [gedaagde 8] en hij stelt hen ook aansprakelijk voor verwijdering van de afrastering en 15 balen kuilgras door [gedaagde 9] , productie 3 bij dagvaarding. Hij heeft met zijn zoon op 24 juli 2015 op [perceel 4a] en [perceel 4b] gemaaid en het gras in de loods op [straatnaam] [perceel 2a] opgesloten (de rechtbank begrijpt: opgeslagen). Op 25 juli 2015 heeft [gedaagde 9] daar een ruit ingegooid met een fles, waardoor glas in het hooi is gekomen dat daardoor onbruikbaar is geworden. [eiser] heeft hiervan aangifte gedaan op 28 juli 2015, productie 7. De schade bedraagt € 150,-. Op 31 juli 2015 is hij weer met zijn zoon op die percelen gaan maaien waarna onenigheid ontstond, zo begrijpt de rechtbank, in het bijzijn van loonwerker [betrokkene 4] . Toen [eiser] en zijn zoon later terugkwamen was [gedaagde 9] het gras onder aan het ploegen. De schade voor [eiser] is € 300,-. [eiser] heeft aan [gedaagde 8] het persoonlijk gebruiksrecht van de moestuin ontzegd bij brief van zijn advocaat van 6 augustus 2015 en planten uit de moestuin verwijderd omdat die voor overlast zorgden.

3.2.10.

Op 26 maart 2016 heeft hij [gedaagde 7] , [gedaagde 8] en hun zoon [gedaagde 9] verboden de percelen [perceel 4a] en [perceel 4b] te bewerken en in te zaaien. Zij hebben dit verbod genegeerd. Op 7 juli 2016 hebben [gedaagde 7] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9] (zo begrijpt de rechtbank) [eiser] zoon [zoon eiser] belet het gras te maaien. [gedaagde 9] heeft daarbij een ketting tussen de messen van de maaier gegooid, die daardoor total loss raakte. De schade bedraagt € 232,- ex btw indien de maaier gerepareerd kan worden en € 1.500,- tot € 2.000,- ex btw als een andere tweedehands maaier moet worden aangeschaft. [eiser] heeft nooit met [gedaagde 7] en [gedaagde 8] afgesproken dat hij het weiland mocht gebruiken en dat hij toestemming kreeg het te omheinen totdat zij het zelf weer wilden gebruiken. [gedaagde 7] en [gedaagde 8] hebben nooit aangegeven dat zij het weiland weer wilden gebruiken en zij erkennen dat hun zoon [gedaagde 9] het prikkeldraad heeft weggehaald. [eiser] heeft geen eigenaarslasten voor deze grond betaald omdat hem, ondanks dat hij zich als eigenaar gemeld had, werd aangegeven dat de facturen werden gestuurd aan degenen die bij het Kadaster als eigenaar geregistreerd staan. [eiser] erkent dat op dit land schapen grazen sinds [gedaagde 8] en [gedaagde 9] het zelf hebben omheind.

3.2.11.

[eiser] erkent dat [gedaagde 8] tot ongeveer 1983 de (mest)varkens van Vader heeft verzorgd. Er was toen geen rundvee meer op de boerderij. [eiser] betwist dat bij het etentje op de Gerardushoeve in 1985, waar hij bij was, geld is verdeeld door Moeder [naam echtgenote 2] . [eiser] en [gedaagde 1] hebben in ieder geval geen geld ontvangen. Moeder [naam echtgenote 2] heeft [eiser] in 1988 niet aangeboden grond aan de [straatnaam] te kopen. Hij gebruikte deze grond echter al 22 jaar (repliek bladzijde 20, randnummer 13) respectievelijk 28 jaar (repliek bladzijde 20, randnummer 12). [eiser] betwist dat hij mede-eigenaar is van diverse stukken land in de gemeente Simpelveld, hij heeft wel een perceel aan de [straatnaam] in Bocholtz.

3.2.12.

[eiser] fokt bedrijfsmatig pony’s en verhandelt het zaad daarvan, maar staat niet in het handelsregister ingeschreven. Zijn zoon [zoon eiser] helpt hem daarbij.

3.2.13.

[eiser] heeft nooit een brief van de landinrichtingscommissie ontvangen, in ieder geval niet over [perceel 1] .

3.3.

Gedaagden voeren verweer. Zij stellen onder meer het volgende.

Met betrekking tot [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b] ( [straatnaam] / [straatnaam] )

3.3.1.

[eiser] is enkel voor 1/8e deel eigenaar van [perceel 3] , de overige percelen zijn uitsluitend eigendom van [gedaagde 6] ( [perceel 2a] en [perceel 2b] ), van [gedaagde 3] ( [perceel 4a] ) en van [gedaagde 7] en [gedaagde 8] ( [perceel 4b] ). De ouders hadden levenslang vruchtgebruik op [perceel 2a] en [perceel 2b] . [gedaagde 8] had een machinehandel en hielp Vader ’s avonds op de boerderij om de dieren te verzorgen.

3.3.2.

De schuur op perceel [perceel 2a] is in 1973/1974 gebouwd door Vader samen met [Naam zoon] (loodgieter), [gedaagde 6] en schoonzoon [schoonzoon gedaagde 6] (metselaar), de echtgenoot van [gedaagde 5] . De stelling van [eiser] dat dit begin zestiger jaren in opdracht van [eiser] is gebeurd wordt betwist, ook al omdat [schoonzoon gedaagde 6] toen nog maar 9 of 10 jaar oud was. Deze loods werd gebruikt voor opslag van graan, hooi, stro en landbouwmachines en was aan één zijde open. Naast de schuur stond toen al een melkstalletje, waar alle kinderen in de loop der tijd Vader hebben geholpen met het melken van de koeien, behalve [gedaagde 1] (die een ingenieursopleiding volgde in Eindhoven) en [eiser] (vanwege zijn werk in de winkel). Halverwege de tachtiger jaren heeft [schoonzoon gedaagde 6] [eiser] geholpen met het metselen van paardenboxen in de schuur.

3.3.3.

Vader heeft de percelen [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b] omheind waarna [betrokkene 2] , deze percelen van omstreeks 1976 tot omstreeks 1985 heeft gebruikt om paarden te houden. Gedurende die periode heeft [eiser] die percelen dus in ieder geval niet gebruikt. Een verklaring van [betrokkene 2] met foto’s is overgelegd, producties 1 en 2 bij cva. Het gebruik van deze percelen door [eiser] is niet ontstaan door in bezitneming begin zestiger jaren, maar ontleend aan een persoonlijk gebruiksrecht gegeven door Vader en begon op zijn vroegst vanaf 1985. [eiser] is slechts houder geweest. Het gebruik van [eiser] was niet aan te merken als ondubbelzinnige daden van bezit waaruit eigenaarspretenties bleken.

[gedaagde 6] heeft [eiser] bij diverse gelegenheden gevraagd om een gebruiksbijdrage voor zijn percelen, wat [eiser] altijd heeft afgehouden. In 2013 wilde [gedaagde 6] daarom de grond verkopen. De makelaar heeft toen ook met [eiser] gesproken, zie productie F. Omstreeks 1996 kreeg [eiser] problemen met de gemeente omdat er te veel paarden op het land liepen ( [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b] ). Hij heeft toen [gedaagde 6] om toestemming gevraagd om tegen de gemeente te procederen, want dat kon hij niet zonder de eigenaar daarbij te betrekken, productie E.

3.3.4.

Moeder [naam echtgenote 2] heeft na het overlijden van Vader diverse landerijen verkocht, o.a. aan Hutschemakers, waarna zij de opbrengst met de acht kinderen deelde (die kregen allemaal een enveloppe met ƒ 10.000,-) tijdens een etentje bij de [naam restaurant] , foto’s productie A. Ook verkocht zij een perceel aan [betrokkene 4] dat grensde aan diens land op de [straatnaam] .

Met betrekking tot de percelen aan de [straatnaam] [perceel 4a] en [perceel 4b]

In 1988 wilde Moeder [naam echtgenote 2] [perceel 4] aan de [straatnaam] verkopen en heeft dat aan de kinderen meegedeeld waar zij allemaal bij waren. Zij heeft toen ook aan [eiser] gevraagd of hij die grond wilde kopen, maar hij wilde dat niet. [eiser] had die grond toen niet in gebruik, ook uit de leveringsakte blijkt dat de grond vrij was van gebruiksrechten van anderen. Tot zijn overlijden heeft Vader zelf het gras gemaaid op dat land. [gedaagde 7] en [gedaagde 8] hebben er een houtopslag en een moestuin gerealiseerd en [eiser] een persoonlijk gebruiksrecht gegeven om het gras te maaien en te gebruiken voor zijn pony’s omdat zij dat gras toen zelf niet nodig hadden. Ook [Naam zoon] en [gedaagde 3] hebben [eiser] een persoonlijk gebruiksrecht gegeven. Pas omstreeks 1993 heeft [eiser] gevraagd of hij er zijn pony’s mocht laten grazen en heeft hij het weilandgedeelte omrasterd. [gedaagde 7] en [gedaagde 8] en [Naam zoon] en [gedaagde 3] zijn daarmee akkoord gegaan op voorwaarde dat hij het gebruik zou staken als zij het land zelf weer wilden gebruiken.

3.3.5.

[gedaagde 8] heeft in 2012 tegen [eiser] gezegd dat zijn zonen het hooi van [perceel 4b] nodig hadden als voer voor hun schapen en geiten. [eiser] vond dat goed en heeft toen zijn gebruik van het weiland gestaakt en het op dat land gebouwde stalletje voor de pony’s weggehaald. [eiser] heeft in 2012 ook zelf het ijzeren toegangshek weggehaald en dit nog aan [gedaagde 9] te koop aangeboden. Ook [gedaagde 3] heeft toen te kennen gegeven haar perceel weer zelf te willen gebruiken.

In juni 2013 heeft [eiser] opeens toch weer gemaaid. [gedaagde 7] en [gedaagde 8] hebben toen zelf de oude afrastering verwijderd en een nieuwe omheining geplaatst die met een slot werd afgesloten. In juli-augustus hebben zij zelf opnieuw (laten) hooien door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . In 2014 hebben [gedaagde 7] en [gedaagde 8] ook zelf kunnen hooien met hulp van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] maar in 2015 ontstonden opnieuw problemen op 2 juni, 24 en 31 juli 2015 toen [eiser] gras liet maaien en dit afvoerde.

Op 7 juli 2016 ontstonden wederom problemen. Gedaagden betwisten dat [gedaagde 9] de maaibalk van [eiser] heeft beschadigd. Als productie H bij de akte van 1 november 2017 hebben gedaagden vier foto’s van het incident in het geding gebracht en zij hebben ook een usb-stick met een video overgelegd. Zij stellen dat [zoon eiser] , de zoon van [eiser] toen trachtte de heg die op verzoek van de gemeente om de houtopstand was geplant weg te maaien. [eiser] had een ketting in zijn hand en heeft [gedaagde 9] , die [zoon eiser] wilde beletten de heg weg te maaien, met die ketting bedreigd en later ook [gedaagde 8] met die ketting bedreigd toen die voor zijn zoon [gedaagde 9] ging staan. De filmer heeft voorkomen dat [eiser] iemand met de ketting heeft geslagen.

In het voorjaar van 2017 is het perceel omheind met schapendraad en sindsdien staan er schapen. [eiser] is er daarna niet meer geweest. [eiser] heeft het betalen van een vergoeding voor het gebruik van het weiland altijd afgehouden.

3.3.6.

[gedaagde 7] en [gedaagde 8] betwisten schade te hebben toegebracht aan eigendommen van [eiser] . De gewassen op de percelen van [gedaagde 7] , [gedaagde 8] en [gedaagde 3] zijn niet van [eiser] en hij had vanaf 2012 geen toestemming meer om daar te hooien.

3.3.7.

De beschuldigingen aan het adres van [gedaagde 9] zijn ook onjuist en de gestelde schade is niet onderbouwd.

3.3.8.

Voor zowel de percelen aan de [straatnaam] / [straatnaam] als aan de [straatnaam] geldt dat [eiser] nooit de indruk heeft gewekt de eigenaar daarvan te (willen) zijn. Hij heeft nooit eigenaarslasten betaald.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

In dit geschil gaat het om de vraag of [eiser] door verjaring eigenaar geworden is van de percelen [perceel 3] , [perceel 2a] , [perceel 2b] , [perceel 4a] en [perceel 4a] . Nu [eiser] stelt dat hij begin zestiger jaren (van de twintigste eeuw) deze gronden bij uitsluiting van ieder ander in bezit heeft genomen door er te maaien en te hooien, pony’s te laten grazen en er een hek om heen te zetten, is ook het voor 1 januari 1992 geldende recht van belang.

4.2.

Het juridisch kader waarbinnen dit geschil beoordeeld moet worden is het volgende.

4.2.1.

Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben en het staat de eigenaar vrij om met uitsluiting van ieder ander van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met onder meer de rechten van anderen, art. 5:1 lid 1 en 2 BW.

4.2.2.

Krachtens art. 3:105 lid 1 BW is rechthebbende van een goed hij die dit goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Dit wordt ook wel bevrijdende verjaring genoemd. Voor de voltooiing van deze verjaring is nodig dat de toestand dat een ander dan de rechthebbende bezitter is, gedurende de hele verjaringstermijn van twintig jaren (art. 3:306 BW) onafgebroken heeft voortgeduurd, zie ECLI:NL:HR:2012:BW5324. Deze verjaringstermijn was in het oude BW 30 jaar (art. 2004 BW).

4.2.3.

De termijn van verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint op de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt, aldus art. 3:314 lid 2 BW. Deze bepaling is een toepassing van art. 3:314 lid 1 BW, waarin bepaald wordt dat de verjaringstermijn van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand – het bezit van een niet-rechthebbende is immers in beginsel onrechtmatig – begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden.

4.2.4.

De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:107 e.v. BW. Art. 3:107 lid 1 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf. Daarmee wordt bedoeld het direct of indirect uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de (al dan niet gerechtvaardigde) pretentie rechthebbende te zijn. Het begrip ‘voor zichzelf’ brengt het van oudsher aan het bezitsbegrip verbonden exclusiviteitsaspect tot uitdrukking: wanneer iemand houdt voor zichzelf, sluit dat uit dat hij een ander als rechthebbende erkent. Het kan zo zijn dat feitelijke machtsuitoefening krachtens een rechtsverhouding tot de rechthebbende, bijvoorbeeld een afspraak, aan de kwalificatie ‘bezit’ in de weg staat.

4.2.5.

Art. 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf doet, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels die in de art. 3:109 e.v. BW worden gegeven. Het gaat om een objectieve maatstaf: het komt primair aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. De louter interne wil om als rechthebbende op te treden is voor het zijn van bezitter van geen betekenis. Alle omstandigheden van het geval, de aard en de bestemming van het goed waarom het gaat en de wijze waarop de bijzondere betrekking tot het goed is ontstaan, moeten tegen elkaar worden afgewogen.

4.2.6.

Onder het oude recht was voor verkrijging door verjaring onder meer vereist dat het bezit ondubbelzinnig was (art. 1992 BW: Om door middel van verjaring den eigendom eener zaak te verkrijgen, wordt vereischt een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar.) Van ‘niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar’ is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Dit ondubbelzinnig-heidsvereiste verzekert dat van verjaring pas sprake kan zijn indien de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Naar huidig recht wordt het ondubbelzinnigheidsvereiste geacht in het begrip ‘bezit’ zelf besloten te liggen. Dit vereiste is daarom niet meer expliciet in de verjaringsregeling vermeld, maar het geldt nog steeds.

4.2.7.

Art. 3:112 BW bepaalt (niet limitatief) dat bezit wordt verkregen door inbezitneming (occupatie), door overdracht of door opvolging onder algemene titel. Volgens art. 3:113 lid 1 BW neemt men een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. Maatstaf is hierbij altijd art. 3:108 BW: de machtsuitoefening moet zodanig zijn dat zij naar verkeersopvatting als bezit kan worden gekwalificeerd.

4.2.8.

Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende, aldus art. 3:113 lid 2 BW. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de inbezitneming van een goed waarvan een ander al bezitter is, slechts kan bestaan in een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter is geëindigd.

4.2.9.

Aangezien een onroerende zaak altijd een bezitter heeft (art. 5:24 BW), geldt voor de inbezitneming van een onroerende zaak de verzwaarde eis van art. 3:113 lid 2 BW. Dit betekent dat de machtsuitoefening van de inbezitnemer die van de oorspronkelijke bezitter geheel teniet moet doen en dat van inbezitneming in beginsel geen sprake zal zijn indien de oorspronkelijke bezitter nog macht over het goed behoudt, ECLI:NL:HR:2009:BH1634. In rechtspraak en literatuur plegen hoge eisen te worden gesteld aan inbezitneming van onroerende zaken, waarbij verkeersopvattingen en uiterlijke feiten bepalend zijn.

4.2.10.

Ook als geen enkele feitelijke macht over een zaak wordt uitgeoefend door de rechthebbende leidt dit niet tot bezitsverlies, tenzij het bezit kennelijk is prijsgegeven of wanneer een ander het bezit verkrijgt, art. 3:117 leden 1 en 2 BW.

4.2.11.

Eigendomsverkrijging door een bezitter te kwader trouw wegens bevrijdende verjaring leidt in beginsel voor deze verkrijger tot een verplichting om de schade wegens bezitsverlies aan de oorspronkelijk rechthebbende te vergoeden indien deze dat vordert, zie ECLI:NL:HR:2017:309, rov 3.7.3. ev.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] volgens de openbare registers enkel van [perceel 3] (na het overlijden van Moeder [naam echtgenote 2] ) mede-eigenaar werd, samen met haar overige erfgenamen. Van de andere percelen is [eiser] volgens de openbare registers geen eigenaar en is hij dat ook nooit geweest. Deze percelen waren van Vader en Moeder [naam echtgenote 2] ( [perceel 3] , [perceel 4a] en [perceel 4b] ) of zij hadden daarvan het vruchtgebruik ( [perceel 2a] en [perceel 2b] ). [eiser] betwist uitdrukkelijk dat hij met de rechthebbende familieleden over zijn gebruik van deze gronden afspraken heeft gemaakt, zoals gedaagden stellen.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van partijen blijkt dat in het nieuw samengestelde gezin [familienaam] werd samengewerkt tussen de ouders en de (behuwd) kinderen (bijna allen hielpen tot 1983 Vader (enige tijd) mee op de boerderij met bijvoorbeeld melken en het voeren van de dieren) en tussen de kinderen onderling, waarvan sommigen (enige tijd) werkten in de winkel van [eiser] . De verhoudingen waren hartelijk, in elk geval tot medio 1985. De (stief)ouders hebben eerst aan [eiser] ruimte in de boerderij ter beschikking gesteld om daar zijn winkel te beginnen en zij hebben later aan [eiser] en ook aan andere (stief)kinderen grond geschonken om een woning en – in geval van [eiser] – een bedrijfsruimte op te bouwen, zie rov 2 j. en k. De foto’s van productie A van gedaagden onderbouwen hun stelling dat Moeder [naam echtgenote 2] alle (stief)kinderen met hun gezinnen had uitgenodigd voor een etentje in de [naam restaurant] op Vaderdag 16 juni 1985 en uit productie C blijkt dat Moeder [naam echtgenote 2] op 17 juni 1991 haar testament zodanig heeft aangepast dat al haar kinderen en stiefkinderen voor gelijke delen tot erfgenaam werden benoemd, daarbij het risico aanvaardend dat zij de rechten van haar legitimarissen mogelijk schond.

4.5.

Tevens stelt de rechtbank vast dat de percelen [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b] optisch één geheel vormen (grasland met daarop een schuur) en slechts als geheel voorzien waren van een omheining, gelet op de stellingen van gedaagden op dit punt die worden onderbouwd door de stelling in het verweerschrift van de Gemeente Simpelveld ingediend bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Maastricht op 15 mei 1997 (inzake stankoverlast op die percelen): “Het gaat hier puur en alleen om kadastraal onderscheiden percelen. Feitelijk gaat het om een geheel van op elkaar aansluitende en door één en dezelfde omheining omsloten percelen c.q. eigenlijk één groot perceel”, zie productie E akte gedaagden. Ook [eiser] stelt bij dagvaarding dat het gaat om twee weilanden (één gelegen aan de [straatnaam] / [straatnaam] ) en één aan de [straatnaam] . Voor zover [eiser] dit bij repliek heeft willen betwisten, gaat de rechtbank daar aan voorbij omdat hij hier geen concrete feitelijke onderbouwing voor geeft.

Voor [perceel 4a] en [perceel 4b] geldt dat zich op een deel van [perceel 4b] een moestuin en een houtopslag bevinden terwijl het grasland voorzien is van één afrastering; dat gedeelte vormt dus ook optisch één geheel. Ook [eiser] spreekt bij repliek van “het perceel aan de [straatnaam] te Bocholtz, kadastraal bekend als [perceel 4a] en [perceel 4b] ” als hij het over deze twee percelen heeft.

4.6.

De stelplicht, en zonodig de bewijslast, ter zake feiten en omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat [eiser] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van deze percelen rust op [eiser] . Daarbij is allereerst van belang de vraag of [eiser] bezit van de percelen in geschil kan claimen door op zodanige wijze van de grond gebruik te maken dat het bezit van de rechthebbenden daardoor is geëindigd en zo ja, wanneer dit bezit van [eiser] dan is begonnen.

4.7.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De percelen [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b]

4.7.1.

[eiser] betwist niet dat deze gronden voordat hij “begin zestiger jaren heeft besloten” deze percelen “met uitsluiting van ieder ander” in bezit te nemen, gebruikt werden door Vader ten behoeve van zijn boerenbedrijf. [eiser] geeft niet aan wanneer precies (datum) hij deze percelen in gebruik heeft genomen en hoe dat dan precies is gegaan en wat Vader ervan vond en welke invloed dit had op Vaders bedrijfsvoering. Gedaagden stellen immers, onweersproken, dat deze percelen begin zestiger jaren voor Vaders bedrijfsvoering nog van groot belang waren.

4.7.2.

[eiser] stelt voorts dat hij de schuur daar in 1958 of begin zestiger jaren (de stellingen van [eiser] zijn op dit punt niet consistent) zelf met eigen middelen heeft gerealiseerd, maar onderbouwt dit niet (met een bouwvergunning of facturen). De rechtbank merkt op dat [eiser] in 1958 nog maar 18 of 19 jaar oud was en zonder nadere toelichting – die niet is gegeven – lijkt dit tijdstip niet aannemelijk. Deze stellingen van [eiser] zijn door gedaagden gemotiveerd betwist, die stellen dat de schuur in opdracht van Vader omstreeks 1973 daar is gebouwd, onder andere met hulp van schoonzoon [schoonzoon gedaagde 6] die metselaar was. Met name de verklaring van [schoonzoon gedaagde 6] is op dit punt van belang omdat [eiser] stelt dat deze in zijn opdracht in de zestiger jaren aan de (om)bouw van de schuur heeft gewerkt, wat [schoonzoon gedaagde 6] betwist, stellend dat hij toen 9 of 10 jaar oud was. Vader gebruikte de loods voor opslag, onder andere van landbouw-machines en stro, zo stellen gedaagden. [eiser] betwist dit en stelt dat het stro altijd in mijten op het land stond en dat de machines buiten stonden, behalve in één jaar waarin hij Vader toestemming gaf de trekker en de ploeg in de schuur te plaatsen. [eiser] concretiseert deze stellingen niet, bijvoorbeeld door een jaartal te noemen of te stellen waar, wanneer en in wiens aanwezigheid die afspraak werd gemaakt en onderbouwt haar evenmin, bijvoorbeeld door het overleggen van foto’s en dergelijke. [eiser] stelt ook niet concreet wanneer hij begon met het hooien en houden van pony’s op deze percelen.

4.7.3.

De rechtbank acht de stellingen van [eiser] over de aanvang van zijn bezit “begin zestiger jaren” daarom onvoldoende concreet en consistent om hem op dit punt een bewijsopdracht te kunnen geven. Daarmee is zijn gebruik en dus het bezit van die percelen vanaf “begin zestiger jaren” niet komen vast te staan. Vervolgens rijst de vraag of op enig moment daarna zodanig bezit is ontstaan.

4.7.4.

Gedaagden hebben onderbouwd gesteld dat [betrokkene 2] in de periode 1976 tot 1985 deze percelen heeft gebruikt om zijn paard(en) te stallen. Zij hebben een schriftelijke verklaring van hem in het geding gebracht onderbouwd met foto’s, producties 1 en 2 van gedaagden. Uit die verklaring blijkt dat Vader deze grond aan [betrokkene 2] in gebruik heeft gegeven. Op de foto’s zijn tenminste drie verschillende paarden of pony’s te zien terwijl ook duidelijk te zien is dat de leeftijd van [betrokkene 2] stijgt. [eiser] erkent bij repliek dat [betrokkene 2] enige tijd met zijn paard “op een stukje van [perceel 3] ” is gaan staan en erkent ook dat [betrokkene 2] er een paardenonderkomen en een hindernis had aangelegd. [eiser] noemt wederom geen concrete data of andere feiten, zodat een eventuele bewijsopdracht niet mogelijk is. Gelet hierop gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stellingen van gedaagden op dit punt. Dit betekent dat [eiser] gedurende de periode dat [betrokkene 2] daar met zijn paarden verbleef niet het gebruik heeft gehad van deze percelen.

4.7.5.

Dit alles leidt tot de conclusie dat van bezit van [eiser] van deze percelen tot 1986 geen sprake is geweest.

4.7.6.

Partijen zijn het erover eens dat [eiser] halverwege de tachtiger jaren deze percelen is gaan gebruiken om te hooien, te maaien en zijn pony’s te laten grazen. [eiser] dient echter te stellen en zonodig te bewijzen dat dit gebruik zodanig was dat de eigenaarspretenties die hij stelt te hebben voor iedereen kenbaar waren en dat dit gebruik het bezit van de rechthebbenden – [gedaagde 6] als (bloot) eigenaar van [perceel 2a] en [perceel 2b] en Moeder [naam echtgenote 2] als eigenaar van [perceel 3] en vruchtgebruikster van [perceel 2a] en [perceel 2b] – beëindigde. Het enkele besluit van [eiser] tot gebruik bij uitsluiting van ieder ander creëert immers geen bezit. Voor de rechthebbenden moet duidelijk zijn geweest dat [eiser] de intentie had de grond als bezitter (te kwader trouw) te gebruiken en daarvan op termijn door bevrijdende verjaring eigenaar te worden. Gedaagden betwisten dat dit duidelijk was. Gelet voorts op de familieverhoudingen, [gedaagde 6] en [eiser] zijn halfbroers en waren destijds elkaars werknemer en werkgever en Moeder [naam echtgenote 2] en [eiser] waren stiefmoeder en stiefzoon in een gezin waarin de verhoudingen toen nog hartelijk waren (zie rov 4.4.) en men gewoon was samen te werken, heeft [eiser] op dit punt te weinig gesteld om tot zodanig bezit te kunnen concluderen. De stelling van gedaagden dat [eiser] de grond slechts in gebruik had op basis van een persoonlijk gebruiksrecht is in deze familieverhoudingen immers voor de hand liggend. Het door [eiser] gestelde gebruik staat het bezit van Moeder [naam echtgenote 2] als vruchtgebruikster, respectievelijk [gedaagde 6] en Moeder [naam echtgenote 2] als eigenaars ook niet in de weg. Indien een rechthebbende de grond niet zelf gebruikt doet dit immers het bezit niet eindigen. [eiser] stelt ook niet waaruit voor [gedaagde 6] en Moeder [naam echtgenote 2] had moeten blijken dat [eiser] uit was op eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring. Omstreeks 1996 bleek immers voor zowel [gedaagde 6] , Moeder [naam echtgenote 2] en [eiser] duidelijk dat [eiser] geen eigenaar was van deze percelen omdat hij in de procedure tegen de Gemeente Simpelveld als gebruiker van deze gronden werd aangemerkt, naast [gedaagde 6] als eigenaar, die hem in deze procedure als zodanig heeft bijgestaan. Na het overlijden van Moeder [naam echtgenote 2] werd [eiser] voor 1/8ste gedeelte mede-eigenaar van [perceel 3] , tezamen met de andere gedaagden 1 tot en met 7, maar zette hij het gebruik kennelijk op de oude voet voort. Het door [eiser] gestelde gebruik van deze percelen heeft dan ook niet tot bezit (te kwader trouw) geleid.

4.7.7.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] met betrekking tot de percelen [perceel 3] , [perceel 2a] en [perceel 2b] zullen worden afgewezen.

De percelen [perceel 4a] en [perceel 4b]

4.7.8.

[eiser] betwist evenmin dat deze gronden voordat hij “begin zestiger jaren heeft besloten” deze percelen in bezit te nemen “met uitsluiting van ieder ander”, gebruikt werden door Vader ten behoeve van zijn boerderij. [eiser] geeft niet aan wanneer precies (datum) hij deze percelen in bezit heeft genomen en hoe dat dan precies is gegaan en wat Vader ervan vond en welke invloed dit had op Vaders bedrijfsvoering. Gedaagden stellen immers dat deze percelen voor Vaders bedrijfsvoering nog van groot belang waren. [eiser] stelt enkel dat hij “dit weiland” gebruikte om te hooien en voor zijn pony’s, zonder op dit punt enig bewijs bij te brengen (bijvoorbeeld aankoop facturen pony’s). Gedaagden betwisten dat [eiser] die percelen voor 1985, het overlijden van Vader, al gebruikte (het was tot 1982 nog akkerland stellen zij, toen [gedaagde 8] en [schoonzoon gedaagde 6] het op verzoek van Vader hebben ingezaaid met gras) en toen al pony’s hield. Zij stellen dat de pony’s waar [eiser] het over heeft van zijn zoon [zoon eiser] zijn die een stoeterij heeft genaamd “ [naam bedrijf] ” en zij onderbouwen dit met productie B. De stelling van [eiser] dat hij “bedrijfsmatig” pony’s fokt en het zaad verhandelt en dat zijn zoon hem helpt heeft hij niet onderbouwd en niet concreet te bewijzen aangeboden. Hij stelt ook niet concreet vanaf wanneer hij dit bedrijf dan uitoefent. Daar komt nog bij dat [eiser] dient te stellen en zonodig te bewijzen dat zijn gebruik van deze percelen zodanig was dat de eigenaarspretenties die hij stelt te hebben voor iedereen kenbaar waren en dat dit gebruik het bezit van de (stief)ouders van partijen beëindigde. Het besluit van [eiser] tot gebruik bij uitsluiting van ieder ander creëert immers geen bezit. Daarvoor is vereist dat voor de (stief)ouders duidelijk moet zijn geweest dat [eiser] de intentie had de grond als bezitter (te kwader trouw) te gebruiken en daarvan op termijn door bevrijdende verjaring eigenaar te worden. Gelet op de familieverhoudingen (stief)ouder(s) en (stief)kind, in een gezin waarin de verhoudingen toen nog hartelijk waren (zie rov 4.4.) en men gewoon was samen te werken, heeft [eiser] op dit punt te weinig gesteld om tot zodanig bezit te kunnen concluderen. De stelling van gedaagden dat [eiser] de grond slechts in gebruik had op basis van een persoonlijk gebruiksrecht is in deze familieverhoudingen immers voor de hand liggend. Het door [eiser] gestelde gebruik staat het bezit van de ouders – en na overlijden van Vader, van Moeder [naam echtgenote 2] alleen – als eigenaar(s) ook niet in de weg. Indien een rechthebbende de grond niet (meer) zelf gebruikt doet dit immers het bezit niet eindigen. [eiser] stelt ook niet waaruit voor Vader en Moeder [naam echtgenote 2] had moeten blijken dat [eiser] uit was op eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring. Het door [eiser] gestelde gebruik van deze percelen heeft – indien bewezen – tot 1988 dan ook niet tot bezit (te kwader trouw) geleid. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [eiser] deze percelen op basis van een persoonlijk gebruiksrecht gebruikte. [eiser] is dan geen bezitter maar houder van de grond.

4.7.9.

Vervolgens rijst de vraag of op enig moment daarna zodanig bezit alsnog is ontstaan, als bedoeld in art. 3:111 BW.

4.7.10.

In 1988 hebben [Naam zoon] en [gedaagde 3] , respectievelijk [gedaagde 7] en [gedaagde 8] deze percelen gekocht van Moeder [naam echtgenote 2] , waarna [Naam zoon] en [gedaagde 3] aan [eiser] toestemming hebben gegeven het gras te gebruiken op basis van een persoonlijk gebruiksrecht. [gedaagde 8] heeft op [perceel 4b] een moestuin en een houtopslag gerealiseerd, zo stellen zij. [eiser] stelt aanvankelijk dat hij dit gedoogde (exploot randnummer 20), maar beweert bij repliek dat hij zelf de moestuin heeft aangelegd waarvan hij medegebruik door [gedaagde 8] gedoogde. [eiser] betwist niet dat [gedaagde 8] een houtopslag op [perceel 4b] heeft gerealiseerd in 1988. Volgens gedaagden heeft [eiser] in 1993 gevraagd het weilandgedeelte te mogen omheinen en is hem toestemming daarvoor gegeven. Dit wordt door [eiser] betwist, hij stelt dat er nimmer afspraken over zijn gemaakt. Bij repliek stelt hij dat de afrastering er sinds “begin zestiger jaren al was” en dat hij die nimmer heeft aangelegd. Aanvankelijk biedt [eiser] , afgezien van het horen van zijn eigen gezinsleden, bewijs aan door het horen van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] , maar bij repliek heeft hij het alleen nog over “voornoemde getuigen”, de rechtbank begrijpt de getuigen die moeten verklaren over [eiser] stellingen met betrekking tot de percelen [straatnaam] / [straatnaam] .

4.7.11.

Aan een bewijsopdracht komt de rechtbank echter niet toe. Het gebruik dat [eiser] stelt van deze gronden te maken (voor zover uit zijn stellingen al een consistente lijn is op te maken) is, gelet op de familieverhoudingen (broer [Naam zoon] en schoonzus [gedaagde 3] , halfzus [gedaagde 7] en zwager [gedaagde 8] ) en deels ook elkaars werknemers en werkgever ( [gedaagde 7] en [gedaagde 3] werkten voor [eiser] in zijn winkel), zie rov 4.4., in het licht van de voor de hand liggende stelling van gedaagden dat [eiser] in deze familieverhoudingen de grond slechts in gebruik had op basis van een persoonlijk gebruiksrecht, onvoldoende om – ook indien bewezen – te kunnen concluderen dat hierdoor het bezit van de rechthebbenden [gedaagde 3] respectievelijk [gedaagde 7] en [gedaagde 8] is geëindigd. [eiser] gebruik staat het bezit van (wijlen [Naam zoon] en) [gedaagde 3] , [gedaagde 7] en [gedaagde 8] als eigenaars immers niet in de weg. Zij maakten zelf ook gewoon gebruik van hun eigen grond, in ieder geval [gedaagde 7] en [gedaagde 8] met hun moestuin en houtopslag. [eiser] stelt niet waaruit voor [Naam zoon] en [gedaagde 3] , [gedaagde 7] en [gedaagde 8] had moeten blijken dat [eiser] uit was op bezit te kwader trouw en bevrijdende verjaring.

4.7.12.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] met betrekking tot de percelen [perceel 4a] en [perceel 4b] zullen worden afgewezen.

De gevorderde schadevergoedingen

4.8.

De gevorderde schadevergoedingen hangen samen met het dispuut over het bezit van de percelen. De rechtbank neemt bij de beoordeling van deze vorderingen het volgende tot uitgangspunt.

4.8.1.

De rechtbank stelt voorop dat de eigenaar van de grond door natrekking ook eigenaar is van de zich daarop bevindende gebouwen, omheiningen en beplantingen, art. 5:20 lid 1 sub e en f BW. Weliswaar wordt een natuurlijke vrucht (hooi) een zelfstandige zaak door afscheiding (maaien), maar de eigenaar van het perceel wordt ook eigenaar van de afgescheiden vruchten, tenzij een ander daar een recht op had, art. 5:1 lid 3 BW.

In dit kader is van belang dat de bezitsaanspraken van [eiser] op de percelen zullen worden afgewezen, zie rov 4.7.

4.8.2.

[eiser] heeft niet gesteld dat hij een opstalrecht heeft op de schuur op [perceel 2a] en heeft uitdrukkelijk betwist dat hij met de rechthebbende familieleden afspraken heeft gemaakt over het gebruik van de percelen [perceel 4a] en [perceel 4b] , hoewel gedaagden stellen dat dit wel het geval is geweest.

4.8.3.

Op [eiser] rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast ter zake het ontstaan en de omvang van de gestelde schade.

4.9.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] aan [gedaagde 3] (in de dagvaarding aangeduid als gedaagde sub 4) geen concrete verwijten maakt met betrekking tot de gestelde schade. Voorzover [eiser] zou hebben bedoeld deze schade ook van [gedaagde 3] te vorderen worden deze vorderingen afgewezen.

4.10.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat gedaagden [gedaagde 8] , [gedaagde 7] en [gedaagde 9] de vorderingen ter zake schadevergoeding hebben begrepen als tegen hun gericht en zij hebben dienovereenkomstig hun verdediging gevoerd. De rechtbank zal de vorderingen dan ook aldus begrijpen en beoordelen.

4.11.

Met betrekking tot de door [eiser] gestelde schade van € 950,- wegens de door [gedaagde 9] verwijderde afrastering om het weiland op [perceel 4a] en [perceel 4b] op 6 juni 2013 overweegt de rechtbank als volgt. Een onderbouwing voor het schadebedrag ontbreekt. Nu de bezitsaanspraken van [eiser] ter zake deze percelen zullen worden afgewezen staat tevens vast dat [gedaagde 3] , [gedaagde 7] en [gedaagde 8] bevoegd waren deze afrastering door [gedaagde 9] te laten verwijderen. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 9] de afrastering heeft gedeponeerd op de door [eiser] gebruikte percelen aan de [straatnaam] / [straatnaam] zodat deze ter beschikking van [eiser] is gekomen. De schadevordering is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet toewijsbaar.

4.12.

[eiser] stelt schade te hebben geleden van € 150,- wegens vernieling van een ruit van de schuur op de [straatnaam] . [gedaagde 9] heeft dit gedaan op 24 juli of 25 juli 2015 (de stellingen van [eiser] zijn op dit punt onduidelijk), waardoor glas terecht is gekomen in het hooi dat [eiser] in die schuur had opgeslagen en dat, zo stelt hij, afkomstig was van het weiland op [perceel 4a] en [perceel 4b] . De omvang van de schade is niet onderbouwd. Nu de bezitsaanspraken van [eiser] ter zake de percelen aan de [straatnaam] / [straatnaam] zullen worden afgewezen en de schuur op die percelen dus geen eigendom is van [eiser] – hij heeft immers niet gesteld dat hij een recht van opstal heeft – staat reeds daarom niet vast dat [eiser] schade heeft geleden door vernieling van een ruit. Ook het gras/hooi afkomstig van het weiland op [perceel 4a] en [perceel 4b] behoort in beginsel aan [gedaagde 3] , [gedaagde 7] en [gedaagde 8] toe, want de bezitsaanspraken van [eiser] op deze percelen zullen worden afgewezen. Reeds op grond hiervan staat niet vast dat [eiser] enige schadevergoeding toekomt.

4.13.

[eiser] vordert voorts een schadevergoeding van € 300,- voor door [gedaagde 9] op 31 juli 2015 op de percelen [perceel 4a] en [perceel 4b] ondergeploegd gras. Nu de bezitsaanspraken van [eiser] op deze percelen zullen worden afgewezen zal deze vordering eveneens worden afgewezen omdat het hooi op deze percelen niet als zijn eigendom kan worden aangemerkt.

4.14.

[eiser] vordert ten slotte een schadevergoeding van € 232,- ex btw (indien reparatie mogelijk is) respectievelijk € 1.500,- tot € 2.000,- indien reparatie niet mogelijk is omdat [gedaagde 9] op 7 juli 2016, toen [zoon eiser] (zoon van [eiser] ) het gras op [perceel 4a] en [perceel 4b] aan het maaien was, een ketting tussen de messen van de maaier gooide. [gedaagde 7] was daarbij aanwezig. [eiser] heeft foto’s overgelegd (productie 9) van een beschadigde maaibalk en een e-mailbericht van 22 juli 2016 van Erik Bogman van Intrak Voerendaal B.V. aan [zoon eiser] inhoudend: “(…) Het enige wat ik kan zien op de foto’s is dat sommige schotels iets geplooid zijn. Betreffende schotels zijn niet meer leverbaar dus kan ik hier ook geen prijs voor maken. Reparatie is misschien mogelijk maar dat kan ik aan de hand van de foto’s niet bepalen. Als het alleen het recht buigen/richten van de trommels is, dan heb je het minimaal over een halve dag werk zonder materiaal. (…) = € 232,- ex btw (…)”. Handgeschreven is nog toegevoegd: “de prijs hiervan is niet bekend geschat rond + (€ 1.500)”.

4.14.1.

[gedaagde 7] en [gedaagde 8] betwisten dat zij een aandeel hadden in het ontstaan van de gestelde schade.

4.14.2.

[gedaagde 9] betwist dat hij een ketting tussen de messen van de maaier heeft gegooid op 7 juli 2016. Voorts betwist hij dat deze oude maaier voordien de op de foto’s getoonde schade nog niet had. Gedaagden stellen verder dat [zoon eiser] , de zoon van [eiser] toen trachtte de heg, die op verzoek van de gemeente om de houtopstand was geplant, weg te maaien. [eiser] had zelf een ketting in zijn hand en heeft [gedaagde 9] , die [zoon eiser] wilde beletten de heg weg te maaien, met die ketting bedreigd en later ook [gedaagde 8] met die ketting bedreigd toen die voor zijn zoon [gedaagde 9] ging staan. Daar is een filmpje van gemaakt en zij leggen foto’s over. De filmer heeft verhinderd dat [eiser] iemand met de ketting heeft geslagen, aldus gedaagden.

4.14.3.

[eiser] stelt in reactie daarop dat hij bewijs aanbiedt door het horen van hemzelf en zijn zoon als getuigen evenals loonwerker [betrokkene 4] .

4.14.4.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] niet heeft gesteld dat [gedaagde 7] en [gedaagde 8] een aandeel hebben gehad in het ontstaan van de gestelde schade. Dit deel van de vorderingen zal dan ook worden afgewezen.

4.14.5.

De rechtbank stelt voorts vast dat [eiser] de stellingen van gedaagden dat zijn zoon [zoon eiser] probeerde de heg om de houtopslag weg te maaien niet heeft betwist, evenmin als de stelling dat [eiser] zelf een ketting in zijn hand had en [gedaagde 9] , die [zoon eiser] wilde beletten de heg weg te maaien, met die ketting heeft bedreigd en even later ook [gedaagde 8] toen die voor zijn zoon [gedaagde 9] ging staan. Ook de stelling dat de filmer heeft voorkomen dat [eiser] iemand met de ketting heeft geslagen is door [eiser] niet betwist.

4.14.6.

De rechtbank heeft de foto’s en de video bekeken en vastgesteld dat die beelden tonen dat [zoon eiser] op een trekker met maaibalk zit die stilstaat in de buurt van een heg. [eiser] staat vlakbij die trekker en heeft een ketting in zijn hand en maakt daarmee slaande bewegingen in de richting van [gedaagde 9] en [gedaagde 8] . Daarna is in het videofragment geen duidelijk beeld meer te zien (de camera is niet meer goed gehanteerd) maar wel een geluid te horen dat door een ketting kan zijn veroorzaakt. Het beeld laat echter niet zien dat [gedaagde 9] met een ketting de maaibalk heeft beschadigd. Op de foto’s is te zien dat [zoon eiser] kennelijk ook foto’s of een filmpje maakt of dat probeert.

4.14.7.

De lezing van gedaagden acht de rechtbank op grond van de in het geding gebrachte foto’s en de video voldoende aannemelijk. Tegenover de door gedaagden gestelde gang van zaken heeft [eiser] geen concreet ander feitencomplex gesteld waaruit – indien bewezen – de conclusie kan worden getrokken dat [gedaagde 9] een ketting tussen de messen van de maaier heeft gegooid en dat daaruit de door hem gestelde schade is voortgevloeid. De rechtbank kan dan ook niet toekomen aan een bewijsopdracht aan [eiser] op dit punt. De oorzaak van de door [eiser] gestelde schade is daarmee niet komen vast te staan en dit deel van zijn vordering moet worden afgewezen.

4.15.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 5.121,00 (3 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 5.409,00

Toelichting: voor de comparitie na antwoord is slechts 1 punt geteld omdat de onderbreking op 10 maart 2017 gevolgd door voortzetting daarvan op een andere datum enkel aan gedaagden te wijten was.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 5.409,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: