Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7019

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
C/03/230685 / HA ZA 17-39
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/230685 / HA ZA 17-39

Vonnis van 25 juli 2018

in de zaak van

[eisende partij] ,

wonende te [woonplaats eisende partij] ,

eiser,

advocaat mr. D.J.P.M. Vermunt te Zaltbommel,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BERGEN,

zetelend te Bergen L,

gedaagde,

advocaat mr. S.A.L. van de Sande te Breda.

Partijen zullen hierna [eisende partij] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    het proces verbaal- van comparatie d.d. 16 november 2017,

  • -

    de akte zijdens [eisende partij] ,

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 21 maart 2018,

  • -

    de pleitnota van [eisende partij] ,

  • -

    de pleitnota van de gemeente.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 26 januari 2009 heeft [eisende partij] op de [straatnaam] in [plaatsnaam] hout uit de berm gepakt en op zijn aanhangwagen gelegd. Twee ambtenaren van de gemeente, de heren [X] en [Y] , hebben [eisende partij] daarover aangesproken. Ook de heer [Z] , ambtenaar bij dezelfde gemeente, is na contact met zijn collega’s naar de [straatnaam] toegekomen en heeft daar contact gehad met [eisende partij] . [eisende partij] heeft het hout na het gesprek met de ambtenaren van zijn aanhangwagen afgehaald en in de berm achtergelaten. De heer [Z] heeft van dit incident een surveillancerapport opgesteld en melding gemaakt bij de politie.

2.2.

Diezelfde dag, 26 januari 2009, is de heer [Z] naar het huisadres van [eisende partij] gegaan. Hij heeft verklaard dat hij daar gezien heeft dat [eisende partij] hout transporteerde van zijn oprit naar zijn achtertuin. [Z] vermoedde dat het hout afkomstig was van de [straatnaam] , omdat het gelijksoortig was aan het hout van de [straatnaam] . Ook van dit incident heeft de gemeente melding gemaakt bij de politie.

2.3.

Op 28 september 2009 ontving de gemeente een brief van de officier van justitie. In die brief staat:

“Namens de gemeente Bergen is aangifte gedaan van een strafbaar feit.

Deze aangifte heeft betrekking op het volgende feit:

Diefstal ( art 310 ) op 26 januari 2009 in [plaatsnaam] , gemeente Bergen (L).”

Bovenaan de brief staat in kleine lettertjes vermeld:

“Uw kenmerk: Diefstal hout op de [straatnaam] te [plaatsnaam] dd 26.01.2009”.

2.4.

Op 6 oktober 2009 is namens de gemeente een voegingsformulier ingediend. Op dit formulier staat een omschrijving van de schade ‘open haard hout 2m³’ en het bedrag ad € 44,-. Ook staat er dat het voorval heeft plaatsgevonden op 26 januari 2009 te Bergen.

2.5.

Bij brief van 16 november 2009 schrijft de officier van justitie aan de gemeente:

“Ik heb de verdachte in de gelegenheid gesteld om strafvervolging te voorkomen in de vorm van het betalen van een geldsom. De verdachte moet 130 euro betalen. Daarnaast dient de verdachte het schadebedrag van 44 euro aan u te vergoeden.”

2.6.

[eisende partij] is niet akkoord gegaan met het transactievoorstel van de officier van justitie. De officier van justitie heeft daarop besloten om [eisende partij] te dagvaarden om voor de rechter te verschijnen en de gemeente hiervan bij brief van 22 januari 2010 in kennis gesteld.

2.7.

De politierechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, heeft [eisende partij] op

2 augustus 2010 veroordeeld tot betaling van een voorwaardelijke boete van € 200,- met een proeftijd van twee jaar wegens poging tot diefstal. De gemeente is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

2.8.

[eisende partij] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal ter zitting gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het vonnis van de politierechter vernietigd bij arrest van 30 november 2011. Het Hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat [eisende partij] zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal. Het Hof heeft [eisende partij] veroordeeld tot betaling van een voorwaardelijke geldboete van € 100,- met een proeftijd van twee jaar. De vordering van de gemeente is niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet is gebleken dat de gestelde schade door [eisende partij] is veroorzaakt aangezien hij het hout weer heeft teruggelegd.

2.9.

[eisende partij] heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van [eisende partij] gegrond bevonden en het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch vernietigd.

2.10.

Na terugverwijzing heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 2 oktober 2014 het vonnis van de politierechter van 2 augustus 2010 vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging, omdat het in de zaak van [eisende partij] niet in redelijkheid tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen.

2.11.

Op 20 april 2015 heeft [eisende partij] de gemeente aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig handelen bestaande uit het doen van onterechte aangifte en het herhaaldelijk claimen van niet geleden schade.

2.12.

Op 15 september 2015 schrijft de gemeente aan [eisende partij] :

De diefstal waar de heer [Z] op doelt, gaat om de stapel hout die uw cliënt met zijn partner aan het transporteren was naar de achterzijde van zijn perceel. De heer [Z] kon zien dat het om hout van de gemeente ging. De heer [Z] heeft de politie hierop gewezen. Het ging om 2 kubieke meter hout.

(…)

De heer [Z] stelde vast dat uw cliënt hout van de gemeente had gestolen, en dat de gemeente hierdoor financieel nadeel leed. Om deze reden heeft de heer [Z] een schadevergoedingsvordering ingediend.

(…)

Bovendien handhaven wij het standpunt dat het feit dat de heer [Z] , die heeft gezien dat er hout van de gemeente naar de achterzijde van het perceel van uw cliënt werd getransporteerd, en naar aanleiding daarvan een schadevergoedingsformulier heeft ingevuld niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt.”.

2.13.

[eisende partij] heeft op 17 december 2015 een klacht ingediend bij de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman heeft geen onderzoek ingesteld naar aanleiding van die klacht. Vervolgens heeft [eisende partij] de Nationale ombudsman verzocht de klacht alsnog in behandeling te nemen.

2.14.

Mevrouw mr. [B] heeft namens de Nationale ombudsman contact opgenomen met de heer [eisende partij] en de gemeente. Zij heeft bij de gemeente geïnformeerd op welke partij hout de gemeente doelt in haar brief van 15 september 2015.

2.15.

Op 11 oktober 2016 heeft de advocaat van [eisende partij] een brief van de Nationale ombudsman ontvangen. Daarin staat over het gesprek tussen mevrouw [B] en de gemeente onder andere:

De gemeente gaf aan dat de bewoordingen in de correspondentie betrekking hebben op dezelfde partij hout (en de door de ambtenaar geconstateerde diefstal daarvan) die heeft geleid tot de uitspraak van het gerechtshof van 2 oktober 2014.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert - kort gezegd - een verklaring voor recht dat de gemeente zich onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gedragen, dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [eisende partij] dientengevolge geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

3.2.

[eisende partij] legt hieraan ten grondslag dat de gemeente aansprakelijk is jegens hem, vanwege een samenstel van handelingen die een onrechtmatige daad opleveren. Het gaat om de volgende handelingen van de gemeente: de (onterechte) aangifte, het bij herhaling indienen en handhaven van een onterechte civiele vordering, de uitlatingen in de brief van 15 oktober 2015 en het opzettelijk foutief informeren van de Ombudsman. Volgens [eisende partij] is niet noodzakelijk dat de afzonderlijke handelingen ook allemaal onrechtmatig zijn. [eisende partij] stelt dat hij als gevolg van het handelen van de gemeente schade heeft geleden, welke bestaat uit reputatieschade omdat in het dorp negatief over hem gesproken wordt, misgelopen omzet, de kosten in verband met de civiele procedure en reiskosten.

3.3.

Daarbij heeft [eisende partij] betoogd dat de volgende afzonderlijke handelingen ook zelfstandig kunnen worden aangemerkt als een onrechtmatige daad: het doen van aangifte, de uitlatingen in de brief van 15 oktober 2015 en het opzettelijk foutief informeren van de Ombudsman.

3.4.

De gemeente heeft tegen deze vorderingen verweer gevoerd en – kort samengevat - aangevoerd dat ten aanzien van de eerste twee verweten gedragingen, te weten de (onterechte) aangifte en het bij herhaling indienen en handhaven van een onterechte civiele vordering, sprake is van verjaring en dat geen sprake is van (enig) onrechtmatig handelen van de zijde van de gemeente. Het verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eisende partij] in de kosten van het geding.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] . De rechtbank ziet aanleiding om, ondanks het door de gemeente gevoerde verjaringsverweer, per verweten gedraging van de gemeente beoordelen of deze kan worden aangemerkt als een onrechtmatige daad. Daarna zal zij beoordelen of het samenstel van de handelingen kan worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad.

De aangifte

4.2.

[eisende partij] stelt dat de gemeente onterecht dan wel onrechtmatig aangifte heeft gedaan, omdat het voor de gemeente bij de aangifte al duidelijk moet zijn geweest dat er geen sprake was van diefstal.

4.3.

De gemeente betwist dat zij in strafrechtelijke zin aangifte heeft gedaan van de gebeurtenissen, zij stelt slechts een melding te hebben gedaan bij de politie. Anderzijds is zij van mening dat ten tijde van het doen van de strafrechtelijke aangifte voldoende feitelijke én juridische gronden aanwezig waren om te veronderstellen dat [eisende partij] zich schuldig had gemaakt aan (een poging tot) diefstal.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat het doen van een strafrechtelijke aangifte alleen onrechtmatig is jegens [eisende partij] als de gemeente wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de aangifte ongegrond was of als het doen van aangifte wordt gebruikt voor een doel waartoe dit middel niet strekt of als de aangifte door de wijze waarop of de omstandigheden waaronder deze wordt gedaan anderszins onbetamelijk of onzorgvuldig is jegens [eisende partij] (vgl. HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, NJ 2004, 130 (Herman/Fortis)) .

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente aangifte mocht doen van de feitelijke gebeurtenissen op 26 januari 2009. De gemeente had op basis van die gebeurtenissen redenen om [eisende partij] te verdenken van strafrechtelijk verwijtbaar handelen. Het is vervolgens de taak van de politie om het strafrechtelijk karakter van het handelen van [eisende partij] te onderzoeken. De gemeente heeft zich met haar melding bij de politie dus tot de juiste instantie gewend. Daarna is het aan het Openbaar Ministerie voorbehouden om in het kader van het opportuniteitsbeginsel te beoordelen of een strafrechtelijke vervolging van een verdachte haalbaar en gewenst is. Het is dus aan het Openbaar Ministerie en niet aan de gemeente om te beoordelen of daadwerkelijk tot een strafrechtelijke vervolging wordt overgegaan. Het Openbaar Ministerie heeft in deze kwestie, vóórdat de gemeente zich als benadeelde partij in het strafgeding had gevoegd, zelfstandig besloten om tot strafrechtelijke vervolging van [eisende partij] over te gaan. Gelet daarop passeert de rechtbank [eisende partij] stelling dat de gemeente, voor zover dat binnen haar mogelijkheden lag, het uiterste heeft gedaan om een strafrechtelijke vervolging op gang te krijgen, door aangifte te doen en zich meteen te voegen als benadeelde partij in het strafgeding. Nu verder geen andere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de aangifte anderszins onbetamelijk of onzorgvuldig jegens [eisende partij] maken, is de rechtbank van oordeel dat de gemeente niet onrechtmatig gehandeld heeft door aangifte jegens [eisende partij] te doen.

Het bij herhaling instellen van de vordering benadeelde partij

4.6.

[eisende partij] stelt dat gemeente van meet af aan wist dat zij geen vordering benadeelde partij kon instellen, omdat het vanaf het begin duidelijk is geweest dat de strafrechtelijke vervolging van [eisende partij] alleen betrekking had op het eerste incident op de [straatnaam] . Bij dat incident heeft [eisende partij] het hout teruggelegd, zodat de gemeente geen schade heeft geleden. Volgens [eisende partij] bevestigt de brief van de gemeente van 15 oktober 2015 dat de gemeente van meet af aan heeft geweten dat de door het Openbaar Ministerie ingestelde vervolging alleen betrekking had op het eerste incident op de [straatnaam] en niet ook op het vermeende incident bij [eisende partij] ’ woning.

4.7.

De gemeente betwist dat zij van meet af aan wist dat de strafrechtelijke vervolging enkele betrekking had op het incident aan de [straatnaam] . Volgens de gemeente heeft zij twee incidenten bij de politie gemeld: het opladen van hout aan de [straatnaam] (hierna: het eerste incident) en de aanwezigheid van hout bij de woning van [eisende partij] (hierna: het tweede incident). De gemeente heeft uit de brief van de officier van justitie van 28 september 2009 niet kunnen afleiden dat [eisende partij] enkel voor het eerste incident werd vervolgd. Uit de voormelde brief heeft de gemeente afgeleid dat vervolging is ingesteld voor “diefstal”. Hierdoor verkeerde de gemeente in de veronderstelling dat [eisende partij] niet alleen werd vervolgd voor het opladen van hout aan de [straatnaam] , maar ook voor de aanwezigheid van hout bij de woning waarvan de gemeente vermoedde dat dit afkomstig was van de [straatnaam] en dus afkomstig was van een eerdere (voltooide) diefstal. De vordering benadeelde partij had ook betrekking op het tweede incident en niet op het eerste incident. De gemeente is daarom van mening dat zij op goede gronden heeft gemeend dat zij als benadeelde partij in het strafrechtelijke proces een schadevergoedingsvordering kon instellen voor het tweede incident.

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat het instellen van een vordering benadeelde partij, ook als dat niet tot een gunstig resultaat leidt, op zichzelf niet als onrechtmatig handelen kan worden aangemerkt (vgl. HR 18 februari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AR6164, NJ 2005/216). Van onrechtmatigheid is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van [eisende partij] achterwege had behoren te blijven. Daarvan kan pas sprake zijn als de gemeente haar vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het instellen van een vordering benadeelde partij past terughoudend, gelet op het recht op toegang tot de rechter (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828,

NJ 2012/233 (Grand Café Duka/Achmea)).

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente uit de brief van de officier van justitie van 28 september 2009, noch de daarop volgende brieven van 16 november 2009 en

22 januari 2010, hoefde af te leiden dat [eisende partij] enkel voor het eerste incident werd vervolgd zodat de gemeente geen vordering benadeelde partij kon instellen, nu vast staat dat die vordering betrekking had op het tweede incident. Weliswaar wordt in kleine lettertjes bij het kenmerk van de brief van 28 september 2009 de [straatnaam] te [plaatsnaam] genoemd, hetgeen zou betekenen dat het gaat om het eerste incident en wordt gesproken van “feit” hetgeen zou betekenen dat het alleen gaat om het eerste incident, maar tegelijkertijd spreekt de officier in de tekst van de brief in algemene bewoordingen van “diefstal”. Gelet op het op dat moment bestaande standpunt van de gemeente, past de term “diefstal” eerder bij de het tweede incident dan bij het eerste incident omdat bij het eerste incident het hout door [eisende partij] is teruggelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is die brief van de officier daarom voor meerdere uitleg vatbaar.

Ook uit de daarop volgende brief van 16 november 2009 met het in kenmerk “aangifte diefstal kaphout dd 26.01.2009” had de gemeente niet hoeven afleiden dat [eisende partij] kennelijk een transactievoorstel werd aangeboden ter zake het eerste incident en niet het tweede incident, te minder nu de officier van justitie in deze brief ook schrijft dat het schadebedrag van € 44,00 aan de gemeente dient te worden vergoed. Aldus bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeente haar vordering baseerde op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op voorhand had moeten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden, zodat geen sprake is van een evidente ongegrondheid van de vordering, waardoor het instellen van de vordering gelet op de belangen van [eisende partij] achterwege had moeten blijven. Dat met de kennis van nu achteraf kan worden gereconstrueerd dat kennelijk alleen vervolging is ingesteld voor het eerste incident maakt niet dat, zoals [eisende partij] stelt, de gemeente zelfstandig onderzoek had moeten doen of zij de vordering benadeelde partij mocht instellen, zeker niet nu daarvoor iedere feitelijke en wettelijke grondslag ontbreekt.

4.10.

Voor zover [eisende partij] nog stelt dat op grond van de brief van de gemeente van

10 oktober 2015 kan worden vastgesteld dat de gemeente van meet af aan heeft geweten dat de ingestelde vervolging enkel betrekking had op het eerste incident, is de rechtbank eveneens van oordeel dat dit niet kan worden gevolgd. Ten tijde van het schrijven van deze brief was immers een volledig strafrechtelijke procedure doorlopen, die uiteindelijk op

20 oktober 2014 heeft geresulteerd in een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het OM, waardoor de gemeente uit dien hoofde – uiteindelijk – wist dat de strafrechtelijke procedure enkel betrekking had op het eerste incident en niet (ook) op het tweede incident.

4.11.

[eisende partij] stelt verder dat het herhaaldelijk indienen van een vordering benadeelde

partij, waaronder [eisende partij] verstaat het handhaven van de vordering benadeelde partij in

hoger beroep, onrechtmatig handelen van de gemeente oplevert. Volgens [eisende partij] was [Z]

op de zitting bij de politierechter aanwezig en had het de gemeente, althans [Z] , toen

duidelijk moeten zijn dat de vervolging van het Openbaar Ministerie slechts zag op het

eerste incident en niet (ook) op het tweede incident.

Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. Weliswaar staat tussen partijen vast dat [Z] namens de gemeente bij de behandeling van de strafzaak door de politierechter aanwezig is geweest, maar dat brengt zonder nadere toelichting niet met zich dat de gemeente daardoor ook moet hebben geweten dat [eisende partij] enkel terzake het eerste incident werd vervolgd. [eisende partij] heeft niet toegelicht uit welke feiten en omstandigheden dan wel uit welke ter zitting gedane bewoordingen de gemeente, in de persoon van [Z] , had moeten blijken dat enkel het eerste incident aan de orde was, zodat het handhaven van de vordering benadeelde partij in hoger beroep bij voorbaat kansloos zou zijn. Ook uit de overgelegde producties, te weten de aantekeningen van het mondeling vonnis van de politierechter van 2 augustus 2010 en de nadien toegezonden brief van de officier van justitie van 31 augustus 2010 waarin de officier wederom in algemene bewoordingen spreekt van “diefstal van hout” kon zulks niet door de gemeente worden afgeleid.

4.12.

De slotsom van al het voorgaande is dat het instellen van de vordering benadeelde partij, noch het handhaven daarvan in hoger beroep door de gemeente jegens [eisende partij] onrechtmatig is.

Brief gemeente van 15 oktober 2015

4.13.

[eisende partij] stelt dat de gemeente verder onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld met haar uitlatingen in de brief van 15 oktober 2015. Volgens [eisende partij] stelt de gemeente zich als rechter doordat zij, in de persoon van [Z] , in die brief een oordeel velt over handelingen van [eisende partij] . Zo stelt de gemeente in de brief dat [Z] vaststelde dat [eisende partij] hout van de gemeente had gestolen. Daarbij wordt ook de echtgenote van [eisende partij] niet ontzien, terwijl zij volgens [eisende partij] überhaupt geen hout heeft vervoerd. De voorgaande oordelen/

beschuldigingen vallen volgens [eisende partij] strafrechtelijk gezien in de categorie belediging, smaad of laster en moeten civielrechtelijk als onrechtmatig handelen van de gemeente worden geduid.

4.14.

De gemeente betwist dat de inhoud van de brief van 15 oktober 2015 van dien aard is dat zij daardoor onrechtmatig jegens [eisende partij] handelt. Volgens de gemeente wordt in de brief enkel in reactie op een eerdere brief van 22 september 2009 van [eisende partij] het standpunt van de gemeente verwoord.

4.15.

De rechtbank stelt vast dat de gemeente in de gewraakte brief haar standpunt verwoord dat zij niet onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld. In de brief van de gemeente wordt herhaald en nader toegelicht waarom de gemeente betwist dat [Z] al bij het doen van aangifte wist dat er geen diefstal was gepleegd en dat het naar aanleiding daarvan ingevulde schadevergoedingsformulier als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat deze brief met het standpunt van de gemeente ten aanzien van het door [eisende partij] gestelde onrechtmatig handelen - waarvan bovendien niet bestreden is dat deze enkel aan [eisende partij] is gericht - als onrechtmatig dient te worden gekwalificeerd. De omstandigheid dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch al voor het schrijven en verzenden van deze brief heeft beslist dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging ter zake het ten laste gelegde wordt verklaard omdat een waarschuwing had volstaan, maakt dit niet anders. In deze “niet-ontvankelijkheid” kan immers niet worden gelezen dat [eisende partij] , zoals hij kennelijk voor ogen heeft, is “vrijgesproken”, te minder nu dit juridisch gezien ook twee verschillende zaken zijn. Nu geen sprake is van een vrijspraak, valt niet in te zien dat de gemeente onrechtmatig handelt door in een brief, die uitsluitend is gericht aan [eisende partij] , een standpunt in te nemen ten aanzien van een verwijt dat zij met het doen van aangifte en het in te stellen van een vordering benadeelde partij onrechtmatig zou hebben gehandeld.

Nationale ombudsman

4.16.

[eisende partij] stelt tot slot dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de Nationale ombudsman verkeerd te informeren naar aanleiding van een vraag van een van haar medewerkers, mevrouw [B] (hierna: “ [B] ”). De gemeente heeft jegens [B] verklaard dat de brief van 15 oktober 2015 zag op dezelfde partij hout die heeft geleid tot de uitspraak van het gerechtshof van 2 oktober 2014. Die informatie is onjuist omdat die procedure zag op het eerste incident, terwijl de gemeente het in de brief van 15 oktober 2015 juist over het tweede incident heeft. Door deze onjuiste informatie te verstrekken heeft de gemeente de Nationale ombudsman misleid dan wel is sprake van een ‘wegpoetsactie’. De rechtbank verstaat dit verwijt als het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie en/of gemotiveerd ‘wegpoetsen’ van eerder laakbaar gedrag door de gemeente.

4.17.

De gemeente heeft hier gemotiveerd tegenover gesteld zij enkel een telefoongesprek met [B] heeft gevoerd. Tijdens dit gesprek, dat van de zijde van de gemeente door mevrouw [A] werd gevoerd, kreeg de gemeente de indruk dat [B] niet helemaal goed begreep waar de zaak precies om draaide. De gemeente heeft geen gespreksverslag van het telefoongesprek ontvangen. [B] heeft zich echter uitsluitend gebaseerd op dit telefoongesprek. De brief die door [B] aan [eisende partij] is verzonden, heeft de gemeente evenmin gezien. Als dat wel was gebeurd dan had de gemeente daarop kunnen reageren. Volgens de gemeente is dus sprake van een miscommunicatie.

4.18.

[eisende partij] heeft niet betwist dat [B] zich uitsluitend heeft gebaseerd op een telefoongesprek, waarvan geen afschrift aan de gemeente is verstrekt. Als niet betwist staat verder vast dat de gemeente de brief aan [eisende partij] niet heeft gezien, zodat zij ook niet daarop heeft kunnen reageren. De rechtbank acht het niet onwaarschijnlijk dat, mede gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken betreffende het eerste incident en het tweede incident, dat hierdoor in spreekwoordelijke zin ruis op de lijn is ontstaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de gemeente, ligt het op de weg van [eisende partij] om zijn stellingen dat sprake is van misleiding, het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie dan wel “wegpoetsen” nader te onderbouwen. De enkele stelling dat dit past in “een patroon van onheuse bejegening” van [eisende partij] door de gemeente is daartoe onvoldoende. Hiervoor is immers al geoordeeld dat de eerdere door [eisende partij] als onrechtmatig ervaren gedragingen niet juridisch als zodanig kunnen worden beoordeeld, zodat ook geen sprake kan zijn van een patroon van onrechtmatige gedragingen.

Samenstel van handelingen

4.19.

[eisende partij] heeft betoogd dat het samenstel van de hierboven beoordeelde handelingen een onrechtmatige daad oplevert. Daarvoor is volgens [eisende partij] niet noodzakelijk dat de afzonderlijke handelingen ook allemaal onrechtmatig zijn.

4.20.

De gemeente heeft hiertegen in gebracht dat de verschillende gedragingen van de gemeente niet als één ‘doen’ in de zin van art. 6:162 BW lid 2 BW kunnen worden gezien. Daarvoor is van belang dat het niet gaat om één voortdurend feit. De handelingen zijn op verschillende tijdstippen in de periode van 2009 tot en met 2015 verricht. Ook gaat het volgens de gemeente om afzonderlijke handelingen, die geen gelijke aard of strekking hebben.

4.21.

De rechtbank is met de gemeente van mening dat de handelingen van de gemeente geen gelijke aard of strekking hebben en op verschillende tijdstippen over een langere periode zijn verricht, zodat zij om die reden niet één onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW opleveren. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat géén van de afzonderlijke gedragingen als een onrechtmatige daad kan worden gekwalificeerd. Daaruit volgt dat ook het samenstel van die gedragingen geen onrechtmatige daad kan vormen.

Conclusie

4.22.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door de gemeente jegens [eisende partij] , zodat de overige verweren geen nadere bespreking behoeven en de vorderingen van [eisende partij] dienen te worden afgewezen.

4.23.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 2.172,00 (4,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 2.790,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 2.790,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eisende partij] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisende partij] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Krens en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.1

1 type: LE coll: