Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:6914

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
6680324 CV EXPL 18-1102
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onduidelijke en veel te mager onderbouwde (en dus af te wijzen) vordering ter zake van energielevering van de kant van grote Zeeuwse energieproducent.

Onopgehelderde rol van een ‘Energiecollectief’, wiens ‘deelnameformulier’ of ‘offerte’ de enige tastbare rechtsbron voor een vordering in de procedure vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 6680324 CV EXPL 18-1102

Vonnis van de kantonrechter van 18 juli 2018 (vervroegd)

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PZEM ENERGY B.V.

voorheen optredend onder de naam DELTA ENERGY B.V.

gevestigd en kantoor houdend in Middelburg

verder ook aan te duiden als “PZEM”

eisende partij

gemachtigde R.E.J.A. Smulders, werkzaam bij GGN Mastering Credit N.V. in Heerlen

tegen

[gedaagde]

handelend onder de naam [handelsnaam]

wonend in [woonplaats] aan de [adres]

verder ook aan te duiden als “ [gedaagde] ”

gedaagde partij

gemachtigde D. Trommelen, bedrijfsadviseur in Heerlen

1 De procedure

PZEM heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 15 februari 2018 in rechte betrokken voor een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding. Aan het exploot waren geen producties toegevoegd, afgezien van een aangehecht informatieformulier voor [gedaagde] .

[gedaagde] heeft - na verkregen uitstel - op de rolzitting van 4 april 2018 zowel mondeling als schriftelijk van antwoord gediend onder verwijzing naar twee producties.

Vervolgens heeft PZEM op 6 juni 2018 voor repliek geconcludeerd, bij welke gelegenheid zij alsnog twee enkelvoudige producties en één meervoudige productie overgelegd heeft.

Ter rolzitting van 4 juli 2018 heeft [gedaagde] in reactie daarop voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is vonnis bepaald. De uitspraak is - bij vervroeging - op vandaag gesteld.

2 Het geschil

PZEM vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling aan haar van een bedrag van € 1 769,07, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 1 443,41 vanaf 15 februari 2018 (datum dagvaarding) tot de datum van volledige betaling. Daarnaast vraagt PZEM de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de aan haar zijde te liquideren kosten van de procedure.

PZEM baseert de vordering op de volgende feitelijke omstandigheden en/of stellingen.

Tussen partijen is op een bij exploot ongenoemd gelaten moment en voor een onbekend gebleven periode een overeenkomst van opdracht aangegaan die er in bestond dat PZEM aan [gedaagde] tegen betaling ‘diverse diensten’ zou verlenen ‘(onder bijlevering van materiaal)’. Uit een in de tekst van het exploot genoemde maar niet overgelegde factuur (een wel aangekondigde ‘productie (1)’ was niet aan het exploot gehecht) zou de inhoud van de daadwerkelijk verleende dienst(en) moeten blijken. De in de exploottekst vermelde kerngegevens van deze factuur (datum 22 februari 2017 en gefactureerd bedrag € 1 443,41) geven geen verder uitsluitsel. PZEM stelt geen betaling ter zake ontvangen te hebben en acht [gedaagde] per 22 februari 2017 om onduidelijke reden in betalingsverzuim. Zij verbindt daaraan (althans aan ‘de wanbetaling van gedaagde en/of het hierdoor uit handen geven van haar vordering’) de consequentie dat [gedaagde] tevens de ondervonden vermogensschade in de vorm van wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten zal hebben te vergoeden. Aan vervallen rente claimt PZEM een bedrag van € 109,15 en aan vergoeding van incassokosten € 216,51.

Volgens PZEM had [gedaagde] buiten rechte de vordering onbetwist gelaten. In geval van betwisting in rechte heeft PZEM uitdrukkelijk de wens te kennen gegeven dat om proceseconomische redenen afgezien zou worden van een comparitie van partijen.

In voortgezet debat heeft PZEM de bij antwoord tegen de vordering ingebrachte stellingen en verweren weersproken en daarbij nog het volgende naar voren gebracht. Alsnog is iets meer gezegd over de eind september 2014 door ‘tussenkomst’ van ‘Kobespa’ aangegane contractuele relatie (prod.1), die per 1 januari 2016 stilzwijgend voortgezet is. Op basis van eerder verbruik kocht PZEM ten behoeve van [gedaagde] ‘een volume van 16208 nm3’ voor het kalenderjaar 2017 in (naar pas uit een bijzin af te leiden valt, ging het om kubieke meters = m³ gas). Het tussentijds overstappen van [gedaagde] naar een andere energieleverancier – ‘zonder bij eiseres onderhavige overeenkomst schriftelijk op te zeggen’ - noodzaakte PZEM op basis van haar eigen algemene voorwaarden bij factuur d.d. 8 februari 2017 de kosten daarvan aan [gedaagde] in rekening te brengen, verhoogd met een boetebedrag van € 150,00 en btw (volgens PZEM of haar gemachtigde te schrijven als ‘B.T.W.’). Een door [gedaagde] genoemde opzegging die op 27 september 2016 gedaan zou zijn, is PZEM geheel onbekend. In de loop van het incassotraject heeft [gedaagde] van zich doen horen, waarna de incassogemachtigde van PZEM het door eisende partij ingenomen standpunt in een (niet ingebrachte) brief van 3 juli 2017 uiteengezet heeft. Eerder was [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zonder kosten de hoofdsom in der minne te voldoen, maar hij maakte daar geen gebruik van. PZEM heeft in volstrekt globale termen (onbepaald naar object en naar middelen van bewijslevering) en geheel subsidiair bewijs aangeboden.

Het verweer van [gedaagde] heeft in grote trekken (samengevat) de volgende strekking. Het contract is aangegaan voor een jaar en zou stilzwijgend verlengd worden. “Op een gegeven moment zijn wij overgestapt naar een andere leverancier”. Waarom daar een boete op gesteld is, ontgaat [gedaagde] , nu er ‘tijdig opgezegd’ is. Dat zou op 27 september 2016 gebeurd zijn. Het eindmoment van het voortgezette contract is dan 31 december 2016. De bij PZEM na dagvaarding door (de gemachtigde van) [gedaagde] opgevraagde factuur specificeert niet hoe de boete of schadevergoeding wegens ‘contractbreuk’ berekend is (zie kopie factuur bij schriftelijk antwoord). Volgens de per e-mail ontvangen ‘toelichting’ zou het gaan om het verschil ‘tussen verkoopprijs en toenmalige marktprijzen*resterend volume’. Is dit de werkelijk geleden schade?

Nader heeft [gedaagde] bij dupliek de eerste aan de repliek toegevoegde productie onder vuur genomen, een deelnameformulier waarin van alles oningevuld gebleven is (volumes, aansluitingsnummer, EAN-code en dergelijke). Een handmatige wijziging op de tweede pagina bij ‘overbruggingscontract’ roept vragen op. Voor 2016 noch 2017 is een vaste prijs afgesproken. De prijsafspraak gold slechts voor 2015. Een ‘schimmig contact’ in de optiek van [gedaagde] via een ‘schimmige tussenpersoon’ dat [gedaagde] nooit eerder gezien had en ‘nu opeens opduikt’. [gedaagde] acht zich geen boete en/of schadevergoeding verschuldigd. Dat er schade geleden is in de gestelde omvang, maakt PZEM niet waar.

3 De beoordeling

PZEM heeft aan de rechter een vordering voorgelegd die vrijwel niet althans vergaand onvoldoende gemotiveerd is. Ter ondersteuning van haar bij exploot tot uitgangspunt genomen aanname dat PZEM met [gedaagde] ‘één of meerdere overeenkomst(en) van opdracht aangegaan’ is en ter adstructie van de vraag welke inhoud die dan wel heeft / hebben, heeft zij niet meer gedaan dan bij repliek te verwijzen naar een totaal niet toegelichte productie 1. Die productie behelst een kopie van een twee pagina’s beslaand formulier voorzien van het logo van een onderneming of institutie ‘KOBESPA Energiecollectief’, wier relatie met PZEM slechts geduid wordt als ‘intermediair’. Dat het hier gaat om een ‘overeenkomst’, laat staan een ‘overeenkomst met PZEM’, vormt een miskenning van hetgeen in het niet van enige uitleg voorziene stuk te lezen valt. Kobespa, zoals PZEM het veronderstelde ‘intermediair’ verder aanduidt (vermoedelijk staat de naam of afkorting voor ‘Konsumenten of Kollektieve Besparing’ of iets dergelijks), noemt het document in de kop een ‘deelnameformulier’ of heeft het zelfs (vlak daarboven) over een ‘offerte uitgebracht door: [naam] ’. Uit niets kan afgeleid worden dat met het gedeeltelijk invullen en ondertekenen van dit formulier - door of met medewerking van [gedaagde] - op 30 september 2014 uiteindelijk een overeenkomst tussen [gedaagde] en PZEM bewerkstelligd is.

Het formulier was kennelijk slechts een eerste fase in een proces dat zich voltrok op de markt van energielevering. De eventuele betrokkenheid van PZEM bij het vervolg is er niet mee aangetoond. Ook blijkt nergens uit dat Kobespa met het laten ondertekenen van het formulier optrad als vertegenwoordiger of gevolmachtigde van PZEM, wier naam in het stuk nergens genoemd wordt. Verplichtingen, voor zover ze bij dit deelnameformulier al aangegaan zijn, ontstonden hiermee alleen tussen Kobespa en [gedaagde] . Dat PZEM er enig recht aan kan ontlenen en dat zij er zelfs haar eigen algemene voorwaarden (prod.2 bij repliek: “PZEM / Algemene voorwaarden”) op kan plakken, volgt nergens uit. Daarvoor zou op zijn minst een directe afspraak tussen de energieleverancier en [gedaagde] als consument dan wel zakelijke klant aangeduid en waar nodig aangetoond moeten zijn. Bij gebreke van zo’n overeenkomst die [gedaagde] ten opzichte van PZEM tot energieafname en betaling verplicht(te) op de voorwaarden die PZEM stelt, kan van enige vordering van de eisende partij geen sprake zijn. Als het al zo mocht zijn dat [gedaagde] zich tegenover Kobespa (en dus niet tegenover PZEM) gebonden zou hebben - na stilzwijgende voortzetting van een ‘deelname’ aan een collectief op energiegebied voor een jaar - aan enigerlei formele opzegverplichting (niet die van PZEM doch die van Kobespa) doch zich daar niet aan gehouden heeft, had het voor de hand gelegen dat Kobespa - en niet PZEM - een eventueel daarop te baseren vordering had ingesteld.

De vordering van PZEM leent zich bij gebreke van een duidelijke, in de feiten gegrondveste vordering niet voor toewijzing. Laat staan een vordering op basis van een voortzettings- , boete- en/of schadevergoedingsverplichting die op haar beurt bijna net zo mager onderbouwd is als het beroep van PZEM op een bestaande overeenkomst tussen haar en [gedaagde] .

Aan bewijslevering omtrent gaten in het aangevoerde feitensubstraat kan niet toegekomen worden. Eerstens omdat PZEM haar gemotiveerde stelplicht ten aanzien van die feiten niet nageleefd heeft en onduidelijk is wat eventueel te bewijzen valt. Tweedens omdat het bewijsaanbod van PZEM naar onderwerp en middelen veel te onbepaald is (‘al haar stellingen door alle middelen rechtens’).

De afwijzing van de vordering heeft tot gevolg dat PZEM in de proceskosten verwezen dient te worden. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op de helft van het reguliere gemachtigdesalaris (twee procespunten van € 150,00), waar het hier niet gaat om een professionele procesgemachtigde. Omdat er niet om gevraagd is, blijft uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit kostenoordeel ten gunste van [gedaagde] achterwege.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- De vordering van m aan PZEM wordt afgewezen.

- PZEM wordt daarom veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis bepaald op een bedrag van € 150,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS