Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:6895

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
6573886\cv expl 18-220
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van achterstallige premies en eigen bijdrage/risico toegewezen. Beroep op verjaring slaagt niet, evenals het beroep op rechtsverwerking. Het verweer dat een deel van de vordering van voor de wsnp is, wordt eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6573886 \ CV EXPL 18-220

Vonnis van de kantonrechter van 18 juli 2018

in de zaak van:

de naamloze vennootschap VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,

gevestigd te Arnhem,

eisende partij,

gemachtigde M.G. de Jong Gerechtsdeurwaarders- & Incassokantoor,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.H.M. Verstraten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde partij heeft bij eisende partij een of meerdere verzekeringen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet afgesloten. De verzekeringen zijn bij eisende partij geregistreerd onder klantnummer [klantnummer verzekeringsmaatschappij gedaagde partij] .

2.2.

De schuldsanering is op gedaagde partij van toepassing geweest in de periode van 3 januari 2007 tot en met 13 januari 2010. Bij vonnis van 13 januari 2010 is de “schone lei” verleend.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 500,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisende partij stelt dat gedaagde partij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst een bedrag van € 6.792,19 verschuldigd is. Als productie 1 bij dagvaarding heeft eisende partij een specificatie overgelegd. Inclusief rente en buitengerechtelijke kosten bedraagt de vordering € 8.547,17. Om haar moverende redenen beperkt eisende partij haar vordering tot € 500,00, waarbij zij uitdrukkelijk haar rechten reserveert voor het overige.

4.2.

Gedaagde partij voert allereerst aan dat een bedrag van € 3.418,44 betreffende polismutaties voor de datum van de WSNP zijn en daarom onder de werking van de schone lei vallen. Nadat eisende partij in haar conclusie van repliek een toelichting heeft gegeven over dit deel van de vordering, heeft gedaagde partij dit verweer niet meer herhaald of nader besproken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat gedaagde partij dit verweer niet langer wil of kan handhaven. Dit wordt daarom gepasseerd.

4.3.

Gedaagde partij beroept zich verder op verjaring betreffende de periode 2010, 2011 en een groot deel van 2012. De aanmaningen van 5 december 2013 en van 4 januari 2014 zijn niet ontvangen, zodat de verjaring ook niet is gestuit.

Eisende partij stelt in dit verband dat de twee voornoemde aanmaningen naar het adres zijn gestuurd waar gedaagde partij stond ingeschreven, zodat de verjaring is gestuit.

4.4.

Ten aanzien van de verjaring overweegt de kantonrechter als volgt.

Ingevolge artikel 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een vordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Gedaagde partij heeft niet betwist dat de tekst van de door eisende partij in de onderhavige procedure overgelegde brieven van 5 december 2013 en van 4 januari 2014 voldoet aan de eisen van artikel 3:317 lid 1 BW.

4.5.

Artikel 3:37 lid 3 BW houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Indien de geadresseerde betwist de verklaring te hebben ontvangen, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten en omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin geldt in beginsel – behoudens andersluidend beding – de woonplaats van de geadresseerde in de zin van artikel 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijk adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van de verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of een ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104).

4.6.

De aanmaningen van 5 december 2013 en van 4 januari 2014 zijn gestuurd naar het adres waar gedaagde partij – naar onweersproken is gesteld - op dat moment in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven. Evenmin staat als niet betwist vast dat dit het woon- en correspondentieadres van gedaagde partij was. Gelet hierop en het in 4.5. geformuleerde uitgangspunt kan gedaagde partij daarom niet volstaan met de mededeling de brieven niet te hebben ontvangen. Het had op de weg van gedaagde partij gelegen ter zake meer te stellen en te onderbouwen. Dit heeft gedaagde partij niet gedaan zodat ervan uit moet worden gegaan dat gedaagde partij de betreffende aanmaningen wel heeft ontvangen en dat de verjaring is gestuit.

4.7.

Gedaagde partij voert verder aan dat er sprake is van rechtsverwerking. Hiervan

is sprake indien een schuldeiser zich dusdanig heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is als hij nog een beroep op zijn vorderingsrecht doet. Van onverenigbaarheid is sprake in twee gevallen: als de schuldeiser bij de schuldenaar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de schuldeiser zijn vorderingsrecht niet meer te gelde zou maken en als de schuldenaar onredelijk wordt benadeeld of bezwaard indien de schuldeiser nog een beroep doet op zijn recht. Van het een noch het andere is onvoldoende gesteld of gebleken. De mededeling van de medewerker van eisende partij dat een fout is gemaakt heeft – naar onweersproken is gesteld – betrekking op de aanmelding van gedaagde partij bij (destijds) het CVZ. Niet betwist is dat deze fout is hersteld en dat de betalingen aan het CVZ terug zijn ontvangen. Gelet hierop kon gedaagde partij er niet op vertrouwen dat zij de premies van die maanden niet behoefde te betalen, althans om dat aan te kunnen nemen is onvoldoende gesteld door gedaagde partij. Ook het enkele tijdsverloop (“lang stilzitten”) tussen het ontstaan van een vorderingsrecht en het inroepen hiervan, is op zich onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen.

Het beroep op rechtsverwerking strandt derhalve.

4.8.

Nu het verweer van gedaagde partij is verworpen, kan de gevorderde hoofdsom aan eisende partij worden toegewezen. De hoogte daarvan is voldoende aangetoond en ook niet door gedaagde partij betwist. Tegen de gevorderde rente is geen verweer gevoerd, zodat ook deze voor toewijzing gereed ligt.

Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu de wettelijk verplichte aanmaning niet voldoet aan hetgeen artikel 6:96 lid 6 BW vereist.

4.9.

Nu eisende partij haar vordering heeft beperkt tot € 500,00 aan hoofdsom, zal dit bedrag worden toegewezen, en de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarden zijnde 15 december 2017. De kantonrechter acht geen termen aanwezig gedaagde partij toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.10.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 101,05

  • -

    griffierecht 119,00

  • -

    salaris gemachtigde 120,00 ( 2 x tarief € 60,00)

totaal € 340,05

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakosten salaris.

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 340,05,

5.3.

veroordeelt gedaagde partij onder de voorwaarde dat zij niet binnen 2 weken na aanschrijving door eisende partij volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 30,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: