Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:6583

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
4702 6799916 cv expl 18-2097
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit hoofde van verplichte afdracht werkgeverslasten uit hoofde van verplichte deelname cao. Gevorderde hoofdsom van € 3,06 wordt toegewezen evenals de buitengerechtelijke incassokosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0871
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6799916 \ CV EXPL 18-2097

Vonnis van de kantonrechter van 11 juli 2018

in de zaak van:

de stichting STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS BEROEPSGOEDERENVERVOER OVER DE WEG EN DE VERHUUR VAN MOBIELE KRANEN,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde Vesting Finance Incasso B.V.,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WS-SNELTRANSPORT B.V.,

gevestigd te Geleen,

gedaagde partij,

in rechte verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op gedaagde partij is van toepassing de algemeen verbindend verklaarde cao Opleidings- en ontwikkelingsfonds voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (SOOB-CAO)/

2.2.

Aan gedaagde partij zijn een aantal (credit)facturen gezonden.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 64,47, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisende partij vordert betaling van het hiervoor genoemde bedrag. Zij stelt dat het om de premies van oktober/december 2017 gaat. Na op dit punt verweer te hebben gevoerd en gesteld te hebben dat het om de periode van oktober 2017 tot en december 2017 gaat, heeft gedaagde partij de stellingen van eisende partij op dit punt niet meer betwist.

4.2.

Eisende partij stelt dat gedaagde partij vaker gefactureerd heeft voor het eerste en tweede kwartaal van 2017. Aangezien eisende partij op 24 juni 2018 (kantonrechter: bedoeld zal zijn 24 januari 2018) een creditnota stuurde ad € 31,34 en op 29 september 2017 een bedrag € 129,00 betaald heeft, resteert een saldo van € 3,06.

4.3.

Gedaagde partij erkent een bedrag van € 3,06 verschuldigd te zijn en voert aan dit bedrag betaald te hebben indien hij een factuur zou hebben ontvangen. Een juiste factuur of herinnering zou voldoende zijn geweest en omdat zij niet voldoende onderlegd is om het computersysteem te kunnen begrijpen.

4.4.

Nu gedaagde partij de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom erkend, kan dit bedrag worden toegewezen, ondanks het feit dat gedaagde partij betreffende het bedrag van € 3,06 geen factuur of aanmaning heeft ontvangen. Eisende partij heeft in haar conclusie van repliek uiteengezet dat gedaagde partij conform het toepasselijke reglement verplicht is om gegevens aan te leveren. Blijft deze aanlevering achter, dan legt eisende partij ambtshalve nota’s op, welke – indien nodig – achteraf gecorrigeerd worden door middel van een creditnota. Dat gedaagde partij niet voldoende onderlegd is om het computersysteem te begrijpen, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt.

4.5.

Over het bedrag van € 3,06 vordert eisende partij de wettelijke rente van 9 maart 2008, alsmede een bedrag van € 0,91 ter zake reeds verschenen rente. Onvoldoende duidelijk is hoe laatst genoemd bedrag is samengesteld en over welke bedrag(en) de rente is berekend. Verder is onvoldoende duidelijk wanneer verzuim is ingetreden. Eisende partij heeft dit deel van de vordering onvoldoende inzichtelijk gemaakt. De kantonrechter zal daarom de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf de dag van dagvaarden, te weten 26 maart 2019.

4.6.

Eisende partij vordert verder een bedrag van € 60,50 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten kunnen conform het toepasselijke reglement worden toegewezen.

4.7.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig gedaagde partij toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.8.

Gedaagde partij zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 112,96

  • -

    griffierecht 119,00

  • -

    salaris gemachtigde 60,00 (2 x tarief € 30,00)

totaal € 291,00

4.9.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 63,56, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 3,06 vanaf 26 maart 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 291,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: