Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:648

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
6493044 AZ VERZ 17-150
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:3053
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst is door de werkever opgezegd op grond van art. 7:669 lid 3 sub a BW. Transitievergoeding verschuldigd? Werkgever vindt primair van niet. Stelt daartoe dat zij “technisch failliet” is, dat werknemer aansluitend ander werk gevonden heeft en dat werknemer heeft gefraudeerd. Redelijkheid en billijkheid? Subsidiair doet werkgever een beroep op art. 7:673d BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0138
AR 2018/491
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6493044 AZ VERZ 17-150

Beschikking van 23 januari 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. N.J.L.M. Blox, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDERLANDS SLAAPCENTRUM B.V.,

gevestigd te Vlierden (gemeente Deurne),

verwerende partij,

gemachtigde mr. L.V. Claassens, advocaat te Eindhoven

Partijen zullen hierna [verzoeker] en NSC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met dertien bijlagen (ingekomen op 23 november 2017)

  • -

    het verweerschrift met negen bijlagen

  • -

    de vijf door NSC nagezonden bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling op 16 januari 2018, waarbij [verzoeker] één onderdeel van zijn verzoek heeft ingetrokken, omdat daaraan al uitvoering gegeven was.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden, nadat van partijen geen bericht ontvangen was dat na de zitting alsnog overeenstemming bereikt was over een schikking.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 15 februari 2008 op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst getreden van NSC in de functie van bedrijfsleider voor het filiaal [vestigingsplaats] . Het overeengekomen loon bedroeg laatstelijk € 3.024,00 per maand (inclusief 8% vakantiebijslag). [verzoeker] verrichtte zijn werkzaamheden gewoonlijk te [vestigingsplaats] .

2.2.

Op 26 juni 2017 heeft het UWV aan NSC toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen op grond van art. 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW wegens de slechte financiële situatie van NSC.

2.3.

Verder heeft het UWV op 26 juni 2017 in een schriftelijke verklaring aan NSC medegedeeld dat NSC niet voldoet aan de voorwaarden voor de “overbruggingsregeling” van art. 7:673d BW.

2.4.

NSC heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd bij brief van 28 juni 2017. De arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is als gevolg daarvan geëindigd op 31 augustus 2017.

2.5.

Bij brief van 17 oktober 2017 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] NSC verzocht om de hem toekomende transitievergoeding van € 9.576,00 te betalen en de eindafrekening te verstrekken.

2.6.

Bij e-mailbericht van 26 oktober 2017 heeft NSC [verzoeker] verzocht een onderbouwing van het door hem berekende bedrag aan transitievergoeding te verstrekken. Verder heeft NSC hem medegedeeld dat de eindafrekening reeds aan hem toegekend was.

2.7.

Bij brief van 27 oktober 2017 heeft [verzoeker] aan NSC een specificatie/berekening van de transitievergoeding verstrekt en aan NSC nogmaals verzocht die vergoeding te betalen en aan hem, omdat hij deze niet ontvangen heeft, een eindafrekening te doen toekomen.

2.8.

Bij e-mailbericht (met bijlage) van 2 november 2017 heeft NSC aan [verzoeker] medegedeeld dat zijn berekening van de transitievergoeding niet juist was en, wegens de financiële situatie van NSC, niet gerechtvaardigd was. NSC heeft aan [verzoeker] voorgesteld een transitievergoeding berekend conform art. 7:673d BW te betalen, vermeerderd met 10%. NSC heeft verder nogmaals aan [verzoeker] medegedeeld de eindafrekening reeds aan hem te hebben doen toekomen.

2.9.

[verzoeker] heeft het voorstel van NSC niet geaccepteerd.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt NSC bij beschikking – uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen tot betaling van:

  1. de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging,

  2. de proceskosten.

Aanvankelijk heeft [verzoeker] tevens verzocht NSC te veroordelen tot het verrichten van een eindafrekening. Dit onderdeel van zijn verzoek heeft [verzoeker] ter zitting ingetrokken omdat NSC na indiening van het verzoekschrift alsnog tot deze eindafrekening overgegaan is.

3.2.

NSC voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader ingegaan worden.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van art. 7:673 lid 1 BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden geduurd heeft. Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen de minimale duur van 24 maanden ruimschoots overschreden heeft.

4.2.

De arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft (iets meer dan) negeneneenhalf jaar geduurd. Op grond van art. 7:673 lid 2 BW bedraagt de aan [verzoeker] toekomende transitievergoeding 19 x 1/6 x € 3.024,00 = € 9.576,00 bruto.

4.3.

NSC voert primair aan dat toekenning van een transitievergoeding aan [verzoeker] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Ter onderbouwing van dit verweer voert zij (samengevat) aan dat NSC “technisch” failliet is, dat [verzoeker] aansluitend een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever gesloten heeft en dat [verzoeker] gedurende zijn dienstverband bij NSC “op grote schaal fraude gepleegd heeft en gelden van NSC ontvreemd heeft”. Dit verweer verwerpt de kantonrechter op grond van de volgende overwegingen.

4.4.

Op grond van art. 7:673d lid 1 BW kunnen, onder de in artikel 24

van de Ontslagregeling bepaalde voorwaarden, bij de berekening van de transitievergoeding (in afwijking van het bepaalde in art. 7:673 lid 2 BW) de maanden van de arbeidsovereenkomst die gelegen zijn voor 1 mei 2013 buiten beschouwing gelaten worden indien (kort gezegd) de werknemer in dienst was van een werkgever met minder dan 25 werknemers en de arbeidsovereenkomst is geëindigd op grond van art. 7:669 lid 3 onderdeel a BW wegens een slechte financiële situatie van de werkgever. Vaststaat dat NSC minder dan 25 werknemers in dienst heeft en dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is geëindigd op de ‘a-grond’ vanwege de slechte financiële situatie.

4.5.

In art. 24 lid 2 van de Ontslagregeling staan drie nadere voorwaarden waaraan voldaan dient te zijn om met succes een beroep te kunnen doen op art. 7:673d lid 1 BW. Aan twee van deze drie voorwaarden voldoet NSC niet. Aan de voorwaarde dat het nettoresultaat van de onderneming in de drie boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin om toestemming tot opzegging is verzocht kleiner is geweest dan nul, voldoet NSC niet. In 2014 heeft zij namelijk een positief netto resultaat behaald. Het betoog van NSC dat uitgegaan dient te worden van het gemiddelde resultaat over de betreffende drie boekjaren (2014 tot en met 2016) verwerpt de kantonrechter. De tekst van de Ontslagregeling en de wetsgeschiedenis bieden voor die uitleg geen aanknopingspunten. NSC heeft voorts (volgens het UWV) niet voldaan aan de derde voorwaarde, die inhoudt dat in het boekjaar 2016 de waarde van de vlottende activa kleiner is dan de schulden met een looptijd van ten hoogste een jaar. NSC stelt thans dat het negatieve eigen vermogen van € 264.000,00 een kortlopende schuld aan de aandeelhouder betreft en dat als (ook) met deze schuld rekening gehouden wordt, wel aan die voorwaarde is voldaan. Uit NSC’s stelling dat het een rekening-courantverhouding betreft, blijkt evenwel niet dat ook het bedrag van € 264.000,00 een schuld betreft met een resterende looptijd van ten hoogste een jaar. NSC heeft derhalve niet kunnen aantonen dat wel is voldaan aan voornoemde derde voorwaarde.

4.6.

De wetgever heeft met art. 7:673d BW een regeling getroffen voor werkgevers die in een slechte financiële situatie verkeren. Deze werkgevers kunnen onder bepaalde voorwaarden volstaan met betaling van een lagere transitievergoeding dan is bepaald in art. 7:673 lid 2 BW. Uit voorgaande overwegingen volgt dat het – cru gezegd – met NSC financieel gezien niet slecht genoeg gaat om met succes een beroep te kunnen doen op art. 7:673d BW. In dat licht bezien kan de door NSC geschetste slechte financiële situatie dus evenmin tot het oordeel leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is haar te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding.

4.7.

Het feit dat [verzoeker] direct na het einde van de arbeidsovereenkomst met NSC bij een andere werkgever op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst is getreden, staat ook niet in de weg aan toewijzing van de door NSC aan hem verschuldigde transitievergoeding. De vergoeding is immers niet alleen bedoeld om de overgang naar ander werk voor de werknemer te vergemakkelijken. Zij heeft ook ten doel de werknemer te compenseren voor de gevolgen van het ontslag. [verzoeker] heeft onbetwist gesteld (en dus staat vast) dat hij thans voor een lager loon dan hij bij NSC ontving, werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, hetgeen impliceert dat hij allerminst zeker is van bestendiging van deze nieuwe baan. De transitievergoeding is (ook) bedoeld om deze risico’s of gevolgen te compenseren. Bovendien is de transitievergoeding een forfaitaire vergoeding zodat zij hoe dan ook verschuldigd is, dus zelfs in de situatie dat een werknemer direct aansluitend een arbeidsovereenkomst aangaat tegen een hoger loon.

4.8.

Met het onvoldoende gemotiveerde argument van NSC dat [verzoeker] gedurende het dienstverband met NSC ten koste van haar gefraudeerd heeft, kan evenmin afgedaan worden aan de verschuldigdheid van een transitievergoeding. NSC heeft aan de hand van diverse bijlagen trachten te onderbouwen dat [verzoeker] gefraudeerd heeft. [verzoeker] heeft daartegen echter gemotiveerd verweer gevoerd. Op grond van het ter zitting gevoerde partijdebat komt de kantonrechter tot het oordeel dat NSC hooguit vermoedens heeft van fraude, maar dat zij die vermoedens in het geheel niet hard heeft weten te maken. (Nader) onderzoek heeft vooralsnog zulk bewijs niet opgeleverd en de gerezen vermoedens niet bevestigd. Als dit later anders mocht blijken te zijn, is het aan NSC om [verzoeker] daarop (eventueel in rechte) alsnog aan te spreken.

4.9.

NSC doet subsidiair een beroep op het bepaalde in art. 673d BW. Dit verweer slaagt niet op grond van hetgeen is overwogen 4.4. en 4.5.

4.10.

NSC heeft tot slot het verlangen geuit om de transitievergoeding in termijnen te mogen betalen. In art. 7:673c BW wordt daarvoor als voorwaarde gesteld dat de betaling van de transitievergoeding (in één keer) tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever leidt. NSC heeft volstaan met een algemene beschrijving van de slechte financiële situatie van haar onderneming, maar daarmee is niet aangetoond dat betaling van de transitievergoeding van € 9.576,00 bruto tot onaanvaardbare gevolgen voor haar bedrijfsvoering leidt.

4.11.

Op grond van voorgaande overwegingen zal NSC worden veroordeeld tot betaling van € 9.576,00 bruto transitievergoeding aan [verzoeker] . NSC zal voorts veroordeeld worden tot betaling van de wettelijke rente over dit bedrag tot de dag van voldoening. NSC is

de wettelijke rente ingevolge art. 7:668a lid 1 BW verschuldigd vanaf 1 oktober 2017.

4.12.

[verzoeker] ’ verzoek om NSC te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging zal worden afgewezen. De transitievergoeding is geen loon als bedoeld in art. 7:625 lid 1 BW, zodat over deze vergoeding geen wettelijke verhoging verschuldigd is.

4.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal NSC worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 78,00

  • -

    salaris gemachtigde € 400,00

Totaal € 478,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt NSC tot betaling aan [verzoeker] van € 9.576,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2017 tot de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt NSC tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 478,00;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW