Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:6351

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
04 6491349/CV 17-9110
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van schadevergoeding in verband met geleverde hoogwerker, die niet functioneert. Vordering is afgewezen omdat geen verzuim is ingetreden. Er is geen ingebrekestelling verstuurd terwijl ook geen sprake is van de situaties zoals bedoeld in artikel 6:83 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6491349 \ CV EXPL 17-9110

Vonnis van de kantonrechter van 4 juli 2018

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisende partij] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.W. de Rijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PMG TECHNIEK B.V.,

gevestigd te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. D.P.J. Sarican-van Hees, ARAG SE.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisende partij heeft op of omstreeks 22 februari 2017 middels een veiling, via een zogenoemd digital lot, van gedaagde partij een zogenoemde ‘Holland lift X-105 DL18, 2007, 4451’ met een werkhoogte van ± 12.50 meter gekocht. De aankoop is via Troostwijk gegaan en de koopprijs bedroeg € 9.544,48 inclusief btw. De koopsom is op 25 februari 2017 voldaan.

2.2.

Op de koopovereenkomst staat onder meer vermeld dat de hoogwerker direct inzetbaar is.

2.3.

Eisende partij heeft de hoogwerker op 8 maart 2017 bij het veilingterrein opgehaald.

2.4.

Omdat de hoogwerker niet functioneerde heeft eisende partij zich per e-mail van 9 maart 2017 tot Troostwijk gewend.

2.5.

Op of omstreeks 15 maart 2017 heeft eisende partij de hoogwerker laten repareren door een derde partij.

2.5.

Bij brief van 14 juni 2017 is gedaagde partij aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 10.524,16.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 11.189,50 (€ 10.524,16 aan hoofdsom en € 665,50 aan buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met rente en kosten.

Eisende partij stelt dat haar een direct inzetbare hoogwerker is verkocht. Toen bleek dat de hoogwerker niet functioneerde is gedaagde partij hiervan meteen op de hoogte gesteld. Gedaagde partij was echter niet bereid om het gebrek zelf te inspecteren en vervolgens te herstellen. Op dat moment is verzuim ingetreden.

Om de hoogwerker in werkbare staat te krijgen heeft eisende partij Holland Lift/Servi Tec Nederland BV ingeschakeld. Deze heeft vervolgens Breider Tuinmachines opdracht gegeven een inspectie uit te voeren. De kosten daarvan bedragen € 218,24, en deze kosten zijn bij factuur van 21 maart 2017 bij Holland Lift/Servi Tec Nederland BV in rekening gebracht. Holland Lift/Servi Tec heeft de hoogwerker vervolgens gerepareerd en eisende partij een bedrag van € 6.617,21 inclusief btw in rekening gebracht. Laatstgenoemd bedrag is inclusief de factuur van Breider Tuinmachines.

Voor de duur dat de hoogwerker in reparatie was heeft eisende partij een vervangende hoogwerker gehuurd. De kosten daarvan bedragen € 3.947,95 inclusief btw. In dit bedrag zijn ook de transportkosten en overige bedrijfskosten begrepen.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer. Dit verweer komt neer op het volgende:

  • -

    gedaagde partij is nooit in gebreke gesteld zodat geen verzuim is ingetreden;

  • -

    er is geen sprake van een tekortkoming in de nakoming;

  • -

    eisende partij heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht;

  • -

    eisende partij heeft geen onafhankelijke kostenraming in het geding gebracht.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen verwijten elkaar in de eerste plaats in strijd met artikel 21 Rv en de substantiëringsplicht te hebben gehandeld. Zij verbinden hieraan geen sanctie, zodat de kantonrechter deze stellingen passeert.

4.2.

Eisende partij vordert vergoeding van (gevolg)schade in verband met een niet functionerende gekochte en geleverde hoogwerker. Gedaagde partij betwist dat sprake is van een tekortkoming en voert verder de onder 3.2. genoemde verweren.

4.3.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. De gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis zijn geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Daarin is onder meer aangegeven wanneer een tekortkoming toerekenbaar is en onder welke voorwaarden de schuldeiser recht heeft op schadevergoeding. Iedere tekortkoming in de nakoming van een overeengekomen verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. De wet maakt dus een onderscheid tussen tekortkomingen die de schuldenaar wél en tekortkomingen die hem niet kunnen worden toegerekend.

Een tekortkoming die aan een schuldenaar kan worden toegerekend verplicht tot schadevergoeding. Is de nakoming van de overeengekomen prestatie blijvend onmogelijk, dan ontstaat de verplichting om de schade te vergoeden direct en automatisch. Als nakoming niet blijvend onmogelijk is, dan bestaat het recht op schadevergoeding pas als de schuldenaar in verzuim is. Voor het intreden van het verzuim is een ingebrekestelling vereist, zoals bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW. Verzuim treedt zonder ingebrekestelling in als sprake is van de gevallen als bedoeld in artikel 6:83 BW.

4.4.

De kantonrechter overweegt als volgt. Mocht in deze zaak al sprake zijn van een toe te rekenen tekortkoming, dan komt de gevorderde schade niet voor vergoeding in aanmerking omdat geen verzuim is ingetreden. Gedaagde partij is immers niet in gebreke gesteld. Eisende partij stelt weliswaar contact met gedaagde partij te hebben opgenomen en dat gedaagde partij niet genegen was een onderzoek in te stellen naar de hoogwerker, maar zij toont dit niet aan en gedaagde partij betwist dit uitdrukkelijk. Mocht dit al wel zo zijn, dan kan dit niet als een ingebrekestelling als bedoeld in de wet worden aangemerkt. Een ingebrekestelling moet immers schriftelijk plaatsvinden, waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gegeven. Een dergelijke ingebrekestelling heeft niet plaatsgevonden. Hierdoor is geen verzuim ingetreden omdat ook geen sprake is van de situaties zoals bedoeld in artikel 6:83 BW. Het gevolg is dat geen recht op schadevergoeding bestaat.

4.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van eisende partij wordt afgewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding eisende partij toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.6.

Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op € 600,00 (2 x tarief € 300,00) als salaris voor de gemachtigde. Over de proceskosten wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

4.7.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt eisende partij in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij gevallen en tot op heden begroot op € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: