Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:6338

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3326
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2201, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Betreft beroep van twee omwonenden tegen een omgevingsvergunning voor het bouwen van een erfafscheiding/geluidmuur rond een parkeerterrein. De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning alleen kan worden geweigerd indien zich één van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) opgenomen weigeringsgronden voordoet. Eisers betogen dat er strijd is met de akoestische uitgangspunten van het bestemmingsplan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de door verweerder aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften in strijd zijn met de voorwaardelijke verplichting of met enige andere planregel van het geldend bestemmingsplan en verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/3326

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2018 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2], te [woonplaats] , eiser en eiseres, gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder,

(gemachtigde: J.M.G. Vincken).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 3] , te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. J. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het oprichten van een erfafscheidings(geluid)muur aan de Maasbreesestraat te Venlo.

Bij besluit van 29 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eisers tegen het primaire besluit hebben gemaakt, ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 17 december 2014 heeft de raad van de gemeente Venlo (de raad) het bestemmingsplan “Centrum Blerick” (het bestemmingsplan) vastgesteld. Onder andere eisers hebben tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Zij hebben in beroep onder meer betoogd dat het in het plan voorziene parkeerterrein zal leiden tot ernstige geluidoverlast bij hun woning en dat de verrichte onderzoeken naar de gevolgen van het voorziene parkeerterrein gebrekkig zijn. De raad heeft dat ter zitting erkend en de Afdeling heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Bij tussenuitspraak van 9 september 2015, nr. 201501866/1/R6, heeft de Afdeling de raad met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgedragen om onder meer voornoemd gebrek te herstellen.

2. Bij besluit van 16 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Eisers hebben zienswijzen over dat besluit naar voren gebracht. Bij uitspraak van 28 september 2016 met nummer 201501866/3/R6 heeft de Afdeling - voor zover hier van belang - het beroep van eisers tegen het besluit van 17 december 2014 en het besluit van 16 december 2015 gegrond verklaard. De Afdeling heeft het besluit van 16 december 2015 vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming “Verkeer- Verblijfsgebied” voor de gronden die aan de Maasbreesestraat grenzen en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 december 2015 in stand blijven, voor zover dat is vernietigd.

3. De Afdeling heeft in overweging 13.1 naar aanleiding van de beroepsgrond van eisers dat in de aanvullende akoestische berekeningen het hoogteverschil tussen het parkeerterrein en hun woningen is miskend en het effect van het geluidscherm is onderschat omdat het maximale hoogteverschil volgens hen groter is dan 1,2 m, het volgende overwogen:

“Vast staat dat de gronden van het voorziene parkeerterrein aflopen, zodat het hoogteverschil tussen dat terrein en de tuinen van de woningen niet overal hetzelfde is. Vast staat ook dat op een gedeelte van de gronden reeds een parkeerterrein aanwezig is. De raad stelt dat het perceel waarop het parkeerterrein is voorzien zal worden geëgaliseerd waardoor alle gronden op dezelfde hoogte komen te liggen als het reeds bestaande parkeerterrein. Bij de berekening van de geluidbelasting is uitgegaan van het hoogteverschil tussen het reeds bestaande parkeerterrein en de tuinen van de woningen aan de Baarlosestraat, dat bedraagt maximaal 1,2 m. In aanmerking genomen dat de hoofdtoegang van het reeds bestaande parkeerterrein grenst aan de Maasbreesestraat en dat dit niet zal wijzigen, en op grond van artikel 1 van de planregels voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang het peil is, zal het peil van het voorziene parkeerterrein de hoogte van het reeds bestaande parkeerterrein zijn. Dit betekent dat de hoogte van het geluidscherm rondom het voorziene parkeerterrein moet worden gemeten vanaf de hoogte van het reeds bestaande parkeerterrein. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat in de aanvullende berekeningen terecht is uitgegaan van een maximaal hoogteverschil van 1,2 m en niet behoeft te worden gevreesd voor een onderschatting van de effecten van de hoogte van het geluidscherm als gevolg van het bestaande hoogteverschil tussen het parkeerterrein en de tuinen van de woningen”.

De Afdeling heeft in de einduitspraak verder bepaald:

  1. dat in artikel 11, lid 11.4.3, van de planregels van het besluit van 16 december 2015 na “ ‘specifieke bouwaanduiding – geluidsafscherming’ “ een gedachtenstreepje wordt toegevoegd en na de zin “De muur dient in stand te worden gehouden” wordt toegevoegd “ – gebruik wordt gemaakt van stille winkelwagens en de gronden zijn voorzien van verharding bestaande uit asfalt dan wel klinkers met een beperkte voegovergang. De verharding dient in stand te worden gehouden”.;

  2. dat in artikel 11 na lid 11.4.1 van de planregels van het besluit van 16 december 2015 de volgende bepaling wordt toegevoegd:

“d. parkeerplaats voor vrachtwagens op de gronden ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van verkeer – voorwaardelijke verplichting.”;

De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel (VII) wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, htttp://www.ruimtelijke plannen.nl.

4. Ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling heeft de raad in artikel 11.4.3 van het bestemmingsplan de volgende voorwaardelijke verplichting opgenomen:

“Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – voorwaardelijke verplichting’ mogen de gronden uitsluitend ten behoeve van een parkeerterrein worden gebruikt, indien ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – geluidsafscherming’

● een muur is opgericht conform de tekening zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels (Tekening voorwaardelijke verplichting), met dien verstande dat de hoogte van de muur niet meer mag bedragen dan 2.5 m. De muur dient in stand te worden gehouden.

● gebruik wordt gemaakt van stille winkelwagens en de gronden zijn voorzien van verharding bestaande uit asfalt dan wel klinkers met een beperkte voegovergang. De verharding dient in stand te worden gehouden.

5. Op 14 december 2016 heeft vergunninghouder een aanvraag omgevingsvergunning ingediend bij verweerder voor het realiseren van een erfafscheidings(geluid)muur aan de Maasbreesestraat te Venlo. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Naar aanleiding van het daartegen door eisers gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden:

  1. de hoogte van het geluidscherm dient ten minste 2 meter te bedragen en moet worden gemeten vanaf de hoogte van het reeds bestaande parkeerterrein ter plaatse van die hoofdtoegang;

  2. de hoogte van het geluidscherm mag maximaal 0,5 meter meer bedragen dan de onder a. genoemde hoogte, doch gemeten vanaf het aansluitend terrein, indien en voor zover het niveau van het aansluitende parkeerterrein ter plaatse dezelfde afstand lager is (dan de hoogte van het reeds bestaande parkeerterrein ter plaatse van die hoofdtoegang).

6. Eisers voeren aan dat verweerder de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 onjuist interpreteert. Volgens eisers komt de muur te laag te liggen waardoor niet vaststaat of aan de waardes uit het akoestisch onderzoek wordt voldaan. Eisers betogen dat niet alleen aan de voorschriften van het bestemmingsplan moet worden voldaan maar dat de aanvraag ook aan het daaraan ten grondslag liggend akoestisch onderzoek moet worden getoetst. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 leiden eisers af dat het gehele terrein tot een hoogte van 18.628 meter NAP+ opgehoogd en geëgaliseerd dient te worden en dat verweerder dit ter zitting van de Afdeling ook heeft verklaard. Eisers stellen dat de inmiddels gestorte fundering voor de muur 1.10 meter lager ligt dan dit peil en dat de muur akoestisch dan niet voldoet. Zelfs met een maximale hoogte van 2,5 meter is de muur nog steeds 0,5 meter te laag, aldus eisers. De muur zou dus eigenlijk 3.10 meter hoog moeten zijn om een acceptabel geluidniveau te realiseren. Omdat eisers niet betwisten dat de muur volgens de Afdeling 2 meter hoog moet zijn, richt hun beroep zich niet zozeer tegen de hoogte van de muur, maar tegen het aangehouden peil, vanaf waar de hoogte van de muur gemeten dient te worden. Het onder b aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift is in de visie van eisers tegengesteld aan de uitkomsten van het akoestisch onderzoek en de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, waardoor het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, aldus eisers.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Door de gemachtigde van vergunninghouder is de vraag opgeworpen of eisers als belanghebbende bij het besluit tot verlenen van omgevingsvergunning kunnen worden aangemerkt omdat hun perceel (hun tuin) niet direct grenst aan de (geluid)muur en zij alleen vanaf de eerste etage direct zicht op de muur hebben. Volgens vergunninghouder is dit onvoldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt.

9. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken

10. Ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, moet voor het zijn van belanghebbende aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van
23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

11. De rechtbank is van oordeel dat het belang van eisers rechtstreeks bij het besluit tot verlenen van omgevingsvergunning is betrokken omdat niet kan worden gezegd dat het oprichten van de muur, gezien de afstand tot hun perceel, geen negatieve gevolgen van enige betekenis heeft voor het uitzicht van eisers. Verder is relevant dat eisers ter plaatse van hun woning en tuin akoestische gevolgen ondervinden van de parkeerplaats. De geluidmuur, zonder welke de parkeerplaats niet mag worden gebruikt, is bedoeld om geluidoverlast voor de omwonenden, waaronder eisers, te voorkomen althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Ook om die reden is het belang van eisers rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken.

12. De rechtbank komt vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door eisers aangevoerde beroepsgronden.

13. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien:

a…;

b…;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d…;

e….

14. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo kan slechts worden geweigerd indien zich een van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden, dan wel de in artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgrond zich voordoet. Doet geen van deze weigeringsgronden zich voor, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend (het limitatief-imperatieve stelsel).

15. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit hetgeen eisers tegen het bestreden besluit hebben aangevoerd niet worden opgemaakt dat de omgevingsvergunning wegens strijd met een regel uit het bestemmingsplan had moeten worden geweigerd. Eisers hebben geen planregel genoemd waarmee de omgevingsvergunning in strijd is. Anders dan eisers betogen, vormen de akoestische onderzoeken noch de uitspraak van de Afdeling, waarnaar zij verwijzen, het relevante toetsingskader voor de gevraagde omgevingsvergunning. De rechtbank is overigens van oordeel dat uit de hiervóór geciteerde rechtsoverweging 13.1 van de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 niet volgt dat het hele parkeerterrein op de door eisers aangegeven hoogte geëgaliseerd dient te worden. Uit die overweging blijkt dat de Afdeling van oordeel is dat voor een onderschatting van de akoestische effecten niet hoeft te worden gevreesd indien een muur van 2 meter hoogte wordt gerealiseerd wanneer de hoogte van de muur wordt gemeten vanaf de hoogte van het reeds bestaande parkeerterrein. Door verweerders gemachtigde is bij de behandeling van het beroep ter zitting verklaard dat die hoogte is aangehouden en dat het parkeerterrein met inachtneming van een hoogteverschil in verband met de benodigde afwatering op die hoogte is geëgaliseerd.

16. De rechtbank stelt met verweerder vast dat de muur volgens de bij de aanvraag behorende bouwtekening is gesitueerd op de locatie, zoals aangegeven op de bij de planregels behorende ‘Tekening voorwaardelijke verplichting’. Ter invulling van de in het bestemmingsplan opgenomen voorwaardelijke verplichting heeft verweerder in het belang van omwonenden, waaronder eisers, een nader voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Verweerder heeft met het voorschrift beoogd te voorkomen dat het geluidscherm onvoldoende afschermende werking heeft om de woningen te verschonen van (onaanvaardbare) geluidhinder daar waar het parkeerterrein feitelijk wat lager is gelegen dan het peil. Hierdoor bestaat voor vergunninghouder de mogelijkheid om het terrein op plaatsen maximaal 0,5 meter lager aan te leggen dan de hoogte van het bestaande parkeerterrein (ter plaatse van de hoofdtoegang), mits de muur ter plaatse van het lagere niveau dan met eenzelfde afstand wordt verhoogd. Door genoemd voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden, wordt verzekerd dat de muur niet lager wordt gebouwd dan op grond van genoemde uitspraak van de Afdeling noodzakelijk is om aan de uitkomsten van het akoestisch onderzoek te kunnen voldoen. Zoals hiervóór door de rechtbank is overwogen volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 dat de hoogte van het geluidscherm dient te worden gemeten vanaf de hoogte van het reeds bestaande parkeerterrein, gemeten ter plaatse van de bestaande hoofdtoegang. De muur moet overal tenminste 2 meter boven het door de Afdeling aangegeven peil worden gebouwd om akoestisch te voldoen. Uit de planregels volgt dat de muur niet hoger mag zijn dan 2,5 meter boven dit peil. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de door verweerder aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften in strijd zouden zijn met de voorwaardelijke verplichting in het geldend bestemmingsplan Centrum Blerick of met enige andere planregel. Hoewel dit niet het relevante toetsingskader vormt, volgt de rechtbank eisers overigens ook niet in hun standpunt dat dit voorschrift in strijd is uitspraak van de Afdeling.

17. Gelet op voorgaande overwegingen slagen de beroepsgronden niet. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 5 juli 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.