Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:5998

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-06-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
03/866323-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gebruik dienstwapen. Poging doodslag. Ambtsinstructie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866323-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.M.H. Zuketto, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 juni 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, door met zijn dienstwapen te schieten op een rijdende auto met twee inzittenden. Van het feit zijn ook subsidiaire varianten ten laste gelegd (poging tot zware mishandeling en bedreiging).

3 De beoordeling van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte, hoofdagent van politie, op 3 mei 2015 in Maastricht op de Javastraat nabij de kruising met de Tongerseweg met zijn dienstwapen geschoten heeft op een auto met daarin twee inzittenden. De verdachte wilde met zijn collega, hoofdagent [naam hoofdagent] , tijdens een patrouille deze auto en de inzittenden controleren, omdat de agenten hen verdachten van drugsrunnen. Toen de bestuurder van de auto wegreed om zich aan de controle te onttrekken, hebben de verdachte en zijn collega geschoten. [naam hoofdagent] één keer, de verdachte vier keer.

De verdachte en [naam hoofdagent] hebben aanvankelijk gemeld dat met de auto op hen was ingereden. Uit beelden die gemaakt zijn met de dashcam van hun dienstauto blijkt echter dat geen sprake is geweest van inrijden op de verbalisanten en er geen levensbedreigende situatie voor de agenten is geweest. De verdachte heeft geschoten vanaf een positie achter de vluchtende auto en was dus op dat moment niet in gevaar. Zijn collega was evenmin in gevaar.

Volgens de officier van justitie was de verdachte niet gerechtigd te schieten: er was geen noodweersituatie en ook de Ambtsinstructie liet het niet toe in het kader van de Opiumwetverdenking. Bovendien heeft de verdachte niet op de banden van de vluchtende auto geschoten, maar op de auto zelf. Twee kogels zijn door de zijramen van de auto en door (het midden van) de voorruit gegaan. Door op die manier op korte afstand van de auto te schieten, heeft de verdachte het aanmerkelijke risico genomen dat hij de inzittenden zou doden. Het is nooit zijn intentie geweest om die inzittenden te doden, maar er is wel sprake van voorwaardelijk opzet (het aanvaarden van de aanmerkelijke kans). Het handelen van de verdachte levert daarom een poging tot doodslag op de inzittenden op, aldus de officier van justitie.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdachte juist wél gehandeld heeft overeenkomstig zijn Ambtsinstructie. Het gebruik van het dienstwapen was toegestaan. Artikel 7 van de Ambtsinstructie staat toe dat het dienstwapen gebruikt wordt in een situatie waarin een verdachte zich onttrekt aan zijn aanhouding in verband met een verdenking van handelen in harddrugs. Die verdenking was concreet en terecht. De verdachte mocht dus op de vluchtende auto schieten. Bovendien bestond er een gevaarlijke situatie voor beide agenten en zij verdachten de bestuurder van de vluchtende auto van een poging tot doodslag op hen. Dat zij dit laatste achteraf bezien niet goed hebben ingeschat, is niet relevant. Er waren dus twee rechtmatige pijlers waarop het wapengebruik rustte.

Dat betekent dat als sprake zou zijn van een poging tot doodslag door op de vluchtende auto te schieten, hiervoor een rechtvaardigingsgrond bestaat: het handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, genoemd in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht.

Er was echter geen sprake van een poging tot doodslag, omdat er nooit een aanmerkelijke kans is geweest dat de inzittenden dodelijk zouden worden getroffen of zwaar gewond zouden raken. Uit statistieken blijkt volgens de raadsman dat de kans daarop maar klein is bij wapengebruik door politieambtenaren. Bovendien, als de kans op dodelijk of zwaar letsel al aannemelijk wordt geacht, dan nog heeft de verdachte die kans niet aanvaard en dus geen opzet gehad. Aangenomen mag worden dat politieagenten tijdens de uitoefening van hun werk er niet op uit zijn een burger te doden, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet door met hun optreden op de koop toe te nemen dat die burger wordt gedood.

De raadsman concludeert dan ook dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primaire en subsidiaire verwijt. Hooguit zou bewezen kunnen worden dat de inzittenden door de verdachte zijn bedreigd, maar daarvoor bestond weer een rechtvaardiging, omdat het dreigen met het dienstwapen toegestaan is, gelet op de Ambtsinstructie en artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

De rechtbank zal eerst het bewijs weergeven dat niet tot discussie heeft geleid. Daarna zal zij ingaan op de beelden die gemaakt zijn met de dashcam van het dienstvoertuig van de verdachte. Daaruit kan veel, maar niet alles worden afgeleid. Ook de verklaringen van de verdachte en zijn collega [naam hoofdagent] zijn van belang.

Vervolgens moet de rechtbank een aantal zaken beoordelen. Niet alleen moet zij conclusies trekken uit het bewijs (poging doodslag of niet?) en vaststellen waarom er geschoten is, maar ook of dat terecht was en of een beroep gedaan kan worden op een rechtvaardigingsgrond. Normaalgesproken behandelt de rechtbank dat laatste bij de strafbaarheid van het feit (in paragraaf 4), maar omwille van de leesbaarheid doet de rechtbank dat bij haar bewijsoordeel.

Het schieten met het dienstwapen door de verdachte

De verdachte heeft op 3 mei 2015 met zijn dienstwapen geschoten op een auto (een VW Golf) met daarin twee inzittenden, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Beiden hebben aangifte gedaan van een poging tot doodslag.2 Uit het onderzoek blijkt dat de auto in totaal door 5 kogels is geraakt. Dat alles gebeurde op de kruising van de Javastraat met de Tongerseweg in Maastricht.3

Eén van die kogels was afkomstig uit het dienstwapen van de collega van de verdachte met wie hij dienst had, hoofdagent [naam hoofdagent] .4 De verdachte heeft de auto vier keer geraakt, als volgt:

  • -

    Een schot werd afgevuurd, terwijl de schutter zich achter het voertuig bevond. De schootslijn loopt van achter de auto, in de richting van het linker achterlicht, enigszins schuin naar beneden. De kogelpunt trad in de linker achterlichtunit en werd op enkele centimeters van de plaats van inschot aangetroffen;

  • -

    Een schot werd afgevuurd, terwijl de schutter zich achter het voertuig bevond. De schootslijn loopt van midden achter de auto, in de richting van de bovenzijde van de achterklep, enigszins naar beneden. De kogel trad in in het frame van de achterklep;

  • -

    Een schot werd afgevuurd, terwijl de schutter zich rechts achter de auto bevond. De schootslijn loopt van rechts achter naar het midden van de voorruit. De kogelpunt trad in het voertuig via de kleine ruit van het rechterachterportier en vervolgde zijn weg in de richting van het midden van de voorruit. Daar trad de kogel uit.

  • -

    Een schot werd afgevuurd, terwijl de schutter zich rechts achter het voertuig bevond. De schootslijn loopt van rechts, via de ruit van het rechter voorportier naar de rechterzijde van de voorruit. Daar trad de kogel uit.56

De dashcambeelden

Van het incident zijn beelden opgenomen met de dashcam van het politieauto van de verdachte en [naam hoofdagent] . Bij het incident, dat begint op het tijdstip 16:00:52 uur en eindigt kort na het tijdstip 16:01:27 uur, waren nog andere auto’s betrokken, een VW Polo en twee andere auto’s. Op de beelden is te zien dat het politievoertuig het voorsorteervak nadert waar de Golf en Polo naast elkaar stilstaan. Het politievoertuig stopt, enigszins schuin, direct achter de Golf en de Polo, midden in het voorsorteervak.

Beide agenten zijn uitgestapt en naderen de Golf en de Polo. [naam hoofdagent] tracht contact te maken met de bestuurder van de Golf. De verdachte loopt tussen de Golf en de Polo en opent het linkerportier van de Polo.

Tijdens het contact met de bestuurder van de Polo draait de verdachte zijn hoofd naar de Golf en kijkt daarnaar. De verdachte draait zich om naar de Golf en grijpt met zijn linkerhand naar de portiergreep van het rechterportier van de Golf. Zijn rechterhand brengt hij gelijktijdig naar zijn vuurwapen en hij omvat de kolf.

De Golf trekt op en rijdt een klein stukje naar voren. De Golf kan niet verder rijden, omdat er voor hem een Ford Focus stilstaat voor het rode verkeerslicht. De verdachte trekt tijdens deze beweging van de Golf zijn vuurwapen uit de holster en slaat drie keer kort achter elkaar met de achterzijde van de kolf op de ruit van het rechter voorportier van de Golf. [naam hoofdagent] verplaatst zich naar de linker voorzijde van de Golf.

De verdachte slaat met de loop van zijn vuurwapen op de ruit van het rechter voorportier van de Golf. De Golf rijdt daarna een klein stukje achteruit, maar kan niet verder vanwege het politievoertuig achter hem. [naam hoofdagent] staat links voor de Golf. De verdachte kijkt via de voorruit naar de bestuurder van de Golf en richt zijn vuurwapen op de voorruit/voorzijde van de Golf.

De Golf rijdt vooruit weg uit het voorsorteervak en passeert de agenten die respectievelijk links en rechts staan. De verdachte verplaatst zich tussen de Polo en de Golf mee in de richting van de kruising. De Ford Focus die voor de Golf stil stond, trekt op bij groen licht en slaat linksaf. Daarop is te zien dat de Golf schuin naar rechts wordt gestuurd en in de richting van het kruisingsvlak met de Tongerseweg rijdt.

[naam hoofdagent] , staande tegen de middengeleider van de Javastraat, heeft een schiethouding aangenomen en richt op de linkerflank van de Golf.

De verdachte is zichtbaar op zijn rug en loopt langs de Polo naar voren. Aannemelijk is dat hij op dat moment een schiethouding heeft aangenomen. Voor hem is kortstondig een wolkje zichtbaar. De Golf rijdt rechtdoor het kruisingsvlak op en verdwijnt uit zicht.7

Schieten op een wegrijdende auto met twee inzittenden: poging tot doodslag of ontbreekt het opzet?

De verdachte heeft in zeer korte tijd vier schoten afgevuurd op de wegrijdende auto. Daarbij zijn twee kogels door de rechter zijruiten van de Golf gegaan en door de voorruit weer naar buiten. Dat betekent dat de baan van de kogels door de auto liep op de hoogte van het bovenlichaam van de inzittenden. Naar algemene ervaringsregels is er dan een aanmerkelijke kans dat de inzittenden getroffen worden in hoofd of bovenlichaam en dat dit tot dodelijk letsel kan leiden. Duidelijk is dat de verdachte dit niet gewild heeft, maar uit het handelen van de verdachte moet worden aangenomen dat hij deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

De raadsman heeft erop gewezen dat het -kort gezegd- in de praktijk opvallend vaak goed afloopt als de politie gebruik maakt van het dienstwapen, maar het begrip aanmerkelijke kans is niet alleen een statistisch begrip. Als geschoten wordt op een rijdende auto op de hoogte waarop de verdachte geschoten heeft, dan is er een reële kans dat er doden vallen.

Dit is standaard rechtspraak. Er is bovendien strafrechtelijk gezien geen reden om aan te nemen dat de verdachte een uitzondering vormt, om de reden dat hij in functie handelde en dus geacht mag worden die kwade kans nooit te hebben aanvaard. Er is dus naar het oordeel van de rechtbank sprake van een poging tot doodslag op de inzittenden [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Waarom heeft de verdachte geschoten?

Er zijn meerdere redenen aan de orde gekomen waarom er geschoten is of kan zijn. Deze lopen enigszins door elkaar. Dat is niet verwonderlijk nu het incident zich binnen zeer korte tijd heeft afgespeeld en het achteraf enigszins geforceerd aandoet om te proberen de elementen te scheiden. Toch is dat nodig om goed te kunnen beoordelen of het handelen van de verdachte gerechtvaardigd was of niet.

De aan de orde gekomen redenen zijn een verdenking van overtreding van de Opiumwet en een gevaarzettende situatie die aanleiding gaf de bestuurder van de Golf te verdenken van een poging tot doodslag op de verdachte en/of [naam hoofdagent] . Op de camerabeelden is immers te zien dat de inzittenden van de Golf niet reageren, niet toelaten dat de agenten hun portier openmaken en hoe de Golf door voor- en achteruit te rijden zich probeert te onttrekken aan het optreden van [naam hoofdagent] en van de verdachte, die zijn aandacht moest verleggen van de bestuurder van de Polo die wel meewerkte, naar wat zich bij de Golf afspeelde. [naam hoofdagent] bevond zich verder niet alleen náást de Golf, maar deels ook vóór de Golf en de verdachte had maar beperkt ruimte tussen de Golf en de Polo. Beide agenten reageren op de bewegingen van de auto en blijven, zelf ook voortdurend in beweging, dichtbij die auto. Niet alles is te zien van wat [naam hoofdagent] doet, omdat de Golf het zicht daarop ontneemt. Verder is te zien dat de verdachte enigszins voor de auto gaat staan, maar ervoor zorgt dat hij niet helemaal voor de auto geraakt en zich met een hand op het laatst, voordat de auto wegrijdt, enigszins afzet op de linker voorkant van de auto.8

De beelden vertellen niet het hele verhaal. Geluidsopnamen van het incident zijn er niet. Van belang is dan wat de verdachte en [naam hoofdagent] nog hebben verklaard. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn aandacht getrokken werd naar de Golf omdat hij [naam hoofdagent] met luide stem hoorde roepen dat de bestuurder het portier open moest maken en moest stoppen. De verdachte probeerde contact met de bijrijder te maken, maar die bleef kil en strak voor zich uitstaren. De Golf begon te rijden en reed naar voren en naar achteren, wat gepaard ging met het krachtige motorgeluid van die auto. Toen de Golf begon te rijden, zag de verdachte zijn collega [naam hoofdagent] in eerste instantie niet meer. Toen de Golf daadwerkelijk wegreed, zag de verdachte [naam hoofdagent] een rare sprong maken en hoorde hij een klap. Er zijn dus twee momenten geweest waarop hij dacht dat [naam hoofdagent] mogelijk aangereden was. De verdachte zag [naam hoofdagent] niet en dacht dat hij zelf de Golf moest stoppen. Het contact met de inzittenden van de Golf verliep anders dan normaal: ze maakten een ongebruikelijk kille en beangstigende indruk op de verdachte. In zijn beleving wilde de bestuurder hemzelf ook iets aandoen. De verdachte dacht op basis van deze momenten dat hij gerechtigd was te schieten.9

Was de verdachte ook gerechtigd te schieten? Twee pijlers

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte -kort gezegd- onder de omstandigheden in beginsel mocht schieten, waarover onder de kopjes De Ambtsinstructie en Optreden volgens wettelijk voorschrift? hierna meer. Hijzelf baseert zijn besluit te schieten op de mogelijkheid dat [naam hoofdagent] letsel had opgelopen en dus door de Golf was geraakt, terwijl hij niet wist wie de inzittenden van de Golf waren en hen wilde aanhouden vanwege het mogelijk aangereden zijn van [naam hoofdagent] . Er was echter nog een basis: de verdenking van drugsrunnen. Dat de verdachte die zelf niet aanvoert, is niet van belang. Deze eerste pijler, zoals de raadsman het noemt, is in beginsel voldoende om het gebruik van het dienstwapen te rechtvaardigen.

De start van het incident is gelegen bij een verdenking van het overtreden van de Opiumwet. De Golf wilde zich onttrekken aan het optreden van de verdachte en [naam hoofdagent] dat primair gebaseerd was op die Opiumwet en ging ervandoor, terwijl de inzittenden duidelijk moet zijn geweest dat ze met de politie te maken hadden en dus moesten gehoorzamen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voorafgaand aan het incident een voor Maastricht typisch geval waarnam van handel in drugs, waarbij er ofwel net gehandeld is of nog gehandeld gaat worden. Hij zag een VW Golf van een snel type, waarvan drugsrunners vaak gebruik maken, en daarachter een VW Polo met Frans kenteken, die met verhoogde snelheid passeerden. De auto’s werden gevolgd en uit de bevraging van het kenteken bleek dat de Golf niet uit de omgeving van Maastricht afkomstig was, maar uit het Noorden, wat een zogenaamd plusje oplevert voor een verdenking van overtreden van de Opiumwet. De auto stond bovendien op naam van een ouder persoon, terwijl de verdachte gezien had dat er twee jongere personen in de Golf zaten. Voor de verdachte en [naam hoofdagent] , beiden ervaren op dit gebied, was duidelijk dat er reden was de auto’s te controleren. Bij het naderen van de kruising werd hun inzicht verder bevestigd, omdat de Golf bij de kruising met zijn richtingaanwijzer richting rechts aangaf, richting de Belgische grens, maar zelf voorsorteerde om linksaf te gaan. De bestuurder van de Franse auto volgde deze aanwijzing en bleef rechts staan voor de kruising, waar het verkeerslicht op dat moment op rood stond. Voor de verdachte was daarom duidelijk dat de Fransman verdovende middelen bij zich moest hebben.10

[naam hoofdagent] heeft die verdenking bevestigd. Ook hij heeft verklaard dat hij zag dat het om een bijzondere versie van de VW Golf ging. Het was hem ambtshalve bekend dat deze auto’s veelvuldig gebruikt worden door drugsrunners. De Polo met Frans kenteken paste zijn snelheid aan aan die van de Golf. Bij bevraging bleek dat de Golf thuishoorde in Veendam. De Golf gaf een signaal aan de Polo door het rechter knipperlicht eenmaal aan te doen. Daarna sorteerde de Golf voor om naar links te gaan. [naam hoofdagent] zag dat de bestuurder van de Polo twijfelde, maar vervolgens toch rechts voorsorteerde om richting de Belgische grens te kunnen gaan. Dat was de reden om beide voertuigen te controleren op grond van de Opiumwet. De werkwijze kwam overeen met de hem en de verdachte bekende werkwijze van drugsrunners. Dus klanten afvangen, begeleiden en vervolgens weer naar de grens begeleiden.11

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die verdenking kunnen dragen en dat optreden op grond van de Opiumwet, in dit geval door de verdachte en [naam hoofdagent] , rechtmatig is. In het Maastrichtse is al jaren sprake van handel in harddrugs op grote schaal met voornamelijk Franse, Belgische en Duitse drugsgebruikers. Drugsrunners rijden in kleine, maar snelle auto’s, niet zelden een snelle VW Golf, die niet op hun naam staan maar op naam van autoverhuurders of andere personen. Met potentiële klanten wordt telefonisch contact onderhouden en de drugsrunners begeleiden de klanten naar dealpanden of leveren zelf de drugs, waarna de klanten weer geleid worden richting de grens en die drugs uitvoeren. Wat de verdachte en [naam hoofdagent] beschrijven, duidt op deze kenmerkende modus operandi betreffende artikel 2, onder B, van de Opiumwet wat betreft de inzittenden van de Golf en overtreding van artikel 2, onder A, van de Opiumwet door de bestuurder van de Polo.

De Ambtsinstructie

Dat brengt de rechtbank bij de Ambtsinstructie voor politieambtenaren, de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, zoals die luidde tussen 1 januari 2013 en 31 december 2016, vastgesteld op grond van artikel 9 van de Politiewet. Daarin staat wanneer er geschoten mag worden. Artikel 7 van de Ambtsinstructie houdt in (voor zover in deze zaak van belang):

1. Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:

a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;

om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

1. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en

2. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

3. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

2. Het gebruik van een vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen, waarin of waarop zich personen bevinden.

3. In de gevallen, bedoeld in het eerst lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.

4. Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikel 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat aan de vereisten voor dienstwapengebruik van de Ambtsinstructie in beginsel is voldaan in het optreden van de verdachte en [naam hoofdagent] . Overtreding van artikel 2, onder A, van de Opiumwet levert een misdrijf op waarvoor 12 jaren gevangenisstraf kan worden opgelegd. Op overtreding van artikel 2, onder B, van die wet staat een maximumstraf van 8 jaren. Deze misdrijven zijn bovendien bedreigend voor de samenleving of kunnen dat zijn. Dat volgt onder andere uit de wetsgeschiedenis en het Europees recht. Lijst I drugs, harddrugs, vormen een onaanvaardbaar risico. In dat verband wijst de rechtbank naar de Memorie van Toelichting bij de Implementatie van het kaderbesluit nr. 2004/757/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel: illegale drugshandel en drugsmisbruik vormen een groot gevaar voor de gezondheid en veiligheid van personen en voor de samenleving.

In de Nota van Toelichting bij het Besluit tot wijziging van de Ambtsinstructie van 16 juli 2001 wordt een (explosieven- of ) drugstransport als voorbeeld genoemd. Hoewel deze Nota van Toelichting niet veel meer dan dit voorbeeld bevat en daar ook niet nader op ingaat, geldt dat de handel in harddrugs in het strafrecht in het algemeen als een delict wordt gezien, dat als een ernstige aantasting van de samenleving en inbreuk op de rechtsorde wordt gezien, wat ook mag blijken uit het geldende strafmaxima van 12 en 8 jaren.

Op het moment dat een verdachte van een dergelijk delict, wiens identiteit niet bekend is, zich met zijn auto probeert te onttrekken aan een controle, waarmee de verdenking nog concreter mag worden verondersteld en overgegaan mag worden tot aanhouding, mag de politie het vuurwapen gebruiken, zowel richting personen als op voertuigen.

Daar komt dan nog bij dat de verdachte meende dat sprake was van een misdrijf dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit van [naam hoofdagent] , dan wel een poging daartoe. Dat er achteraf bezien objectief geen levensgevaar of gevaar voor het oplopen van zwaar lichamelijk letsel was voor [naam hoofdagent] , speelt voor de rechtbank geen doorslaggevende rol. Het gaat erom of er toen onder de omstandigheden voldoende verdenking was dat de bestuurder van de Golf [naam hoofdagent] zou aanrijden of aangereden had en de rechtbank is het met de raadsman eens dat dit het geval is. Er was immers een auto met sterk motorvermogen die al rijdend en manoeuvrerend, terwijl daar nauwelijks ruimte voor was, probeerde te ontkomen, terwijl beide agenten dichtbij, naast en deels vóór die auto waren om dat te beletten. Dat leverde een gevaarlijke situatie op voor beide agenten. Een en ander speelt zich in een zeer kort tijdsbestek af, de verdachte kon daarbij niet uitsluitend op zijn collega letten en verloor die korte tijd uit het oog. Luttele tijd daarna nam hij waar dat zijn collega een rare sprong maakte en hoorde hij een klap. Dat is voldoende om de bestuurder van de Golf op dat moment te verdenken van (een poging tot) een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van [naam hoofdagent] .

Optreden volgens wettelijk voorschrift?

Gelet op wat de rechtbank hiervoor beschreven heeft, traden de verdachte en [naam hoofdagent] dus op ter uitvoering van een wettelijk voorschrift en mochten zij schieten ter aanhouding van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Dat levert in beginsel een rechtvaardigingsgrond op. Daarbij moet echter ook beoordeeld worden of het optreden voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Was het schieten onder de omstandigheden het juist gekozen middel of kon met een minder ingrijpend middel worden volstaan en, zo niet, werd het middel vervolgens goed toegepast? Op dit punt volgt de rechtbank de raadsman niet, die betoogd heeft dat aan die vereisten is voldaan.

Wat de rechtbank betreft is gedeeltelijk voldaan aan de vereisten voor subsidiariteit. De verdachte mocht zijn wapen gebruiken richting de auto en heeft voorafgaand daaraan eerst getracht te volstaan met een minder ingrijpend middel door met de kolf van zijn wapen te proberen de ruit in te slaan en daarna op niet mis te verstane wijze te waarschuwen dat er geschoten zou worden. Op de dashcambeelden is namelijk te zien dat hij het wapen duidelijk richt op de voorruit, waarbij hij zich rechts van en vrijwel voor de auto bevindt.12 Daarmee is voldaan aan een ander voorschrift uit de Ambtsinstructie (artikel 10 a). Bovendien is de rechtbank het met de raadsman eens dat het zich onttrekken aan de situatie geen reëel alternatief was. Van een politiefunctionaris kan en mag worden verwacht dat hij in situaties als deze handelend optreedt. Op het moment waarop de verdachte besloot te schieten en begon met de uitvoering van zijn voornemen om op de auto te schieten, was die nog dichtbij en zou schieten op de banden de vlucht hebben bemoeilijkt of tegengehouden.

Niet subsidiair onder de geschetste omstandigheden echter was het schieten op de auto ter hoogte van de romp van de inzittenden. De verdachte heeft zeer kort na elkaar vier schoten afgevuurd, waarvan twee aanzienlijk te hoog, daar waar alleen het schieten op de banden subsidiair en in verhouding tot de omstandigheden mag worden geacht. De verdachte heeft deze schoten bedoeld als een waarschuwingsschot en een schot op het rechter voorwiel, maar dat is gelet op de schootslijnen totaal verkeerd uitgepakt.

De pijn zit daarom in de uitvoering van het middel, het schieten, een uitvoering die niet subsidiair en niet in goede verhouding tot de verdenkingen en omstandigheden is geweest. Een en ander brengt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat de verdachte geen beroep op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht toekomt en dat het bewezenverklaarde feit ook strafbaar is.

3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

primair

op 3 mei 2015 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, met zijn, verdachtes, dienstwapen meermalen op de personenauto VW Golf, waarin die [benadeelde 2] en die [benadeelde 1] zaten, geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op twee personen, terwijl er voor zijn handelen geen rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond bestond. De officier van justitie heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden geëist, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast dient de verdachte een taakstraf van 240 uren te verrichten.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat, in het geval de rechtbank met de officier van justitie van oordeel zou zijn dat de verdachte een inschattingsfout heeft gemaakt en zonder legitieme reden op de auto van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] heeft geschoten, de gevorderde straf niet in verhouding staat tot de ernst van die fout. De raadsman heeft in dat verband gewezen op andere strafzaken tegen agenten.

In dat geval zou er bovendien rekening mee gehouden moeten worden dat de zaak al ruim drie jaar speelt en grote impact heeft gehad op het persoonlijk leven en het werk van de verdachte. Hij handelde in de uitoefening van zijn werk en alle gevolgen die de zaak voor hem heeft gehad zijn op zichzelf al bestraffend van aard.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte staat elke werkdag op om de rechtsorde te handhaven en hulp te verlenen en hij wordt omschreven als een goede collega met wie je als politie “de oorlog” wint.

En dan toch, op een dag in mei 2015, gaat het mis. Ter zitting hield één van de rechters hem een samenvatting voor van hoe hij over de zaak dacht: hij heeft goed gehandeld, maar slecht geschoten. De verdachte bevestigde dat. Een uitvoeringsfout.

De rechtbank heeft kunnen constateren dat de verdachte beseft dat hij verantwoording af moet leggen en beseft dat het heel verkeerd had kunnen aflopen. Hij ontloopt zijn verantwoordelijkheid niet.

De verdachte is op 3 mei 2015 aan het werk gegaan. Daarbij is hij gestuit op de drugsrunnerspraktijken die de stad Maastricht en omgeving al geruime tijd parten speelden. Zijn waarneming en verdenking, alsook die van [naam hoofdagent] , waren terecht. Op de beelden is nog te zien dat de bestuurder van de Polo met het Franse kenteken een lichtkleurig voorwerp in de middenberm gooit en hij had een bolletje cocaïne verborgen in zijn kleding. In de middenberm werd een bol heroïne aangetroffen. In een telefoon die bij [benadeelde 2] in beslag genomen is, zaten diverse overduidelijke dealberichten gericht op de verkoop en uitvoer van harddrugs. Dat is voor het beoordelen van het bewijs en de rechtmatigheid van het optreden van de verdachte niet relevant, maar geeft wel aan dat de verdachte en zijn collega juist zaten met hun verdenking. De verdachte is een professional met een zwaar en gevaarlijk beroep ten dienste van de samenleving, van wie niet gebleken is dat hij bewust de grenzen van zijn professionaliteit opzoekt of overtreedt. Ook op 3 mei 2015 trad hij op in het belang van de veiligheid van mens en maatschappij. Daarbij liepen hij en zijn collega gevaar door het onvoorspelbare en dreigende gedrag van de bestuurder van de Golf, die koste wat kost wilde ontkomen. Dat gevaar was, achteraf bezien, niet zo groot, maar werd op dat moment wel zo ervaren door de verdachte en dat is begrijpelijk. Het disculpeert hem echter niet. Door hem is de veiligheid van mens en maatschappij niet alleen gediend, maar ook geschaad.

Aan politiefunctionarissen worden hoge eisen gesteld en die eisen zijn in het belang van de rechtsorde en samenleving. Als aan die eisen niet wordt voldaan en dat een ernstig misdrijf oplevert, kan niet worden afgezien van het opleggen van een straf. Die moet echter wat de rechtbank betreft beperkt blijven. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste straf te hoog. Ook ziet zij geen aanleiding om in wat voor vorm dan ook gevangenisstraf op te leggen.

Een poging tot doodslag in de uitoefening van het politiewerk is namelijk van een andere orde dan wanneer die door anderen onder heel andere omstandigheden wordt begaan. Dat is ook terug te zien in vergelijkbare strafzaken tegen agenten. Gepleit wordt voor het geven van een andere status aan politieambtenaren die geweld hebben gebruikt en voor het niet meer vervolgen voor (poging tot) doodslag, dan wel voor het berechten in aparte kamers van de rechtspraak. Daarvoor zal de wet aangepast moeten worden en zo ver is het nog niet. De rechtbank blijft dus binnen de nu geldende kaders.

Hoewel er in die kaders juridisch gezien sprake is geweest van opzet op een levensmisdrijf, is het handelen van de verdachte anderzijds ook vergelijkbaar met zaken tegen beoefenaars van andere beroepen, bij wie het tekortschieten in de uitoefening van hun beroep een schuldmisdrijf oplevert of tegen verkeersdeelnemers, die niet op weg gaan in het verkeer met de intentie een andere verkeersdeelnemer te schaden, maar door een fout te begaan dat toch in ernstige mate kunnen doen. Het is lastig om in al die zaken een goede straf te bepalen; voor de een is de straf te zwaar, voor de ander veel te licht.

De rechtbank houdt er vooral rekening mee dat de verdachte optrad in het belang van de maatschappij en grotendeels deed wat van hem verwacht mag worden. Het zou ongepast zijn tegen hem te zeggen dat hij beter niets had kunnen doen en de verdachten maar gewoon had moeten laten gaan.

Tot slot hebben de gebeurtenis op 3 mei 2015 en de nasleep ervan grote impact op de verdachte gehad, zowel op het werk, als privé. Inmiddels zijn ruim drie jaar verstreken van spanning en onzekerheid en de verdachte heeft naar voren gebracht dat die spanning hem belemmert in zijn functioneren. Ook dat weegt de rechtbank mee.

Alles afwegend besluit de rechtbank hem een taakstraf op te leggen en wel van 80 uren, geheel voorwaardelijk en met een proeftijd van 1 jaar.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.

De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 3.500,- voor geleden immateriële schade (smartengeld) en kosten gemaakt voor rechtsbijstand.

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 2.000,- voor geleden immateriële schade.

7.2.

Het oordeel van de rechtbank

De vorderingen zijn door de raadsman betwist. In het licht van deze betwisting is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] onvoldoende onderbouwd is en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De benadeeld partij stelt wel geestelijk letsel te hebben opgelopen, maar heeft zich nog niet laten diagnosticeren en onvoldoende duidelijk is dus op dit moment wat zijn psychische letsel is en welke behandeling daarvoor geïndiceerd zal zijn. De onderbouwing spreekt alleen over signalen van een post-traumatische stressstoornis en van slecht slapen, nachtmerries en wantrouwen jegens andere personen.

De vordering voldoet daarom op dit moment niet aan de vereisten hiervoor van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De vordering heeft betrekking op het begrip aantasting van de persoon op andere wijze dan door middel van fysiek letsel of aantasting van de eer of goede naam. Uit de onderbouwing volgt zoals gezegd echter niet dat aan het slachtoffer psychisch letsel van voldoende gewicht is toegebracht om zo’n aantasting van de persoon aan te kunnen nemen. Daarvan is in het algemeen pas sprake als het slachtoffer lijdt aan een in de psychiatrie (dan wel psychologie) erkend ziektebeeld. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en onveiligheid vallen, hoe naar ook voor het slachtoffer, niet onder het bereik van voornoemd artikel van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij staat nog wel de weg open om zijn schade te verhalen via een civiele procedure.

Ook de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op fysiek- en psychisch letsel, maar onvoldoende onderbouwd met medische stukken welk letsel hij heeft opgelopen ten gevolge van rondspringend glas van de autoruit, terwijl er voldoende tijd is geweest om die stukken te verzamelen. Het zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren om de zaak niet af te doen en hem alsnog in de gelegenheid te stellen dit bewijs te leveren.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;

- gelast dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 1 jaar zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2], wonende te Amsterdam, niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten draagt.

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] , wonende te Veendam, niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 03 mei 2015 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] , in elk geval een of meer inzittenden van een personenauto van het merk VW type Golf, kenteken [kenteken]

opzettelijk van het leven te beroven, met zijn, verdachtes, dienstwapen, in elk geval met

een vuurwapen meermalen althans eenmaal op die personenauto VW type Golf,

kenteken [kenteken] , waarin die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 1] zaten, geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 03 mei 2015 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] , in elk geval een of meer inzittenden van een personenauto van het merk VW type Golf, kenteken [kenteken]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met zijn, verdachtes, dienstwapen, in elk geval met een vuurwapen, meermalen althans eenmaal geschoten op die personenauto VW type Golf, kenteken [kenteken] , waarin die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 1] zaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 03 mei 2015 in de gemeente Maastricht [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] , in elk geval een of meer inzittenden van een personenauto van het merk VW type Golf, kenteken [kenteken] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn, verdachtes, dienstwapen, in elk geval met een vuurwapen, meermalen althans eenmaal op die personenauto VW type Golf, kenteken [kenteken] , waarin die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 1] zaten, geschoten.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het Proces-verbaal van de Rijksrecherche, Onderzoek Bellamonte, onderzoeknummer 2015 0078, gesloten d.d. 4 april 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 301.

2 Het geschrift de brief d.d. 5 juni 2015 van mr. P.E. van Zon, dossierpagina 43 en 44 en het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, pagina 53 (midden van de pagina) van het proces-verbaal van Politie Limburg, Zuid-West afdeling recherche, proces-verbaalnummer 2015082063, gesloten d.d. 9 juni 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 489.

3 De Inleiding bij Proces-verbaal van de Rijksrecherche, Onderzoek Bellamonte, dossierpagina 9 o.v.v. Omschrijving Plaats Delict.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 291, midden van de pagina.

5 Het proces-verbaal sporenonderzoek, dossierpagina 65 en de afbeelding op dossierpagina 127, o.v.v. de nummers 1, 3, 4 en 5.

6 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting inhoudende dat hij meerdere schoten heeft afgevuurd, afgelegd ter terechtzitting op 12 juni 2018.

7 Het proces-verbaal Bevindingen camerabeelden, dossierpagina 149 en 150.

8 Dit is niet in voornoemd proces-verbaal beschreven, maar wel te zien op de dashcambeelden zoals die ter terechtzitting zijn vertoond, vanaf het tijdstip 16:01:24

9 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 12 juni 2018.

10 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 12 juni 2018.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 286.

12 Dit is niet in voornoemd proces-verbaal beschreven, maar wel te zien op de dashcambeelden zoals die ter terechtzitting zijn vertoond, vanaf het tijdstip 16:01:24.