Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:5567

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-06-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
6902261 CV EXPL 18-2905
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Loonvordering. Stopzetting loon. 7:629 lid 7 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0703
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6902261 CV EXPL 18-2905

MD

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 13 juni 2018

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend aan de [adres 1] ,

[woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. M.M.J.F. Sijben,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd en kantoor houdend te Heerlen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M.J. van Weersch.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de aanvullende producties van beide partijen;

- de mondelinge behandeling op 7 juni 2018 alwaar de gemachtigde van [eiser] een pleitnota heeft overgelegd en voorgedragen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 december 2016 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (namelijk: één jaar) bij [gedaagde] in dienst getreden als bedrijfsleider, tegen een bruto maandloon van laatstelijk € 3.567,38, exclusief vakantiebijslag.

2.2.

In mei 2017 heeft [eiser] van de directeur van [gedaagde] , de heer [naam directeur] , te horen gekregen dat hij niet voldoet als bedrijfsleider van het Heerlense filiaal van [gedaagde] en dat daarom de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Partijen hebben nadien geen overstemming bereikt over een eerder einde van de arbeidsovereenkomst dan initieel overeengekomen.

2.3.

Op 6 juni 2017 heeft [eiser] zich ziek gemeld, waarna hij is gezien door de bedrijfsarts. Naar aanleiding van dat bezoek aan de bedrijfsarts zijn partijen met elkaar in gesprek gegaan. Dat heeft ertoe geleid dat [eiser] met ingang van 15 juni 2017 aan de slag is gegaan als baliemedewerker bij de vestiging van [gedaagde] in Kerkrade. Het loon dat behoorde bij de functie van bedrijfsleider heeft hij behouden.

2.4.

Op 2 oktober 2017 heeft [eiser] zich opnieuw ziek gemeld.

2.5.

Op 17 oktober 2017 is [eiser] door de bedrijfsarts gezien. Die rapporteert daarover:

“Gezien de korte termijn waarop contract voor bepaalde duur zal eindigen adviseer ik werkgever en werknemer tot een vergelijk te komen en werknemer vrij te stellen van verrichten van werkzaamheden, en de kans te krijgen zijn levensproblematiek aan te pakken. Indien partijen hierin niet tot een vergelijk komen, adviseer ik de casus voor te leggen aan UWV in een deskundigenoordeel (second opinion).

(…)

Betrokkene wordt niet op medische gronden ongeschikt geacht voor zijn eigen werk. Of betrokkene om andere dan medische redenen geschikt of ongeschikt is voor de bedongen arbeid is ter beoordeling van de werkgever”.

2.6.

Partijen hebben vervolgens (wederom) tevergeefs geprobeerd om overeenstemming te bereiken over een eerder einde van de arbeidsovereenkomst dan initieel overeengekomen.

2.7.

Op 25 oktober 2017 heeft [eiser] een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd [omdat hij van mening is dat de functie van baliemedewerker niet passend voor hem is]. Het UWV heeft bij beslissing van 21 november 2017 geoordeeld dat die werkzaamheden wél passend zijn.

2.8.

Bij brief van 30 oktober 2017 laat [gedaagde] aan [eiser] weten dat hij het loon met ingang van 1 november 2017 zal stop zetten indien [eiser] blijft volharden in zijn weigering om passende arbeid te verrichten. Deze (niet per aangetekende post) verzonden brief is geadresseerd aan het adres [adres 2] te [woonplaats] , terwijl [eiser] woonachtig is aan de [adres 1] te [woonplaats] . [eiser] heeft deze brief niet ontvangen.

2.9.

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is van rechtswege geëindigd op 1 december 2017.

2.10.

Bij beslissing van 2 januari 2018 heeft het UWV met terugwerkende kracht vanaf
1 december 2017 een Ziektewetuitkering aan [eiser] toegekend. [gedaagde] heeft tegen die beslissing bezwaar gemaakt, welk bezwaar het UWV bij beslissing van 7 februari 2018 ongegrond heeft verklaard. Tegen die beslissing is [gedaagde] in beroep gekomen bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. De uitkomst daarvan is op dit moment nog onbekend.

2.11.

Bij brief van 7 maart 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om over te gaan tot betaling van de in deze procedure gevorderde gelden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij dagvaarding om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot:

I. betaling aan [eiser] van het loon over november 2017 ten bedrage van € 2.423,58 netto, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

II. betaling aan [eiser] van de vakantiebijslag ten bedrage van € 1.426,95 bruto, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

III. betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Voor zover [gedaagde] verweer voert wordt daarop hierna nader ingegaan, evenals op de stellingen van partijen.

4 De beoordeling

Spoedeisendheid

4.1.

Ter zitting heeft de kantonrechter al geoordeeld dat de vorderingen van [eiser] , ondanks hetgeen [gedaagde] daarover heeft aangevoerd, naar hun aard dermate spoedeisend zijn dat daarover in dit kort geding kan worden beslist.

Vordering I

4.2.

Op grond van art. 7:629 lid 7 BW dient de werkgever de werknemer binnen een redelijke termijn de grond van de weigering of opschorting van de loonbetaling mee te delen. De ratio van deze bepaling is om de werknemer zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over zijn recht op loon, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen. Ter zitting is door de kantonrechter vastgesteld dat de brief van 30 oktober 2017 niet door [eiser] is ontvangen (zie rechtsoverweging 2.8.). Nu de werkgever de stopzetting van het loon niet vooraf aan de werknemer heeft aangekondigd zoals de wet dat voorschrijft, kan [gedaagde] geen beroep meer doen op de weigering door [eiser] om passende arbeid te verrichten. Dit brengt mee dat [gedaagde] het loon over november 2017 aan [eiser] dient te betalen. Door [gedaagde] is niet betwist dat € 2.423,58 netto de equivalent is van € 3.567,38 bruto, zodat voornoemd nettobedrag als maandloon over november 2017 kan worden toegewezen.

4.3.

[gedaagde] verzoekt om matiging van de wettelijke verhoging. De wettelijke verhoging is blijkens art. 7:625 BW verschuldigd indien de niet tijdige voldoening van het loon aan de werkgever is toe te rekenen. Daarvan is slechts ten dele sprake. In dit vonnis is geoordeeld dat [gedaagde] het loon over november 2017 dient te betalen vanwege het formele gebrek dat aan de aanzegging van die loonstop kleeft. Vanwege het deskundigenoordeel van het UWV dat het werk van [eiser] als baliemedewerker passend werd geacht (en daarmee dus impliciet dat hij geschikt is om die arbeid te verrichten), kon [gedaagde] tot dit vonnis redelijkerwijs menen die loonbetalingsverplichting niet te hebben. Deze omstandigheid rechtvaardigt matiging van de wettelijke verhoging, zeker in kort geding, tot 15%. De verder niet betwiste wettelijke rente, die verschuldigd wordt door het betalingsverzuim, zal worden toegewezen

als gevorderd.

Vordering II

4.4.

Ter zitting is komen vast te staan dat de vakantiebijslag tot en met 31 oktober 2017 inmiddels alsnog door [gedaagde] aan [eiser] is voldaan. Uiteraard brengt het oordeel ten aanzien van vordering I mee dat ook de nog niet uitgekeerde vakantiebijslag over november 2017 nog moet worden uitbetaald aan [eiser] . [gedaagde] zal daartoe hierna worden veroordeeld.

4.5.

Ten aanzien van de wettelijke verhoging over die vakantiebijslag (zowel ten aanzien van de inmiddels uitbetaalde vakantiebijslag tot en met 31 oktober 2017 als de nog na te betalen vakantiebijslag over november 2017) bestaat in dit geval geen reden tot matiging. De door [gedaagde] geschetste omstandigheden zijn juridisch geen valide redenen om daartoe over te gaan, zodat de maximale wettelijke verhoging over de vakantiebijslag verschuldigd is. De wettelijke rente, waarvan de verschuldigdheid niet door [gedaagde] is betwist, zal op hierna te bepalen wijze worden toegewezen.

Vordering III

4.6.

[gedaagde] dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, met inbegrip van de wettelijke rente daarover die op hierna te bepalen wijze wordt toegewezen. De kosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op:
- exploot van dagvaarding: € 103,38

- griffierecht: € 79,00
- salaris gemachtigde: € 400,00

Totaal: € 582,38.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.423,58 netto inzake niet betaald loon over november 2017, te vermeerderen met de tot 15% gematigde wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het nog niet uitbetaalde deel van de vakantiebijslag over november 2017, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over de nog niet uitbetaalde vakantiebijslag over november 2017 én over de reeds uitgekeerde vakantiebijslag tot en met 31 oktober 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot worden op € 582,38, bij gebreke van eerdere betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.