Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:539

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
03/720738-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

10 jaar gevangenisstraf voor poging moord, blijvend letsel dwarslaesie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/720738-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 januari 2018

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonend te [adresgegevens verdachte] ,

doch thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Mahovic, kantoorhoudend te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 januari 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte heeft geprobeerd – al dan niet met voorbedachte raad – [slachtoffer] te doden, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de poging moord op [slachtoffer] bewezen kan worden verklaard. Niet alleen heeft het slachtoffer zelf verklaard dat het de verdachte was in zijn Mercedes die op hem heeft geschoten, maar de verdachte zou dit ook tegenover de getuige [getuige 1] beaamd hebben, door te knikken op de vraag van de getuige of hij het gedaan had. De getuige [getuige 2] heeft daarbij verklaard dat de verdachte over een wapen kon beschikken en op de plaats van het delict is een huls aangetroffen met daarop het DNA van de verdachte. Ook zijn er schotresten aangetroffen in de auto van de verdachte. Die auto is ook te zien op beelden van beveiligingscamera’s die rond de plaats van het delict aanwezig waren. Tot slot heeft de verdachte ook nog eens verklaard dat hij daar in de buurt kan zijn geweest.

Dat er sprake was van voorbedachte raad en dus van een poging moord, leidt de officier van justitie af uit het klemrijden van het slachtoffer door de verdachte eerder op die dag, het langzaam rondrijden van de auto van de verdachte voorafgaand aan de schietpartij, de verklaring van de getuige [getuige 3] die omschrijft dat de auto langzaam reed, alsof die op zoek was naar iets of iemand, en tot slot de verklaring van [getuige 1] die verklaart dat de verdachte eerder heeft gedreigd om het slachtoffer neer te schieten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Niet alleen zijn er getuigen die verklaren over andere, mogelijke daders, maar ook het slachtoffer zelf heeft diverse personen als schutter aangewezen. Naar die andere personen is echter nooit onderzoek verricht. De politie heeft zich enkel en alleen gericht op de verdachte.

Ondanks het onderzoek van de politie is de huls pas daags na het incident aangetroffen door een getuige. Onbekend is hoe lang de huls op straat gelegen heeft. Dat het DNA van de verdachte op de huls is aangetroffen, kan verklaard worden uit het feit dat de verdachte een aantal jaren geleden een aantal patronen heeft weggegeven in een café.

Dat het kaliber van de kogel uit de huls zou passen bij de afmetingen van de kogel die zich nog in het lichaam van het slachtoffer bevindt, is een voorbarige conclusie. Omdat de kogel zich nog in het lichaam van het slachtoffer bevindt, kan er niet met zekerheid worden gezegd welk kaliber deze kogel heeft.

Het overgrote deel van de schotrestdeeltjes die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen, kan ook afkomstig zijn van andere processen dan schietprocessen. De schotrestdeeltjes uit de auto zijn voorts vergeleken met de schotrestdeeltjes van de huls en daarbij is niet onomstotelijk vast komen te staan dat deze gelijkenis vertonen. De aanname dat het de auto van de verdachte is geweest die daar rond heeft gereden, is ook voorbarig. Over deze auto wordt namelijk wisselend verklaard; volgens het slachtoffer zou de verdachte een cabrio hebben, hetgeen niet zo is. Daarbij heeft een getuige een auto met blauwe verlichting gezien, de auto van de verdachte is echter niet van dergelijke verlichting voorzien. De verdachte beschikte voorts niet over een vuurwapen. De verklaringen van getuige [getuige 1] zijn wisselend, en het is dus niet bekend wanneer zij de waarheid spreekt. De minderjarige [getuige 4] is niet volgens de regels gehoord en er zijn haar woorden in de mond gelegd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 25 april 2017 krijgen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] om 22.02 uur de opdracht om te rijden naar de [adres 1] te Kerkrade waar een knal zou zijn gehoord en een fietser op straat zou liggen. De verbalisanten zijn om 22.06 uur ter plaatse en zij zien dan ter hoogte van nummer [X] een man liggen met een fiets tussen zijn benen. De verbalisanten herkennen de man als de hen ambtshalve bekende [slachtoffer] . Hen is voorts ambtshalve bekend dat [slachtoffer] op het adres [adres 1] woont. Nadat de ambulance ter plaatse is gekomen, knipt het ambulancepersoneel de kleding van [slachtoffer] open. Verbalisant [verbalisant 2] ziet dan een gaatje in het midden van de rug van het slachtoffer met daar omheen een bloedvlek. Van de ambulancebroeder hoort hij dat er een wel een inschot is, maar geen uitschot2.

Letsel

Bij forensisch radiologisch onderzoek blijkt later dat [slachtoffer] in zijn rug ter hoogte van de 9de en 10de borstwervel links naast de wervelkolom in de huid een inschotopening heeft.

Er zit een kogelfragment in de borstholte rechts, met een gemiddelde diameter van circa 6.9 mm, en er is een traject waarneembaar vanaf de inschotopening tot aan de kogel. Daarbij is er onder andere schade aan botten en ruggenmerg (dwarslaesie) opgetreden3.

Camerabeelden

De politie heeft de beelden bekeken die die dag door diverse beveiligingscamera’s in de [adres 1] en aangrenzende straten zijn gemaakt. Uit die beelden, kan het volgende worden opgemaakt.

Op 25 april 2017 omstreeks 21.44 uur rijdt een donkerkleurige auto zonder verlichting over de [adres 2] , slaat linksaf de [adres 1] in en verdwijnt stapvoets uit het beeld. Een minuut later rijdt een donkerkleurige auto stapvoets door de [adres 1] van links naar rechts. Omstreeks 21.52 uur komt een Mercedes CLK uit de richting van de [adres 3] en stopt ter hoogte van de camera aan de rechterzijde van de [adres 2] . De linker kentekenverlichting is defect.

Na zo’n veertig seconden vertrekt de Mercedes CLK weer en slaat linksaf de [adres 1] in. Bij het afslaan rijdt de Mercedes CLK stapvoets4.

Omstreeks 21.55 uur rijdt een fietser over de [adres 1] in de richting van de plaats delict. De fiets lijkt op de fiets van het latere slachtoffer [slachtoffer]5.

Om 21.57 uur rijdt een donkerkleurige SUV snel door de [adres 2] en wil linksaf de [adres 1] inslaan. Een donkerkleurige auto rijdt stapvoets over de [adres 1] van rechts naar links. De donkerkleurige SUV laat de donkerkleurige auto voorgaan en slaat linksaf de [adres 1] in. Vervolgens is te zien dat een fietser met gestrekte armen rijdt over de [adres 1] van rechts naar links6.

Op beelden die vastgelegd zijn door de camera van de [adres 4] is dan te zien dat een donkerkleurige personenauto komt aanrijden uit de richting van de plaats delict. Het kenteken is met “ [kenteken] ” gedeeltelijk in beeld. De auto rijdt in de richting van de [adres 5] . Een andere donkerkleurige auto haalt de auto met kenteken ??-? [kenteken] in. Beide komen uit de richting van de plaats delict en rijden in de richting van de [adres 5] . Een paar seconden later is te zien dat een fiets op de grond valt. Niet te zien is of deze fiets bestuurd wordt7.

De rechtbank begrijpt overigens dat deze laatste beelden, gelet op de getuigenverklaring van [getuige 5] en de chronologie van de camerabeelden, gemaakt zijn na 21.57 uur, in tegenstelling tot de vermelding op de camerabeelden van het (gecorrigeerde) tijdstip 21.54 uur.

De getuige [getuige 5] verklaart dat hij in zijn Nissan Qashqai de [adres 1] is ingereden, dat daar toen een langzaam rijdende auto voor hem reed en dat hij deze auto via een parkeerhaven heeft ingehaald. Het was een grote donkere auto die stapvoets reed. Na het inhalen heeft [getuige 5] iemand afgezet. Dit was rond 22.00 uur8.

Beeldverbetering en kenteken

De beelden van de camera’s van de [adres 4] en van de [adres 6] van rond het tijdstip van het voorval zijn digitaal verbeterd. Daarna is waar te nemen dat de donkerkleurige auto een Mercedes betreft met het kenteken ??- [kenteken]9, dat de auto voorzien was van chromen omlijstingen langs de zijramen en dat het linker achterlicht van de kentekenplaat defect is.

De zoektermen ‘Mercedes’, ‘zwart’, ‘ [kenteken] ’ worden op de site van de RDW ingevoerd. Het resultaat van deze zoektermen levert acht resultaten op, waaronder het kenteken [kenteken]10.

Het kenteken [kenteken] blijkt het enige kenteken te zijn dat behoort bij een Mercedes, en wel een Mercedes CLK. Dit kenteken staat ten tijde van het schietincident op naam van de verdachte11.

Huls

Op 26 april 2017 wordt bij de politie gemeld dat de bewoner van het perceel [adres 7] een huls heeft gevonden. De politie gaat ter plaatse en ziet in de goot langs het trottoir voor genoemd perceel een huls liggen. Deze ligt op ongeveer 42 meter afstand van de plaats delict. Het betreft een verschoten huls van kaliber 6.35 mm. Deze huls wordt bemonsterd12. Er wordt DNA op de huls aangetroffen en dat blijkt te matchen met het DNA-profiel van de verdachte13.

Onderzoek aan de auto

Op 8 mei 2017 wordt er een sporenonderzoek verricht aan de Mercedes CLK met kenteken [kenteken] . Op verschillende plekken in de auto monsters genomen14. Deze bemonsteringen zijn onderzocht op de aanwezigheid van schotresten en in al de bemonsteringen zijn deeltjes aangetoond die op basis van hun morfologie en elementsamenstelling in aanmerking komen voor schotresten. Het NFI maakt daarbij een onderscheid tussen zogeheten categorie A deeltjes en categorie B deeltjes. Categorie A deeltjes zijn deeltjes die karakteristiek zijn voor schotresten. Categorie B deeltjes komen in aanmerking voor schotresten, maar van deze deeltjes zijn ook andere bronnen van herkomst bekend. Het NFI merkt in de rapportage op dat in het algemeen de bewijskracht van categorie B deeltjes veel lager is dan die van categorie A deeltjes.

In de bemonsteringen van de auto zijn naast categorie B deeltjes echter ook categorie A deeltjes aangetroffen. En het NFI trekt de conclusie dat de bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de auto zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer op de bemonsteringen van de auto schotresten aanwezig zijn dan wanneer op de bemonsteringen van de auto geen schotresten aanwezig zijn15.

Bij verder onderzoek aan de Mercedes CLK met kenteken [kenteken] is gebleken dat van deze auto het linker lampje van de kentekenverlichting aan de achterzijde niet functioneerde16.

Verklaring verdachte en slachtoffer

Bij de politie heeft de verdachte alleen willen verklaren dat hij op 25 april 2017 in zijn Mercedes met het kenteken [kenteken] heeft gereden en niemand anders. Op verdere vragen omtrent het autogebruik die dag en die avond heeft hij zich hoofdzakelijk beroepen op zijn zwijgrecht. Hij verklaart nog wel dat hij op 25 april 2017 [slachtoffer] ( [slachtoffer] , rechtbank) omstreeks 14.45 uur klem heeft gereden met zijn auto, maar dat dat een grapje was en dat ze even hebben gepraat17. Het klopt niet dat er ruzie was en dat hij boos was op [slachtoffer] .

[slachtoffer] verklaart over dat klemrijden dat hij die dag [verdachte] (verdachte, rechtbank) bij de bushalte tegenkwam. Het was rond twee of drie uur ’s middag. De verdachte reed hem klem, want hij wilde duidelijkheid over een verkrachting die [slachtoffer] met een ander gedaan zou hebben. [slachtoffer] wist van niets en hield zich afzijdig. De ontmoeting duurde ongeveer tien minuten. Daarna zijn ze rechtstreeks naar [slachtoffer] gereden en hebben ze buiten nog een biertje gedronken. [slachtoffer] dacht daarna dat het weer goed was, maar de verdachte ging schreeuwend weg18.

Bewijsoverwegingen en conclusies

De bovenstaande bewijsmiddelen brengen de rechtbank tot de volgende overwegingen en conclusies.

[slachtoffer] is op 25 april 2017 rond 22.00 uur beschoten op de [adres 1] te Kerkrade. Door de politie wordt hij liggend op straat aangetroffen, met de fiets nog tussen zijn benen. Op de beelden van de beveiligingscamera op het adres [adres 4] is te zien dat op die 25ste april juist rond dat tijdstip een fiets valt. En juist voordat dat te zien is, is een donkerkleurige personenauto te zien met “ [kenteken] ” in het kenteken.

Een dergelijke donkerkleurige personenauto is ook door andere camera’s in de directe omgeving en rond het tijdstip van het schietincident vastgelegd en daarbij is vastgesteld dat de auto een Mercedes CLK betrof met een kenteken dat eindigt op “ [kenteken] ”. Het blijkt dan dat er op 25 april 2017 maar één auto is met deze kenmerken. En dat is de auto die verdachte op zijn naam heeft staan: een Mercedes CLK met kenteken [kenteken] .

De rechtbank gaat er daarom van uit dat het de auto van de verdachte is geweest die door de camera op het adres [adres 4] is geregistreerd. De rechtbank gaat er daarbij ook van uit dat deze auto op dat moment bestuurd werd door de verdachte, omdat hij bij de politie verklaard heeft dat hij en niemand anders op 25 april 2017 in zijn Mercedes gereden heeft.

De rechtbank gaat er ten slotte van uit dat de vallende fiets op de camerabeelden, de fiets met het dan net beschoten slachtoffer is.

Kortom, het is de verdachte geweest die in de directe nabijheid van het slachtoffer is geweest toen die beschoten werd.

Is het dan de verdachte geweest die geschoten heeft?

Uit het schotrestenonderzoek aan de auto leidt de rechtbank af dat er van uit de auto van de verdachte geschoten is. Een andere aannemelijke verklaring voor het aantreffen van de schotresten heeft de verdachte niet kunnen geven.

Het aantreffen van deze schotresten wil echter nog niet zeggen dat de schotresten zijn ontstaan bij een schietproces dat op 25 april 2017 plaatsvond. Toch komt de rechtbank ook tot die conclusie. Op 26 april 2017 is een huls gevonden op de [adres 1] . Uit het DNA onderzoek leidt de rechtbank af dat het het DNA van de verdachte is dat op die huls zit. De huls heeft het kaliber 6.35 mm. En dat kaliber past in de ogen van de rechtbank weer bij de afmeting van de kogel die nog in het lichaam van het slachtoffer zit. Bij radiologisch onderzoek is vastgesteld dat die kogel circa 6.9 mm moet zijn en het komt de rechtbank voor dat het verschil van .55 mm te verklaren is door mogelijke vervorming van de kogel en/of door kleine onnauwkeurigheden bij de bij het radiologisch onderzoek uitgevoerde metingen.

De rechtbank concludeert dan ook dat de kogel die [slachtoffer] getroffen heeft verschoten is met de huls waarop het DNA van de verdachte kleeft en dat, gelet op de plaats en het moment waarop de huls is aangetroffen en gelet op de camerabeelden, het de verdachte is geweest die vanuit zijn auto op [slachtoffer] geschoten heeft.

De verdachte heeft een alternatief scenario geschetst voor het aantreffen van zijn DNA op de huls. Hij heeft verklaard dat hij dit patroon en andere patronen drie jaren geleden heeft weggegeven, maar noemt daarbij geen namen. Mocht het zo zijn dat de verdachte de patronen aan anderen heeft gegeven, dan zou het in de lijn der verwachtingen liggen dat er, behalve het DNA van de verdachte, ook DNA van andere personen op aangetroffen zou zijn, hetgeen niet het geval is. De rechtbank acht dit scenario dan ook niet aannemelijk. Bovendien vindt dit alternatieve scenario zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Het met een vuurwapen schieten op iemand levert volgens vaste jurisprudentie in ieder geval een poging doodslag op. Wanneer je iemand namelijk met een vuurwapen (gericht) beschiet, aanvaard je in ieder geval de aanmerkelijke kans dat die persoon dodelijk wordt getroffen en heb je daarmee (voorwaardelijk) opzet op de dood van iemand.

De vraag waarvoor de rechtbank zich echter gesteld ziet, is of er sprake is geweest van voorbedachte raad en of er dus gesproken kan worden van een poging tot moord.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Op de camerabeelden van de diverse beveiligingscamera’s valt vanaf ongeveer 21.45 uur een aantal malen een donkerkleurige auto op. Gelet op de, deels via de camera’s te volgen, rijbewegingen, de elkaar zeer kort opvolgende tijdstippen waarop de auto wordt gezien en de uiterlijke kenmerken van de auto, gaat de rechtbank ervan uit dat het hier telkens dezelfde auto betrof en wel de auto van de verdachte die door de verdachte bestuurd werd.

De verdachte heeft zich dus in het kwartier voor de beschieting van het slachtoffer opgehouden rond de plaats delict. Die plaats delict is de straat waar het slachtoffer woont en blijkens de verklaring van het slachtoffer wist de verdachte ook waar het slachtoffer woonde. Gelet op de rijbewegingen en het een tijdje stilstaan in de buurt van de woning van het slachtoffer, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte op zoek was naar het slachtoffer en dat, gelet op hetgeen ook gevolgd is, kennelijk met de bedoeling om hem neer te schieten. De rechtbank betrekt daarbij ook dat er eerder die dag al een incident is geweest waarbij de verdachte het slachtoffer heeft klemgereden.

De rechtbank acht het dan zo te zijn dat de verdachte in de tijd voorafgaand aan het schieten, toen hij kennelijk op zoek was naar het latere slachtoffer, de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het is dan redelijk om aan te nemen dat de verdachte ook van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Van contra-indicaties of een hevige gemoedsopwelling die aan dit nadenken en rekenschap geven in de weg hadden kunnen staan is in het geheel niet gebleken.

Gelet hierop, is de rechtbank dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van voorbedachte raad en dat daarmee het primair tenlastegelegde, poging tot moord, bewezen kan worden.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 25 april 2017, in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachten rade voornoemde [slachtoffer] eenmaal met een vuurwapen een kogel in het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair:

poging tot moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft in een poging om hem te vermoorden op 25 april 2017 een kogel afgevuurd op het dan 39-jarige slachtoffer. Het slachtoffer wordt in zijn rug getroffen en de kogel richt dusdanige schade aan dat het slachtoffer een dwarslaesie oploopt. Uit de zich in het dossier bevindende medische bescheiden blijkt dat het slachtoffer zijn lichaam vanaf zijn heupen niet meer kan bewegen. Het gevoel en pijn zijn vanaf de 10de borstwervel verminderd en vanaf de 12de borstwervel volledig afwezig. Er is sprake van blijvend letsel.

De raadsman van het slachtoffer heeft beschreven welke impact het schietincident op het slachtoffer heeft gehad. Het slachtoffer is aan bed gekluisterd en de artsen verwachten niet dat hij ooit nog zal kunnen lopen. Hij zal zijn verdere levensdagen gebruik moeten maken van een rolstoel en zal altijd afhankelijk blijven van de hulp van anderen. Door zijn handelen heeft de verdachte dus een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij de kwaliteit van het leven van het slachtoffer zeer ernstig aangetast.

Een feit als het onderhavige, begaan in een openbare ruimte, is voorts zeer schokkend voor de rechtsorde. Dat is ook in deze zaak weer gebleken. Het feit heeft tot grote beroering geleid in Zuid-Limburg. En dat valt ook te begrijpen. De verdachte schrikt er kennelijk niet voor terug om met een wapen de straat op te gaan, om, als een roofdier, te loeren naar zijn prooi en om dan, wanneer hij zijn prooi letterlijk in het vizier heeft, toe te slaan. Dat geeft ernstig te denken over het morele besef van de verdachte. Zeker ook nu de aanleiding voor de schietpartij voor de rechtbank altijd nog in nevelen gehuld is en ook daarin dus nog geen begin van inzicht in de beweegredenen en motieven van de verdachte kan worden aangetroffen.

Gelet op het voorgaande is een langdurige gevangenisstraf de enige juiste straf.

De vraag is hoe lang deze gevangenisstraf moet zijn. Bij de beantwoording van deze vraag heef de rechtbank acht geslagen op rechterlijke uitspraken in soortgelijke strafzaken. Uit die soortgelijke zaken volgt dat voor een poging doodslag waarbij het slachtoffer een dwarslaesie oploopt, doorgaans en gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren wordt opgelegd. Nu het hier evenwel een poging moord betreft, een ernstiger delict, acht de rechtbank een hogere straf passend. Zij zal de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 136.235,10. De raadsman heeft te kennen gegeven dat, mocht de rechtbank besluiten dat de fiets waar nog beslag op rust aan de verdachte kan worden teruggegeven, de vordering dient te worden verlaagd met de voor de fiets opgevoerde waarde van € 300,00.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de gehele vordering van de benadeelde partij toewijsbaar met uitzondering van de fiets, nu hier beslag op rust.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Nu er door de verdediging geen verweer is gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, zal de rechtbank deze vordering toewijzen met, gelet op de na te nemen beslissing omtrent het beslag, uitzondering van de post van de fiets.

8 Het beslag

De inbeslaggenomen fiets kan worden teruggegeven aan [slachtoffer] .

De inbeslaggenomen huls is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte voor het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van

10 jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij ( [slachtoffer] ) gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 135.935,10, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 april 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer ( [slachtoffer] ) van € 135.935,10, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 25 april 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp:

zie besl.portaal 1 1.00 STK munitie

GFL. 6.35

935248

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan [slachtoffer] :

zie besl.portaal 2 1 fiets

938745

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 januari 2018.

Buiten staat

Mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 april 2017, in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachten rade voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een kogel in het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 25 april 2017, in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een kogel in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 25 april 2017, in de gemeente Kerkrade aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een dwarslaesie, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een kogel in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2017067042, gesloten d.d. 13 september 2017/18 oktober 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1 tot en met 1278 alsmede de niet genummerde stukken.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2017, pagina 300 tot en met 304.

3 Het forensisch radiologisch onderzoek d.d. 19 juni 2017, pagina 389 tot en met 402.

4 Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [adres 6] , pagina 1043 tot en met 1051. De in het vonnis opgenomen tijdstippen betreffen de tijdstippen na correctie voor het vijf minuten voorlopen van de cameratijd op de werkelijke tijd.

5 Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [adres 8] , pagina 1052 tot en met 1055. De in het vonnis opgenomen tijdstippen betreffen de tijdstippen na correctie voor het drie minuten achterlopen van de cameratijd op de werkelijke tijd.

6 Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [adres 6] , pagina 1043 tot en met 1051. De in het vonnis opgenomen tijdstippen betreffen de tijdstippen na correctie voor het vijf minuten voorlopen van de cameratijd op de werkelijke tijd.

7 Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [adres 4] , pagina 1056 tot en met 1065. De in het vonnis opgenomen tijdstippen betreffen de tijdstippen na correctie voor het vijfenvijftig minuten achterlopen van de cameratijd op de werkelijke tijd.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 29 juni 2017, pagina 899 tot en met 901.

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2017, pagina 1099.

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juni 2017, pagina 1095 tot en met 1097.

11 Het proces-verbaal d.d. 18 oktober 2017, pagina 290.

12 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 15 augustus 2017, pagina 318 en 319.

13 De deskundigenrapportage van het TMFI d.d. 9 mei 2017, pagina 404.

14 Het proces-verbaal sporenonderzoek Mercedes d.d. 15 augustus 2017, pagina 452 tot en met 459.

15 Het rapport schotrestenonderzoek d.d. 7 juli 2017, pagina 412 tot en met 420.

16 Het proces-verbaal onderzoek vervoermiddel d.d. 7 juni 2017, pagina 444 en 445 en 450.

17 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 5 juli 2017, pagina 238 en 234.

18 Het proces-verbaal van verhoor aangever/benadeelde d.d. 23 mei 2017, pagina 540.