Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:5308

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-06-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
6422038 CV EXPL 17-8044
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst tussen ex-echtgenoten sterft een roemloos einde met beschuldigingen over en weer van fraude en onttrekking van gelden aan de ondernemingsboedel. Arbeidsongeschiktheid werkneemster leidt niet tot adequate re-integratie en haar wordt zelfs het loon niet normaal doorbetaald. Excuus van de directeur van de bv (ex-echtgenoot): gebrek aan middelen. Uiteindelijk werkt werkneemster, geadviseerd door advocaat, mee aan vaststellingsovereenkomst. Mede om uitzicht op toekomstige uitkering en/of ander werk open te houden. Zij en haar advocaat (die de tekst van de vaststellingsovereenkomst opmaakte) gaan er van uit dat daarin ook de uitbetaling van achterstallig loon gegarandeerd is, waarop herhaaldelijk gehamerd was. Uitleg van bepalingen in die overeenkomst (in hun onderlinge samenhang) bepalend voor de afloop van het resterende betalingsgeschil (Haviltex).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0777
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 6422038 CV EXPL 17-8044

Vonnis van de kantonrechter van 6 juni 2018 (vervroegd)

in de zaak

[eiseres]

wonend in [woonplaats] aan de [adres 1]

verder ook aan te duiden als “ [eiseres] ”

eisende partij

gemachtigde mr. F.G.H.J. Niemarkt, advocaat in Heerlen (toevoeging 1HK2788)

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

statutair gevestigd en kantoor houdend in [vestigingsplaats] aan de [adres 2]

verder ook aan te duiden als “ [gedaagde] ”

gedaagde partij

gemachtigde bij antwoord mr. M.L. Vennemans (SRM Rechtsbijstand) in Nijmegen, die zich bij dupliek heeft laten vervangen door mr. H.J.F. Wekking, advocaat in Beek-Ubbergen

1 De procedure

[eiseres] heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 23 oktober 2017 in rechte betrokken voor een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee zijn aan [gedaagde] twaalf producties betekend.

Na herhaald uitstel heeft [gedaagde] via mr. Vennemans op 3 januari 2018 van antwoord gediend en zich tegen de vordering verweerd met verwijzing naar drie producties.

Vervolgens heeft [eiseres] (eveneens na herhaald uitstel) op 7 maart 2018 voor repliek geconcludeerd. Zij heeft de producties 13 tot en met 18 aan het procesdossier toegevoegd.

Na wisseling van gemachtigde heeft [gedaagde] voor de rolzitting van 2 mei 2018 een (eerst na die datum ondertekende) conclusie van dupliek ingediend met een vierde en een vijfde productie. Een zesde in de conclusie aangekondigde productie was niet bijgevoegd. Omdat [eiseres] op de twee veel te laat ingebrachte producties niet meer heeft kunnen reageren, dienen zij voor de beoordeling buiten beschouwing te worden gelaten.

Hierna is vonnis bepaald. De uitspraak is - bij vervroeging - op vandaag gesteld.

2 Het geschil

2.1

[eiseres] vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling aan haar van € 7 738,51 (netto) aan achterstallig loon, € 1 327,24 (bruto) aan ‘vakantiegeld’ en € 143,00 (netto) aan ‘eigen bijdrage’, te vermeerderen met de wettelijke verhoging (‘vertragingsrente’) van 50 % op de voet van art. 7: 625 BW alsmede de wettelijke rente vanaf (primair) 1 maart 2017 over de eerste twee gevorderde posten. Daarnaast vraagt [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de aan haar zijde te liquideren kosten van de procedure (waaronder dus ook de te betalen ‘eigen bijdrage’ voor van overheidswege gefinancierde rechtshulp te rangschikken valt).

2.2

De vordering - die (vrijwel geheel) ziet op de periode december 2015 tot en met december 2016 - wordt gebaseerd op de volgende feitelijke omstandigheden en/of stellingen.

Er is sprake geweest van een aanvankelijk voor bepaalde tijd aangegane en vervolgens voor onbepaalde duur voortgezette arbeidsovereenkomst tussen partijen van 1 mei 2015 tot 1 maart 2017. [eiseres] was als administratief medewerkster in dienst voor twintig uur per week tegen een brutoloon van € 1 699,68 per maand. Het einde van de arbeidsrelatie is, na een conflict over te weinig betaald loon in een periode van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en na gebleken onvoldoende inspanningen van [gedaagde] tot medewerking aan de re-integratie van [eiseres] , bewerkstelligd door het aangaan van een vaststellingsovereenkomst (prod.10) op 16 januari 2017. De reden dat [eiseres] met deze beëindiging ingestemd heeft, was gelegen in de onwil van [gedaagde] om mee te werken aan re-integratie enerzijds en de wens om een toekomstige uitkeringsmogelijkheid en/of werkhervattingskans elders te openen anderzijds. In afwijking van de bij de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken is [gedaagde] niet overgegaan tot betaling van alle resterende aanspraken op loon en vakantiebijslag van [eiseres] , zodat [eiseres] genoodzaakt werd deze in rechte op te eisen.

2.3

[eiseres] weerspreekt in voortgezet debat de bij antwoord tegen de vordering ingebrachte stellingen en verweren. Zij is nader ingegaan op de achtergronden van de arbeidsrelatie, die er een was tussen ex-partners (althans [eiseres] is gehuwd geweest met de directeur-eigenaar / naamgever van [gedaagde] , [naam directeur-eigenaar] ). Haar arbeidsongeschiktheid vloeide voort uit een ernstige depressie die samenhing met het onvoorspelbare gedrag van haar ex-echtgenoot. Vermogen uit de onderneming werd geleidelijk aan overgeheveld naar een in 2015 opgerichte Ltd op de Seychellen en/of voor privédoeleinden aan het ondernemingskapitaal onttrokken. Directeur [naam directeur-eigenaar] wist heel goed ‘waar hij mee bezig was’ en beschikte over een boekhouder die hem alle benodigde gegevens kon verstrekken. Voor zover dit het jaar 2016 en begin 2017 betreft, onttrok zich de ontwikkeling van de financiële situatie van de onderneming aan de waarneming van de wegens ziekte afwezige [eiseres] . [eiseres] had toen geen enkele bemoeienis met de boekhouding. Dat [gedaagde] niet kon beschikken over de financiële administratie van de jaren 2013, 2014 en 2015 is complete ‘onzin’ (hetgeen ook uit diverse producties af te leiden valt). [gedaagde] bestrijdt niet dat zij bij herhaling in 2016 tot betaling van achterstallig loon aangeschreven is en/of dat daarover telefonisch contact met de raadsman van [eiseres] plaatsgevonden heeft. [gedaagde] heeft zich echter op betalingsonmacht beroepen, volgens [eiseres] ten onrechte. De directeur wilde van [eiseres] af en heeft dat meer dan eens laten blijken, terwijl [eiseres] financieel ‘klem zat’ (gezet werd). Dit verklaart waarom [eiseres] er mee instemde dat aan de relatie een einde kwam door het maken van afspraken in een vaststellingsovereenkomst. De bepalingen 4.3 en 4.5 illustreren de toezegging van [gedaagde] al zijn verplichtingen uit het verleden ter zake van loon en ‘vakantiegeld’ alsnog na te komen, ook al konden die op dat moment niet in een concreet bedrag uitgedrukt worden. In punt 4.12 is een voorwaardelijke finale kwijting afgesproken voor de situatie dat alle afspraken daadwerkelijk uitgevoerd zijn. Van die uitvoering door [gedaagde] is het tot dusver niet gekomen. [eiseres] heeft per 2 juni 2017 weer ander werk gevonden. Uit enige (tamelijk willekeurige) deelbetalingen van [gedaagde] in februari, maart en mei 2017 valt af te leiden dat de onderneming zich bewust was van haar verplichtingen die verder strekten dan de maanden januari en februari 2017. [eiseres] begrijpt niet waarom die betalingen - ondanks toezeggingen van directeur [naam directeur-eigenaar] aan haar - na mei 2017 in strijd met de afspraken stopgezet zijn.

2.4

Het verweer van [gedaagde] heeft de strekking dat de vordering van [eiseres] geheel afgewezen dient te worden. Zij refereert daarvoor aan vermeend disfunctioneren van [eiseres] , de ex-partner / ex- echtgenote van de directeur. De administratie waarvoor [eiseres] verantwoordelijk was, deed zij ‘bij haar thuis’, terwijl ‘de drijvende kracht achter [gedaagde] ’ (de directeur) ‘ongeveer 260 dagen per jaar in het buitenland was’, waar hij ‘offshore’ werkt. De onderneming geraakte ‘in zeer zwaar weer’. Een ontslagaanvraag op bedrijfseconomische gronden werd door het UWV afgewezen. Na aangeschreven te zijn tot betaling van loon heeft [gedaagde] ‘telkenmale uitgelegd’ dat ‘hij’ niet ‘bij machte’ was te betalen (het loon van [eiseres] kwam volgens een stelling bij antwoord ‘van de privérekening van de heer [naam directeur-eigenaar] ’). Op initiatief van [gedaagde] en in overleg met de door [eiseres] ingeschakelde advocaat is toen een beëindigingsovereenkomst gesloten. ‘Een allesomvattende regeling' volgens [gedaagde] . Daarna (‘kennelijk was zij gelijk weer hersteld’) trad [eiseres] elders in dienst. Na het sluiten van de overeenkomst - volgens [gedaagde] ‘vanwege de staking van de bedrijfsactiviteiten’ - ‘spraken partijen elkaar over en weer niet meer’. Daarom werd [gedaagde] door de dagvaarding ‘totaal verrast’. [gedaagde] leidt uit de getroffen overeenkomst af dat partijen elkaar (‘arbeidsrechtelijk’) finaal gekweten hebben. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat [eiseres] ‘heel goed weet’ dat er strafrechtelijk tegen haar aangifte gedaan is wegens onttrekking van gelden aan de vennootschap. In de vaststellingsovereenkomst van januari 2017 is voor [eiseres] geen (transitie)vergoeding bedongen, maar behield zij wel recht op ‘doorbetaling van haar salaris en vakantiegeld’, inclusief een kwijtingsbepaling onder 4.12. In de visie van [gedaagde] had [eiseres] voor het reserveren van aanspraken op achterstallig loon (tot zelfs een jaar terug) uitdrukkelijk aantekening van een claim moeten laten maken in de door haar advocaat opgestelde overeenkomst. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] heeft de afspraken uitgevoerd door loon over januari en februari 2017 te voldoen en in mei 2017 aanvullend een betaling van € 2 000,00 aan ‘vakantiegeld’ te doen. [gedaagde] mocht er door het stilzwijgen van [eiseres] daarna op vertrouwen dat de arbeidsrechtelijke kwijting finaal was. De Haviltex-uitleg van hetgeen door partijen beoogd en afgesproken is, zet een lezing zoals [eiseres] die voorstaat, opzij. Verweer op enig specifiek onderdeel van de vordering heeft [gedaagde] bij dit algemene betoog achterwege gelaten. Een bij antwoord ultiem gedaan verzoek om matiging van de vorderingen bij eventuele toewijsbaarheid is van geen enkel argument voorzien.

2.5

In voortgezet debat heeft [gedaagde] in het bijzonder gehamerd op het vermeende tekortschieten van [eiseres] in de uitoefening van haar functie. Zij (haar directeur) beweert daar (pas) achter gekomen te zijn na omzetting van de arbeidsovereenkomst in een contract voor onbepaalde duur. [gedaagde] meent dat zelfs sprake was van verduistering in dienstbetrekking door [eiseres] en deed daarvan op 12 december 2017 aangifte bij het district Parkstad Politie Limburg. In de dupliek volhardt [gedaagde] bij haar eigen lezing van hetgeen in de door advocaat Niemarkt opgestelde vaststellingsovereenkomst is neergelegd en naar redelijkheid uitgelegd kan worden (directeur [naam directeur-eigenaar] liet zich in de onderhandeling niet juridisch bijstaan). Achterstallig loon over een voorafgaand jaar is daarin niet opgenomen. Directeur [naam directeur-eigenaar] bestrijdt dat hij zich tijdens de gevoerde onderhandeling en daarna uitgelaten zou hebben in de zin dat hij al zijn loonverplichtingen uit het verleden jegens [eiseres] ‘netjes’ zou nakomen. Ook uit het feit dat uiteindelijk meer betaald is dan het loon over de resterende maande januari en februari 2017 mag niet afgeleid worden dat de afspraak gemaakt is zoals [eiseres] die nu uitlegt. Zij wijst er op dat de laatste betaling niet voor niets voorzien was van de vermelding ‘Eindafrekening’. Zonder enige nadere sommatie of informele herinnering (laat staan een door directeur [naam directeur-eigenaar] in direct contact gewekte indruk dat hij nog enige betaling zou doen), is [eiseres] in oktober 2017 tot dagvaarding overgegaan. Haar vordering verdient geen steun.

3 De beoordeling

3.1

Buiten beschouwing dient te blijven of / in welke zin het functioneren van [eiseres] in de periode dat zij niet (wegens ziekte) verhinderd was haar werk te verrichten, in een bepaald opzicht te wensen overliet. Laat staan of zij zich ook in strafrechtelijke zin kwetsbaar maakte. Het feit dat een aangifte in maart 2017 niet tot aanwijsbare opsporing, vervolging en/of berechting lijkt te hebben geleid, doet overigens twijfelen aan de soliditeit van die aangifte. Bepalend is evenwel dat [gedaagde] er in arbeidsrechtelijk opzicht geen enkele consequentie aan verbindt. De desondanks voor die aantijging aan het adres van [eiseres] in de processtukken ingeruimde passages rieken naar onnodige stemmingmakerij. Niet ongewoon in een al dan niet arbeidsrechtelijk geschil tussen ex-echtgenoten, maar weinig bevorderlijk voor een zinvol en net debat. Zoals ook de opmerking over ‘kennelijk gelijk weer hersteld’ zijn van [eiseres] na het treffen van een regeling over beëindiging van de moeizaam geworden arbeidsrelatie weinig chique is en de arbeidsrechtelijke re-integratieproblemen miskent die (door toedoen van juist [gedaagde] ) tussen de beide ex-partners speelden.

3.2

De kern van het geschil is (met terzijdelating van alle onnodige ballast) de vraag hoe de vaststellingsovereenkomst als zodanig, en in het bijzonder de onderling samenhangende onderdelen 4.3, 4.4, 4.5 en 4.12, gelezen moet / moeten worden.

3.3

[gedaagde] heeft natuurlijk gelijk als zij benadrukt dat voor interpretatie van dit door beide partijen centraal gestelde document (prod.10 bij exploot of prod.2 bij antwoord) de Haviltex-maatstaf bepalend is. Zij miskent evenwel dat voor de bedoeling die partijen bij het opstellen voor ogen stond, de voorgeschiedenis juist heel sterke aanwijzingen oplevert voor de dominante wens om naast de gevolgen voor de toekomst ook het recente verleden (gebrekkige re-integratie bij ziekte en wanbetaling door [gedaagde] ) een plaats te geven in de te bereiken (deels financiële) oplossing van het arbeidsconflict. [gedaagde] wilde (om diverse in de eigen bedrijfsvoering gelegen redenen, maar ook omdat een langdurig zieke werkneemster - die nota bene de ex van de directeur was - veel geld kostte) op zo kort mogelijke termijn van de arbeidsovereenkomst af. Daarnaast had haar directeur al geruime tijd en bij herhaling onderschreven - en nooit betwist - dat er bedragen aan achterstallig loon betaald moesten worden en dat daar de bereidheid toe bestond, maar de middelen vooralsnog niet toereikend waren. Nimmer, ook in deze procedure niet, is van de kant van [gedaagde] betwist dat zij [eiseres] tot januari 2017 nog een fors bedrag aan loon schuldig was. Naar thans is komen vast te staan, maar bij ondertekening van de overeenkomst op 16 januari 2017 nog niet uitgerekend was: € 7 738,51 netto. De bruto tegenwaarde is door de advocaat van [eiseres] niet berekend, maar is uiteindelijk bepalend voor hetgeen aan haar uitbetaald zou moeten worden. Aan de kant van [eiseres] moesten bij een eventueel akkoord over beëindiging van de arbeidsovereenkomst vooral rechten prijsgegeven worden (i.h.b. op een vaste baan, op re-integratie in eigen werk en in een vertrouwde setting en op een beëindigings- of transitievergoeding) en moesten risico’s ingecalculeerd worden (van uitblijvend herstel, weigering van uitkering, mislopen van aansluitende arbeid). Voor [eiseres] stond daar slechts tegenover dat in elk geval over januari en februari 2017 het volledige loon nog betaald zou worden (zonder werkverplichting, maar wel met prijsgeven van alle niet opgenomen rechten op vakantie en verlof, zoals dit uiteindelijk neergelegd is in bepalingen 4.2 en 4.4).

3.4

Om in onderhandeling het evenwicht in prestaties te bewaren - waarvoor de advocaat van [eiseres] als bewaker optrad - diende bij deze ongelijksoortige intenties, belangen en effecten ook [gedaagde] in het te bereiken akkoord aan [eiseres] enige prijs te betalen. Het is immers uitermate ongeloofwaardig dat een werkneemster in de positie waarin [eiseres] verkeerde, bijgestaan door een advocaat tegenover een sterker te achten tegenpartij als directeur [naam directeur-eigenaar] (zelfs zonder advocaat aan diens zijde) met minder genoegen zou hebben genomen dan het uitbetalen van het haar toekomende achterstallige loon. En dan het loon inclusief daarover verschuldigde vakantiebijslag (door partijen aangeduid als ‘vakantiegeld’ maar klaarblijkelijk niet bedoeld als het loon over opgebouwde dagen van vakantie en verlof). Het is dus bepaald ongerijmd dat [gedaagde] in de uiteindelijk gemaakte afspraken wil lezen dat bepaling 4.5 slechts zou duiden op de per 16 januari 2017 vastgelegde verplichting voor [gedaagde] om het loon over de lopende maand januari 2017 en de aanstaande maand februari 2017 te voldoen. De tekst van 4.5 is veel ruimer, want bepaalt dat [gedaagde] ‘tot de einddatum 1 maart 2017 alle verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst’ na zou komen ‘tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven in deze vaststellingsovereenkomst’. Een uitzondering voor achterstallig loon uit de periode december 2015 tot en met december 2016 die [gedaagde] in de contracttekst wil lezen, is niet opgenomen en wordt ook niet geïmpliceerd door de gebruikte letterlijke bewoordingen. Sterker nog: gelezen in samenhang met bepaling 4.3 (”Tot de einddatum houdt werkneemster recht op doorbetaling van het gebruikelijke salaris en vakantiegeld. Werkneemster heeft geen recht op andere uitbetalingen dan het salaris en vakantiegeld”), was het overbodig om een bepaling toe te voegen dat partijen het er over eens waren dat ook het hun / haar bekende loontekort over het voorbije jaar bij die uitbetalingsplicht hoorde. In de context van de gehele overeenkomst was het juist aan [gedaagde] geweest om - gesteld dat zij of haar directeur de wil had om die beperkende voorwaarde te stellen - de uitzondering van het achterstallige loon inclusief vakantiebijslag in de contracttekst te laten opnemen. Juist ook omdat het recht op nabetaling door / namens [eiseres] in de maanden daarvoor bij herhaling en met grote nadruk aan [gedaagde] voorgehouden was en [eiseres] voorafgaand noch ter gelegenheid van het overleg over de eindregeling die aanspraak had laten vallen. [gedaagde] heeft nagelaten te bewijzen aan te bieden dat zij uit opmerkingen of gedragingen van [eiseres] heeft mogen afleiden dat zij desondanks van nabetaling afzag. Dat is op zijn minst opvallend, maar maakt tevens dat van enig vertrouwen van zodanige aard niet uitgegaan kan worden.

3.5

Gelezen in de context van het klaarblijkelijke doel (het regelen van alle kwesties die partijen bij de arbeidsovereenkomst op dat moment in januari 2017 verdeeld hielden) en de inhoud van de daartoe getroffen regeling in haar totaliteit, kan de tekst van de uiteindelijke vaststellingsovereenkomst redelijkerwijs niet anders gelezen worden dan dat [gedaagde] uitspreekt dat (ook) het loon inclusief vakantiebijslag over het tijdvak december 2015 tot en met december 2016 betaald zal worden conform hetgeen daarover eerder afgesproken was (‘het gebruikelijke salaris en vakantiegeld’). De in bepaling 4.12 in voorwaardelijke vorm opgenomen ‘arbeidsrechtelijke’ kwijting (die finaal zou worden ‘na uitvoering van bovenstaande afspraken’) was daarom gericht op het voorgoed en totaal beëindigen van de onenigheid omtrent zaken (vooral op financieel vlak of met financiële repercussies) die de per 1 maart 2017 te beëindigen arbeidsovereenkomst ‘verziekten’. Voor zover er al twijfel mocht rijzen over de betekenis die [gedaagde] en haar directeur zelf aan de relevante financiële paragrafen van de overeenkomst hechtten, staat wel vast dat [gedaagde] zelf een begin van uitvoering aan de afspraken gegeven heeft dat spoort met de interpretatie van [eiseres] door in porties van € 500,00 en uiteindelijk € 2 000,00 (prod.18 ) meer te betalen dan het loon over januari en februari 2017. De opmerking van de kant van [gedaagde] dat de laatste betaling van 8 mei 2017 voorzien werd van de omschrijving “Eindafrekening”, kan - wat hier verder ook van zij - niet beslissend geacht worden voor de vraag of dit bedrag daadwerkelijk als finale betaling te gelden heeft. Ook de van de kant van [eiseres] gemotiveerd bestreden tegenwerping dat er na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst geen contact meer geweest is tussen partijen en dat [gedaagde] voorafgaand aan dagvaarding niet meer tot betaling gesommeerd is, doet niets af aan het recht van [eiseres] om nakoming te vorderen van hetgeen afgesproken is én rechtstreeks uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit.

3.6

Zonder enige verdere onderbouwing heeft [gedaagde] (uitsluitend bij antwoord) de naar de inhoud niet betwiste resterende loonvordering nog getracht te laten matigen. Waar zij een rechterlijke bevoegdheid tot matiging op meent te moeten baseren, is een raadsel. Er zal dan ook aan dit ongemotiveerde verweer voorbijgegaan worden. De vorderingen ter zake van periodeloon (netto) en vakantiebijslag (bruto) zijn zonder enige matiging toewijsbaar, terwijl ook de wettelijke verhoging (zonder matiging) voor het maximumpercentage van 50 toegewezen wordt. De wettelijke rente komt [eiseres] (conform het gevorderde uitsluitend over de eerste twee posten) eerst toe met ingang van 2 november 2017, de dag na die waarop [gedaagde] in rechte opgeroepen is. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagde] langs de weg van art. 6:82 BW eerder dan bij dagvaarding tegen 1 november 2017 voor deze precieze bedragen in gebreke gesteld is, zodat pas de daad van dagvaarding aan de kant van [gedaagde] betalingsverzuim (per 1 november 2017) bewerkstelligd heeft. Toewijsbaar is tot slot het bedrag van € 143,00 dat in de te liquideren proceskosten verwerkt zal worden.

3.7

Als (vrijwel) geheel in het ongelijk te stellen partij wordt [gedaagde] in de proceskosten verwezen. Aan de zijde van [eiseres] worden die kosten begroot op € 918,31:

  • -

    Eigen bijdrage gefinancierde rechtshulp € 143,00

  • -

    Exploot van dagvaarding € 97,31

  • -

    Griffierecht € 78,00

  • -

    Salaris gemachtigde € 600,00 (2 x € 300,00).

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- [gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting bedragen van € 11 607,76 netto en € 1 990,71 bruto aan loon respectievelijk vakantiebijslag inclusief wettelijke verhoging te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over bedragen van € 7 738,51 netto en € 1 327,14 bruto met ingang van 2 november 2017 tot de datum van volledige betaling.

- [gedaagde] wordt verder veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de datum van dit vonnis bepaald op een bedrag van € 918,31.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS