Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:5289

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-06-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
6799962 AZ VERZ 18-28
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met arbeidsongeschikte werkneemster. Primair gebaseerd op de g-grond en subsidiair op de h-grond. Opzegverbod. Re-integratievoorstel in strijd met deskundigenbericht en second opinion. Terechte weigering van werkneemster om te voldoen aan het re-integratievoorstel. Onterechte opschorting loonbetaling. Aanzienlijke reisafstand woon-werkverkeer. Geen pogingen werkgever om het reisprobleem op te lossen. Afwijzing van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6799962 AZ VERZ 18-28

Beschikking van 6 juni 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MENLO WORLDWIDE B.V.

gevestigd te Amsterdam

verzoekende partij, tevens verwerende partij ten aanzien van het tegenverzoek

gemachtigde mr. R.J.C. Brouwer

tegen

[verweerster, tevens verzoekster]

wonend te [woonplaats 1]

verwerende partij, tevens verzoekende partij

gemachtigde mr. Y.L.S. Schipper

Partijen zullen hierna Menlo en [verweerster, tevens verzoekster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met vijf bijlagen

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig tegenverzoek met 27 bijlagen

  • -

    de vijf door Menlo nagezonden bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling op 8 mei 2018

  • -

    het e-mailbericht van [verweerster, tevens verzoekster] en het faxbericht van Menlo, beide van 24 mei 2018, waarin partijen de kantonrechter mededelen dat zij geen minnelijke regeling hebben getroffen en om beschikking vragen.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Menlo is leverancier van logistieke diensten (waaronder transport).

2.2.

[verweerster, tevens verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1968, is op 1 februari 2012 op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van Menlo in de functie van marketing medewerker voor 40 uur per week tegen een brutoloon van (laatstelijk) € 3.368,14 per maand (exclusief vakantiebijslag).

2.3.

[verweerster, tevens verzoekster] heeft bij aanvang van de arbeidsovereenkomst gewoonlijk haar werkzaamheden op de vestiging van Menlo op de luchthaven Schiphol verricht. [verweerster, tevens verzoekster] verbleef destijds in Kudelstaart (gemeente Aalsmeer) in de buurt van Schiphol. Haar woning bevond zich toen in [woonplaats 2] .

2.4.

In 2013 is voor [verweerster, tevens verzoekster] de mogelijkheid om in Kudelstaart te verblijven vervallen. Zij heeft toen haar werkzaamheden te Schiphol voortgezet. Het probleem van de aanzienlijke reisafstand [woonplaats 2] -Schiphol is toen opgelost doordat [verweerster, tevens verzoekster]

twee keer per week in Den Haag bleef overnachten.

2.5.

In 2015 is Menlo overgenomen door XPO. Het hoofdkantoor van XPO is gevestigd te Eindhoven. Voorts heeft XPO in ieder geval ook een vestiging te Hoogeveen. Vanaf dat moment heeft [verweerster, tevens verzoekster] haar werkzaamheden voor Menlo ook verricht vanuit de vestiging van XPO te Hoogeveen.

2.6.

In maart 2016 is functie van [verweerster, tevens verzoekster] gewijzigd van marketing medewerker naar marketingmanager. Het betreft een zelfstandige, ambulante functie, waarbij [verweerster, tevens verzoekster] op diverse locaties werkzaam is met als uitvalbasis de vestiging te Hoogeveen. Daarnaast is zij een of twee dagen per week in de vestiging te Eindhoven aanwezig, Menlo heeft [verweerster, tevens verzoekster] een lease-auto ter beschikking gesteld.

2.7.

Op 3 en 24 mei 2017 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [verweerster, tevens verzoekster] en haar leidinggevende [naam leidinggevende] (hierna: [naam leidinggevende] ) en de HR Business Partner [naam HR Business Partner] (hierna: [naam HR Business Partner] ).

2.8.

Op 8 juni 2017 heeft [verweerster, tevens verzoekster] zich ziek gemeld.

2.9.

Bij e-mailbericht van 13 juni 2017 heeft [naam HR Business Partner] aan [verweerster, tevens verzoekster] , verwijzend naar hetgeen is besproken op 3 en 24 mei 2017, voor zover hier van belang (samengevat) het volgende medegedeeld:

- [verweerster, tevens verzoekster] dient met grote regelmaat en bij voorkeur voor 100% werkzaam te zijn vanuit Eindhoven;

- als gevolg van een verandering in de organisatie van de onderneming is haar functie naar verwachting uitvoerbaar in 24 uur per week.

2.10.

Op 16 juni 2017 heeft [verweerster, tevens verzoekster] [naam bedrijfsarts 1] (hierna: [naam bedrijfsarts 1] ), de bedrijfsarts van Menlo bezocht. [naam bedrijfsarts 1] heeft in een rapportage van 19 juni 2017 geconcludeerd dat er geen medische problematiek aan de ziekmelding ten grondslag ligt. Hij stelt dat er sprake is van een arbeidsconflict en dat de klachten daarmee te maken hebben. [naam bedrijfsarts 1] acht het raadzaam [verweerster, tevens verzoekster] twee weken rust te geven om de zaken op een rij te zetten. Verder adviseert [naam bedrijfsarts 1] het conflict op te lossen door het voeren van gesprekken (met eventueel een mediator) en adviseert hij [verweerster, tevens verzoekster] te ondersteunen door een coach.

2.11.

Op 11 juli 2017 heeft [verweerster, tevens verzoekster] een deskundigenonderzoek bij het UWV aangevraagd.

2.12.

De bevindingen van het deskundigenonderzoek zijn neergelegd in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 31 juli 2017. Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] heeft daarin onder meer overwogen dat door de werkgever op 3 juli 2017 werd verwacht dat [verweerster, tevens verzoekster] minimaal drie dagen te Eindhoven aanwezig was en dat [verweerster, tevens verzoekster] daaraan door ziekte niet kon voldoen. Hij concludeert dat [verweerster, tevens verzoekster] ‘per geschildatum niet geschikt (is) te achten voor het eigen werk in de volle breedte (d.w.z. inclusief drie keer per week 500 autokilometers woonwerk)’. De verzekeringsarts adviseert voorts dat ‘de partijen zo snel als mogelijk bij elkaar moeten komen om te bespreken of dat gene wat de werkgever wil past binnen arbeidsrecht, wat goed werkgeverschap daarbinnen betekend en of betrokkene wel mee wil werken aan de transitie van de functie’.

2.13.

[verweerster, tevens verzoekster] heeft op 14 augustus 2017 opnieuw [naam bedrijfsarts 1] bezocht. Naar aanleiding daarvan heeft [naam bedrijfsarts 1] aan [naam HR Business Partner] bij brief van 14 augustus 2017 (onder meer) medegedeeld dat hij zal uitgaan van het advies van de verzekeringsarts en dat hij een urenbeperking van 50% adviseert. Ook adviseert [naam bedrijfsarts 1] nogmaals om zo snel mogelijk (eventueel met een mediator) gesprekken te laten plaatsvinden tussen [verweerster, tevens verzoekster] en ‘haar leidinggevende en/of HR’ om tot een oplossing van de werk gebonden problematiek (functie en woon-werkverkeer) te komen.

2.14.

Op 14 september 2017 hebben [verweerster, tevens verzoekster] en [naam HR Business Partner] met elkaar gesproken. Diezelfde dag heeft [naam HR Business Partner] aan [verweerster, tevens verzoekster] via e-mail een verslag van dit gesprek toegezonden. Het verslag vermeldt onder meer dat:

- [verweerster, tevens verzoekster] aan [naam HR Business Partner] heeft medegedeeld dat zij binnen Duitsland is verhuisd op een gelijke (ietwat verdere) afstand van het kantoor in Eindhoven

- per omgaande kan worden gestart met een re-integratie ‘a 50%’ op basis van de door de bedrijfsarts gestelde voorwaarden

- [naam HR Business Partner] een planning voor de eerste week zal opstellen (spoor A)

- eventueel andere afspraken gemaakt kunnen worden wanneer [verweerster, tevens verzoekster] ‘aangeeft’ open te staan voor een afscheid (spoor B).

2.15.

Bij e-mailbericht van 15 september 2017 heeft [naam HR Business Partner] aan [verweerster, tevens verzoekster] een schema gezonden dat behelst dat [verweerster, tevens verzoekster] in de daaropvolgende werkweek (18 september tot en met 22 september) dagelijks werkzaamheden dient te verrichten van 10:00 uur tot 14:30 uur. Van [verweerster, tevens verzoekster] wordt verwacht dat zij in die week twee dagen in Eindhoven zal werken, twee dagen in Maastricht en een dag thuis.

2.16.

[verweerster, tevens verzoekster] heeft via e-mail op 17 september 2017 aan [naam HR Business Partner] medegedeeld dat zij niet in staat is aan het schema te voldoen omdat zij niet in staat is de aanzienlijke hoeveelheid reiskilometers te maken.

2.17.

[verweerster, tevens verzoekster] heeft haar werkzaamheden op 18 september 2017 niet hervat.

2.18.

Bij brief van 18 september 2017 heeft Menlo [verweerster, tevens verzoekster] medegedeeld dat [verweerster, tevens verzoekster] het advies van de bedrijfsarts en het UWV niet opvolgt en daardoor niet haar volle medewerking verleent aan inspanningen gericht op re-integratie. Menlo heeft haar verder medegedeeld dat zij daarom de loonbetaling met ingang van 18 september 2017 heeft opgeschort totdat [verweerster, tevens verzoekster] zich beschikbaar stelt voor werk.

2.19.

Bij brief van 21 september 2017 heeft de toenmalige gemachtigde van [verweerster, tevens verzoekster] aan Menlo medegedeeld dat de opschorting ongegrond is omdat het schema in strijd is met het oordeel van het UWV en [verweerster, tevens verzoekster] dit schema niet kan nakomen. Namens [verweerster, tevens verzoekster] is in de brief aan Menlo verzocht niet tot opschorting van de loonbetaling over te gaan, een nieuw re-integratievoorstel aan [verweerster, tevens verzoekster] te doen en dat voorstel te laten toetsen door een andere bedrijfsarts dan [naam bedrijfsarts 1] . In de brief vermeldt de gemachtigde dat [verweerster, tevens verzoekster] woonachtig is te [woonplaats 1] .

2.20.

Bij e-mailbericht van 28 september 2017 heeft [naam HR Business Partner] aan de gemachtigde van [verweerster, tevens verzoekster] (onder meer) medegedeeld dat hij uit de brief van 21 september 2017 begrijpt dat [verweerster, tevens verzoekster] is verhuisd naar [woonplaats 1] . [naam HR Business Partner] stelt in de brief dat hij had verwacht dat [verweerster, tevens verzoekster] dichterbij haar werk was gaan wonen maar dat het tegenovergestelde waar is. Hij constateert dat door die verhuizing de reistijd (woon-werkverkeer) verder is toegenomen. Ook stelt [naam HR Business Partner] dat het voor Menlo niet acceptabel is dat [verweerster, tevens verzoekster] zich volledig onttrekt aan de re-integratieverplichtingen en daarbij ingaat tegen het advies van het UWV en de bedrijfsarts en dat daarom de opschorting gehandhaafd blijft. [naam HR Business Partner] deelt verder in de brief mede dat het verzoek van [verweerster, tevens verzoekster] om aanwijzing van een andere bedrijfsarts zal worden gehonoreerd.

2.21.

Bij brief van 2 oktober 2017 heeft de gemachtigde van [verweerster, tevens verzoekster] gereageerd op voornoemd bericht. In deze reactie herhaalt de gemachtigde (kort samengevat) dat de betaling van het loon ten onrechte is opgeschort. Verder heeft de gemachtigde van [verweerster, tevens verzoekster] in deze reactie Menlo:

  • -

    verzocht [verweerster, tevens verzoekster] die week door een andere bedrijfsarts te laten oproepen

  • -

    uitgenodigd haar een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te doen, waarbij [verweerster, tevens verzoekster] financiële compensatie zal worden geboden en haar tijd zal worden gegund om te herstellen.

2.22.

Op 13 oktober 2017 heeft [verweerster, tevens verzoekster] aan het UWV een deskundigenoordeel gevraagd aangaande de re-integratie inspanningen van Menlo.

2.23.

[verweerster, tevens verzoekster] heeft zich voorts gewend tot de Stichting BURNOUT. Deze stichting heeft op 26 oktober 2017 geconcludeerd dat [verweerster, tevens verzoekster] een burn-out heeft.

2.24.

[verweerster, tevens verzoekster] heeft op 26 oktober 2017 het spreekuur van de bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 2] bezocht. [naam bedrijfsarts 2] heeft naar aanleiding daarvan het volgende advies opgesteld:

“mevrouw [verweerster, tevens verzoekster] is momenteel arbeidsongeschikt wegens ziekte.

zij is nu niet in staat om op regelmatige basis op en neer te rijden naar Eindhoven of Maastricht.

afwachten resultaat medische onderzoeken, afwachten resultaat behandelingen.

er is nu sprake van dusdanige beperkingen op gebied van sociaal functioneren en persoonlijk functioneren dat ik nu géén reële re-integratiemogelijkheden zie.

(Marginaal Benutbare Mogelijkheden).

De verstoorde arbeidsverhouding is een re-integratiebelemmerende factor.

hier zal naar mijn mening op termijn aandacht aan moeten worden geschonken, mochten werkgever en werknemer hier onderling niet uitkomen dan adviseer ik inzet van een erkende mediator.

afhankelijk van de bevindingen van haar behandelaar en afhankelijk van de mogelijkheid om in een later stadium weer te re-integreren is mijn advies om (indien aan de orde) aandacht te schenken aan het beschikbaar stellen van een aangepaste autostoel in de lease auto.”

2.25.

Op 30 oktober 2017 heeft [verweerster, tevens verzoekster] een MRI-scan laten maken, op basis waarvan is vastgesteld dat [verweerster, tevens verzoekster] ‘fysieke rugklachten’ heeft.

2.26.

Bij brief van 2 november 2017 heeft [verweerster, tevens verzoekster] (zonder tussenkomst van een gemachtigde die zij door de looninhouding niet langer kon betalen) Menlo verzocht met terugwerkende kracht vanaf 18 september 2017 het loon te betalen.

2.27.

De bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 3] van De Landelijke Expertisebalie heeft vervolgens in een rapport van 12 november 2017 een second opinion gegeven met betrekking tot het oordeel van [naam bedrijfsarts 1] van 14 augustus 2017. In de paragraaf beschouwing en overweging vermeldt [naam bedrijfsarts 3] (onder meer) het volgende:

“Al met al ben ik van mening op basis van eigen onderzoeksbevindingen en dossierstudie dat cliënt door ziekte niet aan de re-integratieverplichtingen kon voldoen.”

[naam bedrijfsarts 3] concludeert in het rapport het volgende:

“Er is sprake van ziekte, waardoor cliënt niet kan werken.

Er is tevens sprake van een arbeidsconflict.”

2.28.

In het deskundigenoordeel van 16 november 2017 heeft de arbeidsdeskundige

[naam arbeidsdeskundige] van het UWV geconcludeerd dat de door Menlo uitgevoerde re-integratie inspanningen onvoldoende zijn.

2.29.

Menlo heeft op 16 november 2017 aan [verweerster, tevens verzoekster] medegedeeld dat de betaling van het loon vanaf 27 oktober 2017 zou worden hervat maar dat het loon over de periode van 18 september 2017 tot 27 oktober 2017 niet zou worden betaald omdat [verweerster, tevens verzoekster] toen benutbare mogelijkheden had.

2.30.

Bij brief van 20 november 2017 heeft de (toenmalige nieuwe) gemachtigde van [verweerster, tevens verzoekster] aan Menlo medegedeeld een kortgedingprocedure te zullen gaan starten om volledige loonbetaling (met de wettelijke verhoging) van Menlo te vorderen.

2.31.

Menlo heeft daarna alsnog het loon over de periode van 18 september 2017 tot 27 oktober 2017 aan [verweerster, tevens verzoekster] betaald.

2.32.

Op 15 december 2017 concludeert bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 2] dat [verweerster, tevens verzoekster] onveranderd:

  • -

    arbeidsongeschikt is voor het eigen werk wegens ziekte

  • -

    niet in staat is om op regelmatige basis op en neer te rijden naar Eindhoven of Maastricht.

[naam bedrijfsarts 2] adviseert verder dat op termijn aandacht moet worden geschonken aan de verstoorde arbeidsverhouding. Hij schat in dat de fysieke beperkingen de komende twee à drie maanden geleidelijk zullen gaan afnemen, waardoor de mobiliteit van [verweerster, tevens verzoekster] weer zal gaan verbeteren.

2.33.

Bij e-mailbericht van 25 januari 2018 heeft [verweerster, tevens verzoekster] (zonder tussenkomst van een gemachtigde) aan [naam HR Business Partner] gevraagd of Menlo de kosten van een re-integratietraject via de Stichting Burnout voor haar rekening wil nemen. Daarnaast heeft zij aangekondigd na herstel met Menlo te willen ‘kijken naar passende alternatieven voor mij’ intern, binnen de XPO groep of extern.

2.34.

Bij e-mailbericht van 30 januari 2018 heeft [naam HR Business Partner] aan [verweerster, tevens verzoekster] medegedeeld dat Menlo de kosten niet voor haar rekening zal nemen, maar dat vergoeding daarvan wellicht wel deel kan uitmaken van ‘een totale regeling’. Verder deelt hij haar het volgende mede:

“Jouw opmerkingen omtrent passende alternatieven sluiten op dit moment niet aan bij de stand van overleg dat tussen onze adviseurs wordt gevoerd en dat over en weer gericht is op het stand brengen van een beëindigingsregeling. Wij concentreren ons op het tot stand brengen van een dergelijke regeling en hopen thans nader van jouw adviseur te vernemen.”

2.35.

Op 2 februari 2018 heeft bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 2] een advies afgegeven dat in grote lijnen gelijk is aan het advies van 15 december 2017 (zie 2.32). [naam bedrijfsarts 2] stelt verder op die datum dat herstel valt te verwachten binnen ‘5-6 maanden’.

2.36.

Partijen hebben nadien nog enige tijd geprobeerd met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst te beëindigen, maar dit is niet gelukt.

3 Het geschil

3.1.

Menlo verzoekt:

  1. de arbeidsovereenkomst met [verweerster, tevens verzoekster] zo spoedig mogelijk te ontbinden;

  2. aan [verweerster, tevens verzoekster] een transitievergoeding toe te kennen;

  3. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

3.2.

[verweerster, tevens verzoekster] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek.

Subsidiair verzoekt zij (kennelijk voorwaardelijk, namelijk indien het verzoek van Menlo zal worden toegewezen):

  • -

    de arbeidsovereenkomst te ontbinden tegen 1 januari 2019;

  • -

    Menlo te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto (althans een door de kantonrechter te bepalen vergoeding)

  • -

    Menlo te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 7.881,00 bruto.

Daarnaast verzoekt [verweerster, tevens verzoekster] om Menlo te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding.

3.3.

Het zelfstandige onvoorwaardelijke tegenverzoek van [verweerster, tevens verzoekster] behelst de veroordeling van Menlo tot betaling van:

  • -

    de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het loon dat ten onrechte te laat is betaald;

  • -

    € 5.899,91 aan kostenvergoeding;

  • -

    de proceskosten.

3.4.

Menlo heeft op haar beurt geconcludeerd tot afwijzing van de (voorwaardelijke en onvoorwaardelijke) tegenverzoeken.

4 De beoordeling

het verzoek van Menlo

4.1.

Menlo verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster, tevens verzoekster] te ontbinden op grond van (primair) een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.2.

Menlo wijst er op dat [verweerster, tevens verzoekster] zich kort na de gesprekken van 3 en 24 mei 2017 heeft ziekgemeld en dat de bedrijfsarts heeft vastgesteld dat er sprake is van een arbeidsconflict. Dat er op het moment van ziekmelding op 8 juni 2017 reeds sprake was van een arbeidsconflict, tussen partijen staat allerminst vast op grond van de volgende overwegingen. Bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 1] concludeert in zijn rapport van 19 juni 2017 weliswaar dat de klachten van [verweerster, tevens verzoekster] het gevolg van een arbeidsconflict zijn en er geen medische problematiek aan ten grondslag ligt, maar die conclusie wordt door de verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] van het UWV, de second opinion arts [naam bedrijfsarts 3] alsmede de opvolgend bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 2] niet onderschreven. Al deze artsen hebben vastgesteld dat [verweerster, tevens verzoekster] wel degelijk als gevolg van medische problematiek/ziekte niet in staat is de bedongen werkzaamheden te verrichten. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat [verweerster, tevens verzoekster] op het moment van ziekmelding op 8 juni 2017 wel degelijk in verband met ziekte ongeschikt was tot het verrichten van arbeid. De rapportage van [naam verzekeringsarts] biedt voorts steun aan het verweer van [verweerster, tevens verzoekster] dat er op dat moment nog geen sprake was van een arbeidsconflict. [naam verzekeringsarts] vermeldt in zijn rapportage dienaangaande het volgende:

“Daar waar ik [naam HR Business Partner] beschreef dat betrokkene geen arbeidsconflict ervaart geeft [naam HR Business Partner] aan dat er naar zijn inschatting wel degelijk sprake is van een (zich ontwikkelend) arbeidsconflict. Dit spitst zich er zijn inziens op toe dat met betrokkene kort voor datum ziekmelding besproken was dat van haar, binnen de verandering van functie-inhoud van ambulant naar meer stationair, verwacht werd dat ze minimaal 3 dagen per week op locatie Eindhoven aanwezig ging zijn. Over overnachtingen (en de te dragen kosten) is blijkbaar (nog) niet gesproken. De werkgever is de ziekmelding als een protest c.q. vluchten voor de eisen/verwachtingen van werkgever gaan zien en de bedrijfsarts is in die zienswijze meegegaan / kunnen gaan.” Uit deze passage blijkt dat Menlo het vermoeden had dat [verweerster, tevens verzoekster] zich niet wegens ziekte maar door de aanstaande veranderingen in haar functie heeft ziekgemeld en dat Menlo daarom vond dat er sprake was van een (beginnend) arbeidsconflict. Dat vermoeden is weliswaar enigszins begrijpelijk gelet op de timing van de ziekmelding die inderdaad plaatsvond kort na de op 3 en 24 mei 2017 aangekondigde wijzigingen, maar enige verdere onderbouwing heeft Menlo niet gegeven. Daar staat tegenover dat naderhand wel is vastgesteld dat [verweerster, tevens verzoekster] wel degelijk als gevolg van ziekte niet in staat was haar werkzaamheden te verrichten.

4.3.

Wel staat vast dat vervolgens na de ziekmelding een arbeidsconflict is ontstaan tussen partijen. Dat conflict heeft, anders dan Menlo betoogt, wel degelijk verband met de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van [verweerster, tevens verzoekster] . Zo heeft Menlo van [verweerster, tevens verzoekster] verlangd dat zij in een week twee dagen in Eindhoven en twee dagen in Maastricht zou gaan werken, hetgeen niet strookt met het deskundigenbericht van 31 juli 2017 waaruit blijkt dat [verweerster, tevens verzoekster] (wegens rugklachten) niet in staat is om drie keer per week 500 kilometers woon-werkverkeer af te leggen. Daar komt nog bij dat gesteld noch gebleken is dat Menlo pogingen heeft ondernomen om [verweerster, tevens verzoekster] in staat te stellen te re-integreren op een manier die niet strijdig is met voornoemd advies. Daarnaast blijkt uit de second opinion van [naam bedrijfsarts 3] van 12 november 2017 zelfs dat [verweerster, tevens verzoekster] in het geheel niet in staat was te re-integreren, laat staan op de wijze als door [naam HR Business Partner] voorgesteld.

4.4.

Menlo heeft, toen [verweerster, tevens verzoekster] (terecht) weigerde op de door [naam HR Business Partner] voorgestelde wijze te hervatten, het loon opgeschort, hetgeen het conflict verder op scherp gezet zal hebben. Menlo maakt in deze context [verweerster, tevens verzoekster] bovendien veel te overdreven verwijten over het (door Menlo gestelde en zijdens [verweerster, tevens verzoekster] betwiste) feit dat [verweerster, tevens verzoekster] verzwegen heeft dat zij van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] was verhuisd. Partijen zijn het erover eens dat [verweerster, tevens verzoekster] tijdens het gesprek met [naam HR Business Partner] op 14 september 2017 in ieder geval heeft verteld dat zij binnen Duitsland is verhuisd op een gelijke (ietwat verdere) afstand van het kantoor in Eindhoven. Zelfs als [verweerster, tevens verzoekster] tijdens dat gesprek niet heeft medegedeeld dat zij naar [woonplaats 1] is verhuisd, valt haar daar geen relevant verwijt van te maken. [naam HR Business Partner] heeft daar kennelijk niet naar gevraagd en voor de re-integratie van [verweerster, tevens verzoekster] is de verhuizing naar [woonplaats 1] niet nadelig geweest. Zij kon blijkens het door [naam HR Business Partner] opgestelde schema immers in het kader van haar re-integratie (ook) hervatten in Maastricht en de afstand [woonplaats 1] -Maastricht is geringer dan de afstand [woonplaats 2] -Eindhoven.

4.5.

De arbeidsverhouding zal vervolgens verder zijn verslechterd toen Menlo de betaling van het loon weliswaar hervatte maar het loon van 18 september 2017 tot 27 oktober 2017 aanvankelijk weigerde uit te betalen. Menlo’s betoog dat haar van dit alles geen verwijt valt te maken omdat zij op grond van de bevindingen van [naam bedrijfsarts 1] er aanvankelijk van uit mocht gaan dat [verweerster, tevens verzoekster] wel kon voldoen aan de door [naam HR Business Partner] voorgestelde wijze van re-integratie kan haar niet baten. Dit dient namelijk voor rekening en risico van Menlo te komen.

4.6.

Op grond van voorgaande overwegingen moet worden geoordeeld dat het tussen partijen ontstane arbeidsconflict direct verband houdt met de arbeidsongeschiktheid (wegens ziekte) van [verweerster, tevens verzoekster] . Hieruit volgt dat de arbeidsovereenkomst met [verweerster, tevens verzoekster] niet kan worden ontbonden omdat het opzegverbod van art. 7:670 BW daaraan in de weg staat. Menlo doet voorts tevergeefs een beroep op art. 7:671b lid 6 sub b BW. Het is niet in het belang van [verweerster, tevens verzoekster] dat de arbeidsovereenkomst in dit stadium tot een einde komt. Door haar arbeidsongeschiktheid bevindt [verweerster, tevens verzoekster] zich immers in een kwetsbare positie. De door Menlo gestelde problematiek omtrent de aanzienlijke reisafstand (woon-werkverkeer) leidt niet tot een ander oordeel. De reisafstand is uiteraard op het moment dat [verweerster, tevens verzoekster] haar werkzaamheden zal dienen te hervatten (zodra zij arbeidsongeschikt is of zodra zij in staat is om te re-integreren) een aanzienlijk probleem. Daar staat echter tegenover dat partijen tot op heden nog geen poging ondernomen hebben om (in onderling overleg) op dit punt tot nadere overeenstemming te komen. Dat valt met name Menlo te verwijten. Het is immers Menlo geweest die heeft besloten dat [verweerster, tevens verzoekster] voortaan (liefst dagelijks) naar Eindhoven dient te reizen. Op welke wijze [verweerster, tevens verzoekster] die aanzienlijke afstand (zowel vanaf Haaren als vanaf het circa 50 kilometer verder van Eindhoven gelegen [woonplaats 1] ) dagelijks dient te overbruggen heeft Menlo verder niet (kenbaar) nagedacht. [verweerster, tevens verzoekster] heeft in haar e-mailbericht van 25 januari 2018 voorgesteld om daarover te praten, maar Menlo heeft een gesprek daarover afgehouden omdat zij de voorkeur gaf aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. In deze omstandigheden kan Menlo niet met succes stellen dat de arbeidsovereenkomst in het belang van [verweerster, tevens verzoekster] dient te worden beëindigd wegens de lange reisafstand. Die situatie heeft Menlo immers zelf in het leven geroepen en een tegemoetkoming ter oplossing van het reisprobleem van [verweerster, tevens verzoekster] is van haar kant uitgebleven.

4.7.

Subsidiair verzoekt Menlo de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van art. 7:669 lid 3 aanhef en onder h BW. Menlo voert in dat verband aan dat [verweerster, tevens verzoekster] door haar verhuizing zichzelf in een positie gebracht heeft waardoor zij als gevolg van de reisafstand feitelijk niet meer beschikbaar is voor haar werkzaamheden. Dit betoog wordt verworpen. Ook als [verweerster, tevens verzoekster] niet zou zijn verhuisd en dus in [woonplaats 2] was blijven wonen, zou er sprake zijn geweest van een zeer aanzienlijke reisafstand naar Eindhoven die slechts (ongeveer) 50 kilometer korter zou zijn dan de afstand [woonplaats 1] -Eindhoven. Bovendien valt in het e-mailbericht van [verweerster, tevens verzoekster] van 25 januari 2018 ook te lezen dat zij de mogelijkheid wenst te bespreken om vanaf haar oude woonplaats ( [woonplaats 2] ) te reizen aangezien de woning in [woonplaats 2] nog steeds in haar bezit is, maar Menlo heeft een gesprek over de vraag hoe het reisprobleem op te lossen afgehouden. Op grond van deze overwegingen kan ook de ‘h-grond’ niet leiden tot toewijzing van Menlo’s verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

het voorwaardelijke tegenverzoek

4.8.

Omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde (ontbinding van de arbeidsovereenkomst), hoeft het voorwaardelijke tegenverzoek geen verdere bespreking.

het zelfstandige tegenverzoek

4.9.

Dat Menlo het loon over de periode 18 september 2017 tot en met 27 oktober 2017 te laat heeft betaald, staat vast. Dienaangaande wordt verwezen naar rechtsoverweging

4.4.

Menlo heeft de loonopschorting immers gebaseerd op de onjuist gebleken veronderstelling dat [verweerster, tevens verzoekster] niet voldeed aan haar re-integratieverlichting. Bovendien heeft Menlo eerst nadat [verweerster, tevens verzoekster] gemachtigde daar op 20 november 2017 om vroeg, het loon over de periode 18 september 2017 tot 27 oktober 2017 aan [verweerster, tevens verzoekster] betaald. Hieruit volgt dat

[verweerster, tevens verzoekster] op grond van 7:625 lid 1 BW recht heeft op de daarin vermelde verhoging.

Menlo voert aan dat de wettelijke verhoging gematigd moet worden omdat [verweerster, tevens verzoekster] onduidelijkheid heeft laten bestaan over haar woonplaats, hetgeen volgens Menlo de re-integratie heeft bemoeilijkt. Dit verweer wordt op grond van hetgeen reeds in rechtsoverweging 4.4. is overwogen, verworpen. Menlo zal dus worden veroordeeld tot betaling van de maximale wettelijke verhoging over het loon met betrekking tot de periode 18 september 2017 tot 27 oktober 2017. Ook zal Menlo worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over het loon met betrekking tot die periode vanaf de respectieve verzuimdata.

4.10.

De door [verweerster, tevens verzoekster] verzochte betaling van € 5.899,91 betreft de volgende bedragen:

  • -

    € 544,50 factuur Stichting Burnout van 12 oktober 2017

  • -

    € 5.155,41 kosten van juridische bijstand.

4.11.

Ter onderbouwing van het bedrag van € 544,50 voert [verweerster, tevens verzoekster] aan dat deze post betrekking heeft op haar pogingen om zo snel mogelijk te re-integreren omdat Menlo zelf haar re-integratieverplichting niet nakwam. [verweerster, tevens verzoekster] stelt dat het hier gaat om de kosten van het advies van Stichting Burnout waarin een hersteltraject is samengesteld. [verweerster, tevens verzoekster] heeft het advies niet overgelegd, zodat het belang noch de inhoud vast te stellen is. De factuur waarvan [verweerster, tevens verzoekster] betaling vordert, rept bovendien niet van de kosten van het opstellen van een hersteltraject. Wel vermeldt de factuur dat het bedrag van € 544,50 ziet op een diagnoserapport/deskundigenoordeel. Op grond van deze overwegingen is dit onderdeel van het verzoek van [verweerster, tevens verzoekster] niet toewijsbaar omdat niet gebleken is dat de kosten van € 544,50 gemaakt zijn met het oog op effectieve re-integratie.

4.12.

Het bedrag van € 5.155,41 betreft volgens [verweerster, tevens verzoekster] de kosten van juridische bijstand die zij heeft moeten maken in het kader van de ten onrechte toegepaste loonopschorting. Anders dan Menlo stelt, doorkruist [verweerster, tevens verzoekster] met dit verzoek niet het wettelijke systeem met betrekking tot de proceskostenveroordeling. De verzochte vergoeding ziet immers niet op kosten die zijn gemaakt met het oog op deze procedure. Het gaat feitelijk om [verweerster, tevens verzoekster] pogingen ter verkrijging van voldoening buiten rechte omdat Menlo niet als goed werkgever gehandeld heeft door de betaling van het loon op te schorten. Op grond van art. 6:96 BW komen de met die pogingen gepaard gaande redelijke kosten voor vergoeding in aanmerking. De volgende door [verweerster, tevens verzoekster] overgelegde facturen kunnen echter geen betrekking hebben op deze kosten:

  • -

    de factuur van € 1.485,25 die ziet op verrichte werkzaamheden na (in ieder geval) 31 december 2017 tot en met 28 februari 2018

  • -

    de factuur van € 908,08 die ziet op werkzaamheden tot en met 31 juli 2017.

De opschorting heeft immers plaatsgevonden op 18 september 2017 en heeft geduurd tot (kort na) 20 november 2017, zodat de werkzaamheden die waren gericht op opheffing van de opschorting in deze periode moeten zijn verricht.

Wellicht dat de overige aan [verweerster, tevens verzoekster] in rekening gebrachte bedragen van in totaal
€ 2.762,08 betrekking hebben op werkzaamheden van [verweerster, tevens verzoekster] gemachtigde die waren gericht op opheffing van de loonopschorting. Dat valt echter niet te beoordelen. [verweerster, tevens verzoekster] heeft namelijk geen specificaties van die gefactureerde bedragen overgelegd. De kantonrechter zal de hoogte van de aan [verweerster, tevens verzoekster] toe te wijzen vergoeding daarom baseren op de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en de (vermoedelijke) hoogte van het (aanvankelijk) niet betaalde loon over de periode 18 september 2017 tot 27 oktober 2017 van € 4.378,58 (13/30 x € 3.368,14 + 26/30 x € 3.368,14). De aan [verweerster, tevens verzoekster] toe te wijzen vergoeding bedraagt dan € 681,06 (inclusief btw).

4.13.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Menlo worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerster, tevens verzoekster] tot op heden begroot op € 600,00 salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek van Menlo af;

5.2.

veroordeelt Menlo tot betaling aan [verweerster, tevens verzoekster] van de wettelijke rente over het loon van de periode 18 september 2017 tot 27 oktober 2017 vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van voldoening;

5.3.

veroordeelt Menlo tot betaling aan [verweerster, tevens verzoekster] van 50% wettelijke verhoging over het loon van de periode 18 september 2017 tot 27 oktober 2017;

5.4.

veroordeelt Menlo tot betaling aan [verweerster, tevens verzoekster] van € 681,06 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

5.5.

veroordeelt Menlo tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verweerster, tevens verzoekster] tot op heden begroot op € 600,00;

5.6.

verklaart de onderdelen 5.2. tot en met 5.5. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het door [verweerster, tevens verzoekster] meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW