Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:5115

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
C/03/249178 / KG ZA 18-228
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beëindigen bemoeienis Veilig Thuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/249178 / KG ZA 18-228

Vonnis in kort geding van 31 mei 2018

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] ,

wonende te [woonplaats eisers] ,

2. [eisende partij sub 2],

wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

advocaat mr. S. van Helvert te Nijmegen,

tegen

de stichting

STICHTING VEILIG THUIS NOORD-EN MIDDEN LIMBURG,

gevestigd te Roermond,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. van den Eertwegh te Roermond.

Partijen zullen hierna de ouders en Veilig Thuis genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 14 producties

  • -

    de producties 15 en 16 van de ouders

  • -

    de producties 1 en 2 van Veilig Thuis;

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Veilig Thuis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisers zijn de ouders van de minderjarige [X] , geboren op [geboortedag X] 2013 (thans 4 jaar) en van nog drie minderjarige kinderen van respectievelijk 10, 8 en 6 jaar. [X] is prematuur geboren en heeft dag en nacht zorg nodig. Hij heeft onder meer een ernstige darmaandoening en een ernstig mobiliteitsprobleem. Hij is volledig afhankelijk van voeding via de bloedbaan (Totale Parenterale Voeding, verder: TPV). [X] is veelvuldig geopereerd en herhaaldelijk in het ziekenhuis opgenomen, zo ook nog onlangs. Zijn diagnose is nog altijd niet duidelijk.

Aanvankelijk was de hoofdbehandelaar van [X] dr. Vreugdenhil van het Maastricht UMC en thans is dat dr. Gierenz van het Radboud UMC te Nijmegen. De reden voor de overgang naar Nijmegen was een verschil van mening tussen de ouders en dr. Vreugdenhil over het hervatten van orale voeding/sondevoeding en het feit dat het Radboud UMC is gespecialiseerd in TPV.

2.2.

Op 30 maart 2017 hebben twee thuiszorg-verpleegkundigen van Kinderthuiszorg De Spitse – die tot kort daarvoor werkzaam waren binnen het gezin van [X] – een melding bij Veilig Thuis gedaan betreffende [X] . De melding behelsde:

- het vermoeden van het onthouden van de juist gekwalificeerde verpleegkundige zorg in

thuissituatie voor een zorgintensief kind;

- het vermoeden van het onthouden van adequate specialistische medische (ziekenhuis)zorg bij een zorgintensief kind;

- zorgen over het feit dat alleen moeder volledig op de hoogte is van het medische verhaal rondom [X] ;

- het door de thuiszorg-verpleegkundigen niet zien van recepten van de toe te dienen medicatie en het niet krijgen van uitvoeringsverzoeken voor het uitvoeren van de verpleegkundige voorbehouden handelingen;

- zorgen over verkregen signalen over een verstoorde behandelrelatie tussen moeder en artsen.

2.3.

De taken en bevoegdheden van Veilig Thuis staan beschreven in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Op grond van artikel 4.1.1 lid 2 sub b Wmo 2015 heeft Veilig Thuis tot taak om naar aanleiding van een melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan te onderzoeken of daarvan sprake is. Voor een goede vervulling van die taak is Veilig Thuis op grond van artikel 5.1.6 Wmo 2015 bevoegd tot het (zonder toestemming) verwerken van persoonsgegevens.

2.4.

Op grond van artikel 5.3.4 Wmo 2015 heeft Veilig Thuis een bewaarplicht met betrekking tot de persoonsgegevens die zij op grond van die wet onder zich heeft. Op grond van artikel 5.3.5 Wmo 2015 vernietigt Veilig Thuis de persoonsgegevens binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene die het betreft. Dit geldt niet voor zover het verzoek persoonsgegevens betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan verzoeker alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.

2.5.

Het zogenaamde VNG-model Handelingsprotocol AMHK (hierna: het handelingsprotocol) bevat adviezen aan gemeenten over de richtlijnen die zij met betrekking tot de uitvoering van hun taken kunnen meegeven aan Veilig Thuis (voorheen AMHK: Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling) in hun regio.

2.6.

Artikel 8.1 van het handelingsprotocol luidt:

Doel

Het doel van het onderzoek is te beoordelen of er sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Welke (onderliggende) problemen er zijn die (ook) moeten worden opgelost om tot duurzame veiligheid en herstel te komen. Welke stappen of maatregelen genomen moeten worden om, waar nodig, fysieke veiligheid met onmiddellijke

ingang te herstellen. Welke ondersteuning, hulp, behandeling of maatregelen nodig zijn voor alle betrokkenen om te komen tot duurzame veiligheid en tot herstel van de gevolgen van het huiselijk geweld of de kindermishandeling voor betrokkenen.

2.7.

In artikel 8.4.8 van het handelingsprotocol staat omschreven tot welke uitkomsten het onderzoek door Veilig Thuis kan leiden:

- het vermoeden is weerlegd;

- het vermoeden is niet bevestigd;

- het vermoeden is bevestigd.

2.8.

Als het vermoeden is weerlegd, sluit Veilig Thuis het dossier zonder meer. Als het vermoeden niet is bevestigd, zal Veilig Thuis alvorens zij het dossier sluit:

  • -

    overwegen of desondanks hulp nodig is en betrokkenen daarnaar verwijzen;

  • -

    het besluit nemen om al dan niet rappel uit te voeren;

  • -

    vaststellen op welke termijn, bij wie en op welke manier rappel zal worden uitgevoerd

(artikel 8.4.8 van het handelingsprotocol).

2.9.

Artikel 7.4 van het handelingsprotocol luidt – voor zover van belang –:

Monitoring

Na onderzoek en overdracht gaat het AMHK na of de stappen die in gang zijn gezet ook daadwerkelijk worden uitgevoerd en of die stappen leiden tot het (duurzaam) stoppen van het geweld en tot herstel van schade. Het AMHK kan hiervoor contact leggen met de direct betrokkenen en een of meer professionals die verantwoordelijk zijn voor de hulp en ondersteuning die geboden worden. Het AMHK bepaalt aan de hand van de melding op welke tijdstippen deze contacten worden gelegd. Tenzij hierover andere afspraken zijn gemaakt hanteert het AMHK als algemene richtlijn dat deze contacten worden gelegd drie maanden en één jaar na afronding van de bemoeienis van het AMHK. Het AMHK kan besluiten tot een ambtshalve melding om de melding vervolgens (opnieuw) in onderzoek te nemen wanneer het ingezette vervolgtraject niet of onvoldoende tot resultaat leidt.

(…)

2.10.

Op 5 april 2017 is Veilig Thuis gestart met het onderzoek naar aanleiding van de melding betreffende [X] en noteert zij in het dossier een aantal redenen voor het onderzoek te weten:

- Duidelijkheid krijgen over wat er gebeurt in dit systeem;

- Waarom er geen contact mag zijn tussen verpleegkundigen en behandelend arts;

- Waarom ouders weerstand hebben tegen uitbreiding van orale voeding;

- Waarom er geen uitvoeringsbesluiten zijn/overhandigd worden;

- Waarom er geen einddatum voor antibiotica is afgesproken/gecommuniceerd.

2.11.

Na uitvoerig onderzoek concludeert Veilig Thuis op 1 februari 2018 dat het vermoeden van kindermishandeling niet is bevestigd en zij sluit het dossier als zodanig. Veilig Thuis besluit de zorgen over te dragen aan het cliëntsysteem en de regievoerend arts. Veilig Thuis stelt een monitor in, wat betekent dat er over drie maanden contact wordt gezocht met de regievoerend arts, dr. Gierenz.

3 Het geschil

3.1.

De ouders vorderen Veilig Thuis te bevelen per onmiddellijk het dossier van [X] te sluiten, geen gebruik te maken van de monitorfunctie en het dossier te vernietigen, het een en ander binnen een week na het te wijzen vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat Veilig Thuis hiermee in gebreke blijft alsook Veilig Thuis te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Volgens de ouders is de handelwijze van Veilig Thuis jegens hen onrechtmatig in die zin dat hun privacy wordt geschaad zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond ex artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is. De ouders willen dat Veilig Thuis iedere verdere bemoeienis met hun gezin staakt.

3.3.

Veilig Thuis concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de ouders.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De onderhavige procedure betreft een kort geding procedure. Op grond van artikel 254 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de voorzieningenrechter een onmiddellijke voorziening geven in alle spoedeisende zaken waarin deze - gelet op de belangen van partijen - wordt vereist. Het gaat om een ordemaatregel, dat wil zeggen een voorlopige maatregel in afwachting van de bodemprocedure. Daarbij moet de voorzieningenrechter een prognose maken van de uitkomst in de bodemprocedure en de belangen van partijen, waaronder de urgentie, afwegen bij het al dan niet geven van een ordemaatregel. Bij die beoordeling zal de voorzieningenrechter uitgaan van het volgende (wettelijk) kader.

4.2.

Op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormen de belangen van het kind bij alle maatregelen die kinderen betreffen de eerste overweging.

4.3.

Op grond van artikel 8 EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn gezinsleven. Een ander mag zich daarin niet mengen. Dit is slechts anders als daarvoor een grondslag is in de wet en de inmenging noodzakelijk is voor de in artikel 8 lid 2 EVRM omschreven belangen, zoals de gezondheid van anderen, en die inmenging proportioneel is.

het spoedeisend belang

4.4.

De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening aanwezig nu Veilig Thuis te kennen heeft gegeven dat zij op korte(re) termijn gebruik wil maken van haar bevoegdheid tot rappel/monitoring en de ouders zich tegen iedere verdere inmenging van Veilig Thuis in hun gezinsleven verzetten.

vernietiging van het dossier

4.5.

De voorzieningenrechter zal allereerst de vordering tot vernietiging van het dossier beoordelen. Ter zitting heeft Veilig Thuis onbetwist naar voren gebracht dat zij een procesbelang heeft bij instandhouding van het dossier omdat omtrent dit dossier mogelijk nog procedures zullen volgen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit belang zich verzet tegen het toestaan van de door de ouders gevraagde vernietiging in kort geding. Dat geldt temeer gelet op het definitieve karakter van een dergelijke vernietiging. Reeds daarom strandt de vordering tot vernietiging van het dossier. De voorzieningenrechter zal dit gedeelte van de vordering daarom afwijzen.

sluiten van het dossier en de rappel-/monitoringsbevoegdheid

4.6.

In de dagvaarding hebben de ouders zich op het standpunt gesteld dat Veilig Thuis zich moet onttrekken aan deze kwestie omdat het vermoeden dat sprake is van kindermishandeling door de ouders is weerlegd. Het dossier moet dan worden gesloten en aan Veilig Thuis komt in dat geval ook geen monitoring toe.

4.7.

Veilig Thuis heeft naar voren gebracht dat zij op dit moment niet tot de conclusie kan komen dat het vermoeden van kindermishandeling is weerlegd, omdat zij niet over voldoende informatie beschikt om dit te kunnen beoordelen. Veilig Thuis wil op termijn nadere informatie opvragen bij de behandelend kinderarts. Na ontvangst van die informatie en afhankelijk van de inhoud daarvan zal Veilig Thuis in overleg met ouders en behandelend arts ofwel het dossier sluiten ofwel de situatie nog wat langer monitoren, aldus Veilig Thuis ter zitting. Voor Veilig Thuis moet duidelijk zijn dat de regie door de behandeld arts is gewaarborgd.

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Alleen indien de voorzieningenrechter voorshands zou oordelen dat voldoende aannemelijk is dat het besluit van Veilig Thuis om het dossier niet te sluiten in een bodemprocedure niet in stand blijft, is er grond voor het treffen van de gevorderde ordemaatregel. In dat geval komen aan Veilig Thuis immers geen verdere bevoegdheden toe. Het gaat dus om de vraag of de conclusie van Veilig Thuis dat het vermoeden van kindermishandeling niet is weerlegd, juist was. In deze kort gedingprocedure is er gelet op de aard van deze procedure (zie hiervoor onder 4.1.) beperkt onderzoek mogelijk naar deze vraag. Er is sprake van een beperkt feitenonderzoek en er is (in beginsel) geen ruimte voor het horen van getuigen of het inwinnen van een oordeel van deskundigen. De voorzieningenrechter zal aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht moeten inschatten of de conclusie/het besluit van Veilig Thuis geen stand zal houden in de bodemprocedure. Alleen dan kan aanleiding zijn voor het geven van een ordemaatregel.

4.9.

Naar aanleiding van de melding heeft Veilig Thuis onderzoek gedaan. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende dat er geen sprake is van het onthouden van de juiste gekwalificeerde verpleegkundige zorg in de thuissituatie of van het onthouden van adequate specialistische medische (ziekenhuis)zorg. In het gezin van [X] zijn steeds meerdere gekwalificeerde verpleegkundigen (waaronder niveau 5) werkzaam geweest, thans voor ongeveer 40 uur per week. Bij de behandeling van [X] zijn verschillende disciplines betrokken, waaronder de huisarts, chirurg, cardioloog en de MDL-arts (voorheen dr. Vreugdenhil, thans dr. Gierenz). Sinds zijn geboorte wordt [X] maandelijks gezien door een arts in het ziekenhuis in Venlo, om gemeten en gewogen te worden. Er zijn geen aanwijzingen dat afspraken door toedoen van de ouders geen doorgang kunnen vinden of worden gemist.

Voorts blijkt uit de stukken dat het tot de verantwoordelijkheid van de verpleegkundige professional behoort uitvoeringsverzoeken te verkrijgen en te vernieuwen. Het dossier bevat geen signalen over een verstoorde behandelrelatie tussen de ouders en de artsen. Elke "second, third en fourth opinion" is steeds op gezamenlijk initiatief van de ouders en artsen aangevraagd. De ouders zijn slechts eenmaal naar een andere arts overgestapt, te weten van dr. Vreugdenhil naar dr. Gierenz. Uit de brief van dr. Vreugdenhil in het dossier (productie 16 bij de dagvaarding) blijkt dat hiertoe is besloten vanwege een verschil van mening ten aanzien van de voorwaarden waaronder onderzocht zou moeten worden of [X] kon overgaan op enterale voeding, niet echter vanwege onenigheid tussen de ouders en de arts of de omstandigheid dat de ouders het beleid omtrent de behandeling van [X] zouden willen bepalen.

Voorts verschaft de in het dossier aanwezige informatie naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijkheid over de (on)mogelijkheid van uitbreiding van de orale voeding. Ten aanzien van het antibioticagebruik is voldoende duidelijk dat dr. Vreugdenhil de regie heeft gehad en de ouders op aanwijzen van de arts hebben gehandeld. Er zijn ten slotte geen aanwijzingen dat de bij het gezin betrokken verpleegkundigen contact met de artsen of informatie wordt onthouden.

4.10.

Ter zitting heeft Veilig Thuis naar voren gebracht dat het enige punt waarover nog onduidelijkheid en daarmee onvoldoende zekerheid over de veiligheid van [X] bestaat, de regie over de zorg voor [X] is. Volgens Veilig Thuis hoort de regie bij de behandelend (hoofd)arts te liggen. In dit geval lijkt daarvan geen sprake te zijn, althans Veilig Thuis stelt daar onvoldoende inzicht in te hebben (gekregen). Volgens Veilig Thuis ligt de regie nu bij moeder omdat zij de enige is die van de volledige situatie van [X] op de hoogte is en fungeren de andere hulpverleners als op zichzelf staande eilandjes, die niet altijd van elkaar weten wat ze doen.

4.11.

De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van Veilig Thuis dat het ontbreken van (voldoende) regie in voorkomende gevallen de conclusie kan rechtvaardigen dat een vermoeden van kindermishandeling niet, althans onvoldoende, kan worden weerlegd en dat daarmee de veiligheid van een kind onvoldoende is gewaarborgd. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat er in onderhavige situatie geen aanwijzingen zijn die er op (kunnen) duiden dat sprake is van een gebrek aan regie. Vanuit geen van de thans bij het gezin professioneel betrokkenen is het signaal gekomen dat het aan zorg of regie ontbreekt. Dat de ouders een bepaald deel van de regie op zich hebben genomen is een gevolg van het feit dat zij voor [X] een PGB ontvangen en zij de zorg zelf dienen in te kopen. Het behoud van regie wordt daarbij juist als belangrijk doel en voordeel gezien. Dit faciliteert mensen immers om zelf te kiezen welke zorgverleners zij willen inschakelen en op welke tijdstippen zij die zorg wensen te ontvangen. Dat moeder als enige op de hoogte is van alle ins en outs betreffende (de zorg voor) [X] is daarbij een direct gevolg van het vorenstaande en van het feit dat zij de dagelijkse zorg voor hem heeft. Dat alle andere betrokkenen een deeltaak hebben hoeft op zichzelf geen reden te geven tot zorg. Zeker niet nu, waar het gaat om medische beslissingen, niet moeder de regie voert maar de medisch specialisten, met als hoofdbehandelaar aanvankelijk dr. Vreugdenhil en nu dr. Gierenz.

4.12.

Uit de feiten en omstandigheden van dit geval kan niet worden afgeleid dat er sprake is van onvoldoende en/of inadequate regie. Om vast te kunnen stellen of de veiligheid van [X] is gewaarborgd, acht de voorzieningenrechter geen nadere informatie nodig van de hoofdbehandelaar dr. Gierenz, zoals Veilig Thuis wenst. De benodigde informatie om dat te kunnen beoordelen is immers reeds beschikbaar. De hoofdbehandelaar heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid waar het gaat om de behandeling van [X] . Dat zij niet in staat is of door de ouders wordt belemmerd de benodigde behandeling voor [X] in of voort te zetten, blijkt daarbij uit niets. Indien zij daartoe aanleiding ziet, kan zij overigens op eigen initiatief contact opnemen met Veilig Thuis.

4.13.

Wel stelt de voorzieningenrechter vast dat de communicatie tussen de ouders en Veilig Thuis uitermate moeizaam is verlopen. De ouders voelen zich weggezet als ouders die niet goed voor hun kind zorgen en Veilig Thuis heeft betoogd dat haar medewerkers zeer onheus zijn bejegend door de vader van [X] . Dat is zeer betreurenswaardig. De voorzieningenrechter is evenwel niet gebleken van dergelijke problemen tussen de ouders en de huidige hulpverleners van het gezin.

Nu de andere punten van zorg door de ouders zijn weerlegd, acht de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat het besluit van Veilig Thuis om het dossier niet definitief te sluiten omdat de kindermishandeling niet is weerlegd, geen stand houdt. Om die reden zal de voorzieningenrechter Veilig Thuis dan ook verbieden gebruik te maken van haar daaraan ontleende monitorings-/rappelbevoegdheid en wel totdat er in een bodemprocedure (anders) is beslist. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding nu er geen aanwijzing bestaat dat Veilig Thuis deze uitspraak niet zal respecteren.

4.14.

Veilig Thuis zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de ouders worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.205,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt Veilig Thuis met betrekking tot de melding vermoeden van kindermishandeling ten aanzien van [X] gebruik te maken van haar monitorfunctie zoals bedoeld in artikel 7.4 van het handelingsprotocol totdat de bodemrechter anders beslist,

5.2.

veroordeelt Veilig Thuis in de proceskosten, aan de zijde van de ouders tot op heden begroot op € 1.205,01,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2018.1

1 type: TN coll: