Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4980

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
31-05-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 248
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 62,80.

Eiser is van mening dat deze hem moet worden kwijtgescholden, aangezien de door eiser gebruikte parkeerautomaat defect was. Als gevolg hiervan is door eiser gebruik gemaakt van een bon waaruit blijkt dat de betalingsonderhandelingen zijn afgebroken. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het voor eiser onmogelijk was om bij een andere automaat te betalen waardoor de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1132
Belastingblad 2018/256
Viditax (FutD), 31-05-2018
FutD 2018-1518
V-N 2018/62.25.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/248

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te Vaals, eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Heerlen, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag ten bedrage van € 62,80 opgelegd.

Bij besluit van 8 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben niet gereageerd op het voornemen van de rechtbank om het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat de parkeercontroleur heeft geconstateerd dat bij het parkeren te weinig of geen parkeerbelasting is betaald. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en zich in bezwaar op het standpunt gesteld dat de parkeerautomaat defect was. Eiser heeft daarom een afgebroken transactiebon achter zijn voorruit geplaatst.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het risico van een foute bediening van de parkeerapparatuur altijd voor rekening van de gebruiker komt.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het besluit en voert in beroep aan dat verweerder niet ingaat op eisers standpunt dat at de door hem gebruikte parkeerautomaat defect was. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een kopie van een bon overgelegd waaruit blijkt dat de betaalhandelingen zijn afgebroken.

4. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de naheffingsaanslag terecht door verweerder is opgelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5. Niet in geschil is dat ter plaatse parkeerbelasting is verschuldigd en eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan. Wat er ook zij van het standpunt van eiser dat de parkeerautomaat buiten werking c.q. defect was – hetgeen overigens gemotiveerd en onderbouwd wordt betwist door verweerder – is de rechtbank van oordeel op grond van vaste jurisprudentie (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 22 november 1995, te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:1995:AA3117) dat de verplichting tot betaling van de verschuldigde parkeerbelasting blijft bestaan. Het is de verantwoordelijkheid van de parkeerder om bij een defecte automaat ervoor te zorgen dat de parkeerbelasting op een andere manier wordt voldaan. Dit kan bijvoorbeeld door betaling bij een andere parkeerautomaat. Omdat de rechtbank niet is gebleken dat het voor eiser onmogelijk was om (bij een andere automaat) te betalen is de naheffingsaanslag terecht aan hem opgelegd.

6. Alhoewel de rechtbank met eiser van oordeel is dat verweerder in het bestreden besluit niet althans onvoldoende is ingegaan op eisers bezwaar dat de parkeerautomaat defect was op de dag en het tijdstip dat aan hem een naheffingsaanslag is opgelegd, ziet de rechtbank in dit motiveringsgebrek geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen, nu aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld en verweerder in het verweerschrift alsnog een deugdelijke motivering heeft gegeven. Gelet daarop kan het gebrek in de besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd. Wel ziet de rechtbank hierin aanleiding om verweerder te veroordelen de door eiser gemaakte griffiekosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van P.G.G. Brepoels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 29 mei 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.