Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4979

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
03/720412-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak betrokkenheid brandstichting in Ohé en Laak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/720412-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.M.H. Zuketto, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 en 15 mei 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na wijziging, - kort en feitelijk weergegeven - op neer dat de verdachte:

feit 1: samen met anderen brand heeft gesticht in drie recreatiewoningen waardoor gevaar voor goederen te duchten was (1A) en/of deze brandstichting heeft uitgelokt (1B) en/of behulpzaam is geweest bij de brandstichting (1C);

feit 2: samen met anderen ruiten en/of het interieur van een slaapkamer van twee recreatiewoningen heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar heeft gemaakt (2A) en/of dit heeft uitgelokt (2B) en/of hierbij behulpzaam is geweest (2C).

3 Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft bepleit dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard voor wat betreft het woordje ‘en’ tussen de verschillende deelnemingsvormen, zowel bij het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de

tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is nu bij beide feiten het plegen dan wel medeplegen en/of uitlokking en/of medeplichtigheid ten laste is gelegd. Een pleger of medepleger kan niet tevens uitlokker of medeplichtige zijn. Het een sluit het ander uit.

De rechtbank stelt mét de raadsman vast dat het betreffende verweer reeds ter terechtzitting van 31 mei 2016 in het kader van een vordering tot wijziging tenlastelegging preliminair is gevoerd en dat de rechtbank dit verweer heeft verworpen. Deze tussenbeslissing kan slechts worden bestreden in het kader van een rechtsmiddel tegen de einduitspraak in deze zaak. De door de raadsman verzochte herziening van deze beslissing is dan ook niet mogelijk, zodat de rechtbank de tenlastelegging in stand zal houden zoals deze thans voorligt.

4 De beoordeling van het bewijs

Inleiding

In december 2014 en januari 2015 vonden er in de omgeving van Roermond vier zogenaamde ‘nautische branden’ plaats. Op 6 december 2014 in een boot in Herten, op 10 december 2014 in Ohé en Laak, op 16 december 2014 in twee loodsen met motorboten in Roermond en op 15 januari 2015 in woonboten en woonarken in een jachthaven in [vestigingsplaats] , waarvan [verdachte] mede-eigenaar is. Onder de naam ‘Voorstad’ startte de politie een grootschalig onderzoek naar deze brandstichtingen en mogelijke verbanden daartussen. Dat heeft geresulteerd in de aanhouding van de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] .

Tijdens het onderzoek is de oorzaak van de brand in Roermond niet komen vast te staan. Deze brand maakt dan ook geen onderdeel uit van het dossier. Hoewel het politieonderzoek naar de branden in Herten en [vestigingsplaats] wel onderdeel uitmaakt van het dossier, is aan verdachte alleen de betrokkenheid bij de brandstichtingen alsmede de vernielingen in Ohé en Laak ten laste gelegd in de vorm van medeplegen en/of uitlokking en/of medeplichtigheid.

4.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben – zoals uiteengezet in het schriftelijke requisitoir –gevorderd dat het medeplegen van alle ten laste gelegde brandstichtingen (1A) alsmede het medeplegen van de vernielingen (2A) worden bewezenverklaard.

De officieren van justitie hebben in het kader van de bewijsvoering gewezen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de aangiften van [naam aangever 1] , van [naam aangever 2] , en [naam aangever 3] en [naam aangever 4] (namens [naam bedrijf 1] ) met betrekking tot de brandstichting in de woonboten nummer 28, 29 en 31 en/of met betrekking tot de vernielingen in de woonboten nummer 26 en 30;

  • -

    het forensische onderzoek van de woonboten;

  • -

    de verklaringen van de brandweermannen met betrekking tot het gemeen gevaar voor goederen;

  • -

    de camerabeelden van een persoon die op 10 december 2014 tussen 20.54 uur en 21.04 uur met ‘Aspen 2’ kannetjes in de handen over de steiger loopt. De brand wordt bij 112 om 21.16 uur gemeld;

  • -

    het aantreffen van het DNA van [medeverdachte 1] op een dop voor de woonboot nummer 30 (pagina 1654);

  • -

    het aantreffen van het DNA van [medeverdachte 2] op een dop voor de woonboot nummer 28 (pagina 1654);

  • -

    het aantreffen van het DNA van [verdachte] op een van de doppen aangetroffen voor de woonboten (pagina 2106);

  • -

    het aantreffen van het DNA van [medeverdachte 2] op een poetsdoek die naar benzine rook (pagina 1654);

  • -

    blijkens een doorzoeking in de woning van getuige [getuige 1] , de vriendin van [medeverdachte 1] , kon [medeverdachte 1] beschikken over vrijwel identieke poetsdoeken als aangetroffen op de plaats delict (pagina 311). [medeverdachte 1] verbleef ten tijde van de brandstichting bij zijn vriendin (pagina 340);

  • -

    [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] konden via hun werk bij de [naam werkgever] beschikken over ‘Aspen 2’ jerrycans, die vrijwel identiek zijn aan de op de steiger en in het water bij de woonboten aangetroffen ‘Aspen 2’ kannetjes (verklaringen van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] );

  • -

    [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] konden via het telecommunicatieonderzoek al op 7 december 2014 en [medeverdachte 2] eveneens op 8 december 2014, in de omgeving van de plaats delict worden gebracht. Ook wijst dat onderzoek uit dat er contact is tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Op 7 december 2014 is er tussen 07.46 uur en 08.02 uur sms-verkeer tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . De toestellen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn dan in de omgeving van de plaats delict. Er is eerder sms-contact tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] op 6 december 2014, inhoudende ‘Alles is goed’. Vervolgens volgt er op 7 december 2014 een ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en nog meer sms-contact. Op 7 december 2014 zijn er telefonische contacten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de omgeving van de plaats delict;

  • -

    op 8 december 2014 vindt er omstreeks 17.42 uur een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] bij restaurant [naam restaurant] te Kelpen, hetgeen door [verdachte] ook wordt erkend;

  • -

    de gsm van [medeverdachte 2] straalt op 8 december 2014 tussen 18.56 uur en 19.34 uur een mast aan die de plaats delict bestrijkt. [medeverdachte 1] is blijkens zijn enkelbandgegevens van huis tussen 16.46 uur en 20.29 uur;

  • -

    tussen september 2014 en januari 2015 hebben er 166 telefonische contacten plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en 117 contacten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ;

  • -

    een uur voor de brandstichtingen en vernielingen is er telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij de gsm van [medeverdachte 1] in de omgeving van de plaats delict is;

  • -

    blijkens de enkelbandgegevens van [medeverdachte 1] is hij op 10 december 2014 tussen 18.19 uur en 21.54 uur van huis;

  • -

    [medeverdachte 1] geeft als verklaring voor het aanstralen van de mast aan dat hij op weg was naar een bijeenkomst van [naam motorclub] in Geleen. Uit het telecommunicatieonderzoek blijkt dat hij op 10 december 2014 niet in Geleen is geweest (pagina 494);

  • -

    de telefoon van [verdachte] straalt op 10 december 2014 om 20.49 uur de mast aan die de plaats delict bestrijkt (pagina 411);

  • -

    op 11 december 2014 is er sms-contact tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , inhoudende: ‘Hekwerk is geplaatst, maar niet van harte’;

  • -

    op 11 december 2014 zijn er telefonische en sms-contacten. Eerst tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en daarna tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ;

  • -

    de inhoud van de brieven van [medeverdachte 1] aan zijn vriendin [getuige 1] , met name de dubbelzinnigheid over de ‘verbrande schepen’, ‘opnieuw de fik er in’ en ‘alsof die water zag branden’ en “HAHA”.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen en de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van de brandstichtingen en de vernielingen. Het DNA van alle drie de verdachten is immers aangetroffen op doppen en dat van [medeverdachte 2] tevens op een poetsdoek op de plaats delict en de verdachten hebben daarvoor geen (logische) verklaring gegeven. Daarnaast kunnen alle verdachten middels het telecommunicatieonderzoek ten tijde van of rondom het tijdstip van de brandstichting in de omgeving van de plaats delict worden geplaatst. Ook daarover blijft een geloofwaardige verklaring van de verdachten achterwege. Het gaat niet om alle losse bewijsmiddelen afzonderlijk, maar om de onderlinge samenhang waarbij de kans dat al die onderdelen op toeval berusten naar het oordeel van de officieren van justitie verwaarloosbaar klein is.

Zo de rechtbank van oordeel zou zijn dat verdachte [verdachte] niet aanwezig is geweest op de plaats delict, is er sprake van een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht. [verdachte] is in de visie van de officieren van justitie het brein achter de brandstichtingen en heeft voor de uitvoering [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (al dan niet via [medeverdachte 1] ) ingeschakeld. [verdachte] heeft daarvoor een motief, namelijk – kort gezegd – de opmaat naar de brand in [vestigingsplaats] en de financiële voordelen daarvan. Zonder de belangen van [verdachte] is er geen enkele reden waarom [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de branden zouden hebben gepleegd. Om die reden is er ook sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking van de zijde van [verdachte] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld – zoals uiteengezet in de overgelegde pleitnota – dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, om de volgende redenen:

Ten aanzien van het plegen/medeplegen

Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht met betrekking tot de brandstichtingen en vernielingen, ook niet in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen. De in het dossier aangedragen omstandigheden leveren daartoe noch zelfstandig noch in onderlinge samenhang bezien wettig bewijs.

DNA-onderzoek

Met betrekking tot het DNA-onderzoek staat primair niet vast dat het op de dop aangetroffen DNA-spoor overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Op de eerste plaats wordt als resultaat bij zowel SINspoor 502 als SINspoor 505 vermeld: “onvolledig mannelijk profiel, onbekende man A” (pagina 325), met andere woorden dezelfde donor. Vervolgens wordt medeverdachte [medeverdachte 2] genoemd als mogelijke donor van SINspoor 505 (pagina 326) waarna vervolgens op pagina 327 SINspoor 502 wordt toegeschreven aan onbekende man C. De SINsporen 502 en 505 worden in de verschillende rapportages niet alleen verschillend beschreven maar ook aan anderen toegeschreven.

Voorts wordt door de deskundige van The Maastricht Forensic Institute (TMFI) eerst aangegeven dat sprake is van een enkelvoudig profiel, waarop in een later stadium wordt teruggekomen en het profiel wordt aangeduid als mengprofiel. Bij de rechter-commissaris heeft deskundige Herbergs van TMFI verklaard dat wanneer sprake is van een mengprofiel de hypothese dat het DNA materiaal van verdachte en een onbekende bevat een miljoen keer waarschijnlijker is dan de hypothese dat het DNA materiaal van twee onbekenden bevat. Echter, ook heeft de deskundige verklaard dat als er sprake is van een enkelvoudig profiel verdachte kan worden uitgesloten als donor. Desgevraagd verklaarde Herbergs ook niet te weten of het DNA van één of meerdere donoren is. Daarbij komt dat er slechts een zeer geringe hoeveelheid DNA-materiaal is aangetroffen, net boven de detectiegrens, zodat er uiterst voorzichtig dient te worden omgegaan met de waardering daarvan.

Subsidiair heeft verdachte een plausibel alternatief scenario aangedragen voor de eventuele aanwezigheid van zijn DNA op de dop. Meer subsidiair, als er al geen plausibele verklaring is voor het DNA op de dop, dan is het spoor niet te duiden. Immers, het betreft een verplaatsbaar object en het spoor op zich zegt niets over de betrokkenheid/rol van verdachte ((mede)pleger/ uitlokker / medeplichtige).

Telecommunicatieonderzoek

Het telecommunicatieonderzoek kan in de visie van de raadsman geen enkele bijdrage leveren aan het bewijs dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde op de plaats delict is geweest. De enige conclusie die uit alle rapportages kan worden getrokken is dat verdachte op de plaats delict kán zijn geweest of in de omgeving daarvan. Voorts kan uit de tweede aanvulling van het telecommunicatieonderzoek worden afgeleid dat verdachte op

10 december 2014 omstreeks 21.19 uur een mast van het Belgische netwerk heeft aangestraald en hij in België of in de omgeving van zijn bedrijf in [vestigingsplaats] moet zijn geweest. Dat is, gelet op de melding van de brand om 21.16 uur onverenigbaar met het aanwezig zijn op de plaats delict ten tijde van de brandstichting.

Contacten [verdachte] en [medeverdachte 1]

Verdachte heeft vanaf het begin af aan een consistente en aannemelijke verklaring afgelegd over zijn contacten en relatie met medeverdachte [medeverdachte 1] . 166 contacten over de periode september 2014 tot en met januari 2015 komt neer op gemiddeld minder dan één contact per dag. Verdachte heeft ook aangegeven waarover die contacten gingen. Voorts is het gelet op de nasleep van de brand in het bedrijf van verdachte en het gedetineerd raken van medeverdachte [medeverdachte 1] niet vreemd dat er geen contact meer heeft plaatsgevonden na 15 januari 2015.

Ten aanzien van het uitlokken

Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de in de tenlaste-legging genoemde uitlokkingsmiddelen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte de medeverdachte(n) op het idee heeft gebracht of heeft aangezet tot het plegen van de brandstichtingen door het doen van giften en/of beloften of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen. De in het verleden gedane betalingen van [verdachte] aan [medeverdachte 1] zijn daartoe onvoldoende. Immers, niet kan worden aangenomen dat deze betalingen vanaf 2010 tot maart 2014 in relatie staan met de brandstichtingen. Van enige andere betalingen aan [medeverdachte 1] of van betalingen aan [medeverdachte 2] is niet gebleken.

Ten aanzien van de medeplichtigheid

De gelijktijdige medeplichtigheid kan, vanwege de ten laste gelegde pleegperiode die eindigt op 9 december 2014, niet worden bewezen. Voorts ontbreekt voor de consecutieve medeplichtigheid bewijs voor de daartoe ten laste gelegde uitvoeringshandelingen. Niet is gebleken dat verdachte materiaal ter beschikking zou hebben gesteld, informatie zou hebben verstrekt of materiaal zou hebben vervoerd.

Het motief

Het door de officieren van justitie aangevoerde financiële motief van verdachte bij de brand in [vestigingsplaats] , lijkt voort te komen uit TCI-informatie met betrekking tot brandstichtingen door medeverdachte [medeverdachte 1] , gecombineerd met de theorie dat niet uit te sluiten is dat deze branden een voorbereiding waren op de brand in [vestigingsplaats] . Niet alleen kan er geen verband worden aangetoond tussen de brand in [vestigingsplaats] en de andere branden, maar bovendien bevat het dossier (TCI) aanwijzingen voor een ander motief en een andere opdrachtgever. Voorts zijn er blijkens de overgelegde stukken meerdere branden geweest in de haven van Ohé en Laak in 2014 en heeft aangever [naam aangever 1] ook brand gehad in jachthaven [naam jachthaven] in oktober 2014. Tenslotte is de door de verdediging ingebrachte weerlegging van het gestelde financiële motief van verdachte niet nader onderzocht. Uit deze stukken blijkt dat de brandstichting in [vestigingsplaats] voorzienbare grote financiële schade zou meebrengen voor verdachte en dat daardoor de nieuwe plannen voor de verdere ontwikkeling van de haven ernstig in het gedrang zouden komen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De brand in Ohé en Laak

Op 10 december 2014 omstreeks 21.16 uur kwam bij de brandweer een melding binnen dat er brand was in een drijvende woning in een zijarm van de Maas aan de [adres] in Ohé en Laak. Aan een steiger lagen hier zes drijvende recreatiewoningen. Toen de hulpdiensten ter plaatse kwamen, bleek in drie woningen (nummers 28, 29 en 31) brand te woeden. Er werd ook de geur van een brandbare vloeistof geroken. Bij twee andere woningen (nummer 26 en 30) waren de ruiten ingegooid en bij nummer 30 was tevens het interieur van de slaapkamer vernield. In de woningen was niemand aanwezig.

Op de steiger bij de woningen werden diverse jerrycans aangetroffen, die (deels) door de brandweer uit het water zijn gehaald. Drie van deze jerrycans zijn nader onderzocht. Het betrof jerrycans van het merk ‘Aspen 2’. In twee daarvan zat een brandversnellende vloeistof die na nader onderzoek kookpuntbenzine bleek te zijn. Verder zijn op de steiger nabij nummer 28 en nummer 30 in totaal vier kunststof doppen aangetroffen alsmede nabij nummer 29 een poetsdoek die naar benzine rook. Gelet op deze omstandigheden werd geconcludeerd dat er sprake was van brandstichting en volgde onder meer forensisch onderzoek en telecommunicatieonderzoek.

De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of verdachte betrokken is geweest bij deze brandstichtingen en vernielingen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aanwezigheid op de plaats delict

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 december 2014 ten tijde van de brandstichtingen en het plegen van de vernielingen aanwezig is geweest op de [adres] te Ohé en Laak. Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek en het telecommunicatieonderzoek daartoe onvoldoende zijn, en wel om de volgende redenen.

DNA-onderzoek

Er is biologisch onderzoek gedaan naar de doppen aangetroffen op de steiger voor nummer 30. Op de dop met zegelnummer SINAAHX9502 wordt blijkens de rapportage van The Maastricht Forensic Institute (TMFI) d.d. 16 februari 2016 een onvolledig mannelijk DNA-profiel aangetroffen. Verdachte kan niet uitgesloten worden als donor van het celmateriaal. Voorts wordt aangegeven dat als hij donor is van het celmateriaal er nog sprake is van een zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van een tweede donor.

Bij het contra-onderzoek aan dit celmateriaal door Verilabs d.d. 21 december 2016 worden na herhaalde analyse drie complexe DNA-profielen van minimaal twee personen, waaronder minimaal één man, verkregen. Uit de herhalingen blijkt dat de DNA kenmerken niet reproduceerbaar zijn waargenomen en derhalve niet geschikt zijn voor een vergelijkend DNA-onderzoek.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft op 1 juni 2017 een review onderzoek uitgevoerd naar de rapportages van TMFI en Verilabs. Daarbij wordt geconcludeerd dat de verkregen resultaten van beide onderzoeken de daaruit getrokken conclusies rechtvaardigen. Het verschil kan verklaard worden door het feit dat de bemonstering AAHX9502 een minimale hoeveelheid DNA bevat. Immers ligt de concentratie DNA in het DNA-extract rond de detectiegrens van DNA-onderzoek.

Tenslotte zijn de deskundigen dr. P.J. Herbergs van TMFI en dr. M. Hidding van Verilabs op 9 maart 2017 bij de rechter-commissaris nader gehoord omtrent hun bevindingen. Beiden hebben bevestigd dat er in de bemonstering AAHX9502 sprake was van extreem weinig DNA-materiaal, bijna niet meetbaar. Deskundige Herbergs heeft verduidelijkt dat er in zijn onderzoek formeel geen sprake was een match met het DNA-profiel van verdachte, omdat slechts 23 van de 26 kenmerken terugkwamen. Echter, wanneer er heel weinig celmateriaal voorhanden is, kan er niet vastgesteld worden of dit van één of meerdere donoren afkomstig is. Deskundige Herbergs gaf aan dat hij niet had moeten stellen dat er sprake was van een enkelvoudig profiel, omdat een tweede donor niet kan worden uitgesloten. Desgevraagd gaf deskundige Herbergs aan dat hij niet weet of er sprake is van één of meerdere donoren. Wanneer het celmateriaal op de dop van één donor afkomstig is, kan verdachte daarvan niet de donor zijn.

Gelet op bovenstaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er met betrekking tot het DNA-onderzoek teveel onduidelijkheden bestaan om vast te kunnen stellen dat er DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen op de betreffende dop.

Telecommunicatieonderzoek

In het telecommunicatieonderzoek is onderzocht of kon worden vastgesteld waar de mobiele telefoon, die kon worden gekoppeld aan verdachte, zich ten tijde van de brandstichtingen in Ohé en Laak bevond en of er contacten waren met de medeverdachten. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat het aannemelijk is dat verdachte tussen 20.41 uur en 20.50 uur vanaf [vestigingsplaats] via de Napoleonsweg naar België is gereden richting Maaseik aan de grens met Nederland (Roosteren). Via Roosteren is het een kort stukje naar de plaats delict in Ohé en Laak. Vanaf Roosteren kan verdachte via de A2 terug zijn gegaan naar [vestigingsplaats] , waar zijn bedrijf ligt.

Verbalisant [verbalisant] , die het telecommunicatieonderzoek heeft uitgevoerd, heeft op schriftelijke vragen van de raadsman geantwoord dat verdachte op de plaats delict kan zijn geweest of in de directe nabijheid daarvan. Verdachte hoeft daar niet te zijn geweest.

De rechtbank kan op basis van deze resultaten van het telecommunicatieonderzoek niet vaststellen dát verdachte op 10 december 2014 daadwerkelijk op de plaats delict is geweest. De enkele omstandigheid dat verdachte ten tijde van de brandstichtingen en vernielingen in de omgeving van Ohé en Laak is geweest, is evenmin redengevend. Immers is verdachte mede-eigenaar van een jachthaven in het nabijgelegen [vestigingsplaats] .

Andere vormen van betrokkenheid

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op een andere manier betrokken is geweest bij de brandstichtingen en vernielingen te Ohé en Laak. De officieren van justitie hebben naar voren gebracht dat verdachte het ‘brein’ achter de brandstichtingen zou zijn en dat hij deze door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft laten uitvoeren. Zij hebben daartoe verwezen naar de contacten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] alsmede het (financiële) motief van verdachte voor de brand in [vestigingsplaats] .

Contacten verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]

Uit het telecommunicatieonderzoek komt naar voren dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] tussen september 2014 en 15 januari 2015 166 gezamenlijke contacten hadden, hetgeen niet betekent dat er daadwerkelijk 166 keer contact is ontstaan. Het betreft hoofdzakelijk sms-verkeer en het initiatief voor het contact is wisselend. De rechtbank acht dit aantal contacten, gelet op de periode waarin deze hebben plaatsgevonden, op zichzelf niet ongebruikelijk.

Evenmin acht de rechtbank het opmerkelijk dat het contact stopt op 15 januari 2015, aangezien verdachte op dat moment verkeerde in de nasleep van de brand in zijn jachthaven in [vestigingsplaats] en medeverdachte [medeverdachte 1] enige tijd later gedetineerd raakte in verband met een verdenking van andere strafbare feiten.

Voorts heeft verdachte vanaf het begin af aan verklaard over zijn relatie met medeverdachte [medeverdachte 1] alsmede over de aard en inhoud van de uit het onderzoek gebleken telefonische contacten en ontmoetingen rondom de brandstichting in Ohé en Laak. Daarbij zij opgemerkt dat er op 10 december 2014 geen contact is vastgesteld tussen verdachte en de medeverdachten. Deze verklaringen van verdachte komen de rechtbank niet op voorhand onaannemelijk voor en vinden bovendien geen weerlegging in de stukken uit het dossier.

De passage in de brieven van verdachte [medeverdachte 1] aan zijn vriendin in mei 2015 en sms-berichtgeving van [medeverdachte 1] aan [verdachte] over onder andere ‘een hekwerk dat is geplaatst maar niet van harte’, rechtvaardigen niet de conclusie dat deze berichten in samenhang bezien met andere bewijsmiddelen uit het dossier gaan over brandstichtingen, zoals door de officieren van justitie is gesteld.

Voorts is gebleken dat verdachte tijdens de detentie van medeverdachte [medeverdachte 1] in de periode van 5 januari 2010 tot en met maart 2014 betalingen heeft overgemaakt naar de Penitentiaire Inrichting in Sittard. Het zou gaan om 23 stortingen van elk 250 euro. Verdachte heeft deze betalingen erkend en aangegeven dat dit neerkwam op ongeveer 20 euro per week, waarmee hij medeverdachte [medeverdachte 1] enigszins wilde ondersteunen tijdens zijn detentie. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze in het verleden gedane betalingen niet in verband worden gebracht met de brandstichtingen in Ohé en Laak. Van enige andere betalingen aan [medeverdachte 1] of van betalingen aan [medeverdachte 2] is niet gebleken.

Motief

In het dossier schetst de politie het scenario dat verdachte een financieel belang had bij de brand in de jachthaven te [vestigingsplaats] , waarvan hij mede-eigenaar was, en het daarbij verloren gaan van een aantal comfortships. De brand in Ohé en Laak wordt door de officieren van justitie gezien als een ‘oefening’ voor de latere brandstichting in [vestigingsplaats] al dan niet gecombineerd met het creëren van een beeld van een ‘nautische pyromaan’.

Deze theorie wordt echter weersproken door de door de verdediging ingebrachte en onderbouwde stukken, waaruit niet alleen kan worden afgeleid dat de brand in [vestigingsplaats] verdachte juist voorzienbaar grote (financiële) schade heeft toegebracht, maar ook dat verdachte in verband met de nieuwe toekomstplannen juist een groot belang had bij een ongeschonden haven.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake was van een financieel motief voor de brand in [vestigingsplaats] noch dat deze brandstichting samen zou hangen met de brandstichtingen en vernielingen in Ohé en Laak.

Conclusie

Gelet op bovenstaande overwegingen acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het ten laste legde.

5 Benadeelde partijen

De benadeelde partijen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] hebben beide in verband met de brand in Ohé en Laak een civiele vordering ingediend.

Met de officieren van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze benadeelden zich niet hebben gevoegd in de zaak tegen verdachte, nu het parketnummer van onderhavige zaak niet staat vermeld op de voegingsformulieren en deze zijn ingediend voordat [verdachte] als verdachte is aangemerkt in het onderzoek Voorstad.

De rechtbank zal in onderhavige zaak dan ook niet beslissen op beide vorderingen.

6 De beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. A.K. Kleine en

mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 mei 2018.

Mr. R.A.M.M. Gijselaers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging tenlastelegging – ten laste gelegd dat

1.

1.A.

hij op of omstreeks 10 december 2014 te Ohé en Laak, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in:

a.

een (recreatie)woning met het huisnummer 29, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een) ruit(en) van die (recreatie)woning stuk geslagen en vervolgens benzine, in elk geval een brandbare vloeistof in die (recreatie)woning gegoten en/of gesprenkeld en/of (vervolgens) die benzine, in elk geval die brandbare vloeistof in brand gestoken, in elk geval vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in voornoemde (recreatie)woning brand is ontstaan, in elk geval die (recreatie)woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die (recreatie)woning, de daarin aanwezige goeder(en) en/of voor belendende (recreatie)woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was,

en/of

b.

een (recreatie)woning met het huisnummer 28, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een) ruit(en) van die (recreatie)woning stuk geslagen en vervolgens benzine, in elk geval een brandbare vloeistof in die (recreatie)woning gegoten en/of gesprenkeld en/of (vervolgens) die benzine, in elk geval die brandbare vloeistof in brand gestoken, in elk geval vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in voornoemde (recreatie)woning brand is ontstaan, in elk geval die (recreatie)woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die (recreatie)woning, de daarin aanwezige goeder(en) en/of voor belendende (recreatie)woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was,

en/of

c.

een (recreatie)woning met het huisnummer 31, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een) ruit(en) van die (recreatie)woning stuk geslagen en vervolgens benzine, in elk geval een brandbare vloeistof in die (recreatie)woning gegoten en/of gesprenkeld en/of (vervolgens) die benzine, in elk geval die brandbare vloeistof in brand gestoken, in elk geval vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in voornoemde (recreatie)woning brand is ontstaan, in elk geval die (recreatie)woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die (recreatie)woning, de daarin aanwezige goeder(en) en/of voor belendende (recreatie)woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

en/of

1.B.

dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 10 december 2014 te Ohé en Laak, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in:

a.

een (recreatie)woning met het huisnummer 29, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een) ruit(en) van die (recreatie)woning stuk geslagen en vervolgens benzine, in elk geval een brandbare vloeistof in die (recreatie)woning gegoten en/of gesprenkeld en/of (vervolgens) die benzine, in elk geval die brandbare vloeistof in brand gestoken, in elk geval vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in voornoemde (recreatie)woning brand is ontstaan, in elk geval die (recreatie)woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die (recreatie)woning, de daarin aanwezige goeder(en) en/of voor belendende (recreatie)woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was,

en/of

b.

een (recreatie)woning met het huisnummer 28, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een) ruit(en) van die (recreatie)woning stuk geslagen en vervolgens benzine, in elk geval een brandbare vloeistof in die (recreatie)woning gegoten en/of gesprenkeld en/of (vervolgens) die benzine, in elk geval die brandbare vloeistof in brand gestoken, in elk geval vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in voornoemde (recreatie)woning brand is ontstaan, in elk geval die (recreatie)woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die (recreatie)woning, de daarin aanwezige goeder(en) en/of voor belendende (recreatie)woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was,

en/of

c.

een (recreatie)woning met het huisnummer 31, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een) ruit(en) van die (recreatie)woning stuk geslagen en vervolgens benzine, in elk geval een brandbare vloeistof in die (recreatie)woning gegoten en/of gesprenkeld en/of (vervolgens) die benzine, in elk geval die brandbare vloeistof in brand gestoken, in elk geval vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in voornoemde (recreatie)woning brand is ontstaan, in elk geval die (recreatie)woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die (recreatie)woning, de daarin aanwezige goeder(en) en/of voor belendende (recreatie)woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was,

welk(e) feit(en) hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 9 december 2014, in elk geval in het jaar 2014 in Nederland door gift(en) en/of beloft(en) en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt door aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] opdracht(en) te verstrekken om de brand(en) te stichten en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] geld te betalen ten behoeve van het stichten van die brand(en) en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen ten behoeve van die brandstichting ter beschikking te stellen en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] informatie te verstrekken over de in brand te steken object(en) en/of ten behoeve van die brandstichting door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen te vervoeren naar de plaats delict,

en/of

bij het plegen van welk(e) misdrij(f)(ven) hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 9 december 2014, in elk geval in het jaar 2014 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen ten behoeve van die brandstichting ter beschikking te stellen en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] informatie te verstrekken over de in brand te steken object(en) en/of ten behoeve van die brandstichting door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen te vervoeren naar de plaats delict,

en/of

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 9 december 2014, in elk geval in het jaar 2014 in Nederland opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen ten behoeve van die brandstichting ter beschikking te stellen en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] informatie te verstrekken over de in brand te steken object(en) en/of ten behoeve van die brandstichting door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen te vervoeren naar de plaats delict;

(artikel 157 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47/48 Wetboek van Strafrecht)

2.

2.A.

hij op of omstreeks 10 december 2014 te Ohé en Laak, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk:

a.

2 ruiten van een (recreatie)woning met het huisnummer 26, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

en/of

b.

2 ruiten en/of het interieur van een slaapkamer van een (recreatie)woning met het huisnummer 30, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

en/of

2.B.

dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 10 december 2014 te Ohé en Laak, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk:

a.

2 ruiten van een (recreatie)woning met het huisnummer 26, welke lag in de

[plaats] , gelegen aan de [adres] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) en/of aan verdachte, heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

en/of

b.

2 ruiten en/of het interieur van een slaapkamer van een (recreatie)woning met het huisnummer 30, welke lag in de [plaats] , gelegen aan de [adres] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) en/of aan verdachte, heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

welk(e) feit(en) hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 9 december 2014, in elk geval in het jaar 2014 in Nederland door gift(en) en/of beloft(en) en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt door aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] opdracht(en) te verstrekken om de brand(en) te stichten en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] geld te betalen ten behoeve van het stichten van de brand(en) en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen ten behoeve van de brandstichting ter beschikking te stellen en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] informatie te verstrekken over de in brand te steken object(en) en/of ten behoeve van de brandstichting door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen te vervoeren naar de plaats delict,

en/of

bij het plegen van welk(e) misdrij(f)(ven) hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 9 december 2014, in elk geval in het jaar 2014 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen ten behoeve van de brandstichting ter beschikking te stellen en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te verstrekken over de in brand te steken object(en) en/of ten behoeve van de brandstichting door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen te vervoeren naar de plaats delict,

en/of

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 9 december 2014, in elk geval in het jaar 2014 in Nederland opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen ten behoeve van de brandstichting ter beschikking te stellen en/of aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] informatie te verstrekken over de in brand te steken object(en) en/of ten behoeve van de brandstichting door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] materialen te vervoeren naar de plaats delict;

(artikel 350 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47/48 Wetboek van Strafrecht)