Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4861

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
ROE 18/553 en ROE 18/554
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom wegens het onrechtmatig bewonen van een recreatieverblijf. Met de door eiseres overgelegde brief van haar behandelend psychiater heeft zij onderbouwd dat het voor haar medische zorg noodzakelijk is dat zij vooralsnog in het vakantieverblijf blijft wonen. Handhavend optreden door verweerder is in dit geval onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, zodat verweerder van handhaving had behoren af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/553 en AWB/ROE 18/554

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 mei 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaatsnaam] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.J.T. de Kan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Snellen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens het onrechtmatig bewonen van een recreatieverblijf, geadresseerd [***] , gelegen op [naam vakantiepark] in [plaatsnaam] .

Bij besluit van 24 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan eiseres, gelet op de door haar aangegeven psychische omstandigheden, een spoedeisend belang niet worden ontzegd. De voorzieningenrechter is voorts na afloop van de zitting tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres staat volgens de basisregistratie personen sinds 14 juni 2011 ingeschreven op het adres [***] te [plaatsnaam] . Zij bewoont op genoemd adres permanent een chalet (vakantieverblijf). Bij brief van 26 mei 2016 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt om eiseres een last onder dwangsom op te leggen, aangezien het permanent bewonen van een recreatieverblijf op grond van het bestemmingsplan “Heel-Panheel” (bestemmingsplan) niet is toegestaan. Over dit voornemen heeft eiseres geen zienswijzen ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat eiseres binnen één jaar na de verzenddatum van het primaire besluit het strijdige gebruik van het vakantieverblijf als hoofdverblijf dient te beëindigen en beëindigd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 4.000,- per kalendermaand dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 48.000,-. Verweerder is geen bijzondere omstandigheden bekend waarom hij in dit geval zou moeten afzien van handhavend optreden. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn om af te zien van handhavend optreden. Deze bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de psychiatrische geschiedenis van eiseres en het effect dat handhaven zal hebben op haar psychiatrisch toestandsbeeld.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres het vakantieverblijf in strijd met artikel 19.5.1, aanhef en onder d en artikel 43 van het bestemmingsplan, alsmede in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gebruikt. In de onderhavige situatie is geen zicht op legalisatie, nu eiseres niet voldoet aan de in artikel 4, tiende lid, onder c, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht opgenomen voorwaarde dat de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had, zodat geen persoonsgebonden omgevingsvergunning kan worden verleend. Verweerder is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat niet tot handhaving zou mogen worden overgegaan. De door eiseres gestelde medische bijzondere omstandigheden zijn onvoldoende onderbouwd, bijvoorbeeld met een onafhankelijke medische rapportage waaruit blijkt dat zij vanwege gezondheidsredenen permanent is aangewezen op verblijf in een natuurgebied c.q. recreatiepark. Ook de stelling van eiseres dat zij geen tweede woning kan betalen levert geen bijzondere omstandigheid op.

4. Eiseres voert aan dat er in haar specifieke geval wel degelijk sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen belangen. Ter ondersteuning hiervan heeft de behandelend psychiater van eiseres op 6 maart 2018 een verklaring opgesteld. Eiseres is in behandeling bij MET ggz en is in het verleden meerdere malen al dan niet gedwongen opgenomen geweest. Er is volgens eiseres sprake van volstrekte willekeur, aangezien er veel meer mensen zijn die op de camping wonen, waar niet tegen wordt opgetreden en voorts is het eiseres bekend dat er ook gedoogsituaties bestaan.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat het permanent bewonen door eiseres van haar vakantieverblijf in strijd is met het bestemmingsplan, alsmede met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Gelet op deze overtredingen is verweerder in beginsel bevoegd om handhavend op te treden.

6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet bestreden is dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat op grond waarvan verweerder gehouden is om van handhavend optreden af te zien. De vraag die thans voorligt is of eiseres zodanige bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de met de last onder dwangsom te dienen belangen, dat van handhavend optreden dient te worden afgezien.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer uitspraak van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3883)) kunnen medische omstandigheden niet dan wel slechts in zeer uitzonderlijke gevallen leiden tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid handhavend kan optreden.

In de brief van de behandelend psychiater van eiseres en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige, primair behandelaar, van 6 maart 2018 is onder meer het volgende over eiseres opgenomen:

“ (..) Zij is sinds 1994 in de psychiatrie bekend bij de PAAZ (…) met een Schizoaffectieve stoornis van het bipoliare type. (..) Mw past de handvatten vanuit het signaleringsplan toe bij dreigende ontregeling waardoor ze zich in de afgelopen periode heel goed staande heeft weten te houden en opname op psychiatrische afdeling heeft kunnen voorkomen. (..) Momenteel is er veel onduidelijkheid over de toekomst van mw. doordat er vanuit de gemeente van haar verwacht wordt dat ze haar woning op Camping [naam camping] zal verlaten. Deze onduidelijkheid, maar ook het toekomstperspectief (terug wonen in de maatschappij), zorgt momenteel al voor veel spanningen en instabiliteit van mw. Haar huidige woonomgeving op [naam camping] biedt de structuur en veiligheid die zij nodig heeft om goed te functioneren. Bij het wegvallen hiervan zal dit naar verwachting ontregelingen van het toestandsbeeld tot gevolg hebben, met alle gevolgen van dien: Heropnames met BOPZ-maatregel et cetera.”

9. In het verweerschrift, alsmede ter zitting, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ook na het bezien van deze verklaring van de behandelend psychiater niet gebleken is dat de gezondheidstoestand van eiseres het vinden van passende alternatieve woonruimte in de weg staat en dat zij enkel is aangewezen op haar verblijf op het park. Niet is gebleken dat zij vanwege haar psychische gesteldheid in een zeer uitzonderlijke (medische) positie verkeert op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien en de bewoning van het recreatieverblijf toegestaan moet worden, aldus verweerder.

10. Niet in geschil is dat eiseres medische problemen heeft en daardoor medische zorg nodig heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres met de door haar overgelegde brief van haar behandelend psychiater van 6 maart 2018 onderbouwd dat het voor de medische zorg van haar noodzakelijk is dat zij vooralsnog in het vakantieverblijf blijft wonen op grond van de vooruitzichten ten tijde van het bestreden besluit. Immers, blijkens genoemde brief van 6 maart 2018 zal het wegvallen van de huidige woonomgeving van eiseres op [naam camping] naar verwachting heropnames met BOPZ-maatregel tot gevolg hebben. Deze omstandigheid acht de voorzieningenrechter zodanig uitzonderlijk dat handhavend optreden door verweerder in dit geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Verweerder had om die reden dan ook van handhaving behoren af te zien. Tevens wordt hierbij in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting heeft verklaard een dergelijke verklaring nog niet eerder te zijn tegengekomen.

11. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

12. Omdat het beroep gegrond is en de zaak finaal wordt afgedaan, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

13. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

14. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1503,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op de betaalde griffierechten van totaal € 340,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1503,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.