Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4831

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
6539237 CV EXPL 17-9203
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:1534
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemers spreek voormalig werkgever op grond van artikel 7:658 BW aan wegens nek-, rug- en schouderklachten die volgens hem veroorzaakt zijn doordat werkgever te lang heeft gewacht alvorens zijn werkplek en auto ergonomisch in te richten. Volgens hem moet de arbeidsrechtelijke omkeringsregel worden toepast. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0647
PS-Updates.nl 2018-0484
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6539237 CV EXPL 17-9203

Vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonend aan de [adres] , [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. I. Laseur,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABS NEDERLAND HOLDING B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend aan de Amerikalaan 63, 6199 AE Maastricht-Airport,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SULZER PUMPS WASTEWATER NETHERLANDS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend aan de Amerikalaan 63, 6199 AE Maastricht-Airport,

3. CHUBB EUROPEAN GROUP LIMITED,

gevestigd aan de Marten Meesweg 8-10, 3068 AV Rotterdam,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. P.C. Knijp.

Partijen zullen hierna [eiser] en (gedaagde partij gezamenlijk en in enkelvoud) ABS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de rolbeslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 april 2018

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1965, is op 1 januari 2001 krachtens arbeidsovereenkomst bij ABS in dienst getreden, aanvankelijk in de functie van telemetrics engineer en laatstelijk als productmanager.

2.2.

Op 27 juni 2005 is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van ziekte.

2.3.

In de periodieke evaluatie van 3 augustus 2005 heeft de bedrijfsarts van ArboNed gerapporteerd (productie 22 bij exploot van dagvaarding):

“(…) Verloop van het verzuim (…) 02-08-2005 0% (…)

Gemaakte afspraken Betrokkene bespreekt met werkgever plan van aanpak na de vakantieperiode. Met name bespreekt hij dan de aanpak van mogelijke ergonomische aspakten in de werkplek. (…)”

2.4.

Op 11 juni 2007 is [eiser] opnieuw arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van ziekte.

In de periodieke evaluatie van 10 augustus 2007 adviseerde de bedrijfsarts van ArboNed (productie 22 bij exploot van dagvaarding):

“(…) Gezien de aard van de klachten: laat de werkplek nader onderzoeken (m.n. bureaustoel/autostoel) (…)”

2.5.

Op 26 juni 2007 heeft [eiser] zijn werkzaamheden voor 50% hervat op arbeidstherapeutische basis.

2.6.

In de periodieke evaluatie van 6 november 2007 adviseerde de bedrijfsarts wederom de werkplek te laten onderzoeken, met name de thuiswerkplek en de auto (productie 22 bij exploot van dagvaarding).

2.7.

Vervolgens heeft er op advies van de bedrijfsarts een werkplekonderzoek plaatsgevonden, waarvan de ergonoom op 28 november 2007 een rapport heeft uitgebracht (overgelegd als productie bij gelegenheid van de comparitie en aan het proces-verbaal gehecht).

2.8.

In de daarop volgende periodieke evaluaties van de bedrijfsarts rapporteerde deze voor zover relevant (productie 22 bij exploot van dagvaarding):

18-12-2007

“(…) Er heeft een werkplek onderzoek plaatsgevonden. Advies ten aanzien van de aanpassingen zijn in de rapportage terug te lezen. Het is aan werkgever en werknemer om dit te bespreken en waar nodig aan te passen (…)”

05-03-2008

“(…) Verloop van het verzuim 11-06-2007 100%

26-06-2007 50%

11-02-2008 100%

(…) Zijn auto is pas vrij recent aangepast. (…)

2.9.

Bij beschikking van 15 juli 2009 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 augustus 2009 onder toekenning aan [eiser] van een vergoeding van

€ 24.596,46 bruto (productie 3 bij exploot van dagvaarding).

2.10.

Bij brief van 12 november 2010 heeft (de gemachtigde van) [eiser] ABS aansprakelijk gesteld voor door hem geleden schade als gevolg van de slechte arbeidsomstandigheden bij ABS (productie 5 bij exploot van dagvaarding). ABS heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.11.

In de vervolgens door [eiser] aanhangig gemaakte deelgeschilprocedure heeft hij de kantonrechter - kort samengevat - verzocht voor recht te verklaren dat ABS aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade alsmede veroordeling van ABS tot betaling van buitengerechtelijke kosten en een voorschot op materiële schadevergoedingen. Bij beschikking van 8 maart 2013 heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen omdat het geschil zich niet leent voor een beslissing in een deelgeschil (producties 6, 7 en 8 bij exploot van dagvaarding).

2.12.

De kantonrechter van deze rechtbank heeft het verzoek van [eiser] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht bij beschikking van 28 mei 2014 toegewezen en uiteindelijk bij beschikking van 15 oktober 2014 prof. dr. Öner tot deskundige benoemd (productie 11 bij exploot van dagvaarding).

2.13.

Op 10 juni 2015 heeft prof. dr. Öner, orthopedisch chirurg, een definitief rapport uitgebracht en geconcludeerd (productie 12 bij exploot van dagvaarding):

SAMENVATTING:

Het betreft een inmiddels 49-jarige man, die sinds 2005 wisselende klachten heeft van zijn lage rug en van zijn nek en schouders. (…) er zijn diverse onderzoeken verricht, waarbij behalve enige degeneratieve afwijkingen passend bij de leeftijd geen andere oorzaken zijn gevonden. (…) Betrokkene is vrij lang van postuur;: hij is 1,98m en weegt inmiddels 115 kg. Volgens de medische gegevens is hij de afgelopen jaren 20 kg aangekomen. (…)

De diagnose luidt:

1. Lage rugklachten op basis van degeneratieve afwijkingen in de laaglumbale regio, zonder deformiteit of neurologische complicaties.

2. Nekklachten op basis van lichte degeneratieve afwijkingen zonder een deformiteit of neurologische complicaties. (…)

Het is niet waarschijnlijk dat zitten tijdens het werk een onafhankelijke oorzaak is van lage rugklachten in de betrokken populatie. (…)

Kort samengevat is er in de bestaande vakliteratuur geen sterke aanwijzing te vinden voor een eenduidige relatie tussen belasting tijdens het werk en het ontstaan van symptomatische rugpijn. Een van de moeilijkheden is dat een discusdegeneratie met of zonder rugpijnklachten zeer vaak voorkomt bij alle mensen boven de 35 jaar, ongeacht het beroep. Er zijn incidenties van boven de 80% vermeld. Dit maakt de vaststelling van een associatie tussen het ontstaan van een symptomatische discusdegeneratie en werkbelasting nagenoeg onmogelijk. In deze specifieke casus bij betrokkene was er sprake van discopathiëen van de CWK en LWK. Deze afwijkingen passen bij het normale patroon van veroudering, maar de associatie tussen het bestaan van een discopathie en de bijbehorende symptomen zoals chronische rugpijn is redelijk zwak. Dat wil zeggen dat bijna iedereen boven de 35 jaar een discopathie kan ontwikkelen van de laaglumbale en cervicale wervelkolom, alleen een klein percentage daarvan ontwikkelt een chronische nek- of rugpijn. (…)

Mijn uiteindelijke conclusie bij deze casus is dat er bij betrokkene sprake is van een matige discusdegeneratie van de cervicale en lumbale wervelkolom zonder evidente mechanische of neurologische complicaties. Deze afwijkingen hebben waarschijnlijk bijgedragen aan het ontstaan van de chronische pijnklachten. Of hij dezelfde soort chronische pijnen ontwikkeld zou hebben zonder de overbelasting tijdens het werk is niet met zekerheid vast te stellen. Het is naar mijn oordeel wel waarschijnlijk dat zonder de werkgerelateerde overbelasting de klachten minder zouden zijn geweest, en misschien niet hadden geleid tot het staken van werkzaamheden. Met andere woorden: het is best mogelijk dat betrokkene zonder de overbelasting tijdens het werk veel minder last zou hebben gehad van nek- en rugpijn en daardoor misschien niet arbeidsongeschikt was geraakt. Het noemen van een percentage in een soortgelijke zaak vind ik gezien het zwakke bewijs in de literatuur wetenschappelijk niet verantwoord. (…)

Er is een minimale scoliotische afwijking gevonden op de röntgenopnamen. Deze valt binnen de normale anatomische variatie en veroorzaakt geen verhoogde kans op problemen met de wervelkolom. Het is wel zo dat betrokkene een lang postuur heeft. Zoals eerder besproken geeft een lang postuur zeker een verhoogd risico op het ontwikkelen van vooral lage rugklachten. (…)

Zoals eerder besproken is de enige factor van belang zijn lengte. Deze heeft mogelijk een rol gespeeld bij het ontstaan van zijn klachten, vooral van de lage rug.

(…) is de kans op het ontwikkelen van lage rugproblemen en degeneratieve nekproblemen tijdens het leven geschat op boven de 80%. Dit betekent dat betrokkene ook een hoger risico had om deze klachten te ontwikkelen zonder enige relatie met zijn werkzaamheden. (…)

Zoals uitgebreid besproken is de kans op het ontwikkelen van lage rugpijnen en degeneratieve nekpijnen zeer groot onder de algemene bevolking. Gezien de grote lengte van betrokkene is de kans op lage rugpijn extra verhoogd. (…)”

2.14.

De kantonrechter van deze rechtbank heeft het verzoek van [eiser] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht (benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige) bij beschikking van 13 december 2016 afgewezen (productie 15 bij exploot van dagvaarding).

2.15.

[eiser] heeft een deskundigenoordeel aangevraagd over de vraag of ABS voldoende heeft gedaan om werkneemster weer aan het werk te helpen. Het UWV oordeelt op 11 september 2008 (productie 19 bij exploot van dagvaarding):

“(…) Ik sprak met bedrijfsarts de heer [naam bedrijfsarts] van ArboNed. Daaruit bleek, dat er veel inspanningen waren verricht de begeleiding van werknemer vorm te geven, zoals aanpassing werkplek en autostoel, inzet van een arbeidsdeskundige en veel gesprekken met werknemer. (..)

Het is de partijen niet gelukt een door beiden ondertekend plan van aanpak te produceren, waaraan men zich had moeten conformeren. Daardoor is het vervolg ‘open’ gebleven en is het resultaat onvoldoende.

(…) Conclusie

De werkgever heeft niet genoeg gedaan om werknemer weer aan het werk te helpen. (…)

Werkgever kan eigenlijk niet beargumenteren waarom de adviezen van de bedrijfsarts laat zijn opgevolgd (…)”

3 Het geschil

3.1.

Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten vordert [eiser] dat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - :

  • -

    voor recht verklaard wordt dat ABS jegens hem (geheel dan wel gedeeltelijk) aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de bij hem bestaande en door de heer Öner, orthopedisch chirurg, in zijn rapport beschreven klachten

  • -

    ABS veroordeeld wordt tot betaling van een voorschot op de schade van € 10.000,00 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen lager bedrag;

  • -

    ABS veroordeeld wordt tot betaling van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade nader op te maken bij staat

  • -

    ABS veroordeeld wordt tot betaling van de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat ABS op de voet van artikel 7:658 BW wegens schending van haar zorgplicht aansprakelijk is voor de door [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade.

3.3.

ABS voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of de gezondheidsklachten van [eiser] (rug, -nek- en schouderklachten) zijn veroorzaakt in de uitoefening van de werkzaamheden en of de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden.

4.2.

Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in artikel 7:658 lid 1 genoemde zorgverplichting ten aanzien van de arbeidsomstandigheden nagekomen is of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De werknemer dient dus te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Heeft de werknemer voldoende gemotiveerd gesteld en zo nodig bewezen dat hij schade heeft opgelopen in de uitvoering van zijn werkzaamheden, dan is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor die schade, tenzij deze bewijst dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan dan wel dat de door de werknemer geleden schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

4.3.

Het is dus aan [eiser] om feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn werksituatie te stellen en te bewijzen, op grond waarvan kan worden aangenomen dat, en zo ja in hoeverre, zijn klachten door zijn werk (en niet door andere oorzaken) zijn ontstaan. Rug-, nek- en schouderklachten kunnen een veelheid van oorzaken hebben die ook (deels) buiten de werksituatie kunnen zijn gelegen. Er moet derhalve een causaal verband zijn tussen de omstandigheden waarin de werknemer diende te werken en de schade.

4.4.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is. Deze regel houdt het volgende in. Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Deze regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen (HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369, HR 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6166 en HR 9 januari 2009:ECLI:NL:HR:2009:BF8875). Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is (HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 en BZ1721).

4.5.

Wanneer de hierboven vermelde regel wordt toegepast op de vordering van [eiser] op ABS betekent dit dat [eiser] dient te stellen, en zonodig te bewijzen, dat hij gedurende zijn dienstverband bij ABS is blootgesteld aan voor zijn gezondheid belastende werkomstandigheden en dat hij stelt en aannemelijk maakt dat die blootstelling zijn gezondheidsklachten kan hebben veroorzaakt. Wanneer tevens vaststaat dat ABS in haar zorgplicht is tekortgeschoten, kan van het bestaan van causaal verband tussen de gezondheidsklachten van [eiser] en het werk worden uitgegaan en dient ABS te bewijzen dat geen causaal verband tussen beide bestaat.

4.6.

Dat de klachten van [eiser] (kunnen) zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden bij ABS is niet komen vast te staan. De in het geding gebrachte stukken bieden geen steun en onderbouwing voor dit standpunt van [eiser] . Door ABS is onder verwijzing naar de bevindingen van Öner betwist dat de oorzaak van de klachten in de werkplek kan worden gevonden. Uit het deskundigenrapport van prof. dr. Öner (r.o. 2.13.) blijkt dat de klachten die [eiser] ondervindt zeer vaak voorkomen bij mensen boven de 35 jaar, ongeacht het beroep. De kans op het ontwikkelen van lage rugpijnen en degeneratieve nekpijnen is zeer groot onder de bevolking en is geschat op boven de 80%. Ook zonder enige relatie met zijn werkzaamheden had [eiser] dus een hoog risico om deze klachten te ontwikkelen. Daarbij komt dat [eiser] een verhoogde kans had om rugpijnen te ontwikkelen door zijn lengte. Een verband tussen de werkomstandigheden en de klachten van [eiser] kan Öner niet aannemen. Volgens Öner kunnen de werkomstandigheden hooguit van invloed zijn geweest op de klachten van [eiser] .

4.7.

Dit alles leidt tot het oordeel van de kantonrechter dat het verband tussen de gezondheidsklachten van [eiser] met betrekking tot zijn rug, nek en schouder en de arbeidsomstandigheden te onbepaald en te onzeker is. Dat de werkzaamheden hooguit van invloed zijn op de klachten, zoals door de deskundige is verklaard, is hiervoor niet voldoende. Dit betekent - zo volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2013 - dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in dit geval niet van toepassing is en op [eiser] de volledige stelplicht en bewijslast rust. [eiser] dient op grond van artikel 7:658 lid 2 BW te stellen en zo nodig te bewijzen dat de klachten aan zijn rug, nek en schouder in de uitoefening van zijn werkzaamheden zijn ontstaan. .

4.8.

Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de omkeringsregel is overwogen volgt dat [eiser] ook bij toepassing van de gewone bewijslastverdeling niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. [eiser] heeft, gelet op de betwisting door ABS, onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een causaal verband is tussen zijn gezondheidsklachten en zijn werkzaamheden bij ABS.

4.9.

Nu [eiser] niet is geslaagd in de op hem rustende stelplicht ten aanzien van het causale verband tussen de arbeidsomstandigheden en zijn gezondheidsschade, komt de kantonrechter niet toe aan een verdere beoordeling van het geschil, te weten of ABS haar zorgplicht heeft geschonden.

4.10.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter tot het oordeel dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

4.11.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van ABS worden begroot op € 500,00 aan
salaris gemachtigde (2 punten x € 250,00).

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten van ABS, die worden bepaald op € 500,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth, en in het openbaar uitgesproken.

CJ