Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4741

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 273
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft nagelaten om voorafgaand aan het primaire besluit medisch onderzoek te laten verrichten. Het Uwv heeft gepoogd dat gebrek te herstellen door in de bezwaarfase alsnog een verzekeringsarts bezwaar en beroep te laten rapporteren, eiseres in de gelegenheid te stellen daarop te reageren en op basis van die reactie dezelfde verzekeringsarts zijn eerste rapport te laten heroverwegen. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb volgt dat het bestuursorgaan gebreken van formele aard kan herstellen. Dit betekent echter niet dat in dit soort gevallen de eerste verzekeringsgeneeskundige beoordeling en de heroverweging van de medische aspecten door dezelfde verzekeringsarts mag plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv namelijk gehandeld in strijd met artikel 10 van het Reglement behandeling bezwaarschriften 2014 door in bezwaar zowel de eerste medische beoordeling, die in feite in de plaats komt van de voorbereiding van het primaire besluit, als de heroverweging door dezelfde verzekeringsarts te laten verrichten. In dat voorschrift is namelijk uitdrukkelijk bepaald dat de beoordeling van de medische aspecten van het bezwaar plaats vindt door een verzekeringsarts bezwaar en beroep die niet bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is. De rechtbank volgt verweerder voorts niet in het standpunt dat eiseres door de gang van zaken niet is benadeeld. Artikel 6:22 van de Awb bepaalt dat een besluit waartegen beroep is ingesteld ondanks schending van een –onder meer- een geschreven rechtsregel in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. De rechtbank acht niet op voorhand aannemelijk dat een andere verzekeringsarts bij heroverweging tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen. Uit hetgeen de rechtbank overweegt over de materiële gronden van beroep volgt dat daarvoor te minder reden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/273

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaak tussen

Stichting MeanderGroep Zuid-Limburg, te Heerlen, eiseres

(gemachtigde: mr. A. Staal),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: mr. D.W.C. Jacobs).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de arbeidsongeschiktheidsuitkering van mevrouw [naam] , verder de werkneemster, ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in de vorm van een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) met ingang van 17 juli 2016 beëindigd en de werknemer vanaf die datum in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

Bij besluit van 22 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is eigen risicodrager als bedoeld in Hoofdstuk 9 van de Wet WIA. Hierdoor draagt eiseres gedurende 10 jaar nadat het recht op een WGA-uitkering is ontstaan, het risico van de betaling van die uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot de eigen risicodrager in dienstbetrekking stond.

2. De werkneemster is werkzaam geweest als thuishulp bij eiseres voor 19 uur per week. Op 19 augustus 2013 heeft de werkneemster zich ziek gemeld met psychische klachten.

3. Verweerder heeft bij besluit van 25 september 2015 de werkneemster met ingang van 17 augustus 2015 een WGA-uitkering toegekend. De werkneemster is 100% arbeidsongeschikt. Volgens de verzekeringsarts heeft de werkneemster geen benutbare mogelijkheden vanwege de ingeschatte ernst van de aandoening (psychose) en de opname in een inrichting. Ten aanzien van de duurzaamheid heeft de verzekeringsarts aangegeven dat de verwachting van verbetering van de belastbaarheid redelijk tot goed is.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de loongerelateerde WGA-uitkering vanwege het bereiken van de maximumduur met ingang van 17 juli 2016 beëindigd en de werkneemster vanaf die datum in aanmerking gebracht voor een WGA- loonaanvullings- uitkering.

5. Eiseres heeft bezwaar gemaakt en aangevoerd dat aan het primaire besluit geen medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt en dat de werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is zodat de werkneemster recht heeft op een inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

6. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft alsnog een medisch onderzoek laten verrichten. Dit onderzoek is verricht door verzekeringsarts bezwaar en beroep M.E. Jacobs op 10 augustus 2016 en, nadat informatie van de behandelend psychiater is verkregen, op 30 september 2016. Eiseres heeft vervolgens een reactie op de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven. Daarna heeft dezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep op 14 december 2016 de bezwaren van eiseres heroverwogen. Verweerder heeft zich op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het standpunt geteld dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid omdat de verwachting is dat de functionele mogelijkheden van de werkneemster op termijn wezenlijk zullen toenemen. De werkneemster komt dan ook niet in aanmerking voor een IVA-uitkering.

7. Eiseres heeft in beroep samengevat aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is en in strijd met het heroverwegingskarakter van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het eerste verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de heroverweging daarvan is verricht door dezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de werknemer duurzaam arbeidsongeschikt is; gezien de duur en de aard van de klachten is verbetering van de belastbaarheid niet binnen afzienbare tijd te verwachten. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van duurzaamheid en heeft de door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) vereiste onderbouwing die ziet op het mogelijk resultaat van de behandeling, niet gegeven. Verder is verweerders motivering inconsistent; verweerder spreekt over langere tijd, enige tijd en dan weer verbetering binnen een jaar. Verweerder erkent vervolgens dat de aandoening van dien aard is dat het herstelproces ook trager kan verlopen. Daaruit blijkt volgens eiseres dat verweerder wederom te algemeen aangeeft waarom er verbetering zou zijn en dat hij de motivering niet op het individuele geval van de werknemer heeft gericht. Voorts geeft verweerder aan dat het ook nog jaren kan duren dat er verbetering van de belastbaarheid te verwachten valt. Er is volgens eiseres dan ook sprake van duurzaamheid van de beperkingen. Zij wijst er voorts op dat de huidige behandelperiode is gestart in september 2015 en dat er op het moment van de brief van de specialist in september 2016, dus een jaar later, nog altijd geen noemenswaardige verbetering zichtbaar is. Verder is het, als al een verbetering van de belastbaarheid is te verwachten, niet duidelijk op welke punten de verbetering ziet. Eiseres betoogt ten slotte dat verweerder bij werkgeversbezwaren een verzwaarde motiveringsplicht heeft.

8. In geschil is of verweerder er bij de toekenning van een WGA-loonaanvullingsuitkering terecht en op goede gronden van uit is gegaan dat de werkneemster per 17 juli 2016 niet duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA.

9. De rechtbank dient allereerst te oordelen over de beroepsgrond dat de heroverweging van de eerste verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet door dezelfde verzekeringsarts had mogen worden verricht. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Volgens verweerder is het gebrek in de primaire besluitvorming hersteld door in bezwaar alsnog een verzekeringsgeneeskundige beoordeling te verrichten en deze bovendien op grond van de reactie van eiseres te heroverwegen. Dat de heroverweging door dezelfde verzekeringsarts is uitgevoerd doet daaraan volgens verweerder niet af. Bovendien acht verweerder eiseres door die gang van zaken niet in haar belangen geschaad. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb volgt dat de aard van de bezwaarschriftprocedure met zich meebrengt dat het bestuursorgaan gebreken van formele aard kan herstellen en dat verweerder dat in zoverre ook heeft gedaan door niet alleen het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek alsnog te laten verrichten maar dit ook op basis van de daarover geuite bedenkingen te doen heroverwegen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat in dit soort gevallen de eerste verzekeringsgeneeskundige beoordeling en de heroverweging van de medische aspecten door dezelfde verzekeringsarts mag plaatsvinden. Artikel 10, eerste lid, van het ten tijde van het bestreden besluit geldende Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2014 bepaalt namelijk uitdrukkelijk dat de beoordeling van de medische aspecten van het bezwaar plaats vindt door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep die niet bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is. Aangezien zowel de eerste medische beoordeling, die in feite in de plaats komt van de voorbereiding van het primaire besluit, als de heroverweging door dezelfde verzekeringsarts is verricht, heeft verweerder gehandeld in strijd met het Reglement. De rechtbank volgt verweerder voorts niet in het standpunt dat eiseres door de gang van zaken niet is benadeeld. Artikel 6:22 van de Awb bepaalt dat een besluit waartegen beroep is ingesteld ondanks schending van een –onder meer- een geschreven rechtsregel in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. De rechtbank acht niet op voorhand aannemelijk dat een andere verzekeringsarts bij heroverweging tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen. Uit hetgeen hierna wordt overwogen over de materiële gronden van beroep volgt dat daarvoor te minder reden is. De beroepsgrond over de heroverweging in bezwaar slaagt.

10 Over de inhoudelijke beroepsgronden overweegt de rechtbank het volgende.

11. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4 van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterde situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

12. Voor de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid hanteert verweerder het beoordelingskader voor verzekeringsartsen “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”. Op grond van dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen als duurzaam aangemerkt als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of niet of nauwelijks is te verwachten. In het beoordelingskader is een stappenplan opgenomen op grond waarvan de verzekeringsarts zich uitspreekt over de prognose van de arbeidsbeperkingen, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. Daarbij doorloopt de verzekeringsarts drie stappen.

De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden (stap 1).

Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten, beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht (stap 2). De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:
a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;
b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
Als voor de keuze tussen 2.a en 2.b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht, beoordeelt de verzekeringsarts of en, zo ja, in hoeverre, die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht (stap 3).

13. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de kans op herstel, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

14. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 1 oktober 2010 (ECLI:NL:CRVB:BN9226) overwogen dat indien een verzekerde in beroep komt tegen een besluit waarbij op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, het aan de verzekerde is om zijn standpunt dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was voldoende te onderbouwen. Daartoe zal doorgaans medische informatie worden overgelegd. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken voor zover deze betrekking heeft op de datum die in geding is.

15. Verzekeringsarts bezwaar en beroep M.E. Jacobs heeft de werkneemster op

10 augustus 2016 gezien op het spreekuur. Jacobs heeft vervolgens informatie verkregen van de behandelend psychiater K. van Dillen, gedateerd 19 september 2016. Jacobs heeft in haar rapport van 30 september 2016 geconcludeerd dat de werkneemster nog steeds geen benutbare mogelijkheden heeft. De verzekeringsarts heeft daarbij overwogen dat de werkneemster na de ziekmelding vaker gedwongen opgenomen is geweest. Ten tijde van de einde wachttijd was vanwege de behandeling en opname sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De werkneemster is inmiddels niet meer gedwongen opgenomen maar verblijft in een beschermde woonvorm van de Mondriaan Stichting. Mede op basis van informatie van de behandelaar over de gestelde diagnosen concludeert de verzekeringsarts dat de werkneemster niet in staat is om te werken. Gezien de bevindingen bij het onderzoek en de activiteiten die de werkneemster overdag doet, blijkt dat ook de zelfzorg onvoldoende intact is, zodat volgens Jacobs sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Uit de informatie van de behandelaar blijkt dat de werkneemster een gerichte behandeling ondergaat waarmee er volgens Jacobs zicht is op verbetering van de belastbaarheid. De verwachting is dat de medische situatie op de lange termijn wezenlijk zal kunnen verbeteren. De verwachting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dan ook dat de functionele mogelijkheden op termijn wezenlijk zullen toenemen.

16. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op

14 december 2016 naar aanleiding van de naar voren gebrachte bezwaren van eiseres tegen het rapport van 30 september 2016 overwogen dat er medisch inhoudelijk geen nieuwe gegevens zijn ingebracht. De werknemer heeft een periode doorgemaakt waarin zij gedwongen is opgenomen. Zij heeft gerichte behandeling gehad en tijd nodig om alles te verwerken en te herstellen. De werknemer is inmiddels herstellende en het gaat steeds beter met haar, zich onder andere uitend in het feit dat zij weer zelfstandig een boodschap kan doen en auto kan rijden. Zij staat inmiddels open voor gericht onderzoek en adequate aanvullende behandeling. Jacobs acht het een zeer gunstig teken dat de werknemer zelf initiatief heeft genomen om tot een vertrouwensrelatie met de behandelaren te komen, wat de kans op een succesvol behandeltraject substantieel verhoogt. Het herstel tekent zich af en de prognose schat Jacobs gunstig in. Ook de conditie van de werknemer kan nog substantieel verbeteren in de komende tijd, zodat zij niet meer hoeft te slapen overdag. Met de gevoeligheden van de werknemer, zoals een niet te hoge mentale druk en niet te veel prikkels kan rekening worden gehouden bij het duiden van geschikte functies. Het is een alleszins redelijke verwachting dat de werknemer op de langere termijn over een aantal benutbare mogelijkheden zal kunnen beschikken. Het herstel zal ongetwijfeld enige tijd vergen, maar er zijn geen medische redenen om er van uit te gaan dat dit pas meer dan een jaar na datum in geding zou zijn. Gezien de medische aandoening is evident dat het herstelproces trager kan verlopen, wat maakt dat het alleszins voorstelbaar is dat ook na een jaar vooruitgang kan worden verwacht. Volgens Jacobs is het vanuit medisch perspectief mogelijk dat de werkneemster toenemend benutbare mogelijkheden kan ontwikkelen, hetzij binnen een jaar, hetzij daarna. Op basis van het onder 12 beschreven stappenplan concludeert zij dat moet worden uitgegaan van een redelijke tot goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.

17. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerders motivering over de kans op herstel van de belastbaarheid op langere termijn, gelet op de informatie van psychiater Van Dillen, niet toereikend is. Psychiater Van Dillen heeft op de vraag of er rekening moet worden met beperkingen ten aanzien van arbeid geantwoord dat bij de werkneemster sprake blijft van een onderliggende kwetsbaarheid; bij te hoge mentale druk, een gevoel van onveiligheid en blootstelling aan te veel prikkels is de kans groot dat trauma’s opnieuw geactualiseerd worden, stemmings- klachten optreden of psychotische symptomen worden uitgelokt. De werkneemster is snel overvraagd en trauma’s kunnen gemakkelijk worden gereactiveerd. De psychiater heeft op de vraag ‘Verwacht u dat betrokkene in de toekomst dermate zou kunnen herstellen dat zij wel weer in staat zal kunnen zijn om op enige wijze weer aan het arbeidsproces te kunnen deelnemen? En zo ja, op welke termijn verwacht u dat?’ geantwoord dat daar nog weinig over te zeggen is en dat het al zeer positief is dat de werkneemster een vertrouwensrelatie is aangegaan met de huidige behandelaren en dat dit op haar eigen initiatief tot stand is gekomen. De psychiater heeft verder aangegeven dat het onbekend is hoe en in welk tempo verdere rehabilitatie zal verlopen.

Gelet op het onder 13 omschreven toetsingscriterium dat onder meer inhoudt dat de inschatting van de kans op herstel bij een ingezette behandeling dient te berusten op een onderbouwing die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde, moet aan de informatie van de behandelende psychiater zwaarwegende betekenis worden gehecht. Uit die informatie valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat sprake is van kans op verbetering van de belastbaarheid binnen een jaar. Evenmin blijkt uit die informatie dat of en zo ja, wanneer kans op verbetering van de belastbaarheid na het eerste jaar is te verwachten. In het licht daarvan acht de rechtbank de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep Jacobs dat sprake is van herstelmogelijkheden na een jaar dan ook niet voldoende onderbouwd. Het bestreden besluit berust dan ook in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De beroepsgrond daarover slaagt.

18 Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, nu een nadere beoordeling door een (andere) verzekeringsarts zal moeten plaatsvinden. Voor zover de conclusie van dat nadere onderzoek zou zijn dat geen sprake is van duurzaamheid van de beperkingen uitgaande van de situatie op de datum in geding, dan ligt het in de rede om te beoordelen of inmiddels de resultaten van de behandeling aanleiding geven om te spreken van duurzaamheid.

Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, reeds omdat dit in strijd zou zijn met artikel 8:51a, eerste lid, tweede volzin, van de Awb, nu de werkneemster geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om als partij aan dit geding deel te nemen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.G. Cremers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 mei 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.