Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4585

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 230
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Seksuele begeleiding/ondersteuning valt niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/230

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. G.J.A. van Dijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder

(gemachtigde: [naam 1] en [naam 2]).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor seksuele begeleiding/ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 9 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Eiser is een alleenstaande 50-jarige man die woonachtig is in een aangepaste gelijkvloerse woning. Eiser is volledig rolstoelafhankelijk en heeft hulp nodig bij zijn dagelijkse verzorging. Hij heeft daarvoor een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) ZorgZwaarteProfiel LG05, met het zorgprofiel voor wonen met begeleiding en intensieve verzorging.

3. Op 12 juli 2016 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor seksuele begeleiding/ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Verweerder heeft bij het primaire besluit deze aanvraag afgewezen, omdat de door eiser ervaren beperkingen bij het invullen van deze behoefte, geen beperkingen zijn in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie zoals bedoeld in de Wmo 2015. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft verweerder daaraan ten grondslag gelegd dat seksuele begeleiding/ondersteuning niet valt onder de Wmo 2015. Dit ziet immers niet op de maatschappelijke participatie of zelfredzaamheid van eiser zoals die vanuit de Wmo wordt beoogd. Verweerder verwijst daarbij naar de definities van deze begrippen in de Wmo 2015. In het verweerschrift heeft verweerder ook verwezen naar de Wlz.

5. Eiser kan zich met het standpunt van verweerder niet verenigen en stelt zich in beroep op het standpunt dat de handelingen vallen onder het verrichten van algemene dagelijkse levensverrichtingen. Als gevolg van zijn beperkingen is eiser niet in staat om deze handelingen zelf te verrichten, hij is hierbij volledig afhankelijk van derden. Van enige zelfredzaamheid is derhalve geen sprake. Eiser verwijst naar de overgelegde rapportage van de seksuoloog Sauren van 6 juni 2016. Hieruit volgt dat seksuele behoeften en de bevrediging daarvan als volkomen normaal gezien moeten worden. Daarmee behoren zij naar de mening van eiser tot de algemene (dagelijkse) levensbehoeften en vallen hiermee onder de werking van de Wmo 2015. Daarnaast voert eiser aan dat uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 volgt dat het van belang is dat mensen met een beperking zoveel mogelijk in staat worden gesteld op gelijke voet te participeren en deel te nemen aan het dagelijks leven. Deze brede opdracht maakt dat ook seksuele begeleiding onder de werking van de Wmo gebracht moet worden. Temeer nu het verrichten van seksuele begeleiding en handelingen niet onder de werking van de Wlz vallen.

6. Bij de beoordeling door de rechtbank is het navolgende wettelijk kader van belang.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt verstaan onder:

- begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;

- participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

- zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden;

[…]

- maatschappelijke ondersteuning:

1° […]

2° ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving.

[…]

Artikel 1.2.1, sub a, van de Wmo 2015 bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt – voor zover van belang – dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

7. De rechtbank overweegt allereerst dat ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 het college een maatwerkvoorziening verstrekt ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de belanghebbende ondervindt.

8. De rechtbank overweegt vervolgens dat om vast te kunnen stellen of verweerder terecht en op goede gronden geen maatwerkvoorziening voor seksuele begeleiding/ondersteuning aan eiser heeft verstrekt, de vraag moet worden beantwoord of de beperkingen die eiser op dat vlak ondervindt, beperkingen zijn in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze vraag terecht ontkennend heeft beantwoord. Onder zelfredzaamheid wordt onder de Wmo 2015 verstaan het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Wat algemene dagelijkse levensverrichtingen zijn, is niet nader in de Wmo 2015 omschreven. Uit de MvT bij de Wmo 2015 blijkt dat algemene dagelijkse levensverrichtingen handelingen zijn die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van de persoonlijke verzorging. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact (Kamerstukken II, 33841, nr. 3, p.122/123). De rechtbank vindt in de MvT geen aanwijzing dat ook seksuele handelingen/ondersteuning onder algemeen dagelijkse levensverrichtingen vallen en is dan ook van oordeel dat de op dat vlak door eiser ervaren beperkingen, niet behoren tot beperkingen in de zelfredzaamheid zoals bedoeld in de Wmo 2015. De door eiser overgelegde rapportage van Sauren -waarin eisers behoefte en ervaren problemen worden beschreven- maakt het voorgaande niet anders.

10. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de door eiser ervaren beperkingen, geen beperkingen zijn in de maatschappelijke participatie. Bij participatie in de Wmo 2015 gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Participatie wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen (Kamerstukken II, 33841, nr. 3, p.123). Ook hier heeft de rechtbank noch in de Wmo 2015 noch in de MvT een aanwijzing gevonden dat onder het in staat worden gesteld om in redelijke mate mensen te ontmoeten en contacten te onderhouden tevens seksuele begeleiding/ondersteuning dient te worden verstaan.

11. De rechtbank is gelet op het voor overwogene van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag seksuele begeleiding/ondersteuning niet valt onder de reikwijdte van de Wmo 2015, nu de door eiser ervaren beperkingen geen beperkingen zijn in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Teeuwissen, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.K.M. Bohnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 mei 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.