Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:445

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2182u + AWB - 17 _ 201u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:345, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

doorhalen registratie in BIG-register; overname door de Minister van een maatregel uit het Verenigd Koninkrijk, inhoudende een tijdelijke bevoegdheidsbeperking als arts; de Minister heeft in redelijkheid het toepassen van de hardheidsclausule kunnen weigeren vanwege het belang van de patiëntveiligheid; aantekening doorhaling van inschrijving in het BIG-register en de openbaarmaking daarvan vindt direct plaats, nadat de in het buitenland opgelegde bevoegdheidsbeperking door Nederland is overgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB/ROE 16/2182 + AWB/ROE 17/201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2018 in de zaken tussen

de erven van [betrokkene], te Aken (D), eisers

(gemachtigde: mr. M. Jilsink),

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder

(gemachtigden: mr. C.M. Molema en mr. C.D.J. van Esterik).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de inschrijving van wijlen [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) als arts in het BIG-register ( [nummer .....] ) per 1 oktober 2015 doorgehaald.

Bij besluit van 7 juni 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder – in afwijking van het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb van 29 april 2016 – het bezwaar van [betrokkene] ongegrond verklaard ten aanzien van de overname van de Britse maatregel en het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de overname van de Duitse maatregel en de doorhaling op grond van de onjuiste gegevensverstrekking bij zijn inschrijving in het zogenaamde BIG-register. Aan [betrokkene] zijn verder de kosten van bezwaar vergoed en is aan hem een dwangsom van € 280,00 toegekend op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 15 juni 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan [betrokkene] kenbaar gemaakt dat op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) de doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register voor zijn beroep als arts onder registratienummer [nummer .....] is aangetekend in het BIG-register per 7 juni 2016.

Bij besluit van 13 januari 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van [betrokkene] tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

[betrokkene] heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.

Verweerder heeft in beide beroepen een verweerschrift ingediend.

Op 15 februari 2017 is de rechtbank telefonisch op de hoogte gebracht van het feit dat [betrokkene] op [dag/maand] 2017 is overleden. Bij brief van 17 februari 2017 heeft de gemachtigde van [betrokkene] de rechtbank laten weten dat eisers (de erven) de onderhavige procedures wensen voort te zetten.

De beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 27 oktober 2017. Namens eisers is verschenen [naam] (weduwe van [betrokkene] ) en gemachtigde Jilsink voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. [betrokkene] heeft medicijnen gestudeerd in Roemenië en is vervolgens in Duitsland gaan werken als arts. Tijdens de jaarwisseling van 2008 op 2009 heeft [betrokkene] zijn toenmalige echtgenote mishandeld. De toenmalige echtgenote van [betrokkene] heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Vervolgens is [betrokkene] gescheiden en opnieuw getrouwd. Kort na dit huwelijk is [betrokkene] vertrokken naar de universiteit van [plaatsnaam] in Engeland om daar te werken aan zijn proefschrift in samenwerking met een Duits geneeskundig centrum en het academisch ziekenhuis in Maastricht. [betrokkene] heeft zich op 27 juli 2010 ingeschreven in het Engelse equivalent van het BIG-register.

3. Vervolgens is [betrokkene] op 9 maart 2012 door de strafrechter in Duitsland veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden met een proeftijd van drie jaar vanwege de mishandeling van zijn ex-vrouw. Naar aanleiding van deze veroordeling heeft de districtsregering Düsseldorf bij besluit van 16 juli 2012 – met terugwerkende kracht – de toestemming voor het voorlopig uitoefenen van het beroep als arts door [betrokkene] voor de periode van 2 maart 2010 tot 1 maart 2012 ingetrokken. [betrokkene] heeft tegen dit laatste besluit een rechtsmiddel ingesteld.

4. [betrokkene] is daarna in 2014 werkzaamheden gaan verrichten als medisch specialist [afdeling] bij het academisch ziekenhuis Maastricht. Op 12 mei 2014 heeft hij zich in het BIG-register als arts geregistreerd.

5. Ondertussen heeft op 27 augustus 2014 de mondelinge behandeling van de klacht tegen het hiervoor genoemde besluit van 16 juli 2012 plaatsgevonden voor de Duitse administratieve rechtbank in Düsseldorf. [betrokkene] heeft tijdens deze behandeling zijn klacht ingetrokken, waardoor de aangevochten beslissing van 16 juli 2012 in rechte is komen vast te staan.

6. Op 22 september 2014 zijn de Engelse autoriteiten, de General Medical Council (GMC), op de hoogte gebracht door de Duitse autoriteiten van de intrekking van de artsbevoegdheid van [betrokkene] in Duitsland. Naar aanleiding van deze informatie is de Medical Practitioners Tribunal Service (MPTS), onderdeel van de GMC, op 21 januari 2015 overgegaan tot tijdelijke schorsing van de registratie van [betrokkene] als arts voor een periode van 12 maanden. Gedurende deze periode wordt de GMC in de gelegenheid gesteld om de gegevens over de strafrechtelijke veroordeling van [betrokkene] in Duitsland te verkrijgen.

7. Vervolgens heeft de GMC verweerder op 22 januari 2015 ingelicht over deze tijdelijke schorsing van [betrokkene] ’s registratie als arts in het Verenigd Koninkrijk. Bij brief van gelijke datum heeft [betrokkene] aan verweerder laten weten dat op 16 juli 2012 zijn vergunning om het beroep als arts uit te oefenen in Duitsland is ingetrokken vanwege een strafrechtelijke veroordeling.

8. Op grond van het door verweerder ingesteld onderzoek naar [betrokkene] heeft verweerder hem op de hoogte gesteld van zijn voornemen om de inschrijving in het BIG-register door te halen. [betrokkene] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over dit voornemen te geven, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt.

9. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder uitvoering gegeven aan zijn voornemen. Aan de doorhaling van de inschrijving van [betrokkene] als arts in het BIG-register heeft enerzijds ten grondslag gelegen het feit dat [betrokkene] onjuiste gegevens heeft verstrekt bij de inschrijving in het BIG-register en anderzijds heeft verweerder de bevoegdheidsbeperkende maatregelen in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk overgenomen.

10. [betrokkene] heeft tegen het primaire besluit 1 bezwaar gemaakt en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 februari 2016 (bekend onder zaaknummer AWB/ROE 15/3750) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.

11. Inmiddels had [betrokkene] op 11 november 2015 van de districtsregering Düsseldorf een bevoegdheid gekregen om zijn beroep als arts in het gebied Nordrhein-Westfalen uit te oefenen voor een periode van twee jaar. Hierbij werd de beperking opgelegd dat [betrokkene] gedurende deze periode geen privépraktijk als arts mocht beginnen en werd tevens bepaald dat [betrokkene] in de komende twee jaar goed gedrag moet vertonen om in aanmerking te kunnen komen voor een permanente vergunning.

12. Op 21 januari 2016 heeft verweerder van de GMC het bericht ontvangen dat de MPTS op 4 december 2015 de tijdelijke gehele bevoegdheidsbeperking van [betrokkene] in het Verenigd Koninkrijk heeft verlengd.

13. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van [betrokkene] tegen het primaire besluit 1 heeft de VWS-commissie bezwaarschriften Awb (de Commissie) op 29 april 2016 advies aan verweerder uitgebracht. De Commissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaar van [betrokkene] tegen het primaire besluit voor gegrond te verklaren. Volgens de Commissie beschikte verweerder op de datum van het primaire besluit niet over alle informatie om tot een zorgvuldig besluit te kunnen komen. De kennisvergaringsplicht van verweerder reikt in dit geval ver, omdat de belangen bij het bestreden besluit groot zijn. Verweerder heeft onvoldoende voldaan aan deze onderzoeksplicht en haar motiveringsplicht, aldus de Commissie. Het primaire besluit is volgens de Commissie onvoldoende onderbouwd en in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Nu op 11 november 2015 door de Duitse autoriteiten een nieuwe bevoegdheid aan [betrokkene] is verleend om zijn beroep als arts te kunnen uitoefenen, dient volgens de Commissie zowel ten aanzien van de maatregel in het Verenigd Koninkrijk als ten aanzien van de maatregel in Duitsland de hardheidsclausule van artikel 7a van de Wet BIG te worden toegepast.

14. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar van [betrokkene] tegen het primaire besluit deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Verweerder kan zich niet vinden in het advies van de Commissie voor zover is geadviseerd dat ten aanzien van de Engelse maatregel de hardheidsclausule van artikel 7a van de Wet BIG moet worden toegepast. Verweerder stelt vast dat de Commissie het een relevant verschil vindt dat door de MPTS in zijn beslissing van 4 december 2015 is geoordeeld dat de patiëntveiligheid in het geding zou kunnen zijn, in plaats van dat patiëntveiligheid in geding is. Volgens verweerder is dit verschil echter niet relevant, omdat voor het kunnen toepassen van de hardheidsclausule het erom gaat dat de patiëntveiligheid op geen enkele wijze in het geding kan komen. Verweerder verwijst in dit kader naar de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 261, nr. 3, p. 9). Volgens verweerder blijkt uit de uitspraak van 4 december 2015 van de MPTS dat een tijdelijke gehele bevoegdheidsbeperking noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van het publiek. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt – gelet op de beslissing van de MPTS – dat het in strijd is met het belang van de patiëntveiligheid om de hardheidsclausule toe te passen.

Ook is verweerder van mening dat de overname van de Duitse maatregel zou moeten leiden tot een aantekening in het BIG-register, maar de Engelse maatregel resulteert reeds tot een doorhaling, zodat zo’n aantekening niet meer relevant is. Voor het overige heeft verweerder het advies van de Commissie gevolgd.

15. Hierop heeft verweerder het primaire besluit 2 genomen en is aan [betrokkene] kenbaar gemaakt dat op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet BIG de doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register voor zijn beroep als arts is aangetekend in het BIG-register per 7 juni 2016. Tevens is aan [betrokkene] onder meer medegedeeld dat de aantekening in het BIG-register wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in een regionaal dagblad, in het BIG-register en op de website van het BIG-register.

16. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de bezwaren van [betrokkene] ongegrond verklaard en het primaire besluit 2 gehandhaafd. Volgens verweerder is hij gehouden, nu aan de voorwaarden van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving is voldaan, de doorhaling aan te tekenen in het BIG-register. De wettelijke grondslag voor doorhaling van de inschrijving in het BIG-register is de in het Verenigd Koninkrijk aan eiser opgelegde tijdelijke bevoegdheidsbeperking ex artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG en niet, zoals [betrokkene] stelt, het verstrekken van onvolledige en onjuiste informatie bij de aanvraag van [betrokkene] in het (Nederlandse) BIG-register. Dit laatste is volgens verweerder wel de reden geweest in het Verenigd Koninkrijk om daar een tijdelijke bevoegdheidsbeperking op te leggen. Verweerder heeft dan ook op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Wet BIG deze reden in het register vermeld en openbaar gemaakt.

17. [betrokkene] heeft zich ook met de bestreden besluiten 1 en 2 niet kunnen verenigen en heeft tegen deze besluiten afzonderlijk beroep ingesteld.

18. [betrokkene] is hangende beroep op 1 februari 2017 overleden. De erven (eisers) hebben de beroepen gehandhaafd.

Procesbelang

19. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eisers procesbelang hebben bij een beoordeling van de onderhavige beroepen.

20. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; zie onder meer de uitspraak van 11 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2012:BV0590) bestaat er belang bij een beoordeling van het beroep indien eisers stellen schade te hebben geleden en zij tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij dergelijke schade daadwerkelijk en als gevolg van de door hen bestreden besluiten hebben geleden. Uit artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat daarvoor sprake moet zijn van een onrechtmatig besluit. Eisers hebben gesteld schade te hebben geleden als gevolg van de onderhavige streden besluiten. Aangevoerd is dat als gevolg van de doorhaling in het BIG-register [betrokkene] niet meer zijn functie als arts kon uitoefenen en daarmee het gehele gezinsinkomen is komen te vervallen. Bovendien heeft [betrokkene] destijds reputatieschade (aantasting van zijn eer en goede naam) geleden vanwege een in zijn ogen onterechte openbaarmaking van de doorhaling van de inschrijving in het BIG-register. De rechtbank stelt vast dat eisers thans (met deze beroepen) een verzoek om schadevergoeding ex artikel 8:88 van de Awb hebben gedaan. Gelet hierop acht de rechtbank voldoende procesbelang bij eisers aanwezig om tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil te komen.

21 De rechtbank zal de beroepen hierna afzonderlijk beoordelen.

Ten aanzien van het doorhalen registratie in het BIG-register (AWB/ROE 16/2182):

22. [betrokkene] heeft tegen het bestreden besluit 1 aangevoerd dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 7a van de Wet BIG bij het overnemen van de maatregel die is opgelegd door de MPTS. Volgens [betrokkene] is er in zijn geval geen sprake van een reden die verband houdt met de beroepsuitoefening. Naar de mening van [betrokkene] was hij ten tijde van de aanvraag in het Verenigd Koninkrijk niet op de hoogte dat strafrechtelijke vervolging zou plaatsvinden in Duitsland. Dit is de reden geweest waarom hij ten tijde van de aanvraag heeft verklaard nooit strafrechtelijk te zijn veroordeeld, aldus [betrokkene] . [betrokkene] heeft verder aangevoerd dat de patiëntveiligheid niet in het geding is. Hij is immers geschrapt uit het Engelse artsenregister vanwege het verstrekken van onjuiste informatie. [betrokkene] heeft aangevoerd dat verweerder geen nader onderzoek heeft verricht naar de vraag of het achterwege houden van informatie in Nederland ook tot een beroepsbeperking zou hebben geleid. Volgens [betrokkene] is er dan ook sprake dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de onderzoeksplicht op grond van artikel 3:2 van de Awb.

23. Ingevolge artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG wordt de inschrijving doorgehaald indien zulks voortvloeit uit een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel heeft verloren.

Ingevolge artikel 7a kan de Minister artikel 7, onderdeel e, buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

24. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7 van de Wet BIG blijkt dat in Nederland geen herbeoordeling plaatsvindt van het incident dat tot de beperking in de beroepsuitoefening in het buitenland heeft geleid. Een dergelijke beslissing wordt automatisch overgenomen tenzij sprake is van een bijzonder geval. Bij de toepassing van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG staat de patiëntveiligheid centraal. De Minister kan dan ook slechts toepassing geven aan de hardheidsclausule indien de patiëntveiligheid op geen enkele wijze in het geding is. Dit kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7a van de Wet BIG het geval zijn indien de buitenlandse bevoegdheidsbeperking is opgelegd om een reden die in het geheel niet met de beroepsuitoefening verband houdt, of indien het in het buitenland gepleegde vergrijp van een zodanige geringe ernst is, dat dit in Nederland in het geheel niet tot een maatregel of een bevoegdheidsbeperking geleid zou hebben. De minister mag slechts toepassing geven aan artikel 7a van de Wet BIG, indien de veiligheid van de patiënt hierdoor niet in het geding komt (Kamerstukken II 2009/10, 32 261, nr. 3, blz. 9).

25. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het bestreden besluit 1 ten grondslag heeft gelegd dat hij van de GMC het bericht heeft ontvangen dat de MPTS op 4 december 2015 de tijdelijke gehele bevoegdheidsbeperking van [betrokkene] in het Verenigd Koninkrijk heeft verlengd. [betrokkene] heeft bij zijn beroepsgronden een document overgelegd, waaruit blijkt dat hij op 5 april 2016 door de GMC in het Verenigd Koninkrijk is geschrapt uit het register voor artsen vanwege het verstrekken van onjuiste informatie. Gebleken is dat [betrokkene] dit oordeel heeft aangevochten, zodat deze schrapping uit het artsenregister in het Verenigd Koninkrijk nog niet onherroepelijk is. Wat hier verder ook van zij, de rechtbank stelt vast dat [betrokkene] ten tijde in geding nog steeds was geschorst in het Verenigd Koninkrijk.

26. Anders dan [betrokkene] is de rechtbank van oordeel dat het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie over een buitenlandse bevoegdheidsbeperking, meer in het bijzonder in dit geval het achterhouden van informatie over een strafrechtelijke vervolging in Duitsland, juist wel te maken heeft met de beroepsuitoefening als arts en dat er dan ook sprake is dat de patiëntveiligheid in het Verenigd Koninkrijk en daarmee ook in Nederland in geschil kan zijn. Uit de uitspraken van de MPTS komt naar voren dat dit achterhouden van informatie [betrokkene] zwaar wordt aangerekend, nu een arts zich eenmaal dient te houden aan de professionele standaarden (zoals vermeld in de “Good Medical Practise”), die bij het beroep als arts horen. Het melden van een lopend strafrechtelijk onderzoek is één van de professionele standaarden waar een arts zich in het Verenigd Koninkrijk aan dient te houden (zie overweging 5 van de uitspraak van 21 januari 2015 van de MPTS). De integriteit van een arts is een belangrijk goed. [betrokkene] heeft bij zijn aanvraag om als arts ingeschreven te worden in het artsenregister van het Verenigd Koninkrijk geen open kaart gespeeld, terwijl hij op dat moment wel wist dat een strafzaak tegen hem liep. Hij had immers al een advocaat ingeschakeld in Duitsland met betrekking tot het lopend strafrechtelijk onderzoek tegen hem. [betrokkene] heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet zomaar deze informatie vergeten te melden. Het gedrag van [betrokkene] zou in Nederland ook tot een bevoegdheidsbeperking dan wel in ieder geval tot een aantekening hebben geleid. In Nederland is de integriteit van een arts eveneens gekoppeld aan een goede beroepsuitoefening. In de uitspraak van 4 december 2015 heeft de MPTS geoordeeld dat een bevoegdheidsbeperking van [betrokkene] noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van het publiek. Het betoog van [betrokkene] dat de buitenlandse bevoegdheidsbeperking in het geheel niet met de beroepsuitoefening verband houdt, kan dan ook niet slagen nu de uitspraak van de MPTS, zoals hiervoor reeds is vermeld, concludeert dat doorhaling noodzakelijk is voor de bescherming van het publieke belang en derhalve betrekking heeft op het functioneren als arts. Gelet hierop kan niet worden betoogd dat de bevoegdheidsbeperking in het geheel niet met de beroepsuitoefening verband houdt.

27. Verweerder heeft met betrekking tot de patiëntveiligheid mogen uitgaan van de uitspraken van de MPTS. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op grond van de beslissingen van de MPTS en de aard van het vergrijp in redelijkheid zich op het standpunt kunnen stellen dat de patiëntveiligheid in het geding kan komen.

28. Een tijdelijke buitenlandse beperking op grond van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG is voldoende voor doorhaling in Nederland. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen weigeren de hardheidsclausule toe te passen, gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 24 is overwogen, nu dit in strijd zou zijn met het belang van de patiëntveiligheid. De beroepsgronden van [betrokkene] kunnen dan ook niet slagen.

29. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 dient ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van de aantekening doorhaling inschrijving in het BIG-register en de openbaarmaking daarvan (AWB/ROE 17/201):

30. [betrokkene] heeft in beroep aangevoerd dat het wel zo kan zijn dat een doorhalingsbesluit in het kader van de Wet BIG gepubliceerd moet worden, maar niet is dwingendrechtelijk bepaald wanneer dat is. [betrokkene] stelt zich op het standpunt dat het in de rede ligt om in dit verband aansluiting te zoeken bij het gestelde op de website van het BIG-register, waarin staat beschreven dat aantekening en publicatie van een doorhaling mag plaatsvinden zodra de uitspraak van een (tucht)college onherroepelijk is geworden. [betrokkene] is van mening dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de Wet BIG dwingendrechtelijk voorschrijft dat publicatie dient plaats te vinden voordat een besluit onherroepelijk is geworden. Volgens [betrokkene] heeft verweerder dan ook in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb gehandeld. [betrokkene] heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte oppert dat de doorhaling in het BIG-register zijn vermeende frauduleuze inschrijving zou zijn. Dit is echter volgens [betrokkene] onjuist, nu met het bestreden besluit 1 feitelijk de grondslag voor het in standhouden van de doorhaling is gewijzigd, in die zin dat er slechts sprake is van een overname van een tijdelijke bevoegdheidsbeperking in het Verenigd Koninkrijk. De tijdelijke gehele bevoegdheidsbeperking in het Verenigd Koninkrijk is feitelijk een voorzorgsmaatregel, die overeenkomstig de aldaar geldende wet- en regelgeving telkens tijdelijk wordt verlengd met een periode van zes maanden, omdat nog altijd in onderzoek is of door de strafrechtelijke veroordeling van [betrokkene] in Duitsland, de patiëntveiligheid in het Verenigd Koninkrijk in gevaar zou kunnen zijn, aldus [betrokkene] . Het gaat volgens [betrokkene] niet om het verstrekken van onvoldoende, dan wel onjuiste informatie aan de Britse autoriteiten, zoals verweerder stelt. Nu ook de grondslag voor de aantekening en de bekendmaking onjuist is, is [betrokkene] van mening dat verweerder ook op dit punt in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb.

31. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet BIG, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, wordt in het register, indien zulks voortvloeit uit een op grond van deze wet genomen maatregel of besluit, een aantekening geplaatst van de doorhaling van de inschrijving in het register op grond van artikel 7, onder e, van de Wet BIG.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt de in het eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet BIG bedoelde aantekening gedurende een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn in het register vermeld en wordt daarbij indien bekend de aard van het vergrijp vermeld dat tot de aantekening heeft geleid.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG draagt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zorg voor de openbare kennisgeving van een doorhaling van de inschrijving op grond van artikel 7, onder e, van de Wet BIG.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden in de openbare kennisgeving de naam en de woonplaats van de betrokkene vermeld. De openbare kennisgeving geschiedt op bij algemene maatregel van bestuur te regelen wijze en voor de daarbij vast te stellen duur, met dien verstande dat de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geschiedt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Registratiebesluit BIG wordt van de gegevens bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet BIG, schriftelijk kennisgegeven aan de werkgever van betrokkene en/of de instelling waar betrokkene zijn beroep uitoefent op grond van een andere overeenkomst dat een arbeidsovereenkomst.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt van de gegevens bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet BIG, openbaar kennis gegeven door middel van publicatie in een of meer dag- of weekbladen die worden verspreid in het gebied waarin de betrokkene zijn beroep uitoefent, en door middel van publicatie op daartoe bestemde websites op internet.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel behoort de doorhaling in het BIG-register raadpleegbaar te zijn gedurende 10 jaar.

32. De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van het bestreden besluit 1 op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet BIG de doorhaling van de inschrijving in het BIG-register van [betrokkene] voor zijn beroep als arts (onder [nummer .....] ) heeft aangetekend in het BIG-register met ingang van [dagtekening] juni 2016. Dit is [betrokkene] medegedeeld bij het primaire besluit 2. Verder is aan [betrokkene] kenbaar gemaakt dat het BIG-register de aantekening publiceert in de Staatscourant, in een regionale krant (Dagblad de Limburger), in het BIG-register en op de website van het BIG-register. Tevens is in het primaire besluit 2 aangegeven dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg en de GMC schriftelijk hiervan op de hoogte zijn gesteld.

33. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de hierboven vermelde artikelen van de Wet BIG dwingend geformuleerd zijn, hetgeen betekent dat wanneer aan de in deze artikelen vermelde voorwaarden is voldaan, verweerder gehouden is de doorhaling aan te tekenen in het BIG-register. Bovendien blijkt nergens uit de wet- en regelgeving dat de aantekening en openbaarmaking van een doorhaling vanwege een bevoegdheidbeperkende maatregel in het buitenland op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet BIG eerst kan plaatsvinden, indien de doorhaling onherroepelijk is. De inschrijving wordt doorgehaald als een dergelijke maatregel ten aanzien van een betrokkene van kracht is. Het plaatsen van een aantekening bij de doorhaling van de inschrijving vindt dus direct plaats, nadat de in het buitenland opgelegde bevoegdheidsbeperkingen door Nederland zijn overgenomen. De verwijzing door [betrokkene] naar teksten op de website van het BIG-register, kan hem niet baten, nu deze teksten over onherroepelijkheid uitsluitend betrekking hebben op maatregelen die zijn opgelegd door tuchtcolleges in Nederland. Deze teksten op de website zien dus niet op de situatie van [betrokkene] . Verweerder heeft zowel in het bestreden besluit 2 als in het verweerschrift dit betoog van [betrokkene] terecht verworpen.

34. Anders dan [betrokkene] stelt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van een onjuiste toelichting bij de aantekening en bekendmaking van de doorhaling in het BIG-register. De grondslag van voor de doorhaling van de inschrijving in het BIG-register is, zoals hiervoor reeds meermaals is aangegeven, gelegen in de in het Verenigd Koninkrijk aan eiser opgelegde tijdelijke bevoegdheidsbeperking. De reden waarom aan [betrokkene] in het Verenigd Koninkrijk een tijdelijke bevoegdheidsbeperking is opgelegd, is gelegen in het feit dat [betrokkene] onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt bij zijn aanvraag om ingeschreven te worden als arts in het Engelse BIG-register. Verweerder heeft dan ook terecht deze reden op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Wet BIG in het BIG-register vermeld en openbaar gemaakt.

35. Gelet op het vorenstaande kunnen de beroepsgronden van [betrokkene] niet slagen. Niet gebleken is dat het bestreden besluit 2 in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen.

36. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 dient ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding ex artikel 8:88 van de Awb en verzoek om proceskostenvergoeding:

37. Uit artikel 8:88, eerste lid, van de Awb volgt dat de rechtbank bevoegd is een bestuursorgaan op verzoek van een belanghebbende te veroordelen tot vergoeden van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van – kort gezegd – een onrechtmatig besluit, onrechtmatige handeling of het niet tijdig nemen van een besluit. Nu van deze situaties in dit geval geen sprake is, is de rechtbank niet bevoegd om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de gestelde schade. Het verzoek van eisers om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

38. Voor een proceskostenveroordeling (in beide beroepen) bestaat ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.