Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4292

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
04 6513642 CV 17-9389
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van accountantskantoor op BV en haar directeur. Eiseres niet ontvankelijk verklaard ten aanzien van vordering op directeur omdat facturen zijn gericht aan de BV en niet is onderbouwd op grond waarvan de directeur aansprakelijk kan worden gehouden voor de betaling daarvan. Vorderingen op BV toegewezen omdat facturen voldoende zijn gespecificeerd en niet is geklaagd. Tegenvordering afgewezen omdat aangetoond is dat steeds vooraf overleg is geweest over bijzondere werkzaamheden en facturen steeds zijn betaald. Niet onderbouwd dat fouten zijn gemaakt zodat gevorderde kosten ter zake van herstelwerkzaamheden worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6513642 \ CV EXPL 17-9389

Vonnis van de kantonrechter van 9 mei 2018

in de zaak van:

de naamloze vennootschap RSM NEDERLAND SERVICES N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. J.M. Wolfs,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] ,

2. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2],
wonend [adres gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] ,
[woonplaats gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. R.A. Wijnands.

Partijen worden hierna RSM en [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] genoemd.

1 De procedure

In conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de op 6 april 2018 nagekomen productie van de zijde van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2]

  • -

    de op 11 april 2018 gehouden comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil in conventie en in reconventie

In conventie

2.1.

RSM vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] tot betaling van € 2.567,12 aan hoofdsom en € 385,07 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] in de proceskosten en nakosten.

2.2.

RSM stelt daartoe – zakelijk weergegeven - dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] werkzaamheden heeft verricht die bestonden uit het maandelijks verzorgen van de loonadministratie, het jaarlijks opstellen van de aangifte vennootschapsbelasting en de aangifte inkomstenbelasting alsmede advieswerkzaamheden. Op de overeenkomst zijn de door RSM gebruikte algemene voorwaarden van toepassing. De verrichte werkzaamheden werden regelmatig gefactureerd. RSM stelt dat [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] de factuur d.d. 15 augustus 2015 ad € 721,46 en de factuur d.d. 17 oktober 2015 ad € 1.845,66 niet heeft betaald. RSM stelt verder dat zij genoodzaakt was haar vordering uit handen te geven aan haar incassogemachtigde en dat de daarmee gepaard gaande incassokosten ad

€ 385,07 op grond van de algemene voorwaarden voor rekening van [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] komen.

2.3.

[gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] voeren verweer. [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] erkennen dat zij aan RSM opdracht hebben gegeven voor het verrichten van diverse werkzaamheden, maar daaraan was jaarlijks een maximumbedrag van € 1.900,00 verbonden. In het geval meerwerk verricht zou moeten worden zou daarover van tevoren overleg plaats moeten vinden. Voorts stellen [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] dat RSM geen specificatie heeft gegeven van de verrichte werkzaamheden en evenmin van het beweerdelijk verrichte meerwerk. [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] zijn daarom van mening dat de vordering van RSM moet worden afgewezen.

In reconventie

2.4.

[gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] vorderen – samengevat – veroordeling van RSM tot betaling van een bedrag € 9.674,46 en een bedrag van € 2.323,20, vermeerderd met rente en kosten en veroordeling van RSM in de proceskosten en nakosten.

2.5.

[gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] stellen daartoe – zakelijk weergegeven – dat zij met RSM in 2012 en 2013 eveneens was overeengekomen dat RSM accountantswerkzaamheden zou verrichten. Voor het jaar 2012 voor een bedrag van € 2.850,00 en voor het jaar 2013 voor een bedrag van € 1.900,00, exclusief BTW. [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] stellen dat zij in de betreffende jaren voor een totaalbedrag van € 15.421,96 aan RSM hebben betaald. [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] zijn daarom van mening dat zij een bedrag van € 9.674,46 te veel aan RSM hebben betaald. Voorts stellen [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] dat RSM in 2012 en 2013 fouten heeft gemaakt met betrekking tot de aangiftes VPB alsmede met betrekking tot de aangiftes BTW. Volgens [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] werd dit geconstateerd door de nieuwe accountant B&S. De betreffende accountant heeft herstelwerkzaamheden moeten verrichten en de kosten daarvan hebben
€ 2.323,20 inclusief BTW bedragen. [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] zijn van mening dat RSM die herstelkosten dient te vergoeden.

2.6.

RSM betwist met klem dat zij in 2012 en 2013 ten onrechte extra werkzaamheden in rekening heeft gebracht. Alle gefactureerde werkzaamheden zijn daadwerkelijk verricht en daarover is steeds vooraf overleg geweest. Bovendien is de klachttermijn op grond van de algemene voorwaarden reeds lang verstreken. Verder stelt RSM dat zij de betreffende facturen had voorzien van een specificatie. RSM betwist verder dat zij meerdere aangiftes niet op de juiste wijze zou hebben opgesteld, dan wel dat zij fouten heeft gemaakt. Nergens blijkt uit dat door de belastingdienst hogere bedragen in rekening zijn gebracht en dat de nieuwe accountant van [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] zogenoemde herstelwerkzaamheden heeft moeten verrichten die tot teruggaaf van belasting en/of BTW hebben geleid. RSM is daarom van mening dat de vorderingen van [gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie] moeten worden afgewezen.

2.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in conventie en in reconventie

In conventie en in reconventie

3.1.

RSM heeft zowel [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV als [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] in rechte betrokken. De twee facturen die in deze procedure in het geding zijn, zijn echter beiden gericht aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV. Nu geen van deze facturen gericht is aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] valt – zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt – niet in te zien waarom [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] gehouden zou zijn deze te betalen. Dat betekent dat RSM niet ontvangen kan worden in haar vordering op [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] .

Omgekeerd geldt dat, nu ook de facturen waarvan wordt gesteld dat deze boven de afgesproken prijs uitgaan gericht waren aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV, aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] geen vorderingsrecht toekomt ter zake van vorderingen van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV op RSM, zodat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] ter zake van die vorderingen niet ontvangen kan worden.

Als procespartijen worden derhalve RSM en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV aangemerkt. Partijen worden hierna verder RSM en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV genoemd.

In conventie

3.2.

De bezwaren van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV tegen betaling van de facturen van 15 juli 2015 en
18 september 2015 houden in dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV van mening is dat voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden een bedrag van € 1.900,00 exclusief BTW was afgesproken, dat voor extra werkzaamheden vooraf overleg zou plaatsvinden, hetgeen niet is gebeurd, de gefactureerde werkzaamheden gespecificeerd zouden worden, hetgeen RSM eveneens heeft nagelaten en voorts dat extra in rekening gebrachte werkzaamheden waren inbegrepen in de overeengekomen zogenoemde budgetwerkzaamheden. Dit verweer slaagt echter niet. Uit de overgelegde stukken blijkt dat bij de facturen steeds een afzonderlijke onderbouwing werd gevoegd waarin is vermeld welke activiteit werd uitgevoerd, door wie deze werd uitgevoerd en op welke datum, tegen welk uurtarief en hoeveel uren in rekening zijn gebracht. Ook blijkt uit de door RSM overgelegde (email-) correspondentie en de tijdens de comparitie van partijen gegeven toelichting in voldoende mate dat meerdere malen overleg is geweest over te verrichten extra werkzaamheden en dat het [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV voldoende duidelijk moet zijn geweest dat het extra werkzaamheden betrof die niet binnen het budget vielen, zodat die werkzaamheden afzonderlijk gefactureerd zouden worden.

3.3.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering van RSM worden toegewezen alsmede de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente vanaf de respectieve vervaldata van de facturen.

3.4.

RSM maakt verder aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden. De gevorderde kosten ad € 385,07, zijnde 15% van de hoofdsom, acht de kantonrechter redelijk en in redelijkheid gemaakt, zodat deze eveneens zullen worden toegewezen.

In reconventie

3.5.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV vordert van RSM betaling van een bedrag van € 9.674,46. Volgens [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV heeft zij dit bedrag onverschuldigd aan RSM betaald dan wel is RSM tot dit bedrag ongerechtvaardigd verrijkt. Volgens [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV heeft hij in 2014/2015 in totaal een bedrag van € 15.421,96 betaald en had hij op grond van de aanvaarde offerte een bedrag van € 5.647,50 hoeven te betalen. RSM stelt dat deze werkzaamheden allemaal in overleg met [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV zijn verricht. Daaromtrent overweegt de kantonrechter het volgende.

Blijkens de door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV overgelegde specificatie (productie 6 bij de conclusie van antwoord in conventie eis in reconventie) heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV in de periode van 7 maart 2014 tot en met 23 oktober 2015 aan RSM in totaal betaald € 13.140,52. Wordt dit bedrag vermeerderd met de hiervoor in conventie in geding zijnde facturen ad € 2.567,12, dan zou [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] een totaalbedrag van € 15.707,42 aan RSM betaald hebben. Rekenkundig is de vordering van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV derhalve niet juist. Wat daarvan verder ook zij, vastgesteld kan worden dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] de facturen zoals vermeld op productie 6 heeft behouden en, al dan niet na overleg met RSM, heeft betaald. Het bezwaar van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV tegen de facturen – het totaal is meer dan afgesproken – is gemakkelijk vast te stellen. Er is dan ook niet goed voorstelbaar waarom [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV niet direct zou hebben geklaagd. In plaats van direct te klagen betaalt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV echter de facturen. En als er overleg plaatsvindt met RSM leidt dat er toe dat er wederom wordt betaald. In dat licht bezien kan de kantonrechter maar een conclusie trekken en dat is dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV deze facturen heeft geaccepteerd.

Ter zitting is nog aangevoerd dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV onder druk moest betalen omdat RSM anders haar werkzaamheden zou staken, maar daar blijkt volstrekt onvoldoende van. De kantonrechter zal dan ook aan die stelling voorbij gaan.

Het gevorderde bedrag ad € 9.674,46 zal derhalve worden afgewezen.

3.6.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV vordert voorts een bedrag van € 2.323,20 omdat RSM fouten gemaakt zou hebben bij de samenstelling van de VPB aangiftes 2012 en 2013 en RSM ten onrechte over het jaar 2006 een te betalen post BTW op de jaarrekening zou hebben opgevoerd. Volgens [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV dienden herstelwerkzaamheden te worden verricht door zijn huidige accountant en hebben de kosten van die herstelwerkzaamheden € 2.323,20 bedragen. Ter onderbouwing van die vordering heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV een aantal facturen overgelegd van B&S advies en administratie. Uit die facturen blijkt weliswaar dat onder andere werkzaamheden zijn verricht ter zake van bezwaar 2013 VPB en Bezwaarschrift VPB 2012/2013, maar niet dat die bezwaarschriften te maken hebben met door RSM gemaakte fouten. Ingeval sprake zou zijn van door B&S advies en administratie noodzakelijk verrichte herstelwerkzaamheden als gevolg van door RSM gemaakte fouten, had het voor de hand gelegen dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV een verklaring in het geding zou hebben gebracht met een precieze omschrijving van de reden van de verrichte herstelwerkzaamheden. Met betrekking tot de door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV gestelde fouten ter zake van BTW aangifte geldt hetzelfde. Daarvan ontbreekt ook elke concrete onderbouwing. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV heeft daarvan ook geen specifiek bewijsaanbod gedaan. Deze vordering zal derhalve eveneens als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

3.7.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3.8.

Met betrekking tot de vordering van RSM om [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV te veroordelen in de reële dan wel volledige advocaatkosten oordeelt de kantonrechter als volgt. Deze vordering is alleen toewijsbaar in geval sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het innemen van een standpunt, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als gedaagde zijn standpunt baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van of verweer voeren in een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

3.9.

Anders dan RSM is de kantonrechter van oordeel dat in dit geval aan bovengenoemd criterium niet wordt voldaan. De oorspronkelijke vordering is immers niet ingesteld door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV, zodat van misbruik van procesrecht geen sprake kan zijn. Niet gezegd kan worden dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV verweer in strijd met de waarheid heeft gevoerd. Het verweer is alleen niet gehonoreerd omdat een en ander niet is komen vast te staan. Evenmin kan gezegd worden dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV onrechtmatig tegenover RSM heeft gehandeld. RSM heeft dat ook niet onderbouwd. Dat betekent dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV zal worden veroordeeld in de geliquideerde proceskosten aan de zijde van RSM gerezen en die kosten worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 86,78

  • -

    griffierecht 470,00

  • -

    salaris gemachtigde conventie 350,00 (2 x tarief € 175,00)

  • -

    salaris in reconventie 250,00 ( 2 x 0,5 x tarief € 250,00)

totaal € 1.156,78.

4 De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter

in conventie

4.1.

verklaart RSM niet ontvankelijk in haar vorderingen op [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] ;

4.2.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan RSM te betalen een bedrag van € 2.952,19, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 721,46 vanaf 15 augustus 2015, over € 1.845,66 vanaf 17 oktober 2015 en de wettelijke rente over € 385,07 vanaf 27 november 2017, telkens tot de dag van volledige betaling;

in reconventie

4.3.

verklaart [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 2] niet ontvankelijk in zijn vorderingen op RSM;

4.4.

wijst de vorderingen van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV af;

in conventie en in reconventie

4.5.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie sub 1] BV in de proceskosten aan de zijde van RSM gevallen en tot op heden begroot op € 1.156,78

4.6.

verklaart de hiervoor onder 4.2. en 4.7. uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken.

type: FL

coll: