Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4288

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-05-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
03/065435-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met dodelijk slachtoffer. Vrijspraak artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte bij het keren op de weg, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de bromfietser aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien, hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, levert nog geen schuld op in de zin van artikel 6. Veroordeling voor artikel 5 Wegenverkeerswet 1994. Door te keren op een weg en hierbij geen voorrang aan de bromfietser te verlenen, heeft de verdachte zich zodanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg is ontstaan. Taakstraf 40 uur voorwaardelijk, rekening houdend met tijdsverloop en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/065435-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A. Çinar en mr. A.B.E. van Kan, advocaten kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 april 2018. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte met zijn auto een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] om het leven is gekomen dan wel dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, omdat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen door zijn auto te keren op de weg en zich er onvoldoende van te verzekeren dat hij dit kon doen zonder andere weggebruikers in gevaar te brengen en zonder [slachtoffer] voorrang te verlenen.

De officier van justitie heeft in dit verband naar voren gebracht dat de verdachte bezig was met het uitvoeren van een bijzondere verrichting en er daarom een zorgplicht op hem rustte. Vaststaat dat wanneer de verdachte voorrang aan [slachtoffer] had verleend, het ongeval niet had plaatsgevonden. De officier van justitie is van oordeel dat op basis van de inhoud van het procesdossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte, rijdende over de Nicolaas Beetsstraat te Heerlen, besloot zijn auto te keren. De verdachte heeft vervolgens zijn richtingaanwijzer naar rechts aangezet, heeft zowel over zijn rechterschouder als in de autospiegel(s) gekeken en is, toen hij geen ander verkeer zag, de aan de rechterzijde van de rijstrook gelegen parkeerstrook opgereden. De verdachte heeft vervolgens in één beweging zijn auto gekeerd, door zijn richtingaanwijzer naar links aan te zetten en linksom te sturen. Op het moment dat de verdachte met zijn auto op de weg aan het keren was, heeft een botsing met [slachtoffer] plaatsgevonden. De verdachte had zich op het moment van wegrijden vanaf de parkeerstrook opnieuw ervan moeten verzekeren dat er geen verkeer in aantocht was. Nu de verdachte volgens de officier van justitie ter terechtzitting heeft verklaard dat hij heeft gekeken of er geen verkeer kwam op het moment dat hij de parkeerstrook opreed en daarna pas weer toen hij al doende was met het keren op de weg, maakt naar het oordeel van de officier van justitie dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

Op basis van de inhoud van het procesdossier kan volgens de officier van justitie niet worden vastgesteld dat de verdachte tijdens het veroorzaken van het ongeval op enigerlei was afgeleid, bijvoorbeeld door het gebruik van zijn mobiele telefoon of dat de verdachte onder invloed was van alcohol of drugs.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsmannen mr. A. Çinar en mr. A.B.E. van Kan hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging, zoals uiteengezet in de door de verdediging overgelegde pleitnota.

Zij hebben hiertoe aangevoerd dat uit het strafdossier niet overtuigend naar voren is gekomen dat aan de verdachte enig verwijt kan worden gemaakt. Het feit dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de verdediging niet aan de verdachte te wijten. De raadsmannen zijn voorts van oordeel dat het rapport van de afdeling VerkeersOngevallenAnalyse van de politie gebreken vertoont. De botsproeven zijn niet met gelijksoortige voertuigen uitgevoerd en bij de berekening van de gereden snelheden is in dit kader geen correctie doorgevoerd, met als gevolg dat de conclusie in dit rapport, inhoudende dat wanneer de bromfiets 45 kilometer per uur had gereden er ook een botsing zou hebben plaatsgevonden, onjuist is. De verdediging betrekt dan ook de stelling dat de opstellers van het rapport ter zake ofwel fouten hebben gemaakt ofwel onvoldoende deskundig zijn. De verdediging verzoekt, indien bij de rechtbank eveneens twijfels over de juistheid van de inhoud van het rapport zijn gerezen, het onderzoek in de strafzaak te schorsen en een nieuw c.q. aanvullend deskundigenonderzoek te gelasten.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie de verklaring van de verdachte ter terechtzitting verkeerd heeft geïnterpreteerd. De verdachte heeft verklaard vaart te hebben geminderd voorafgaand aan het keren op de weg, over zijn schouder en in zijn spiegels te hebben gekeken en vervolgens in één vloeiende beweging zijn auto te hebben gekeerd. De verdachte heeft op dit punt geen verkeers- of kijkfout gemaakt, aldus de verdediging.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 25 maart 2016 omstreeks 16:32 uur reed de verdachte als bestuurder van een personenauto (Renault Laguna) over de Nicolaas Beetsstraat te Heerlen, komende uit de richting van de Voskuilenweg en rijdende in de richting van de Staringstraat. Op datzelfde moment reed [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ) als bestuurder van een bromfiets op diezelfde weg en komende uit diezelfde richting.2 De verdachte wilde, blijkens zijn verklaring bij de politie en herhaald ter terechtzitting, de auto keren om zijn weg in tegenovergestelde richting te vervolgen. Op het moment dat de verdachte bezig was met het keren van zijn auto op de weg en zich met zijn voertuig al op de linker weghelft (vanuit [slachtoffer] positie gezien) bevond, is [slachtoffer] met zijn bromfiets tegen de zijkant van de auto gebotst. Ten gevolge van deze botsing is [slachtoffer] later die dag in het ziekenhuis overleden.3

Het verwijt dat de verdachte in de kern wordt gemaakt is dat hij op de Nicolaas Beetsstraat heeft gekeerd op de weg en dat hij [slachtoffer] hierbij geen voorrang heeft verleend dan wel tijdens het keren niet goed heeft opgelet. Buiten kijf staat dat de gevolgen van het verkeersongeval dramatisch zijn.

De inhoud van het dossier

De getuige [getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1] ) heeft verklaard dat hij op 25 maart 2016 omstreeks 16:30 uur over de Nicolaas Beetsstraat te Heerlen liep. [getuige 1] hoorde een bromfiets aan komen rijden, deze bromfiets reed in dezelfde richting als [getuige 1] liep. [getuige 1] hoorde een hard geluid. Hij dacht eerst even dat het een motor was. Toen de bromfiets voorbij reed zag hij dat de bromfiets een bromfietsplaatje had. [getuige 1] keek de bromfiets na omdat hij vond dat hij hard reed. [getuige 1] kan niet goed omschrijven waardoor hij vond dat de bromfiets hard reed. Maar hij weet dat andere bromfietsen normaal langzamer rijden. [getuige 1] zag opeens dat een personenauto aan het keren was op de weg. Op het moment dat de getuige dit zag stond de auto al gedeeltelijk op de weg. De getuige zag dat de bromfiets tegen de zijkant van de auto aan botste. [getuige 1] heeft geen remlicht gezien bij de bromfiets. Hij zag ook niet dat de bromfiets snelheid verminderde. [getuige 1] zag wel dat de bestuurder van de bromfiets reageerde voor de botsing, hij zag dat de bromfiets iets naar rechts stuurde.4

De getuige [getuige 2] (hierna te noemen: [getuige 2] ) heeft verklaard dat zij zich samen met [getuige 1] op de Nicolaas Beetsstraat bevond. In een parkeervak aan de rechterkant van de weg stond een auto stil. [getuige 2] zag dat deze personenauto vanuit het parkeervak de weg op draaide en omkeerde. De auto maakte een ronding en maakte hierbij langzaam de bocht. [getuige 2] zag dat de auto bij het keren midden op de weg stond. [getuige 2] zag vervolgens dat een motor kwam aanrijden en in de auto reed. De motor reed aan de kant van de bestuurder, ter hoogte van de deur van de bestuurder, tegen de auto aan. De motor reed volgens [getuige 2] harder dan ter plaatse is toegestaan. Dit denkt [getuige 2] omdat de klap heel hard was. [getuige 2] heeft de motor niet horen remmen. Zij zag dat de motor in een rechte lijn richting de auto reed, de motor week niet uit. Er bevond zich geen ander verkeer op de weg. [getuige 2] heeft vervolgens het alarmnummer gebeld.5

[slachtoffer] is na het ongeval naar het ziekenhuis in Heerlen overgebracht, alwaar artsen zijn begonnen met het opereren van [slachtoffer] . Door de hoge mate van inwendig letsel heeft [slachtoffer] veel bloed verloren en is hieraan komen te overlijden.6

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, rijdende over de Nicolaas Beetsstraat, zich herinnerde dat hij een afspraak had in Landgraaf en vervolgens besloot om te keren op de weg. De verdachte wilde daartoe een parkeerstrook aan de rechterzijde van de rijstrook op te rijden (de rechtbank merkt in dit verband op dat wanneer in dit vonnis over links of rechts dan wel voor of voorbij wordt gesproken, dat dit is gezien vanuit de richting van de Voskuilenweg en gezien in de richting van de Staringstraat, hetgeen tevens de rijrichting van zowel de verdachte als van [slachtoffer] was), omdat hij dan voldoende ruimte had om de keermanoeuvre in één keer uit te voeren. De verdachte heeft vervolgens over zijn schouder naar rechts en in de autospiegels gekeken. Toen hij geen ander verkeer zag heeft de verdachte de richtingaanwijzer naar rechts aangezet en is vervolgens de parkeerstrook opgereden. De verdachte heeft voorts verklaard de richtingaanwijzer naar links te hebben aangezet en in één beweging vanaf de parkeerstrook te zijn begonnen met het keren van zijn auto door naar links te sturen. Tijdens het keren heeft de verdachte naar links gekeken. De verdachte heeft verklaard [slachtoffer] tot het moment van de botsing niet te hebben gezien.7

In het proces-verbaal van de afdeling VerkeersOngevallenAnalyse van de politie (hierna te noemen: de VOA) staat ten aanzien van de relevante omstandigheden ten tijde van het ongeval het volgende vermeld. Ten tijde van het ongeval was het dag en dus licht. Het was bewolkt en er viel regen. Het wegdek was verhard en normaal onderhouden. De weg was vrij te overzien over een afstand van 200 meter. De auto van verdachte verkeerde in een voldoende rij technische staat van onderhoud. De bromfiets van [slachtoffer] bleek te zijn “opgevoerd” tot een snelheid van (na correctie) 81 kilometer per uur. [slachtoffer] droeg een goedgekeurde helm.

Ten aanzien van de toedracht, de oorzaak, het gevolg en de vermijdbaarheid van het ongeval is in het rapport van de VOA het volgende vermeld.

De verdachte reed over de Nicolaas Beetsstraat te Heerlen. [slachtoffer] reed op ruime afstand achter de verdachte. De verdachte heeft vervolgens zijn auto gekeerd. Hij reed hiertoe vanaf de rijstrook naar de parkeerstrook rechts en keerde vervolgens zijn voertuig linksom. [slachtoffer] is vervolgens met de voorzijde van zijn bromfiets tegen de linkerzijde van de auto van de verdachte gebotst. Doordat de verdachte een bijzondere manoeuvre aan het uitvoeren was en daarbij [slachtoffer] niet voor liet gaan en/of doordat de bestuurder van de bromfiets reed met een snelheid die hoger was dan de voor hem geldende maximumsnelheid, zijn de voertuigen met elkaar in botsing gekomen. Ten gevolge van de letsels die hij opliep bij de botsing met de auto van de verdachte, is [slachtoffer] overleden. Indien de verdachte [slachtoffer] voor had laten gaan, had het ongeval niet plaatsgevonden. De politie heeft voorts geconcludeerd dat de verdachte vanuit zijn positie [slachtoffer] had kunnen waarnemen.8

In het rapport is onderzoek gedaan naar de mogelijke snelheid van de auto en de bromfiets tijdens het ongeval. Hiervoor is gebruik gemaakt van door het Nederlands Forensisch Instituut geselecteerde botsproeven met zwaardere voertuigen die onder een andere hoek hebben plaatsgevonden. Op basis van deze botsproeven en daarop toegepaste correcties, komt de VOA tot de conclusie dat de botssnelheid van de bromfiets gelegen moet hebben tussen 48 en 75 kilometer per uur, waarbij een botssnelheid van 48 kilometer per uur minder waarschijnlijk wordt geacht dan 75 kilometer per uur.9

Het oordeel van de rechtbank

Het primair tenlastegelegde, artikel 6 van de Wegenverkeerswet

Van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of hiervan sprake is hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2208). Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Zo heeft de Hoge Raad in een andere zaak overwogen dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de motorrijdster aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet kan volgen dat de verdachte, zoals in de aangehaalde zaak is bewezenverklaard ‘aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden’ (HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544). Gelet hierop kan het niet verlenen van voorrang eigenlijk pas als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend worden aangemerkt wanneer daaraan gedrag ten grondslag ligt dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. Dit gedrag bestaat dan niet uit de verkeersovertreding van het niet verlenen van voorrang zelf, maar uit gedrag dat aan die verkeersovertreding vooraf gaat of daarmee samenvalt, bijvoorbeeld het er niet alles aan doen om de voorrangsgerechtigde waar te nemen, niet kijken dus.

In de voorliggende zaak staat op basis van de inhoud van het dossier vast dat de verdachte bezig was met het keren op de weg op het moment dat [slachtoffer] met zijn bromfiets in botsing met de auto van de verdachte is gekomen. Het keren op de weg is een bijzondere manoeuvre in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarbij de uitvoerder van deze manoeuvre met het overige verkeer rekening moet houden en voorrang moet verlenen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door geen voorrang te verlenen aan [slachtoffer] tijdens het keren op de weg, omdat hij [slachtoffer] niet had waargenomen ondanks dat hij (in zijn spiegel(s)) had gekeken, een verkeersfout heeft gemaakt. De gevolgen hiervan zijn bijzonder ernstig en tragisch. Deze verkeersfout op zich is echter niet voldoende om te kunnen spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij alvorens te gaan keren over zijn schouder naar rechts en in de autospiegels heeft gekeken en in één beweging vanaf de parkeerstrook zijn auto wilde keren door naar links te sturen. Tijdens het keren heeft de verdachte naar links gekeken. Hiermee heeft de verdachte het nodige gedaan om de bromfiets waar te nemen. Bijkomende gedragingen die zouden kunnen meebrengen dat aan de verdachte een schuldverwijt in de zin van dit artikel kan worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld bellen tijdens het rijden of het verkeren onder invloed van drugs dan wel alcohol, worden verdachte niet verweten en zijn uit het procesdossier ook niet af te leiden. De verdachte zal dan ook van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank acht voor dit oordeel de door [slachtoffer] gereden snelheid niet van belang. Het door de verdediging – in voorwaardelijke zin gedane – verzoek om nader deskundigenonderzoek in de vorm van nieuwe botsproeven te gelasten, wordt dan ook afgewezen, nu dit niet noodzakelijk wordt geacht.

Het subsidiair tenlastegelegde, artikel 5 van de Wegenverkeerswet

Volgens dit artikel is strafbaar degene die gevaar of hinder op de weg veroorzaakt of zich zodanig gedraagt dat gevaar of hinder op de weg kan ontstaan.

Door te keren op een weg – waarbij verdachte op een bepaald ogenblik met zijn auto dwars over de weg stond – en hierbij geen voorrang te verlenen, heeft verdachte zich zodanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg ontstond. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte door zijn handelen gevaar heeft veroorzaakt.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 25 maart 2016 in de gemeente Heerlen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Nicolaas Beetsstraat, op zodanige wijze heeft gereden dat gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

subsidiair

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 200 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden. De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn strafeis rekening gehouden met het tijdsverloop in onderhavige strafzaak.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop in onderhavige strafzaak.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte reed op 25 maart 2016 met zijn auto op de Nicolaas Beetsstraat te Heerlen toen hij besloot zijn auto te keren. De verdachte heeft tijdens het keren een gevaarlijke situatie veroorzaakt. [slachtoffer] is vervolgens met zijn bromfiets tegen de zijkant van de auto gebotst en is even later aan zijn verwondingen overleden. Indien de verdachte [slachtoffer] had gezien en voorrang zou hebben verleend, dan zou het ongeval niet hebben plaatsgevonden en zou [slachtoffer] niet de dood hebben gevonden. Met die wetenschap zal de verdachte moeten leven.

Ter terechtzitting hebben de ouders van [slachtoffer] schriftelijke slachtofferverklaringen voorgelezen. Uit deze verklaringen blijken de ingrijpende en tragische gevolgen van het verkeersongeval voor de ouders, het broertje en de familie van [slachtoffer] . Een jongeman van slechts 18 jaren oud heeft zijn leven verloren. Zijn ouders en broertje zijn intens verdrietig en missen [slachtoffer] elke dag. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht kan doen aan het feit dat [slachtoffer] is overleden en aan het verdriet van de nabestaanden.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank, behalve met de ernst van de feiten, rekening met het volgende.

De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij korte tijd na het ongeval, te weten op 20 april 2016, met een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt terwijl hij onder invloed van alcohol was. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 maart 2018 blijkt voorts dat de verdachte in het verleden, ook voorafgaand aan het onderhavige ongeval, meerdere keren ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld.

Tegenover de strafverzwarende omstandigheden weegt bij de strafoplegging mee dat de redelijke termijn waarbinnen de verdachte berecht had moeten worden, is overschreden. De rechtbank houdt voorts rekening met het gegeven dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu de verdachte zich na het plegen van het tenlastegelegde feit bij de politierechter heeft moeten verantwoorden en toen ook is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die in het verleden in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit zal de rechtbank afwijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Het primair tenlastegelegde betreft een misdrijf, terwijl de verdachte door de rechtbank wordt veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde, zijnde een overtreding. Dit brengt met zich dat andere straffen van toepassing zijn.

Alles overwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren passend. Deze voorwaardelijke straf dient als ‘stok achter de deur’. De rechtbank zal de proeftijd stellen op een termijn van twee jaren.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiair tot een taakstraf voor de duur van 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux, voorzitter, mr. D. Osmić en

mr. J.A.A.C. Claessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.M. Voncken, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 mei 2018.

Buiten staat

Mr. J.A.A.C. Claessen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 maart 2016 in de gemeente Heerlen als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(personenauto), daarmede rijdende over de weg, Nicolaas Beetsstraat, zich
zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval
heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] ,
werd gedood, welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig
en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte,
voornoemde auto heeft gekeerd op de weg en/of er zich (bij deze bijzondere
manoeuvre) niet voldoende van heeft vergewist dat hij dit kon doen zonder
andere weggebruikers in gevaar te brengen en/of zonder (daarbij) een op
die weg naderende bestuurder van een bromfiets, zijnde voornoemde [slachtoffer]
van Hemert, voor te laten gaan,
tengevolge waarvan een aanrijding/botsing is ontstaan tussen de door hem
bestuurde auto en die bromfiets(er);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 maart 2016, in de gemeente Heerlen als bestuurder
van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Nicolaas
Beetsstraat, zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig
en/althans op zodanige wijze is gaan keren en/althans zo onvoorzichtig
en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/althans op zodanige wijze
heeft gereden, dat/waardoor hij met het door hem bestuurde voertuig in
botsing althans aanrijding is gekomen met een (dicht) achter hem
naderende althans achter hem rijdende bromfiets , door welke
gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans
kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2016053728-1, gesloten d.d. 8 augustus 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 37.

2 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 8 augustus 2016, doorgenummerd van pagina 3 tot en met 8 en het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, afzonderlijk doorgenummerd van pagina 1 tot en met 22.

3 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 8 augustus 2016, doorgenummerd van pagina 3 tot en met 8 en het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, afzonderlijk doorgenummerd van pagina 1 tot en met 22.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 26 maart 2016, pagina’s 17 en 18 van de doornummering.

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 25 maart 2016, pagina’s 19 en 20 van de doornummering.

6 Proces-verbaal lijk d.d. 26 maart 2016, pagina 16 van de doornummering.

7 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 april 2018.

8 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, afzonderlijk doorgenummerd van pagina 1 tot en met 22.

9 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, afzonderlijk doorgenummerd van pagina 1 tot en met 22.