Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4263

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
03/721281-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt verdachte vrij van poging doodslag, poging zware mishandeling en bedreiging. Niet duidelijk is waar de aangever stond op het moment dat de verdachte zijn wapen afvuurde. Wel veroordeling ter zake van bedreiging van ex-vriendin en beschadiging woonwagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/721281-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven [adres verdachte] ,

gedetineerd in PI Sittard te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat kantoorhoudende te Cadier en Keer.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 april 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven en na wijziging van de tenlastelegging, op neer dat de verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te doden, hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel [slachtoffer 1] heeft bedreigd, door met een wapen in de richting van [slachtoffer 1] te schieten;

Feit 2: [slachtoffer 2] heeft bedreigd door een wapen op haar te richten en munitie aan haar te tonen;

Feit 3: de woonwagen van [slachtoffer 3] heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet bewezen dat de verdachte in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten en dus moet de verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder feit 1, ook van de varianten. De officier van justitie acht wel bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte is midden in de nacht naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan en heeft daar een wapen op [slachtoffer 2] gericht, waardoor zij zich bedreigd voelde. Daarnaast acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte de woonwagen van [slachtoffer 3] heeft beschadigd. De verdachte heeft bekend dat hij met het wapen heeft geschoten. De projectielen die zijn aangetroffen in de woonwagen van [slachtoffer 3] passen bij de hulzen die op het wegdek voor de wagen van [slachtoffer 3] zijn aangetroffen. Er is niks over bekend dat rond 12 augustus 2017 iemand anders op de locatie zou hebben geschoten. De verdachte heeft door te schieten de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij iets zou raken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 1. De verklaringen van de getuigen over waar [slachtoffer 1] precies stond op het moment dat de verdachte schoot lopen zeer uiteen. De verdachte heeft [slachtoffer 1] niet gezien. Daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen, danwel te bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. [slachtoffer 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat ze wist dat de verdachte haar niets zou aandoen. Zij is zelfs achter de verdachte aan gerend toen hij naar de auto liep. Verbalisant [verbalisant] heeft aangegeven dat [slachtoffer 2] in de uren na het incident heel rustig was. Ze voerden een luchtig gesprek over de uitgaansjurk van [slachtoffer 2] . Er is geen sprake van een bedreiging.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder feit 3. De kogelinslagen zijn pas geruime tijd na 12 augustus 2017 aangetroffen. Het staat niet vast dat de aangetroffen hulzen horen bij de in de woonwagen aangetroffen projectielen. De verdachte heeft verklaard dat hij in de lucht heeft geschoten. Niemand heeft inslagen gehoord.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de woonwagen van [slachtoffer 3] heeft beschadigd.

De rechtbank acht feit 1 in geen van de tenlastegelegde varianten bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Hieronder zal de rechtbank per feit de bewijsmiddelen bespreken en motiveren waarom zij ten aanzien van feit 1 tot een vrijspraak komt.

Feit 2

Op 12 augustus 2017 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte. Haar relatie met de verdachte is drie à vier weken geleden tot een einde gekomen. Zij hebben nog wel normaal contact met elkaar. Sinds drie weken is [slachtoffer 1] haar nieuwe vriend. Op
12 augustus 2017 is aangeefster met [slachtoffer 1] op stap geweest. Rond 04:00 uur zijn ze met de taxi naar huis gegaan. Tijdens de taxirit heeft de verdachte heel vaak naar aangeefster gebeld en schreeuwde hij door de telefoon. Hij zei dat hij haar zou komen halen. De taxichauffeur heeft aangeefster en [slachtoffer 1] bij de woonwagen van [slachtoffer 1] aan de [adres slachtoffer 1] te Maastricht afgezet. [slachtoffer 1] ging nog even naar een vriend die een paar wagens verder woont. Aangeefster is de woonwagen van [slachtoffer 1] binnengegaan. Op dat moment belde de verdachte haar. Hij zei dat zij naar buiten moest komen en dat hij voor de deur stond. Aangeefster is naar de veranda gegaan om het elektrische rolluik naar beneden te doen. Plotseling kroop de verdachte onder het rolluik door. Hij bleef onder het rolluik zitten. Aangeefster zag dat de verdachte een klein pistool op haar richtte. De verdachte hield het pistool in zijn rechterhand. Aangeefster kon recht in de loop van het pistool kijken. Aangeefster zag dat de verdachte kogels in zijn andere hand had. Hij liet de kogels aan haar zien. Toen de verdachte zag dat aangeefster aan het bellen was, is hij weggegaan. Aangeefster is direct achter de verdachte aangerend, omdat zij bang was dat de verdachte naar [slachtoffer 1] zou gaan. De verdachte liep naar een auto toe. Hij stapte aan de passagierskant in de auto. Aangeefster trok het achterportier van de auto open. Op dat moment riep de verdachte tegen de bestuurder ‘rij weg, rij weg’. Tijdens het wegrijden van de auto hoorde aangeefster de verdachte drie keer schieten.2

Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij bang was dat de verdachte zou schieten. Drie of vier dagen voor het incident had de verdachte tegen aangeefster gezegd dat als hij haar niet kon krijgen, dat niemand haar zou krijgen. Ook had hij gezegd dat hij degene waar zij een relatie mee zou krijgen, zou doodmaken.3

Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat ze bang was dat de verdachte op haar zou schieten. Ze voelde zich wel bedreigd, want de verdachte had een pistool bij zich.4

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het wapen op aangeefster [slachtoffer 2] heeft gericht en haar de kogels heeft laten zien.

Overwegingen en conclusie van de rechtbank ten aanzien van het verweer van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat onder de gegeven omstandigheden geen sprake is van een bedreiging. De rechtbank verwerpt het verweer. Voor strafbaarheid is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan doen oproepen.

Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd, namelijk door midden in de nacht een wapen op haar te richten en haar kogels te laten zien, is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging van dien aard is en onder zulke omstandigheden is gedaan dat de bedreiging in het algemeen de hiervoor beschreven vrees kan doen oproepen.

Feit 3

Op 28 augustus 2017 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan van beschadiging van zijn woonwagen op het adres [adres slachtoffer 3] te Maastricht. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat op 12 augustus 2017 rond 04:30 uur voor zijn woning was geschoten. Van het schieten had hij toen niets gemerkt. Een paar dagen later, toen [slachtoffer 3] zijn woonwagen aan de buitenkant aan het schoonmaken was, zag hij dat er twee kogelgaten in de voorwand zaten en dat er één kogelgat in het rolluik zat.5

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 12 augustus 2017 op het woonwagenkamp in Maastricht met een vuurwapen in de lucht heeft geschoten. Hij heeft ontkend op een woonwagen te hebben geschoten.

Op de plaats delict zijn drie hulzen aangetroffen. Het projectiel in het rolluik van de woning van [slachtoffer 3] is veiliggesteld.

Er is onderzoek gedaan naar de beschadigingen aan de woning van [slachtoffer 3] . De conclusie op basis van dit onderzoek is dat, gelet op de beschadigingen aan de gevel, kan worden gesteld dat de projectielen vanaf het wegdek van de openbare weg in de richting van de voorgevel van de woning zijn afgevuurd. De exacte plaats van de schutter kon niet worden vastgesteld.

Met betrekking tot de aangetroffen schotbeschadigingen zijn 2 hypothesen opgesteld:

  1. Er werden een drietal schoten in de richting van de woonwagen afgevuurd;

  2. Er werden een drietal schoten in de lucht afgevoerd.

Hypothese 1 is vele malen waarschijnlijker dan hypothese 2. Gezien de fysieke afstand van de schutter tot de woonwagen is het zeer onwaarschijnlijk dat de aangetroffen beschadigingen zijn ontstaan door naar beneden gevallen projectielen.6

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris en op de terechtzitting verklaard dat hij in de vroege ochtend van 12 augustus 2017 op het woonwagenkamp in Maastricht met een wapen in de lucht heeft geschoten. De auto waarin hij zat toen hij schoot reed toen over de [straat 1] in Maastricht. De auto reed in de richting van de [straat 2] . Enkele dagen na 12 augustus 2017 heeft [slachtoffer 3] in de gevel van zijn woonwagen kogelinslagen aangetroffen. De woonwagen van [slachtoffer 3] staat aan de [straat 1] in Maastricht.

Noch uit het dossier noch anderszins is gebleken van een ander schietincident aan de [straat 1] in Maastricht op of rond 12 augustus 2017. Toen de verdachte zijn wapen afvuurde reed de auto waarin hij zat in de richting van de [straat 2] . De woonwagen van [slachtoffer 3] staat dan aan de zijde van de zitplaats van de verdachte7. De rechtbank acht voldoende bewijs aanwezig dat de projectielen aangetroffen in de gevel van de woning van [slachtoffer 3] , door de verdachte op 12 augustus 2017 zijn afgevuurd.

De rechtbank gaat er niet vanuit dat de verdachte toen hij zijn wapen afvuurde de bedoeling had om de woning van [slachtoffer 3] te raken. Daar is ook geen bewijs voor. Wel acht de rechtbank voorwaardelijk opzet van de verdachte op het beschadigen van de woonwagen van [slachtoffer 3] aanwezig.

De rechtbank is, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, van oordeel dat de verdachte door in de nacht en in het wilde weg met een vuurwapen te schieten op een plek waar woonwagens zijn gelegen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een of meer van de door hem afgevuurde kogels een woonwagen zouden raken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte de woonwagen van [slachtoffer 3] opzettelijk heeft beschadigd.

Vrijspraak van feit 1

De verdachte is in de nacht van 12 augustus 2017 naar de woonwagen van [slachtoffer 1] gegaan, omdat hij wist dat zijn ex-vriendin [slachtoffer 2] daar zou zijn. Bij de woonwagen is [slachtoffer 2] door de verdachte bedreigd met een wapen. [slachtoffer 1] kwam aangelopen. [slachtoffer 1] zag de verdachte een wapen in zijn handen had. Toen de verdachte zei dat hij weg moest gaan, is [slachtoffer 1] weggelopen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft opgelet waar [slachtoffer 1] heen liep toen hij hem had weggestuurd. Hij wilde met [slachtoffer 2] praten en was alleen op haar gefocust. Hij heeft [slachtoffer 1] ook niet meer gezien.

[slachtoffer 1] heeft op 13 augustus 2017 bij de politie het volgende verklaard. De verdachte sommeerde hem om weg te gaan. Hij is toen over de [straat 1] te Maastricht in de richting van de [straat 2] gelopen. Toen hij ter hoogte van de oude voetbalkantine was hoorde hij achter zich het geluid van een auto die hard kwam aanrijden. Hij hoorde toen knallen.

In het dossier is een door de politie gemaakte schets van de plaats delict opgenomen, als bijlage bij het proces-verbaal bevindingen plaatsbepaling. Dit proces-verbaal is op
13 augustus 2017 opgemaakt. Op de schets staat de positie van [slachtoffer 1] ingetekend op het moment dat [slachtoffer 1] de knallen hoorde. De positie van [slachtoffer 1] is recht tegenover de oude voetbalkantine aan de [straat 1] ingetekend, op een afstand meer dan 20 meter voorbij de woonwagen van [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 1] is ter terechtzitting uitgebreid als getuige gehoord, onder meer over de plek waar hij zich bevond op het moment dat hij de schoten hoorde. Ter zitting heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij ter hoogte van de woonwagen van [slachtoffer 3] aan de [adres slachtoffer 3] te Maastricht liep op het moment dat hij de schoten hoorde.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (primair) dan wel aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (subsidiair) dan wel aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (meer subsidiair). Voor het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde moet worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] , dan wel op een bedreiging van [slachtoffer 1] met een misdrijf tegen het leven gericht. Voor boos opzet van de verdachte op het onder feit 1 tenlastegelegde is geen bewijs aanwezig. De rechtbank dient vervolgens nog te bezien of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij de verdachte.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De verdachte heeft naar eigen zeggen niet op [slachtoffer 1] geschoten. Enkel uit frustratie over de verbroken relatie met [slachtoffer 2] heeft de verdachte met zijn wapen in de lucht geschoten. De rechtbank gaat er vanuit dat de verdachte [slachtoffer 1] niet meer heeft gezien nadat hij hem weg had gestuurd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet duidelijk geworden waar [slachtoffer 1] zich bevond op het moment waarop de verdachte zijn wapen afvuurde. Op 13 augustus 2017 heeft de politie in een situatieschets aangegeven dat [slachtoffer 1] ten tijde van het schieten meer dan 20 meter van de woning van [slachtoffer 3] was verwijderd. Op 28 augustus 2017 heeft [slachtoffer 3] bij de politie verklaard dat hij de inslagen van de kogels enkele dagen na 12 augustus 2017 voor het eerst had opgemerkt. Nadat de projectielen in de woonwagen van [slachtoffer 3] waren aangetroffen heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij ten tijde van het schieten voor de woning van [slachtoffer 3] stond. Op de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] evenzo verklaard.

De rechtbank kan geen beredeneerde keuze maken waar [slachtoffer 1] exact stond ten tijde van het afvuren van het wapen door de verdachte. De rechtbank acht opzet van de verdachte niet bewezen, ook niet in voorwaardelijke vorm, op een van de varianten tenlastegelegd onder feit 1. De rechtbank zal de verdachte daarom van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 2

op 12 augustus 2017 in de gemeente Maastricht, [slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen op die [slachtoffer 2] gericht en een vuurwapen getoond en munitie getoond aan die [slachtoffer 2] .

Feit 3

op 12 augustus 2017 in de gemeente Maastricht, opzettelijk en wederrechtelijk een woonwagen, gelegen aan de [adres slachtoffer 3] , toebehorende aan

[slachtoffer 3] , heeft beschadigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke straf moeten bijzondere voorwaarden worden verbonden, waaronder een meldplicht, deelnemen aan gedragsinterventies, deelnemen aan een ambulante behandeling in verband met verslavingsproblematiek en toezicht door de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een deels voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen. Tevens heeft de raadsman verzocht bij het opleggen van een straf, rekening te houden met de concrete omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zijn ex-vriendin bedreigd door een vuurwapen op haar te richten en kogels aan haar te tonen. Nadat hij haar de hele avond had gebeld en berichten had gestuurd, is hij haar midden in de nacht gaan opzoeken bij de woning van haar nieuwe vriend. Hij was hevig gefrustreerd omdat de relatie ten einde was gekomen en zij een nieuwe vriend had. De verdachte was onder invloed van alcohol en van cocaïne. Er was objectief gezien zonder meer sprake van een bedreigende situatie. De spanning werd enigszins getemperd doordat de ex-vriendin erop vertrouwde dat de verdachte haar niet daadwerkelijk iets zou aandoen. De frustratie van de verdachte was zo groot dat hij bij het wegrijden zijn wapen diverse keren afvuurde.

De geïndiceerde straf voor een bedreiging met een vuurwapen is een gevangenisstraf van vier maanden, zo blijkt uit de oriëntatiepunten opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De verdachte is niet eerder veroordeeld ter zake van een geweldsdelict. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van de standaardstraf van vier maanden gevangenisstraf.

In de rapportage van de reclassering is te lezen dat de verdachte kampt met het gebruik van cocaïne. Hij wil dit gebruik staken maar dit lukt hem niet. De verdachte heeft geen contact meer met zijn ex-vriendin. De verdachte heeft een nieuwe relatie. In deze relatie wordt het gebruik van cocaïne niet getolereerd. Volgens de reclassering is de verdachte zeer gemotiveerd om te stoppen met zijn cocaïnegebruik.

Ook heeft de verdachte met een wapen geschoten waarbij kogels in de gevel van een woonwagen terecht zijn gekomen. Daarbij is schade ontstaan aan de woning. Voor deze beschadiging acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van twee weken een passende straf.

De rechtbank zal aan de verdachte in totaal een gevangenisstraf van 18 weken opleggen. De reclassering heeft een deels voorwaardelijke straf geadviseerd opdat de verdachte in een justitieel kader kan worden behandeld voor zijn verslavingsproblematiek. De rechtbank begrijpt het advies van de reclassering, maar ziet vanwege de straf die zij aan de verdachte zal opleggen afgezet tegen de duur van het reeds ondergane voorarrest, geen ruimte meer voor het opleggen van een voorwaardelijke straf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Het voorarrest heeft immers al langer geduurd dan de straf die de rechtbank zal opleggen. De verdachte zal zelf vrijwillige hulpverlening kunnen inschakelen om hem te helpen van zijn cocaïneverslaving af te komen en om te leren om te gaan met problemen in de relationele sfeer.

7 Voorlopige hechtenis

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis op grond van een bevel tot gevangenhouding van 31 augustus 2017. Ter openbare terechtzitting van 25 april 2018 heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De officier van justitie heeft op de terechtzitting haar visie op het verzoek gegeven. De verdediging heeft zich akkoord verklaard met een beslissing op het verzoek bij einduitspraak. De rechtbank heeft aangegeven dat zij, indien nodig, bij vervroeging uitspraak zal doen.

Een bevel tot voorlopige hechtenis dient achterwege te blijven, wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij bij verdere tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel. Van een dergelijke situatie is sprake nu de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 18 weken met aftrek van het reeds ondergane voorarrest en de verdachte deze gevangenisstraf al geheel in voorarrest heeft ondergaan.

De rechtbank wijst toe het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 5.808,00 met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel terzake van feit 3.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering in zijn geheel toewijsbaar en vordert tevens de verdachte te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan de gevorderde materiële schade worden aangemerkt als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De rechtbank acht de verdachte ook aansprakelijk voor die schade. Van de kosten van herstel van de schade is een offerte overgelegd. Deze begroting is door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist. Weliswaar heeft de verdediging aangevoerd dat er wellicht een goedkopere wijze van reparatie mogelijk is, maar zij heeft niet aangegeven waarom dat de maatstaf zou moeten zijn bij het vaststellen van de geleden schade. Schadevergoeding dient immers om degene die schade heeft geleden zoveel mogelijk in de staat te brengen waarin hij was voor het schadeveroorzakende voorval. De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding dan ook geheel toewijzen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 2 en 3 tot een gevangenisstraf van 18 weken;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Voorlopige hechtenis

- beveelt de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] wonende te Maastricht, ten aanzien van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 5.808,00 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 12 augustus 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 3] , van € 5.808,00, bij niet-betaling en verhaal te vervangen door 64 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 12 augustus 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en
mr. R. Verkijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M.J.G.A. van Hinsberg, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 mei 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 in de gemeente Maastricht,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet

meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen heeft geschoten in de richting

van voornoemde [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 in de gemeente Maastricht,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen heeft geschoten

in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 in de gemeente Maastricht,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, met

een (vuur)wapen geschoten in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 in de gemeente Maastricht,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (vuur)wapen op die [slachtoffer 2]

gericht en/of een vuurwapen getoond en/of munitie getoond aan die [slachtoffer 2] ;

3.

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 in de gemeente Maastricht,

opzettelijk en wederrechtelijk een woonwagen, gelegen aan de [adres slachtoffer 3]

, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie districtsrecherche Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer 2017130722, gesloten d.d. 2 november 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 269 en daarnaast de nagekomen stukken van de rechter-commissaris, niet doorgenummerd.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 12 augustus 2017, op de pagina’s 169 tot en met 171 van het procesdossier.

3 Proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 12 augustus 2017, op de pagina’s 172 tot en met 175 van het procesdossier.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2018, niet doorgenummerd.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 28 augustus 2017, op de pagina’s 182 en 183 van het procesdossier.

6 Proces-verbaal aanvullend sporenonderzoek d.d. 28 augustus 2017, op de pagina’s 241 tot en met 243 van het procesdossier.

7 Proces-verbaal bevindingen luchtfoto en situatietekening d.d. 24 januari 2018, bijlage luchtfoto.