Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4224

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
C.03 / 248499 / HA RK 18-96
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Rechtsvraag ter zitting stellig beantwoord; wrakingsverzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/329
Prg. 2018/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum beslissing: 2 mei 2018

Zaaknummer / rekestnummer: 03/248499 / HA RK 18-96

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

in de zaak van

[verzoekende partij] ,

[adres verzoekende partij] , [woonplaats verzoekende partij] ,

hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: mr. A.T.J.J. Meuwissen, advocaat te Maasbracht,

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. G.M.P. Brouns, rechter in de rechtbank Limburg (hierna ook te noemen: de kantonrechter).

1 Het procesverloop

Verzoeker is door [X] gedagvaard voor de kantonrechter in kort geding om hem te verbieden [X] uit de door haar gehuurde en bewoonde woning te zetten. Bij de mondelinge behandeling ter zitting op 4 april 2018 heeft mr. Meuwissen om wraking van de kantonrechter verzocht.

De kantonrechter heeft de wrakingskamer op 6 april 2018 schriftelijk bericht niet in het verzoek te berusten en heeft daarbij zijn reactie op het verzoek gegeven, waarbij hij tevens heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 19 april 2018, waar verzoekers gemachtigde en verzoekers dochter, [Y] , zijn verschenen. Tevens is verschenen mr. A.M.T. Snijders, advocaat van [X] voornoemd.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

Als wrakingsgrond heeft verzoeker aangevoerd dat de kantonrechter al ter zitting stellig zijn oordeel over de zaak heeft gegeven zonder daarbij de van de zijde van verzoeker aangevoerde tegenargumenten aan te horen of te betrekken. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker deze grond nader uitgewerkt in reactie op het inmiddels verstrekte proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter. Verzoeker heeft gewezen op de volgende uitspraak van de kantonrechter in het proces-verbaal (naar aanleiding van de opmerking van zijn gemachtigde dat de kantonrechter de bepalingen inzake de bedrijfsruimte miskent, waaruit duidelijk blijkt dat er in casu sprake is van een afhankelijke woonruimte):

Ik misken dat niet, maar het gaat in casu niet om een afhankelijk woonruimte, want er is sprake van een zelfstandige woonruimte met voorzieningen. Indien u anders van mening bent, wens ik u succes bij het Hof in Den Bosch.

Met deze verwoording heeft de kantonrechter zonder enig voorbehoud al een uitspraak gedaan over de rechtsvraag die voorligt, namelijk de vraag of al dan niet sprake is van zelfstandige woonruimte. Daarmee heeft het er dus alle schijn ervan dat hij niet heeft geluisterd of wenst te luisteren naar hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht.

3 Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter heeft in zijn schriftelijke reactie aangegeven dat hij in het voorhouden van wetsartikelen, in casu de artikelen 7:233 en 7:234 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), geen grond voor vooringenomenheid ziet. Evenmin staat met het aanhalen van die artikelen de uitkomst van de procedure vast. In het daarmee in beeld komende artikel 7:269 BW staan situaties beschreven waarin een tot hoofdhuur opgewaardeerde onderhuur, zoals ingeroepen door de eisende partij, alsnog kan en mag worden beëindigd. De kantonrechter stelt dat hij juist doende was te onderzoeken of daarvoor gronden aanwezig zijn, toen hij werd gewraakt. De door mr. Meuwissen gestelde consequenties van de huur van bedrijfsruimte tussen eigenaar/ hoofdverhuurder en hoofdhuurder voor de onderhuur tussen hoofdhuurder/onderverhuurder en onderhuurster laat de kantonrechter in zijn reactie op de wrakingsgronden uitdrukkelijk in het midden omdat hij niet wil vooruitlopen op een oordeel op dit punt.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

De voor de beoordeling van het wrakingsverzoek toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de betreffende rechter vooringenomen is jegens één van de bij de procedure betrokkenen, althans dat de vrees van die partij voor zulke vooringenomenheid gerechtvaardigd is.

4.2.

Bij de beoordeling van de wrakingsgronden staat de inhoud van het proces-verbaal voorop. Daaruit volgt dat ter zitting van 4 april 2018 door [X] haar vordering is gewijzigd en een beroep is gedaan op ontruimingsbescherming op grond van artikel 7:269 BW totdat in de bodemprocedure onherroepelijk hierover is beslist. Verzoeker stelt zich op het beargumenteerde standpunt dat dit artikel niet aan de orde is omdat geen sprake is van een zelfstandige woning, maar van een van de daaronder gelegen bedrijfsruimte afhankelijke woning. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de kantonrechter onomwonden en zonder enige reserve geconstateerd heeft dat sprake is van een zelfstandige woning. In reactie daarop heeft verzoekers raadsman naar voren gebracht dat de kantonrechter daarmee de bepalingen inzake de bedrijfsruimte miskent. Met de door verzoeker uit het proces-verbaal geciteerde zin is de relevante rechtsvraag naar de aard van de woning, zelfstandig of afhankelijk, vooruitlopend op het te wijzen vonnis in feite al beantwoord. Mocht daarover nog enige twijfel mogelijk zijn, dan heeft de kantonrechter die op zijn laatst weggenomen met de daaropvolgende verwijzing naar de hoger beroepsrechter.

4.3.

Doordat de kantonrechter tijdens de zitting de rechtsvraag naar de aard van de woonruimte met een dergelijke stelligheid heeft beantwoord en daarin heeft volhard, kon verzoeker zich in redelijkheid afvragen wat hij met betrekking tot hetgeen waar het in de kern van deze zaak om draait, nog te verwachten had. Door de uitlatingen van de kantonrechter is naar het oordeel van de wrakingskamer bij verzoeker naar objectieve maatstaven gemeten de gerechtvaardigde vrees kunnen ontstaan dat de kantonrechter jegens hem een vooringenomenheid koestert en dat verzoeker van deze rechter geen volstrekt onpartijdig oordeel kon verwachten. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking van mr. G.M.P. Brouns toe.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. M.J.M. Goessen en mr. F.L.G. Geisel, leden, bijgestaan door J.N. Buddeke als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2018.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.