Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:4223

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
C.03 / 245792 / HA RK 18-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoeker niet ontvankelijk verklaard omdat het verzoek niet tijdig is gedaan. Verzoeker wacht 6 weken nadat gronden voor de wraking zijn opgekomen.

Wrakingskamer oordeelt dat dit onevenredig lang is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

wrakingskamer

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummers: 03/245792 / HA RK / 18-17

03/246191/ HA RK / 18-27

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken van 15 maart 2018

in de zaak van:

[verzoekende partij] ,

wonende te [woonplaats verzoekende partij] , hierna genoemd: verzoeker,

bijgestaan door zijn raadsman mr. J.M.H. Römkens,

indiener van verzoeken die strekken tot wraking van de leden van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, te weten mr. H.H. Dethmers, mr. C. Wapenaar en

mr. C.M. Nollen (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop

1.1.

Op 6 en 8 november 2017 hebben in de strafzaak met parketnummer 03/995005-12 – in welke zaak verzoeker als verdachte is aangemerkt – regiezittingen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van deze zitting is op 11 december 2017 aan de raadsman van verdachte ter hand gesteld.

1.2.

Op 23 januari 2018 heeft verzoeker een verzoek ingediend strekkende tot wraking van de hierboven genoemde leden van de meervoudige strafkamer. De rechters hebben de wrakingskamer bij e-mailbericht van 5 februari 2018 bericht dat zij niet berusten in de wraking en dat zij niet ter zitting van de wrakingskamer zullen verschijnen. De rechters stellen zich in hun reactie op het standpunt dat het verzoek niet tijdig is gedaan en dat verzoeker dientengevolge niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarnaast stellen de rechters dat de door hen genomen rechterlijke beslissingen geen grond voor wraking kunnen opleveren. Ook de wijze van bevraging ter zitting is op correcte wijze in het proces-verbaal weergegeven en geeft geen aanleiding tot wraking. De rechters zien geen feiten of omstandigheden op grond waarvan de bij verzoeker ontstane indruk of vrees dat de rechtbank – of een van hen – niet onpartijdig zou zijn, objectief gerechtvaardigd is.

1.3.

Op 6 februari 2018 heeft de behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgehad. Naast verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.M.H. Römkens, is ook mr. W. van Horen, officier van justitie, ter zitting verschenen.

1.4.

Kort voor de zitting heeft verzoeker een toelichting op het wrakingsverzoek alsmede een nieuw wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer heeft pas in een laat stadium hiervan kennis kunnen nemen. De rechters zijn niet in de gelegenheid geweest op het aanvullend c.q. nieuwe wrakingsverzoek te reageren.

1.5.

De voorzitter heeft verzoeker medegedeeld dat de behandeling van het wrakingsverzoek van 23 januari 2018 zal worden aangehouden tot 1 maart 2018 en dat alsdan de gezamenlijke behandeling van het eerste en het tweede (aanvullende/nieuwe) wrakingsverzoek zal plaatsvinden.

1.6.

De rechters hebben bij e-mailbericht van 27 februari 2018 op het aanvullende/nieuwe wrakingsverzoek gereageerd. De rechters stellen zich – kort samengevat – op het standpunt dat de officier van justitie uitvoering heeft gegeven aan de door de rechtbank verstrekte opdracht. De rechters hebben voorts aangegeven dat zij niet op de verzoeken wensen te worden gehoord en dat zij niet ter zitting zullen verschijnen.

1.7.

Op 1 maart 2018 heeft de mondelinge behandeling van beide wrakingsverzoeken plaatsgehad. Verzoeker, diens raadsman mr. J.M.H. Römkens als ook officier van justitie mr. W. van Horen zijn ter zitting verschenen.

1.8.

Mr. J.M.H. Römkens heeft de wrakingsverzoeken nader toegelicht en in dat kader een pleitnotitie met bijlagen overgelegd. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2 De gronden van de wrakingsverzoeken

2.1.

In het wrakingsverzoek van 23 januari 2018 voert verzoeker de navolgende gronden aan:

  1. Het optreden van de rechtbank ter gelegenheid van de zitting op 6 en 8 november 2017;

  2. Hetgeen in het proces-verbaal van de zittingen van 6 en 8 november 2017 is gerelateerd;

  3. De motivering van de beslissing van 10 november 2017;

  4. Het optreden van de rechtbank na de zitting van 8 november 2017.

2.2.

In het nieuwe wrakingsverzoek handhaaft verzoeker de eerder genoemde wrakingsgronden en voegt daaraan het volgende toe.

2.3.

De rechters hebben het OM onder meer verzocht om alle agenda’s en bijlagen alsmede notulen en bijlagen van de vergaderingen van de Raad van Toezicht van SGL over de jaren 2005 tot en met 2010 die het onderzoeksteam ter beschikking heeft gehad, aan het dossier toe te voegen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het OM het verzoek niet naar behoren heeft uitgevoerd. Verzoeker heeft in een door hem opgesteld overzicht aangegeven welke specifieke stukken ontbreken.

2.4.

Verzoeker is de mening toegedaan dat de rechters hun magistratelijke taak niet waarnemen, nu zij weigeren ervoor te zorgen dat alle van belang zijnde stukken die door verzoeker aan de Raad van Toezicht van SGL ter beschikking zijn gesteld aan het procesdossier worden toegevoegd. Bovendien reageren de rechters in hun reactie op het wrakingsverzoek niet op de analyse en stellingname van verzoeker.

2.5.

Verzoeker vreest op grond van het vorenstaande dat de rechters vooringenomen zijn.

3 De beoordeling van beide verzoeken

3.1.

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

3.2.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

3.3.

Ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde gronden overweegt de wrakingskamer het navolgende.

3.4.

De eerste drie door verzoeker genoemde gronden zien op de zittingen van 6 en 8 november 2017. Uit een aantekening op het proces-verbaal van de zittingen van 6 en 8 november 2017 blijkt dat een afschrift daarvan op 11 december 2017 aan (onder meer) verzoeker is verstrekt. Niettemin wacht verzoeker tot 23 januari 2018 met het indienen van het (1e) wrakingsverzoek.

3.5.

Verzoeker is op grond van het bepaalde in artikel 513 lid 1 Sv gehouden het wrakingsverzoek te doen zodra de aan het wrakingsverzoek ten grondslag liggende feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker onevenredig lang heeft gewacht met het indienen van het verzoek. In het onderhavige geval is er sprake van een tijdspanne van zes weken tussen bekend worden met de feiten of omstandigheden en indienen van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tardief is gedaan. Verzoeker zal ten aanzien van de eerste drie aangevoerde wrakingsgronden niet ontvankelijk worden verklaard.

3.6.

De overige door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden zien – kort samengevat –op de samenstelling van het strafdossier en dan in het bijzonder de in de visie van verzoeker incompleetheid daarvan. Verzoeker heeft ter zitting van 1 maart 2018 uitvoerig uiteengezet welke stukken geheel ten onrechte buiten het dossier zouden zijn gelaten. De wrakingskamer oordeelt op dit punt als volgt.

3.7.

De wrakingskamer stelt vast dat de meervoudige strafkamer in het kader van de behandeling ter terechtzitting nog geen inhoudelijke beslissing over de inhoud en juistheid van ingebrachte stukken heeft kunnen nemen en daaromtrent nog geen oordeel heeft kunnen vormen. Immers, een terechtzitting waarop dit onderwerp besproken kon worden, heeft nog niet plaatsgevonden. Verzoeker heeft derhalve zijn verzoek gebaseerd op een, mogelijke vermoed, maar nog niet ingenomen standpunt van de meervoudige strafkamer. Voor zover de rechters in hun nadere reactie van 27 februari 2018 min of meer reeds een uitspraak over de inhoud van het procesdossier hebben gedaan, acht de wrakingskamer dit prematuur. Het debat moet immers ook op dit punt nog ter zitting gevoerd worden. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verzoeker de wrakingsgronden die zien op de samenstelling van het strafdossier vroegtijdig heeft aangevoerd. Ook op deze punten dient verzoeker niet ontvankelijk te worden verklaard.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

ten aanzien van beide wrakingsverzoeken:

verklaart verzoeker niet ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven gewezen door mr. V.P. van Deventer, voorzitter mr. J.J.M. Wassenberg en mr. M.A. Teeuwissen, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

type: ph

coll: