Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3966

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
03/866288-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot taakstraf van 100 uur en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden wegens veroorzaken verkeersongeval. Verdachte is al rijdend in slaap gevallen en heeft een frontale botsing veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat naast deze verkeersfout sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/866288-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. drs. E. Tamas, advocaat, kantoorhoudende te

's-Gravenhage.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 april 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De, ter zitting gewijzigde, tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, primair op neer dat de verdachte schuld heeft aan een verkeersongeval, waarbij de bestuurder van het hem tegemoetkomende voertuig zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij heeft zich immers met zijn auto begeven op de weghelft voor het hem tegemoetkomende verkeer op het moment dat een hem tegemoetkomende auto al dicht was genaderd, nadat de verdachte al rijdende in slaap was gevallen, na het gebruik van amfetamine en zonder ooit een rijbewijs te hebben behaald om een personenauto te mogen besturen.

Subsidiair wordt de verdachte rijden onder invloed en gevaarlijk en/of hinderlijk rijgedrag verweten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. De verdachte was zodanig onder invloed van amfetamine dat hij niet meer tot het behoorlijk besturen van een motorvoertuig in staat kon worden geacht, waarna er een frontale botsing met het tegemoetkomende slachtoffer plaatsvond. Als gevolg van de botsing heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen. De officier van justitie wijst in dit verband op de verklaring die de verdachte tijdens het verhoor bij de politie heeft afgelegd, op diverse getuigenverklaringen in het dossier, alsook op de resultaten van het toxicologisch onderzoek. Volgens de officier van justitie kan dit weggedrag van de verdachte niet worden aangemerkt als ‘roekeloos’ in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), zodat de verdachte hiervan partieel moet worden vrijgesproken. De officier van justitie kwalificeert de gedraging van de verdachte wel als ‘grove schuld’ in de zin van artikel 6 WVW.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft hiervoor aangevoerd dat het onderdeel ‘schuld’ niet kan worden bewezen. Volgens de raadsman kan aan de verdachte niet meer dan één enkele fout worden verweten, namelijk dat hij in slaap gevallen is tijdens het rijden. Deze gedraging levert geen overtreding van artikel 6 WVW op.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De bewijsmiddelen

Op 12 november 2015, omstreeks 06:40 uur, kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding om naar de [adres 1] te Maastricht te gaan, waar een verkeersongeval met letsel had plaatsgevonden. Ter plaatse aangekomen zagen de verbalisanten dat het ongeval had plaatsgevonden op de [adres 1] , tussen de [adres 2] en de [adres 3] .2

Bij het verkeersongeval waren drie auto’s betrokken. Een personenauto van het merk Alfa Romeo met het Nederlandse kenteken [kenteken 1] en een personenauto van, eveneens, het merk Alfa Romeo met het Nederlandse kenteken [kenteken 2] waren aan de voorzijde geheel kapot. Bij beide voertuigen waren de airbags uitgeklapt en was de gehele bumper en een gedeelte van de motor ingedeukt.3 Een derde auto was aan de zijkant beschadigd.

De verdachte verklaarde dat hij de bestuurder van de Alfa Romeo met het kenteken [kenteken 1] was geweest.4 Voorts verklaarde hij bij de politie als volgt. Op 12 november 2015 is hij in de ochtend vanuit een woning in Maastricht vertrokken met de auto. Voordat hij vertrok, heeft hij speed gebruikt. Verdachte kon zich niet meer herinneren hoe laat hij speed gebruikt had, maar wel dat het nog donker was. Hij was op dat moment al ongeveer drie dagen wakker zonder te slapen. Tijdens het rijden is de verdachte in slaap gevallen. Pas toen verdachte een klap hoorde, kreeg hij door dat hij een ongeluk veroorzaakt had.5 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij in de dagen voordat het ongeval plaatsvond eveneens verschillende keren speed had gebruikt. Bovendien was hij de nacht voorafgaand aan het ongeval vanuit Zutphen vertrokken en via Eindhoven naar Maastricht gekomen.

Het slachtoffer, [slachtoffer] , heeft op 12 november 2015 eveneens een verklaring afgelegd. Hij reed op 12 november 2015, omstreeks 06:40 uur, over de [adres 1] te Maastricht met de personenauto van het merk Alfa Romeo met Nederlands kenteken [kenteken 2] . Hij kwam uit de richting van de [adres 2] en reed in de richting van de [adres 3] . Het was donker buiten en hij voerde verlichting. [slachtoffer] zag dat de auto, die in dezelfde richting voor hem reed, uitweek naar rechts. Tegelijkertijd zag hij dat er opeens een auto op zijn weghelft hem tegemoet kwam rijden. Daarna voelde hij een klap. Toen hij stilstond, merkte hij dat er een auto frontaal op hem was ingereden. Hij had meteen pijn aan zijn rug, bekken en onderlichaam.6

Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] een breuk opgelopen in de onderste wervellende. Dat is een breuk die normaal drie maanden rust nodig heeft, voordat het herstel begint.7 Op 5 februari 2016 verklaarde [slachtoffer] aanvullend dat hij tot die datum niet meer had kunnen werken als gevolg van de breuk in zijn wervel die hij bij het ongeval had opgelopen en dat hij de komende week weer aan het werk zou gaan.

Op 12 november 2015 om 10:05 uur heeft de GGD-arts bloed afgenomen van de verdachte.8 Uit het toxicologisch onderzoek van het NFI is gebleken dat zich in het van de verdachte afgenomen bloed een concentratie van 0,50 mg/l amfetamine bevond. Het NFI concludeert dat de rijvaardigheid van de verdachte ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door het amfetaminegebruik.9

Aan de verdachte is nimmer een rijbewijs voor het besturen van een personenauto afgegeven.10

Overwegingen van de rechtbank over het ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Bij de beantwoording van die vraag komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In beginsel is het begaan van één enkele verkeersfout onvoldoende om dergelijke ‘schuld’ aan te nemen, tenzij er sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden.

Uit de bewijsmiddelen vloeit voort dat de verdachte een ernstige verkeersfout heeft begaan. De verdachte is al rijdende in slaap gevallen en op de voor het hem tegemoetkomende verkeer bedoelde rijbaan terechtgekomen op het moment dat het slachtoffer, [slachtoffer] , hem in tegengestelde rijrichting dicht naderde. Het slachtoffer kon een botsing niet meer voorkomen.

Uit de eigen verklaringen van de verdachte volgt tevens dat hij een auto is gaan besturen terwijl hij daartoe feitelijk niet in staat mag worden geacht. Uit zijn verklaring blijkt immers dat hij dagenlang niet had geslapen, dat hij zich met speed op de been hield en dat hij in de nacht van het ongeval vertrokken was vanuit Zutphen en dus ook die nacht weinig had geslapen. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij nog voor de rit die tot het ongeval leidde speed had gebruikt. Ter terechtzitting ontkent hij dat, maar de rechtbank hecht meer geloof aan de verklaring die de verdachte kort na het ongeval bij de politie heeft afgelegd dan aan zijn verklaring nu, meer dan twee jaar later. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte zich ervan bewust was dat hij niet fit was om te gaan rijden en dat hij dit door het gebruik van amfetamine trachtte tegen te gaan. Uit het toxicologisch rapport blijkt bovendien dat de verdachte op het moment van het ongeval onder invloed van een zodanige concentratie amfetamine verkeerde dat alleen al daardoor zijn vermogen om behoorlijk een personenauto te besturen, zal zijn verminderd. Ten slotte staat vast dat verdachte nooit een rijbewijs heeft behaald.

De rechtbank is daarom van oordeel dat er, naast de door verdachte begane verkeersfout, sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden, die het oordeel rechtvaardigen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is, zoals bedoeld in artikel 6 WVW.

Het slachtoffer heeft als gevolg van de botsing met verdachte lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank acht de ernst van de verwonding van het slachtoffer, mede in combinatie met het feit dat medisch ingrijpen bij het slachtoffer niet nodig is geweest, onvoldoende om bewezen te kunnen verklaren dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Wel is gebleken dat het slachtoffer maandenlang zijn gewone werkzaamheden niet heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank zal derhalve het standpunt van de officier van justitie en de verdediging overnemen dat het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel werd toebracht door de verdachte dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Primair:

op 12 november 2015 in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [adres 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, te weten [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in normale bezigheden is ontstaan, welke bovenbedoelde gedraging aanmerkelijk onvoorzichtig was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, na gebruik van amfetamine en zonder ooit een rijbewijs te hebben behaald om een personenauto te mogen besturen, na al rijdende in slaap te zijn gevallen, zonder verkeersnoodzaak zich geheel heeft begeven op de weghelft bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, op het moment dat een hem, verdachte, over genoemde [adres 1] tegemoetkomende personenauto reeds dicht was genaderd, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank heeft vrijgesproken van het verkeren in de toestand als bedoeld in artikel 8 WVW, omdat die toestand in dit geval een van de dragende oorzaken is geweest van het verkeersongeval en dus geen afzonderlijke omstandigheid is, die ‘erbij komt’.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijk ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 200 uur en een onvoorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: “LOVS”) ter zake van overtreding van artikel 6 WVW. Hierbij is zij uitgegaan van de categorieën ‘lichamelijk letsel’ en ‘ernstige schuld’. Gelet op de in het bloed van de verdachte aangetroffen amfetamine, heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de categorie ‘alcohol < 570 µg/l’. De officier van justitie heeft het feit dat verdachte eerder veroordeeld is voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 als strafverzwarende omstandigheid verdisconteerd in haar strafeis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met het feit dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden, nu sinds het aanvangen van de vervolging van de verdachte en zijn berechting twee jaren en vijf maanden zijn verstreken. Voorts heeft de raadsman verzocht om, voor zover aan de verdachte een boete zou worden opgelegd, rekening te houden met diens geringe financiële draagkracht. .

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt waarbij hij frontaal op een andere auto is gereden. Hij is na een paar dagen ‘doorhalen’ oververmoeid en onder invloed van verdovende middelen achter het stuur gaan zitten van een auto. De gevolgen waren ernstig. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft immers zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat hij een aantal maanden niet kon werken en door de pijn evenmin andere normale bezigheden kon uitvoeren. De verdachte heeft ten opzichte van andere weggebruikers geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel getoond en een zeer gevaarlijke verkeerssituatie doen ontstaan. Het onverantwoorde van het handelen van de verdachte blijkt nog eens te meer nu hij niet eens beschikt over een rijbewijs.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij heel erg was, en is, geschrokken van wat hij heeft veroorzaakt en dat hij sindsdien geen speed meer gebruikt en geen auto meer heeft gereden. Uit deze verklaring blijkt in elk geval dat de verdachte besef heeft van de ernst van het gebeurde. Sinds het ongeval is hij niet meer met justitie in aanraking geweest.

De rechtbank heeft voor de straftoemeting aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het LOVS bij artikel 6 WVW. De rechtbank is van oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte moet worden gerubriceerd in de categorie ‘aanmerkelijke schuld’. Nu de verdachte onder invloed was van amfetamine zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de categorie ‘alcohol < 570 µg/l’. Het uitgangspunt is dan een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie kennelijk uitgaat van andere richtlijnen en zal haar daarin niet volgen.

Met de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat door het ruime tijdsverloop in deze zaak tussen het moment dat de vervolging van verdachte is aangevangen en de berechting van de verdachte, namelijk een tijdsverloop van (bijna) twee jaren en vijf maanden, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding dan ook ten voordele van verdachte verdisconteren in de op te leggen straf.

Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 100 uur. De rechtbank is voorts van oordeel dat – mede ter bescherming van de verkeersveiligheid – een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden dient te worden opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c en 22d van Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland zal dienen te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

  • -

    beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen;

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. H.H. Dethmers en mr. V.E.J. Noelmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 april 2018.

Buiten staat

Mr. R. Verkijk en mr. H.H. Dethmers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging ter zitting, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 november 2015, in de gemeente Maastricht, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto)

daarmede rijdende over de weg, de [adres 1] , zich zodanig heeft gedragen dat

een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor

een ander, te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

welke bovenbedoelde gedraging roekeloos, althans zeer, althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig

en/of onoplettend was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte,

na gebruik van amfetamine en zonder ooit een rijbewijs te hebben behaald om

een personenauto te mogen besturen en/of na al rijdende in slaap te zijn

gevallen, zonder verkeersnoodzaak zich geheel of gedeeltelijk heeft begeven op

de weghelft bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer

althans

op zodanige wijze heeft gestuurd althans gereden dat hij het door hem,

verdachte, bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft

gehad, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde

motorrijtuig is terechtgekomen op de weghelft bestemd voor het hem, verdachte,

tegemoetkomende verkeer,

op het moment dat een hem, verdachte, over genoemde [adres 1] tegemoetkomende

personenauto reeds dicht was genaderd,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of

aanrijding is gekomen met die personenauto,

zulks terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of

tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

artikel 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

artikel 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

artikel 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

artikel 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

a.

hij op of omstreeks 12 november 2015 in de gemeente Maastricht als bestuurder

van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij

verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan

hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet

in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon

verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

b.

hij op of omstreeks 12 november 2015, in de gemeente Maastricht, als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) -zonder dat aan hem een

rijbewijs was afgegeven- daarmee rijdende op de weg, de [adres 1] ,

na gebruik van amfetamine en zonder ooit een rijbewijs te hebben behaald om

een personenauto te mogen besturen en/of na al rijdende in slaap te zijn

gevallen, zonder verkeersnoodzaak zich geheel of gedeeltelijk heeft begeven op

de weghelft bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer

althans

op zodanige wijze heeft gestuurd althans gereden dat hij het door hem,

verdachte, bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft

gehad, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde

motorrijtuig is terechtgekomen op de weghelft bestemd voor het hem, verdachte,

tegemoetkomende verkeer,

op het moment dat een hem, verdachte, over genoemde [adres 1] tegemoetkomende

personenauto reeds dicht was genaderd,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of

aanrijding is gekomen met die personenauto,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op

die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, basisteam Maastricht, proces-verbaalnummer PL2300-2015210077, gesloten d.d. 25 mei 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 45.

2 Proces-verbaal pagina 5.

3 Proces-verbaal pagina 5.

4 Proces-verbaal pagina 9.

5 Proces-verbaal pagina 41.

6 Proces-verbaal pagina 34.

7 Proces-verbaal pagina 36.

8 Proces-verbaal pagina 25.

9 Proces-verbaal pagina 33.

10 Proces-verbaal pagina 14.