Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3931

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
03/659002-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geweld nieuwsjaarsochtend in Echt. Veroordeling wegens poging doodslag door slaan en schoppen tegen hoofd en lichaam. Geen noodweerexces, want verdachte bleek zelf agressor. Toepassing adolescentenstrafrecht. Deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden. Voorts toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659002-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

gedetineerd in Het Keerpunt Opvang- en Behandelcentrum te Cadier en Keer.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. E.H.C.K. Reijans, advocaat kantoorhoudende te Echt.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 april 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (onder feit 1.) al dan niet samen met een ander of anderen:

  • -

    primair: [slachtoffer] heeft geprobeerd te doden,

  • -

    subsidiair: die [slachtoffer] zwaar letsel heeft toegebracht,

  • -

    meer subsidiair: geprobeerd heeft die [slachtoffer] zwaar letsel toe te brengen,

  • -

    meest subsidiair: openlijk geweld heeft gepleegd tegen die [slachtoffer] .

De verdenking komt er voorts op neer dat de verdachte (onder feit 2.) zich heeft verzet tegen zijn aanhouding.

3 De beoordeling van het bewijs en het verweer van de verdachte

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1. primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag alsmede van de onder 2. ten laste gelegde wederspannigheid. Ter zake van feit 1. heeft zij aangevoerd – kort gezegd – dat de verklaringen van aangever onder meer ondersteund worden door de verklaring van de verdachte inhoudende dat hij geschopt en geslagen heeft, door de verklaring van getuige [getuige 1] die verklaarde dat sprake was van een vechtpartij tussen aangever en twee mannen, waarbij beide mannen ook schopten naar aangever, en enigszins door de verklaring van getuige [getuige 2] . De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van juist aan de zijde van aangever een noodweersituatie was en niet voor de verdachte, zodat het verweer van de verdediging moet worden verworpen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd in het kader van de beoordeling van het bewijs, maar zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich heeft verweerd tegen [slachtoffer] . Daarbij is weliswaar disproportioneel gehandeld door verdachte maar dit handelen is het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door het handelen [slachtoffer] . Verdachte is derhalve niet strafbaar omdat sprake is van noodweerexces.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen: feit 1.

Aangever [slachtoffer] 2 verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:

(p. 22) Op 1 januari 2018 liep ik met de hond over de [adres 1] te Echt in de richting van het centrum van Echt. Ik hoorde op dat moment kabaal uit de richting van het centrum. Ik zag toen ook schimmen aan de overzijde van de weg. Ik zag toen duidelijk dat een persoon met twee armen op een deur of rolluik aan het bonken was. Ik zag toen dat er een persoon naar de rijbaan liep en tegen een personenauto schopte.

(p. 23) Ik zag dat het groepje personen vervolgens over de stoep aan de overzijde van de weg waar ik stond, in de richting van de Rijksweg, liep. Op een gegeven moment kwam ik op dezelfde hoogte als het groepje personen. Op dat moment riep ik in de richting van het groepje: “Vinden jullie dat nou normaal.”

(p. 24) Op dat moment zag ik dat er twee personen direct op mij af kwamen lopen. Ik zag dat een van deze personen in een rechte lijn op mij af kwam gelopen en dat de andere persoon met een boogje naar mij toe kwam gelopen. Die persoon die direct in rechte lijn op mij afliep riep: “Zal ik jou eens tegen je hoofd slaan?” Ik zag dat deze persoon een bril op had.

(p. 25) Ik zag dat de jongen met de bril direct naar mij liep. Ik zag dat de jongen dreigend op mij overkwam en dat hij hierbij met zijn rechter arm een slaande beweging maakte in mijn richting. Ik zag en voelde dat deze slag mij miste. Ik reageerde direct door middel van een slag in zijn gezicht te geven. Ik raakte hierbij zijn bril. Ik begon vervolgens achteruit te lopen in de richting van het centrum van Echt.

(p. 26) Ik zag dat die eerste persoon roepend, tierend en scheldend naar mij toe kwam gelopen. Een zinnetje kan ik mij nog wel herinneren, namelijk: “Je mag niet aan mij zitten.” Ik herkende deze jongen als zijnde [verdachte] . Ik ben voortdurend achteruit blijven bewegen. Ik zag dat [verdachte] mijn kant op kwam en ik zag en voelde dat hij met een vuist de linker zijkant van mijn neus raakte. Ik sloeg vervolgens mijn rechter vuist in de richting van [verdachte] . De tweede persoon bleef meelopen. Vervolgens bewoog ik mij nog steeds achteruit en toen viel ik achterover over een stoeprand en een struikje.

(p. 27) Door de val lag ik op mijn rug. Ik zag en voelde dat ik werd getrapt op mijn lichaam. Toen probeerde ik omhoog te komen en op een gegeven moment lukte dit ook. Heel snel daarna lag ik alweer op de grond, omdat ik weer tegen de stoeprand en struiken liep. Op enig moment zag ik dat [verdachte] mij schopte met zijn linkerbeen. Ik pakte zijn been vast en klemde dit tussen mijn rechterarm en bovenlichaam. Ik zag dat hij ook op de grond terecht kwam. Ik ben in een worsteling terecht gekomen. Op een gegeven moment werd ik aan de rechterzijde van mijn gezicht getrapt.

(p. 28) Toen merkte ik meteen dat mijn bewustzijn minder werd.

Getuige [getuige 3] 3 (wonende aan de [adres 1] te Echt) verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:

(p. 113) Op 1 januari 2018 hoorde ik buiten op straat geschreeuw. Toen ik via mijn raam naar buiten keek, zag ik twee personen. Ik zag dat een van de twee personen op de grond lag en ik zag dat de andere persoon voorover gebukt richting de op de grond liggende man stond. Ik zag dat de staande man een jongeman was van ongeveer 20 jaar oud met een lang en smal postuur. Ik zag dat de jongeman naast het hoofd van de man stond. Ik zag dat de jongeman meerdere malen, met gebalde vuisten, sloeg in de richting van de oudere man die op de grond lag. Ik zag dat de jongeman erg hard sloeg, met de linker- en rechtervuist. Ik zag dat de vuistslagen gericht waren op het bovenlichaam. Ik zag dat de jongeman dit afwisselde met schoppen. Ik zag dat de jongeman zeer agressief was. Ik zag dat de jongeman erg hard schopte tegen de man die op de grond lag. Ik zag dat de jongeman tijdens het slaan zijn gebalde vuisten tot achter zijn hoofd plaatste. Ik zag dat de jongeman met zijn rechterbeen de schoppen uitdeelde. Ik zag dat hij bij elke schop, zijn rechterbeen tot ver achter zijn standbeen plaatste, vermoedelijk om hier snelheid mee te maken. Ik zag dat de oudere man op de grond meerdere malen geraakt werd door het rechterbeen van de jongeman.

(p. 114) Ik hoorde dat de jongeman schreeuwde: “Heb je nu genoeg gehad?” Ik zag dat de man diverse klappen en schoppen incasseerde. Ik zag dat hij een paar keer probeerde op te staan, maar dat dit niet lukte. Ik zag dat de jongeman zeker 6 à 7 vuistslagen uitdeelde aan de oudere man toen hij op de grond lag. Ik zag dat de jongeman de oudere man ook zeker 6 à 7 keer hard geschopt had. Ik zag dat hij op diverse plekken de oudere man raakte. De jongeman was echt agressief. Die oudere man kreeg totaal geen kans.

De verdachte 4 verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

(pg. 145) U houdt mij voor dat ik op 1 januari 2018 ben aangehouden in Echt en vraagt mij wat ik daarover kan verklaren. Ik ben aangehouden voor een vechtpartij. Ik heb hem een high kick gegeven. Ik maakte een trappende beweging en raakte met mijn voet zijn hoofd. Die man wilde nog steeds ruzie en toen heb ik hem nog een paar klappen gegeven. Hij viel op de grond, toen heb ik hem nog een klap gegeven. Ik sloeg met een vuist op zijn gezicht.

Medische informatie 5 betreffende [slachtoffer] d.d. 1 januari 2018 vermeldt onder meer het volgende:

  • -

    hersenkneuzing: twee kneuzing haarden in de voorste hersenkwabben;

  • -

    een scheurwond op het hoofd: hoofd recht-voor-boven (frontaal) schaafplek, overgaand in wat boogvormige scheurwond (geschat 6cm), schaafplek kneuzing rechter slaap doorlopend tot in de linker wenkbrauw, bloeduitstorting oog;

  • -

    linkerzijde, gelaat hoofd: schaafplek neus links, schaafplek/kneuzingen voorhoofd, schaafplek kneuzing jukbeen links, diepere put boonvormige wond (ca. 1cm x 4mm) in behaarde hoofdhuid links.

De forensische arts heeft verklaard dat het geconstateerde letsel goed past bij de door [slachtoffer] aangegeven toedracht.

Overwegingen van de rechtbank.

Uit de verklaringen van aangever, verdachte en getuige [getuige 3] als hiervoor weergegeven en de medische informatie over aangever, leidt de rechtbank af dat de verdachte aangever meermalen heeft geschopt en geslagen, ten gevolge waarvan aangever (onder meer) een hersenkneuzing en diverse andere (hoofd)verwondingen heeft opgelopen.

i. poging tot doodslag?

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden van dit geval de kwalificatie poging tot doodslag rechtvaardigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft met geschoeide voet en met zijn vuisten meermalen zeer hard geschopt en geslagen tegen het lichaam en hoofd van aangever. Uit de medische informatie blijkt dat aangever onder meer een hersenkneuzing heeft opgelopen. Naast de verklaring van de aangever over de heftigheid van het geweld is er een verklaring van getuige [getuige 3] waarin hij zegt dat de dader zeer agressief was, erg hard schopte en daarbij telkens zijn been tot ver achter zijn standbeen haalde. Daaruit en uit het letsel van aangever blijkt dat verdachte met kracht tegen het hoofd van aangever heeft geslagen en getrapt.

Het met kracht schoppen met geschoeide voet en het met kracht slaan tegen een zo kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd, levert een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer op. Dat verdachte deze aanmerkelijk kans ook bewust heeft aanvaard, blijkt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het door verdachte uitgeoefende geweld. Door aangever met kracht meermalen tegen het hoofd te slaan en met geschoeide voet tegen het hoofd – omvattende het zenuwcentrum van het lichaam – te trappen, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank dus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zou overlijden.

Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op aangever.

ii. medeplegen?

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen handelde. De verklaringen van aangever voor zover inhoudende dat hij door twee personen geschopt zou zijn, vinden naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende steun in overig bewijs. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen van de poging tot doodslag op aangever.

iii. noodweerexces?

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De raadsman heeft gesteld dat de verdachte, door aangever tegen zijn hoofd en lichaam te slaan en schoppen, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer] veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte loopt die ochtend na een nacht stappen samen met [getuige 4] , [getuige 5] en medeverdachte [medeverdachte] naar huis. [getuige 4] verklaarde onder meer dat verdachte vervelend was, tegen rolluiken sloeg en luidruchtig op straat was, waarna zij als groep aangesproken werden door een man met een hond (pg. 212), naar de rechtbank begrijpt: aangever. Aangever zag vervolgens een persoon, welke hij later herkende als verdachte, in een rechte lijn op hem afkomen, die hem zei: “Zal ik jou eens tegen je hoofd slaan?” en die vervolgens een slaande beweging maakte richting aangever (pg. 24-25). Dat verdachte nadat de groep door aangever werd aangesproken op aangever is afgegaan, waarbij aangever agressief werd benaderd, wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 1] . Aangever sloeg hierop tegen verdachtes gezicht en liep vervolgens telkens achteruit, terwijl de verdachte scheldend en tierend op hem af bleef komen, waarbij aangever werd geslagen en (meermalen) ten val kwam en werd geslagen en geschopt (pg. 26 en 27). [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte steeds bij de man probeerde te komen en door het dolle heen was. Getuige [getuige 3] verklaarde onder meer dat de verdachte “echt agressief” was, dat aangever “totaal geen kans” kreeg en het “geen eerlijk gevecht” was (pg. 114).

De rechtbank constateert dat aangever weliswaar de eerste rake klap heeft uitgedeeld, doch dat de verdachte de agressor was bij onderhavig incident en dat het de aangever was die zichzelf door het geven van de eerste rake klap aan het verdedigen was. Verdachte was van meet af aan vervelend, liep zelf in de richting van aangever toen die hem als betrokken burger aansprak op zijn baldadigheid, daagde aangever uit en maakte de eerste slaande beweging.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachte die aan de klap door aangever zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het slagen van het verweer, omdat de verdachte de aangever heeft geprovoceerd, zelf de confrontatie met aangever heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. Het is niet de verdachte die ‘wederrechtelijk is aangerand’, een vereiste voor een geslaagd beroep op noodweerexces, maar de aangever die ‘wederrechtelijk is aangerand’ waarbij de verdachte de agressor was. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat geen sprake kan zijn van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Het verweer wordt aldus verworpen.

Bewijsmiddelen: feit 2.

Verbalisanten [verbalisant 1] (inspecteur van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) relateerden – zakelijk weergegeven – als volgt: 6

Op 1 januari 2018 hielden wij, in uniform gekleed, op de [adres 2] in Echt, verdachte [verdachte] aan voor het plegen van een openlijke geweldpleging. Wij zagen en voelden dat [verdachte] niet vrijwillig meewerkte. Hij bleef zich naar het bed bewegen. Hierop werd de verdachte onder controle gebracht. Wij zagen en voelden dat verdachte zich meerdere keren in een andere richting wilde bewegen en dit met behoorlijk wat kracht pleegde te doen. Ondanks het aanbrengen van transportboeien werd het verzet niet helemaal gebroken. Vervolgens werd de verdachte naar het dienstvoertuig van collega’s gevoerd, welke voor de woning stond. De verdachte werd vervolgens in het dienstvoertuig geplaatst, waarbij de verdachte wederom niet meewerkend was. Wij voelden en zagen dat hij zijn benen niet naar binnen wilde trekken en zich ook met zijn bovenlichaam bleef verzetten. Nadat de verdachte was aangehouden is deze door collega’s overgebracht naar het cellencomplex in Roermond.

Overwegingen van de rechtbank.

Op grond van voormeld proces-verbaal acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het onder 2. ten laste gelegde verzet bij zijn aanhouding.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

1.primair: op 1 januari 2018 in de gemeente Echt-Susteren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, (tegen het hoofd) heeft geslagen en getrapt, ook terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. op 1 januari 2018 in de gemeente Echt-Susteren, zich met geweld, heeft verzet tegen, [verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Limburg en [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Limburg, werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten als in uniform geklede ambtenaren die verdachte hebben aangehouden voor het plegen van een openlijke geweldpleging (art. 141 Sr) om verdachte vervolgens over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie Roermond, door zich meerdere keren met kracht in een andere richting te bewegen en zijn benen niet in het dienstvoertuig te plaatsen en zich met zijn bovenlichaam te verzetten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair: poging tot doodslag

ten aanzien van feit 2: wederspannigheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Zoals onder 3.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van de verdediging op noodweerexces niet. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is aldus strafbaar.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat de rechtbank:

  • -

    toepassing zal geven aan het zogenaamde adolescentenstrafrecht ex art. 77c Sr en

  • -

    de verdachte zal veroordelen tot 24 maanden jeugddetentie met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – na afwijzing van het ter terechtzitting ingediende verzoek tot onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis – de rechtbank verzocht om oplegging van een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel tot uiterlijk 1 mei 2018 beloopt en met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] onder invloed van drank geprobeerd van het leven te beroven door hem in de vroege ochtend op nieuwsjaardag veelvuldig tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen en slaan. Zulks op een moment dat het slachtoffer de hond uitliet en verdachte aansprak op zijn baldadige gedrag. De rechtbank kan niet anders dan spreken van een ware afranseling van het slachtoffer die te betitelen is als zinloos geweld. Dat het slachtoffer dit nog na kan vertellen, is niet aan de verdachte te danken. Integendeel, na zijn geweldsuitbarsting heeft de verdachte het slachtoffer ook nog eens in hulpeloze toestand achtergelaten. Alsof een en ander nog niet ernstig genoeg is, toont de verdachte geen inzicht in het verwerpelijke van zijn gedrag en toont hij geen enkele empathie voor het slachtoffer. Verdachte is erg gericht op zichzelf en komt blijkens de bewezenverklaarde feiten makkelijk tot gewelddadig handelen. Daarmee komt de rechtbank bij de persoon van de verdachte.

Uit het reclasseringsadvies van 5 april 2018 blijkt van problemen op diverse leefgebieden bij de verdachte. Kort gezegd is het de verdachte na een belaste voorgeschiedenis de afgelopen jaren niet gelukt om zich te ontwikkelen tot een voldoende vaardige en verantwoordelijke jongvolwassene. Diverse hulpverleningstrajecten hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. Verdachte heeft geen diploma, geen werk, schulden en psychische problemen.

De reclassering heeft gezien de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn onrijpe persoonlijkheid geadviseerd toepassing te geven aan het zogenaamde adolescentenstrafrecht ex art. 77c Sr. Ook de rechtbank vindt in de persoonlijkheid van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit de stukken en op de zitting, grond om het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Bij het adolescentenstrafrecht geldt net als in het jeugdstrafrecht als uitgangspunt dat het geheel van in te zetten maatregelen erop is gericht de jongvolwassene die delicten pleegt maximaal te stimuleren een verantwoorde rol in de samenleving op zich te nemen. Het in juiste banen leiden van de ontwikkeling van de jongvolwassene heeft als belangrijk doel recidive te voorkomen.

De reclassering acht het recidiverisico hoog als verdachte niet wordt behandeld en begeleid. Behandeling en begeleiding van het middelengebruik en emotioneel welbevinden van verdachte zal het recidiverisico verminderen naar laag tot matig. De reclassering heeft een intensief hulpverleningstraject in gedwongen kader geadviseerd met strikte regels en controle met een elektronisch controlemiddel. Op 1 mei 2018 zou verdachte geplaatst kunnen worden binnen het AMBIT-traject van MET ggz en kunnen starten met de behandeling.

De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt en advies van de reclassering dat een intensief hulpverleningstraject binnen een gedwongen kader in dit geval noodzakelijk is. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de ernst van de feiten in beginsel een vrijheidsbenemende sanctie van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Daartegenover staat het belang van behandeling van de verdachte om opnieuw strafbaar handelen in de toekomst zo veel als mogelijk te voorkomen. Verdachte, blijkens zijn strafblad first offender op het gebied van geweldsdelicten, heeft meteen een ernstig geweldsdelict gepleegd. Dat baart veel zorgen voor de toekomst bij niet adequaat ingrijpen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de kans moet krijgen om op 1 mei 2018 met het voorgestelde traject te starten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het hulpverleningstraject zoals geadviseerd intensief is en door de daaraan verbonden ver- en geboden de bewegingsvrijheid van verdachte (ook) aanzienlijk beperken.

Het onvoorwaardelijk strafdeel zal daarom gesteld worden op een periode gelijk aan de ingangsdatum van zijn voorlopige hechtenis op 1 januari 2018 tot 1 mei 2018, dat is 4 maanden.

Teneinde het traject een reële kans van slagen te geven, moet dit naar het oordeel van de rechtbank ook voorzien zijn van een motiverende stok achter de deur en een termijn die de slagingskans optimaal maakt. Daartoe zal de rechtbank het voorwaardelijke gedeelte van de vrijheidsstraf op tien maanden stellen in combinatie met een proeftijd van 3 jaren. In zijn geheel zal dan aan verdachte een jeugddetentie van 14 maanden worden opgelegd waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Dit staat in verhouding tot de volstrekt zinloze, excessieve geweldsuitbarsting van verdachte zoals hierboven omschreven, de gevolgen voor het slachtoffer en de impact die dit feit had en heeft op het slachtoffer en de maatschappij, in het bijzonder de gemeenschap in Echt.

Aldus zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot 14 maanden jeugddetentie met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten kort gezegd: toezicht, behandelverplichting, verplichte daginvulling, begeleid wonen, drugs- en alcoholverbod, contactverbod, locatieverbod, locatiegebod, een en ander mede af te dwingen door elektronische controle en dit alles voor zover en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht. Gelet op de huidige en op korte termijn te verwachten beperkte draagkracht van de verdachte, alsmede op de beslissing in het kader van de vordering benadeelde partij, zal de rechtbank niet als bijzondere voorwaarden de schadevergoeding opnemen, teneinde het risico op mislukking van het traject op financiële gronden te voorkomen. De rechtbank gaat ervan uit dat het vergoeden van de schade binnen het traject wel aandacht zal krijgen en verdachte de schade ook naar vermogen zal vergoeden.

Gelet op het hoge recidiverisico zoals beschreven en onderbouwd in de reclasseringsrapportages is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een geweldsmisdrijf zal begaan. De rechtbank zal daarom bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van 7.561,64 euro als gevolg van het onder 1. ten laste gelegde. De vordering bestaat uit 2.750 euro immateriële schade en 4.811,64 euro aan tot aan de dag van de zitting geleden materiële schade, die op zijn beurt bestaat uit:

  1. 60,00 euro daggeldvergoeding ziekenhuis;

  2. 385,99 euro medische kosten (eigen risico + paracetamol);

  3. 50,00 euro reiskosten (stelpost);

  4. 4.145,40 euro verlies van arbeidsvermogen;

  5. 25,00 euro extra stookkosten;

  6. 50,00 euro extra telefoonkosten;

  7. 95,25 euro kosten zonder nut (fitnessabonnement).

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van strafrecht.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat vanwege de rol van aangever, te weten eigen schuld dan wel medeschuld, de vordering niet eenvoudig van aard is en daarom voorgelegd zou dienen te worden aan de burgerlijke rechter.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1. primair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid en hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank als volgt.

Ontvankelijkheid.

Met ingang van 1 januari 2011 is het criterium voor de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij uit artikel 361 lid 3 van het wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gewijzigd. Kort gezegd is het criterium ‘niet eenvoudig van aard’ vervangen door het criterium van de ‘onevenredige belasting van het strafgeding’ met als doel om de vordering van de benadeelde partij vaker inhoudelijk af te doen. De Hoge Raad heeft overwogen dat artikel 361 lid 3 Sv in het licht van artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij zich niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren (Hoge Raad 15 september 2006, NJ 2007, 484). Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank thans geen sprake. De vordering bevat een uitgebreide en onderbouwde omschrijving van de gestelde schade, waaromtrent de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad deze te betwisten. De rechtbank acht de benadeelde partij dan ook ontvankelijk in de vordering.

Eigen schuld / medeschuld.

Op grond van art. 6:101 van het Burgerlijk Wetboek kan de schadevergoedingsplicht van de dader/verdachte verminderd worden gelegen in de eigen schuld van de schuldenaar (aangever). De rechtbank begrijpt dit verweer van de verdediging als een vervolg op het beroep op noodweerexces; op een andere wijze is het immers niet onderbouwd. Reeds hiervoor onder 3.3 heeft de rechtbank gemotiveerd waarom en dat de verdachte geen beroep toekomt op noodweerexces: kort gezegd omdat geen sprake van een noodweersituatie gelet op het initiërende handelen van de verdachte. Van schuld aan de zijde van de aangever is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake en de rechtbank verwerpt aldus het beroep daarop.

Materiële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor wat betreft de materiële schade, die door de verdediging verder ook niet inhoudelijk is weersproken, goed onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank stelt de materiële schade dan ook vast op 4.811,64 euro.

Immateriële schade.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde, te weten een poging tot doodslag bestaande uit het veelvuldig en met kracht slaan en schoppen, waaronder tegen het hoofd, is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Hoewel de door de benadeelde partij als vergelijkbaar aangehaalde uitspraak naar het oordeel van de rechtbank toch enige verschillen vertoond, komt het gevorderde bedrag de rechtbank wel alleszins redelijk voor. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor wat betreft de immateriële schade, die door de verdediging verder ook niet inhoudelijk is weersproken, voor toewijzing vatbaar. De rechtbank stelt de immateriële schade dan ook vast op 2.750 euro.

Conclusie.

De rechtbank stelt het totale schadebedrag overeenkomst de vordering vast op 7.561,64 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 1 januari 2018 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de vordering dan ook integraal toewijzen en de verdachte veroordelen tot betaling van 7.561,64 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 1 januari 2018 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer.

De rechtbank zal de verdachte ook veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank ziet tevens aanleiding de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen en zal aldus tevens aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van 7.561,64 euro, te rekenen vanaf 1 januari 2018 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de tijd van 30 dagen, te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 45, 57, 36f, 77c, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 180, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feiten 1 primair en 2 tot 14 maanden jeugddetentie, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen,

- dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. dat hij zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg, ook als dat inhoudt deelname aan een ITB HKJ traject, alsmede dat hij zijn medewerking verleent aan huisbezoeken van de jeugdreclassering en contacten met zijn ouders en begeleiders/behandelaren;

  2. dat hij zich onder behandeling stelt bij MET ggz of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de jeugdreclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  3. dat hij op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt, zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer] ;

  4. at hij zich onthoudt van het gebruik van drugs en alcohol, en ten behoeve van de naleving van dit verbod meewerkt aan urineonderzoek;

  5. dat hij zich niet bevindt in Echt, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

  6. dat hij op door de (jeugd)reclassering vooraf vastgestelde tijden aanwezig is op het verblijfsadres, vastgesteld door de (jeugd)reclassering, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

  7. dat hij verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Metggz te Roermond, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de jeugdreclassering, en zich houdt aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld;

  8. dat hij medewerking verleent aan zinvolle daginvulling van minimaal zeven dagdelen per week in overleg met de (jeugd)reclassering;

een en ander gesteld in de bijzondere voorwaarden a. tot en met h. voor zover en zolang de (jeugd)reclassering noodzakelijk acht;

  • -

    geeft de jeugdreclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , ten aanzien van feit 1 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen 7.561,64 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 januari 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer 7.561,64 euro, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Voorlopige hechtenis

- heft op de voorlopige hechtenis met ingang van 1 mei 2018, i.e. het moment waarop het ondergane voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijk jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wapenaar, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en

mr. A.M. Koster-van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 april 2018.

Buiten staat

mr. C. Wapenaar en mr. A.M. Koster-van der Linden zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 1 januari 2018 in de gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (tegen het hoofd) heeft geslagen en/of getrapt, ook terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2018 in de gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing en/of kleine bloeduitstortingen in de hersenen, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (tegen het hoofd) te slaan en/of te trappen, ook terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2018 in de gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (tegen het hoofd) heeft geslagen en/of getrapt, ook terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2018 in de gemeente Echt-Susteren, op de Kerkveldsweg Oost , in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (tegen het hoofd) te slaan en/of te trappen, ook terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag;

2.hij op of omstreeks 1 januari 2018 in de gemeente Echt-Susteren, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen, [verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Limburg en/of [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Limburg, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn/hun bediening, te weten als in uniform geklede ambtena(a)r(en) die verdachte heeft/hebben aangehouden voor het plegen van een openlijke geweldpleging (art. 141 Sr) om verdachte vervolgens over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie Roermond, door zich meerdere keren met kracht in een andere richting te bewegen en/of zijn benen niet in het dienstvoertuig te plaatsen en zich met zijn bovenlichaam te verzetten.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Echt, registratienummer PL2300-2018000257, gesloten d.d. 20 februari 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 228.

2 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 7 januari 2018, pg. 20-29.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 5 januari 2018, pg. 112-116.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 3 januari 2018, pg. 141-150.

5 Het geschrift, inhoudende medische informatie / letselbeschrijving betreffende [slachtoffer] d.d. 1 januari 2018, pg. 41-42.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 januari 2018, pg. 73-75.