Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3878

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
6686539 AZ VERZ 18-24
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen dringende reden. Ontslag op staande voet onterecht gegeven.

Transitievergoeding en billijke vergoeding. Werknemer berust in ontslag op staande voet en kiest voor billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6686539 \ AZ VERZ 18-24

Beschikking van de kantonrechter van 23 april 2018

in de zaak van:

[verzoekende partij] ,

wonend [adres verzoekende partij] ,

[woonplaats verzoekende partij] ,

werknemer

gemachtigde mr. M.J.J. Spieringhs,

verzoekende partij in het verzoek,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf verwerende partij] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats verwerende partij] ,

werkgever

gemachtigde mr. A.J.T.M. Oudenhoven,

verwerende partij in het verzoek,

Partijen zullen hierna [verzoekende partij] en [verwerende partij] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 27 februari 2018 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen, tevens houdende het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

  • -

    het op 16 maart ingediende verweerschrift

  • -

    de door [verzoekende partij] overgelegde productie 13

  • -

    de mondelinge behandeling van het verzoek op 26 maart 2018

  • -

    de pleitnotities van de gemachtigde van [verzoekende partij] .

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekende partij] is op 29 december 2014 bij [verwerende partij] in dienst getreden in de functie van medewerker glastuinbouw 2 tegen een salaris van laatstelijk € 1.783,90 per 4 weken, exclusief 8% vakantietoeslag. [verzoekende partij] is 51 jaar.

2.2.

[verzoekende partij] is op 25 januari 2018 op staande voet ontslagen. [verwerende partij] heeft dit ontslag op staande voet aan [verzoekende partij] meegedeeld en bevestigd bij brief van respectievelijk 25 januari 2018 en 31 januari 2018.

2.3.

Bij brief van zijn gemachtigde van 9 februari 2018 heeft [verzoekende partij] geprotesteerd tegen het gegeven ontslag op staande voet. [verzoekende partij] heeft [verwerende partij] tevens gesommeerd hem toe te laten tot het werk en zijn loon door te betalen. [verwerende partij] heeft daarop bij brief van 21 februari 2018 gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekende partij] vordert in deze procedure – kort samengevat – het navolgende:

bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

  1. doorbetaling van loon en vakantietoeslag vanaf 25 januari 2018 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;

  2. verzoeker in staat te stellen de bedongen werkzaamheden te verrichten onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [verwerende partij] daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 25.000,00;

primair

3. vernietiging van het ontslag op staande voet;

4. veroordeling van [verwerende partij] om [verzoekende partij] in staat te stellen de bedongen werkzaamheden te verrichten onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [verwerende partij] daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 25.000,00;

5. veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van het salaris van [verzoekende partij] ad € 1.932,56 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag (en reiskosten) vanaf 25 januari 2018 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging;

subsidiair

6. veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoekende partij] ter hoogte van € 25.000,00 bruto;

7. toekenning aan verzoeker van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, zijnde het loon vanaf 25 januari 2018 tot 1 maart 2018;

8. toekenning aan [verzoekende partij] van een transitievergoeding ter hoogte van € 2.087,00 bruto;

9. veroordeling van [verwerende partij] tot het overleggen van een specificatie van de eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verwerende partij] daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 25.000,00;

meer subsidiair

10. voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet, toekenning van een transitievergoeding ad € 2.087,00 bruto;

10. veroordeling van [verwerende partij] tot het overleggen van een specificatie van de eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verwerende partij] daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 25.000,00;

primair, subsidiair en meer subsidiair

12. veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van achterstallig loon aan [verzoekende partij] ter hoogte van € 1.444,94, te vermeerderen met de wettelijke verhoging;

12. veroordeling van [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende partij] van de wettelijke verhoging over de gevorderde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

12. veroordeling van [verwerende partij] in de kosten van deze procedure als ook in de nakosten.

3.2.

[verwerende partij] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekende partij] heeft ter zitting van 26 maart 2018 het verzoek tot wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon ingetrokken en aanspraak gemaakt op toekenning van een billijke vergoeding. Daarmee komt ook de grondslag voor de gevraagde voorlopige voorziening te ontvallen, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

De voorvallen op 24 en 25 januari 2018

4.2.

[verwerende partij] stelt dat [verzoekende partij] zich op 24 januari 2018 op een agressieve manier heeft gemengd in een gesprek tussen zijn collega [X] en teamleider [Y] . [Y] had kort tevoren [verzoekende partij] en [X] aangesproken op het feit dat zij voortdurend aan het praten waren tijdens het werk. Teamleider [Y] heeft aan beiden te kennen gegeven dat zij hun gesprek in de kantine konden voortzetten. Volgens [verwerende partij] wilden zowel [verzoekende partij] als [X] het bedrijf vervolgens verlaten.

4.3.

Op hun weg naar buiten zijn [X] en [verzoekende partij] opgevangen door bedrijfsleidster mevrouw [Z] . Zij heeft verklaard dat zij met beiden in de naastgelegen kantoorruimte wilde praten. Mevrouw [Z] heeft daarbij een hand op de schouder van [verzoekende partij] en [X] gelegd. De poging van [Z] om met beiden te praten is niet geslaagd en zowel [verzoekende partij] als [X] hebben het bedrijf verlaten. [verwerende partij] heeft een en ander opgevat als werkweigering.

4.4.

[verwerende partij] heeft naar aanleiding van het vorenstaande een sommatiebrief in het Pools en in het Nederlands opgesteld en per e-mail aan [verzoekende partij] toegestuurd. Zij heeft [verzoekende partij] daarin uitgenodigd om zich op 25 januari 2018 op het werk te melden teneinde nadere afspraken te maken omtrent de werkhervatting. Bedrijfsleidster [Z] heeft tevens getracht deze sommatiebrief persoonlijk aan [verzoekende partij] te overhandigen. Zij is daarvoor in de avond van 24 januari 2018 naar het huisadres van [verzoekende partij] gegaan. [verzoekende partij] heeft zich ten opzichte van [Z] agressief geuit en geschreeuwd, aldus mevrouw [Z] . Zij is daarop vertrokken zonder de betreffende brief aan [verzoekende partij] af te geven.

4.5.

Op 25 januari 2018 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekende partij] en directeur [A] in aanwezigheid van een tolk. [verwerende partij] heeft de incidenten van de dag ervoor met [verzoekende partij] besproken. [verzoekende partij] is in dit gesprek wederom agressief geworden en heeft een dreigende en intimiderende houding ten opzichte van [verwerende partij] aangenomen. Van de tolk heeft [verwerende partij] nadien begrepen dat [verzoekende partij] [verwerende partij] in het gesprek ook heeft uitgescholden. Voor [verwerende partij] was de maat nu vol en hij heeft [verzoekende partij] te kennen gegeven dat hij op staande voet is ontslagen. [verwerende partij] heeft het ontslag op staande voet op 25 januari 2018 schriftelijk aan [verzoekende partij] bevestigd.

4.6.

[verzoekende partij] heeft de stellingen van [verwerende partij] met betrekking tot het gegeven ontslag op staande voet met klem betwist. [verzoekende partij] ontkent dat hij zich verbaal en/of fysiek agressief heeft geuit. [verzoekende partij] betwist voorts dat hij op 24 januari 2018 na het voorval met teamleider [Y] het bedrijf heeft willen verlaten. [verzoekende partij] was met collega [X] op weg naar de kantine toen zij onderweg door bedrijfsleidster [Z] werden gedwongen om plaats te nemen in de klimaatruimte. Volgens [verzoekende partij] is dit het zogenaamde “strafhok” waarin werknemers worden geplaatst die tegen een regel hebben gezondigd. Het is een soort “schandpaal op het marktplein”. Omdat [verzoekende partij] vond dat hij niets verkeerds had gedaan wilde hij niet naar binnen. [Z] heeft daarom getracht [verzoekende partij] aan twee armen naar binnen te trekken. [verzoekende partij] heeft zich daarop ziek gemeld en heeft het bedrijf verlaten.

4.7.

Het klopt dat mevrouw [Z] ’s avonds bij hem aan de deur is verschenen. Hij heeft inderdaad geweigerd de brief in ontvangst te nemen maar hij heeft mevrouw [Z] daarbij zeker niet uitgescholden of bedreigd.

4.8.

[verzoekende partij] weerspreekt voorts dat hij in het gesprek met directeur [A] op

25 januari 2018 een agressieve dan wel dreigende houding heeft aangenomen. Evenmin heeft hij directeur [A] uitgescholden. [verzoekende partij] heeft wel bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de tolk, de heer [B] , die in de ogen van [verzoekende partij] niet onafhankelijk is. Deze tolk heeft zeer nauwe banden met het bedrijf en is voor zijn inkomsten van [verwerende partij] afhankelijk. [verzoekende partij] heeft niet begrepen dat hij op staande voet was ontslagen. [verzoekende partij] heeft enkel begrepen dat hij zich moest beraden op de voortzetting van het dienstverband bij [verwerende partij] .

De weging van het gegeven ontslag op staande voet

4.9.

De kantonrechter – gezien de processtukken en gehoord partijen ter zitting van 26 maart 2018 – overweegt het navolgende.

4.10.

Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het ontslag op staande voet van 25 januari 2018 terecht gegeven is of dat er sprake is van een onregelmatig gegeven ontslag als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 sub a BW. Op dat punt wordt als volgt overwogen.

4.11.

Bij de beoordeling van die vraag moet de kantonrechter kijken naar de redenen die in de ontslagbrief worden genoemd. Die worden immers geacht de grondslag voor het ontslag op staande voet te vormen. Andere zaken, die wellicht ook spelen, zijn niet van belang. Indien in de aankondiging van het ontslag op staande voet meerdere redenen worden genoemd, moeten die redenen in beginsel allemaal komen vast te staan, tenzij het de werknemer duidelijk moet zijn geweest dat het ontslag op staande voet ook zou zijn gegeven als slechts één of enkele van die redenen aan de orde zouden zijn geweest.

Als het stuk waarin de gronden voor het ontslag op staande voet worden vermeld beschouwt de kantonrechter de brief van 25 januari 2018. De brief van 31 januari 2018 betreft slechts de constatering dat er geen regeling in de vorm van een beëindigingsovereenkomst tot stand gekomen is.

4.12.

In de brief van 25 januari 2018 worden de navolgende redenen genoemd voor het ontslag op staande voet:

 op 24 januari 2018 heeft [verzoekende partij] het bedrijf tijdens werktijd en zonder toestemming verlaten;

 toen mevrouw [Z] die avond een brief, inhoudende een “sommatie tot werkhervatting” wilde afgeven heeft [verzoekende partij] die brief geweigerd. Verder heeft hij mevrouw [Z] verbaal agressief bejegend en uitgescholden;

 tijdens het gesprek met de directeur op 25 januari 2018 was [verzoekende partij] wederom verbaal agressief en heeft hij de directeur uitgescholden.

4.13.

Wat betreft het verlaten van het bedrijf op de 24e januari stelt [verzoekende partij] dat hij ziek was en dat van een vorm van werkweigering geen sprake was. Van een officiële ziekmelding is evenwel niet gebleken. Maar wat hiervan ook moge zijn, voor werkweigering is toch vereist dat de werkgever de werknemer de duidelijke opdracht geeft aan het werk te gaan (of, zoals in dit geval, aan een gesprek te gaan deelnemen). Niet is gebleken dat [verwerende partij] een dergelijke mededeling heeft gedaan toen [verzoekende partij] het bedrijf verliet. Nog belangrijker acht de kantonrechter het gegeven dat deze gebeurtenis op zich voor [verwerende partij] geen aanleiding was om hem te ontslaan. Hij kreeg immers een “sommatie tot werkhervatting” en geen ontslag op staande voet. Duidelijk is dan ook dat dit enkele voorval op de 24e januari het ontslag op staande voet niet kan dragen.

4.14.

Vervolgens gaat het om het verwijt dat [verzoekende partij] zich bedreigend en intimiderend uit ten overstaan van bedrijfsleidster [Z] en directeur [A] . De kantonrechter wil aannemen dat [verzoekende partij] in de communicatie met [verwerende partij] geëmotioneerd kan overkomen en het is goed denkbaar dat er discussies hebben plaatsgevonden waarbij er met stemverheffing is gesproken. Echter, naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door [verwerende partij] gestelde scheldpartijen en beledigingen in onvoldoende mate komen vast te staan. Zo wordt niet duidelijk welke beledigende uitingen door [verzoekende partij] zijn gedaan en dat het met stemverheffing spreken daadwerkelijk als schelden moet worden opgevat. [verwerende partij] heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende concreet gemaakt. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een verklaring van de tolk met daarin een letterlijke weergave van de woorden die [verzoekende partij] tegenover de directeur zou hebben gebruikt. Zowel de directeur als mevrouw [Z] spreken geen Pools, de taal waarin [verzoekende partij] spreekt. Hun verklaringen kunnen dan ook alleen betrekking hebben op de manier waarop gesproken wordt maar niet op de inhoud van wat gezegd wordt. Zo komt van de aangevoerde verwijten hooguit vast te staan dat [verzoekende partij] zich geëmotioneerd heeft opgesteld.

4.15.

[verwerende partij] heeft met het ontslag op staande voet gegrepen naar de zwaarst mogelijke arbeidsrechtelijke sanctie. Immers moet het ontslag op staande voet worden gezien als een ultimum remedium. De kantonrechter is van oordeel dat [verwerende partij] andere, minder ingrijpende, maatregelen had kunnen treffen, te meer nu niet gebleken is van eerder getroffen disciplinaire maatregelen. De ernst van hetgeen is vast komen te staan is zeker ook niet van dien aard dat een lichtere maatregel niet meer op zijn plaats zou zijn.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert het complex van de door [verwerende partij] aangedragen feiten en omstandigheden onvoldoende grond op voor een ontslag op staande voet.

De verschillende vergoedingen

4.16.

Nu [verzoekende partij] zijn vordering tot vernietiging van het ontslag heeft ingetrokken en kiest voor het toekennen van een billijke vergoeding (artikel 7:681 lid 1 BW) blijft het gegeven ontslag in stand. Dat betekent dat [verwerende partij] de arbeidsovereenkomst regelmatig had dienen op te zeggen met inachtneming van de geldende opzegtermijn van één maand, rekening houdende met het feit dat alleen kan worden opgezegd tegen de laatste dag van een maand. Het vorenstaande betekent dat rechtsgeldig had kunnen worden opgezegd tegen

1 maart 2018. Nu dat niet is gebeurd, is [verwerende partij] gehouden aan [verzoekende partij] een gefixeerde schadevergoeding uit te keren ter hoogte van het loon ad € 1.932,56 bruto per maand plus 8% vakantietoeslag, over de periode van 25 januari 2018 tot 1 maart 2018.

4.17.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat [verwerende partij] aan [verzoekende partij] een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verwerende partij] is beëindigd. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. De kantonrechter kent aan [verzoekende partij] indachtig het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 BW derhalve een transitievergoeding toe ten bedrage van € 2.087,00 bruto.

4.18.

In het onderhavige geval heeft [verzoekende partij] de keuze gemaakt om aanspraak te maken op de billijke vergoeding. Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding heeft de kantonrechter rekening gehouden met de overwegingen zoals die zijn genoemd in de beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187).

4.19.

Als gevolg van het ontslag heeft [verzoekende partij] zijn baan verloren. Het is voor de kantonrechter niet mogelijk een goede inschatting te maken met betrekking tot de periode dat het dienstverband anders nog zou hebben voortgeduurd. Anderzijds, het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat in de regio Midden Limburg een groot tekort bestaat aan werknemers ten behoeve van de tuinbouw en kassencultuur. Hoewel [verzoekende partij] ter zitting verklaard heeft nog geen ander werk te hebben gevonden, acht de kantonrechter [verzoekende partij] zeer wel in staat om op korte termijn ander werk in de tuinbouw te vinden. Gebleken is dat het eerdergenoemde collega [X] , die gelijktijdig met [verzoekende partij] vertrokken is, ook gelukt is om snel een nieuwe baan te vinden. Het feit dat [verzoekende partij] de Nederlandse taal maar in beperkte mate machtig is, hoeft aan het vinden van een nieuwe dienstbetrekking niet in de weg te staan, mede gelet op het grote aantal buitenlandse werknemers dat in deze regio emplooi heeft gevonden. Het inkomensverlies als gevolg van het ten onrechte gegeven ontslag zal vermoedelijk dan ook van beperkte aard zijn.

Daarnaast heeft er enige compensatie plaatsgevonden door het toekennen van de transitievergoeding.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om op de billijke vergoeding de aan [verzoekende partij] toegekende vergoeding wegens onregelmatige opzegging in mindering te brengen. Het dient voor risico van [verwerende partij] te komen dat zij [verzoekende partij] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen.

De kantonrechter kan zich goed voorstellen dat van het ontslag op staande voet enige beschadiging uitgaat naar [verzoekende partij] . Enerzijds onder potentiele werkgevers en anderzijds onder collega’s die weten dat hem dit is overkomen. Dat het ontslag geen stand houdt is een feit dat doorgaans minder bekend wordt. Bovendien heeft hij zich van een advocaat moeten voorzien om de kwestie recht te zetten. Dat brengt niet alleen kosten met zich mee maar vergt ook tijd en moeite. [verzoekende partij] dient hiervoor gecompenseerd te worden.

4.20.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend komt de kantonrechter tot de slotsom dat de nadelige gevolgen van het onregelmatig gegeven ontslag voor [verzoekende partij] beperkt blijven. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat een billijke vergoeding ter hoogte van

€ 4.000,00 bruto recht doet aan de situatie en dat [verzoekende partij] hiermee in voldoende mate gecompenseerd wordt.

4.21.

De kantonrechter verstaat dat [verwerende partij] een deugdelijk gespecificeerde eindafrekening zal opmaken van de hierna toe te wijzen bedragen. De kantonrechter acht het niet nodig daaraan een dwangsom te verbinden.

4.22.

[verwerende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure aan de kant van [verzoekende partij] gevallen worden veroordeeld. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak als volgt begroot:

  • -

    griffierecht verzoek € 79,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00

totaal € 679,00

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende partij] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging voor de periode dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging nog had voortgeduurd, te weten het loon ad € 1.932,56 bruto per maand plus 8% vakantietoeslag, over de periode van 25 januari 2018 tot 1 maart 2018,

5.2.

veroordeelt [verwerende partij] om aan [verzoekende partij] te voldoen de transitievergoeding ad

€ 2.087,00 bruto,

5.3.

veroordeelt [verwerende partij] om aan [verzoekende partij] te voldoen een billijke vergoeding ter hoogte van € 4.000,00 bruto,

5.4.

veroordeelt [verwerende partij] in de kosten van deze procedure aan de kant van [verzoekende partij] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 679,00,

5.5.

veroordeelt [verwerende partij] tot het overleggen van een gespecificeerde eindafrekening,

5.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: ph/rvl

coll: ja