Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3826

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
C/03/238567 / FA RK 17-2889
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:2059
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging erkenning. Erkenner is overleden. Etniciteitsonderzoek?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/54.19
JERF Actueel 2018/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 28 maart 2018

Zaaknummer: C/03/238567 / FA RK 17-2889

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

de minderjarige:

[minderjarige],

geboren op [2004] te [geboorteplaats],

in rechte vertegenwoordigd door mr. E.J.A. Roeleven,

advocaat, kantoorhoudend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator voor de minderjarige,

als zodanig benoemd bij beschikking van deze rechtbank van 8 mei 2017 in zaaknummer

C/03/233740 / FA RK 17-1187.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1],

verder te noemen: de moeder,

wonend op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,

[belanghebbende 2],

verder te noemen: [belanghebbende 2],

wonend op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,

advocaat mr. B.M.A. Jegers, kantoorhoudend te Heerlen.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het op 21 juli 2017 ingekomen verzoekschrift met producties.

De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op 18 oktober 2017. Verschenen zijn:

  • -

    de bijzondere curator en de minderjarige;

  • -

    [belanghebbende 2], bijgestaan door mr. F.E.L. Teerling, te dezen vervangende mr. Jegers.

De moeder is behoorlijk opgeroepen voor de zitting, maar is niet verschenen.

De minderjarige heeft, uitsluitend in aanwezigheid van de bijzondere curator, zijn mening aan de behandelend rechter kenbaar gemaakt.

De bijzondere curator en [belanghebbende 2] hebben hun respectieve standpunten uiteengezet. De behandeling van de zaak is hierna voor bepaalde tijd aangehouden, in afwachting van nader bericht van de bijzondere curator en [belanghebbende 2].

Op 24 oktober 2017 is een brief ingekomen van de advocaat van [belanghebbende 2]. De rechtbank heeft in die brief aanleiding gezien om bij brief van 12 december 2017 van de griffier een aantal vragen voor te leggen aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI).

Op 14 december 2017 is daarop een antwoord van het NFI ingekomen.

De rechtbank heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld daarop schriftelijk te reageren. Bij brieven van 16 januari 2018 hebben de bijzondere curator en de advocaat van [belanghebbende 2] gereageerd. De bijzondere curator heeft de rechtbank verzocht een beslissing te nemen op basis van de voorhanden zijnde stukken.

De uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2 De feiten

Uit de moeder is op [2004] te [geboorteplaats] het kind [minderjarige] geboren.
De geboorteakte van de minderjarige komt voor in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen in het jaar 2004 onder aktenummer [X].


Op 14 juni 2004 is de minderjarige erkend door [de man], geboren op [1976] te [geboorteplaats], verder te noemen: de man. Daarbij is naamskeuze gedaan voor de geslachtsnaam van de man. Aan de geboorteakte van de minderjarige is op 14 juni 2004 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen een latere vermelding toegevoegd betreffende de erkenning. Daaruit blijkt dat op de erkenning Nederlands recht is toegepast.

De man is op [2017] te Heerlen overleden.

De minderjarige woont, met instemming van de moeder, bij [belanghebbende 2].

Bij beschikking van 5 juli 2017, zaaknummer C/03/232416 / FA RK 17-740, van deze rechtbank zijn de moeder en [belanghebbende 2] gezamenlijk met het gezag over de minderjarige belast en is de geslachtsnaam van de minderjarige gewijzigd in [belanghebbende 2].

3 De beoordeling

3.1.

Het door de bijzondere curator namens de minderjarige ingediende verzoek strekt ertoe dat de erkenning door de man van de minderjarige wordt vernietigd.

De bijzondere curator heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de man niet de biologische vader is van de minderjarige. De bijzondere curator heeft gesteld dat de minderjarige is verwekt tijdens een ‘one night stand’ van de moeder met een man van Antilliaanse afkomst met een donker getinte huid. De minderjarige is, evenals zijn biologische vader, donker getint, terwijl de man een blanke huid had en de moeder Indonesisch en licht getint is. Voor de minderjarige is uit de verklaringen van de moeder, maar ook vanwege het verschil in huidskleur tussen hem en de man duidelijk dat de man niet zijn biologische vader is. De minderjarige woont al een aantal jaren bij [belanghebbende 2], die hem verzorgt en opvoedt. De minderjarige ziet [belanghebbende 2] als een vaderfiguur. Na de vernietiging van de erkenning door de man wil [belanghebbende 2] overgaan tot de erkenning van de minderjarige. Dat is ook de wens van de minderjarige. Met het overlijden van de man is een einde gekomen aan de (zeer beperkte) rol die de man in het leven van de minderjarige speelde.

3.2.

Tijdens het gesprek met de behandelend rechter heeft de minderjarige te kennen gegeven dat hij achter het verzoek tot vernietiging van de erkenning staat.

3.3.

Ter zitting van 18 oktober 2017 heeft [belanghebbende 2] meegedeeld dat de moeder als baby in Indonesië is geadopteerd en dat haar biologische ouders niet bekend zijn. [belanghebbende 2] heeft verzocht hem in de gelegenheid te stellen om uit te zoeken of er een deskundige is die conclusies kan verbinden aan de huidskleur van de minderjarige.

Bij brief van 24 oktober 2017 van zijn advocaat heeft [belanghebbende 2] aangevoerd dat het NFI een etniciteitsonderzoek kan uitvoeren waarbij aan de hand van de huidskleur van de minderjarige de huidskleur van zijn ouders kan worden afgeleid. [belanghebbende 2] heeft verzocht hem een bewijsopdracht te geven, hieruit bestaande dat hij dient te bewijzen dat de man kan worden uitgesloten van het (naar de rechtbank begrijpt) biologisch vaderschap van de minderjarige, alsmede een opdracht aan het NFI (dan wel een vergelijkbaar instituut, zoals Verilabs) te geven tot het uitvoeren van een etniciteitsonderzoek, alsmede een onderzoek aan de hand van door [belanghebbende 2] aan te leveren foto’s van de moeder, de minderjarige en de man naar de mate van verwantschap op basis van de huidskleur.

3.4.

De rechtbank heeft bij brief van 12 december 2017 van de griffier de navolgende vragen voorgelegd aan het NFI:

  • -

    Is het NFI in staat om een etniciteitsonderzoek uit te voeren?

  • -

    Zo ja,
    wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van zo’n onderzoek?
    is voor het onderzoek naast de medewerking van het kind ook de medewerking van de moeder van het kind nodig of wenselijk?
    hoeveel tijd is gemoeid met het onderzoek?
    is het mogelijk om met het resultaat van het onderzoek aan de hand van foto’s van de man, het kind en de moeder een conclusie te trekken over de mate van waarschijnlijkheid van het biologisch vaderschap van de man?
    wat zijn de kosten van het onderzoek?

Bij e-mail van 14 december 2017 heeft het NFI als volgt gereageerd:


Het klopt dat het NFI met behulp van DNA-onderzoek een uitspraak kan doen over de geografische herkomst van de moederlijke (bij mannen en vrouwen) en vaderlijke lijn (alleen bij mannen). Dit onderzoek baseert zich op de resultaten van zogenaamd ‘mitochondriaal DNA-onderzoek’ en ‘Y-chromosomaal DNA-onderzoek’.

Het mitochondriaal DNA erft over van moeder op haar kinderen en geeft dus een indicatie over de afstamming in moederlijke lijn. Het Y-chromosoom erft over van vader op zoon en geeft een indicatie over de afstamming in mannelijke lijn. Iemand die bijvoorbeeld een mannelijke lijn heeft die zijn oorsprong vindt in Azië, heeft niet per definitie nu een Aziatisch uiterlijk. U kunt daar misschien in uw directe omgeving ook wel een voorbeeld van vinden.

Ons onderzoek zegt dus niets over de huidskleur of het uiterlijk van een persoon. De vraag die de belanghebbende heeft gesteld over het doen van uitspraken op basis van foto’s en een bepaling van de huidskleur kan dus niet met een DNA-onderzoek worden beantwoord.

Er zijn misschien wel andere mogelijkheden:

Als de overleden man biologische kinderen had, waarvan zijn vaderschap niet wordt betwist, kan dat misschien wel helpen om met DNA-onderzoek nog een uitspraak te kunnen doen over de betwiste verwantschap tussen het 13-jarige kind en de overleden man. Stel dat die man een of meer zonen heeft gekregen en het 13-jarige kind is een jongen, dan moeten ze hetzelfde Y-chromosoom hebben gekregen. Als het 13-jarige kind een meisje is, wordt het complexer om zonder DNA van de overledene een uitspraak te kunnen doen.

In alle gevallen helpt het wel, als de biologische moeder haar DNA-profiel wil laten bepalen. De helft van het DNA van het kind wordt namelijk verklaard door DNA van de moeder. De resterende helft moet dan van de biologische vader zijn en dat halveert dan automatisch de mogelijkheden.

Het NFI doet geen DNA-verwantschapsonderzoek voor particulieren. U kunt daarvoor wel terecht bij het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek in Leiden (www.fldo.nl). Indien er bijvoorbeeld biologische kinderen van de overleden man zijn en zij en de moeder willen meewerken, kunnen zij u verder helpen en de eventuele mogelijkheden aangeven.”

3.5.

Nadat de rechtbank partijen in de gelegenheid had gesteld op het antwoord van het NFI te reageren, heeft de bijzondere curator meegedeeld dat het antwoord van het NFI erop neerkomt dat uitsluitend door het FLDO een DNA-verwantschapsonderzoek kan worden gedaan voor zover sprake is van biologische kinderen van de man. Voor zover de bijzondere curator bekend zijn die er niet en kan zij daarover ook geen nadere informatie verkrijgen.

[belanghebbende 2] heeft aangevoerd dat uit de email van het NFI valt op te maken dat met behulp van DNA-onderzoek een uitspraak kan worden gedaan over de geografische herkomst van de vaderlijke lijn van de minderjarige, via mitochondriaal DNA-onderzoek en Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Zowel de moeder als de minderjarige zijn bereid hun medewerking aan zo’n DNA-onderzoek te verlenen. Uit dit DNA-onderzoek zou moeten blijken dat de vader van de minderjarige in elk geval niet van West-Europese afkomst is, zoals de man, en daaruit kan dan de conclusie worden getrokken dat de man niet de verwekker van de minderjarige kan zijn en ligt het verzoek tot vernietiging van de erkenning voor toewijzing gereed. [belanghebbende 2] heeft verzocht dat de rechtbank het NFI opdracht geeft voor dit DNA-onderzoek en hij is bereid de kosten daarvan geheel voor zijn rekening te nemen.

3.6.

Op de erkenning door de man van de minderjarige is Nederlands recht toegepast en daarmee is op de vernietiging van de erkenning eveneens Nederlands recht van toepassing.

Op grond van artikel 1:205, lid 1, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden.

Op grond van artikel 1:205, lid 4, BW wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek tot vernietiging van de erkenning door de minderjarige tijdig, binnen de in artikel 1:205, lid 4, BW bedoelde termijn is ingediend.

Het geding spitst zich daarmee toe op de beantwoording van de vraag of in rechte met een voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de man niet de biologische vader is van de minderjarige.

De enkele stelling van de bijzondere curator dat voor de minderjarige, gezien zijn huidskleur en gelet op de verklaringen van de moeder, duidelijk is dat de man niet zijn biologische vader is, acht de rechtbank onvoldoende om met de daarvoor vereiste mate van zekerheid aan te kunnen nemen dat de man niet de biologische vader is van de minderjarige. De rechtbank constateert dat in deze procedure geen verklaringen van de moeder zijn overgelegd en de moeder evenmin is verschenen om haar standpunt kenbaar te maken. Nog los daarvan heeft de bijzondere curator haar stelling dat gezien de huidskleur van de minderjarige duidelijk is dat de man niet de biologische vader is van de minderjarige niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.

Van belang is dat het hier gaat om een zaak betreffende afstamming waarbij met het verzoek een rechtsgevolg wordt beoogd dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Ingevolge artikel 149, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechter in zulke gevallen niet gebonden aan de hoofdregel dat hij feiten of omstandigheden die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist als vaststaand moet beschouwen, maar blijft de rechter bevoegd bewijs te verlangen ‘zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat’.


Uit de reactie van het NFI op de door de rechtbank aan het NFI voorgelegde vragen leidt de rechtbank af dat het door [belanghebbende 2] beoogde etniciteitsonderzoek geen relevante informatie oplevert ten aanzien van de huidskleur van de minderjarige in relatie tot biologische verwantschap met de man en dat evenmin aan de hand van aan te leveren foto’s uitspraken kunnen worden gedaan over de mate van biologische verwantschap.

Voor zover [belanghebbende 2] heeft aangevoerd dat met behulp van een DNA-onderzoek een uitspraak kan worden gedaan over de geografische herkomst van de vaderlijke lijn van de minderjarige overweegt de rechtbank dat ook dat geen soelaas biedt, alleen al vanwege het feit dat geen gegevens over de geografische herkomst van de man voorhanden zijn.

Voor zover het NFI nog naar voren heeft gebracht dat, naar de rechtbank begrijpt, met een

DNA-onderzoek wel een uitspraak zou kunnen worden gedaan over de biologische verwantschap tussen de minderjarige en de man, indien de man kinderen heeft, waarvan zijn biologisch vaderschap niet wordt betwist, overweegt de rechtbank, mede naar aanleiding van hetgeen de bijzondere curator op dat punt heeft aangevoerd, dat geen biologische kinderen van de man bekend zijn en dat een DNA-onderzoek daarom, bij gebreke aan mannelijke referenten waarvan de biologische band met de man vaststaat, geen bruikbare informatie zal opleveren.

Onder voormelde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan [belanghebbende 2] een bewijsopdracht te geven, zoals hij heeft verzocht, en ziet de rechtbank evenmin aanleiding om ambtshalve een etniciteitsonderzoek, DNA-onderzoek, dan wel een ander onderzoek naar de mate van verwantschap tussen de minderjarige en de man te gelasten.

Nu in rechte niet met een voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de (inmiddels overleden) man niet de biologische vader is/was van de minderjarige, zal het verzoek tot vernietiging van de erkenning worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A.J. Rings-Martens als griffier op

28 maart 2018.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.