Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3794

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
C/03/247961 / KG ZA 18-163
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding in conventie (betaling geldbedrag) en in reconventie (schorsen tenuitvoerlegging vonnis, afgewezen)

in conventie

De voorzieningenrechter (handel) is niet onbevoegd nu de vordering direct voortvloeit uit (een vonnis in) de verrekenings- c.q. verdelingsprocedure die de partijen voeren en waarbij het financieel belang voor de bevoegdheid geen rol speelt. Het ligt dan niet in de rede dat bij kortgedingprocedures in dergelijke zaken het financieel belang voor de bevoegdheid wel relevant is.

Het vonnis van 14 maart 2018 is nog niet onherroepelijk, nu hoger beroep nog aanhangig is, dus nog geen onverschuldigde betaling. Het gaat om een bedrag dat is geïncasseerd op basis van een vernietigd verstekvonnis.

Het restitutierisico is aannemelijk gemaakt.

Het bedrag dient te worden geparkeerd op de derdengeldrekening van deurwaarders¬kantoor totdat onherroepelijk zal zijn beslist dan wel tussen de partijen overeenstemming is bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/247961 / KG ZA 18-163

Vonnis in kort geding van 19 april 2018

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

advocaat mr. T.M.T.M. Lindeman,

tegen

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. D.N. Lavain.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 7,

  • -

    de eis in (voorwaardelijke) reconventie met producties 1 tot en met 8,

  • -

    de akte overlegging producties 9 tot en met 13 van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,

  • -

    de akte overlegging productie 14 van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,

  • -

    de mondelinge behandeling op 10 april 2018,

  • -

    de pleitnota’s van beide partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

De partijen zijn onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 21 mei 2015 is de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken. Op 17 juni 2015 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Sittard-Geleen.

2.2.

In een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] aangespannen procedure, strekkende tot vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, is [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 3 augustus 2016 veroordeeld tot betaling van € 67.261,66 aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] .

2.3.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft op basis van het verstekvonnis executoriaal eigenbeslag, executoriaal derdenbeslag onder de Sociale Verzekeringsbank en onder de Rabobank en executoriaal beslag op de auto van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gelegd.

2.4.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] is in verzet tegen het verstekvonnis gekomen. Bij vonnis van 14 maart 2018 (zaaknummer C/03/225988 / HA ZA 16-557) heeft deze rechtbank in de verzetzaak als volgt beslist:

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1

deelt de gemeenschappelijke woning toe aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] tegen een waarde van € 295.000,- onder de voorwaarden dat binnen vier maanden na vandaag:

- [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire schulden en

- [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] de helft van de overwaarde (te weten € 295.000,- verminderd met de hypothecaire schulden, de met overdracht samenhangende kosten en vermeerderd met de aan de hypotheek verbonden spaarpolissen) bij overdracht van de woning aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft vergoed,

3.2

bepaalt dat hetgeen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op basis van het vorenstaande verschuldigd is aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zal worden verrekend met de € 28.490,16 die [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aan haar dient te voldoen,

3.3

indien bovenstaande niet binnen vier maanden na vandaag wordt voltooid:

3.3.1

bepaalt dat de gemeenschappelijke woning zal worden verkocht aan een derde door ir. G.M.J. Corten van Corten & Steijns Makelaardij en Taxaties, of, indien hij niet bereid of in staat is de opdracht aan te nemen, door een door partijen in gezamenlijk overleg te kiezen makelaar,

3.3.2

bepaalt dat partijen ieder de daartoe strekkende opdrachtbevestiging van de makelaar voor akkoord moeten ondertekenen,

3.3.3

bepaalt dat de makelaar op een voor partijen bindende wijze advies geeft over (aanpassing van) de vraag- en laatprijs van de woning,

3.3.4

bepaalt dat partijen jegens elkaar gehouden zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en de verkoopadviezen van de makelaar,

3.3.5

bepaalt dat partijen jegens elkaar gehouden zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning indien een potentiële koper bereid is om de door de makelaar vastgestelde minimale verkoopprijs te betalen alsook bereid is een koopovereenkomst te sluiten onder gebruikelijke condities,

3.3.6

bepaalt dat alle kosten verband houdende met de verkoop van de woning door partijen ieder voor de helft worden gedragen,

3.3.7

bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van de woning (nadat de hypothecaire schulden zijn afgelost en de kapitaalpolissen zijn uitgekeerd en in mindering op die schulden zijn gebracht en nadat de met de verkoop en overdracht van de woning gemoeide kosten en de nominale vergoedingsrechten van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] (€ 68.324,83) en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] (€ 11.344,50) zijn voldaan) gelijk over partijen dient te worden verdeeld,

3.4

bepaalt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] € 1.950,00 aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] moet betalen ter zake de caravan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag tot de dag van algehele voldoening,

3.5

bepaalt dat al het op de peildatum aanwezige vermogen (dat dus onbekend is) bij helfte moet worden verdeeld,

3.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

3.8

wijst het meer of anders gevorderde af.

2.5.

Naar aanleiding van het vonnis van 14 maart 2018 zijn de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gelegde beslagen opgeheven. Door de beslagen was al een bedrag van € 12.871,56 op het inkomen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ingehouden en aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] uitgekeerd.

2.6.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 14 maart 2018.

3. Het geschil in conventie

in conventie

3.1.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert samengevat - [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te veroordelen tot betaling aan hem van

€ 12.871,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2018.

3.2.

Hij stelt daartoe, samengevat, het volgende. Het vonnis op basis waarvan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] beslag heeft gelegd en zij € 12.871,56 heeft geïncasseerd, heeft geen stand gehouden en hij wil nu het geïncasseerde bedrag terug. Het beslag was vexatoir. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft tegen beter weten in beslag gelegd en onnodig beslag gelegd, omdat de gemeenschappelijke woning voldoende verhaalsmogelijkheden biedt. Bovendien is het op grond van het vonnis van 14 maart 2018 juist [eiser in conventie, verweerder in reconventie] die nog een aanzienlijk bedrag van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te vorderen heeft. Hij heeft het door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] geïncasseerde bedrag dringend nodig voor zijn levensonderhoud.

3.3.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voert verweer.

in reconventie

3.4.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] vordert - samengevat - in (voorwaardelijke) reconventie primair het vonnis van 14 maart 2018 althans de tenuitvoerlegging daarvan te schorsen, in afwachting van het onherroepelijke eindarrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dan wel tussen de partijen bereikte overeenstemming.

3.5.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] voert verweer.

4 De beoordeling

in conventie

(on)bevoegdheid

4.1.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft aangevoerd dat deze rechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, omdat het om een geldvordering van minder dan € 25.000,- gaat en op grond van art. 93 j° art. 254 lid 5 Rv bij zulke vorderingen de kantonrechter in kort geding absoluut bevoegd is. Zij stelt verder dat in dat geval, gelet op haar woonplaats en het zaakverdelingsreglement, de kantonrechter van de locatie Roermond relatief bevoegd is.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft mondeling beslist zich bevoegd te achten om de zaak inhoudelijk te behandelen, nu de vordering direct voortvloeit uit (een vonnis in) de verrekenings- c.q. verdelingsprocedure die de partijen voeren. Die procedure betreft een zaak die niet door kantonrechters wordt behandeld en waarbij het financieel belang voor de bevoegdheid geen rol speelt. Het ligt dan niet in de rede dat bij kortgedingprocedures in dergelijke zaken het financieel belang voor de bevoegdheid wel relevant is.

spoedeisend belang

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] het spoedeisend belang voldoende heeft onderbouwd. Dat acht hij ook aanwezig.

inhoudelijk

4.4.

Ter zitting is geconstateerd dat in het vonnis van 14 maart 2018 is verzuimd het verzet gegrond te verklaren en het verstekvonnis te vernietigen. De partijen hebben ter zitting verklaard dat zij er van zijn uitgegaan dat dat vonnis in de plaats van het verstekvonnis is gekomen. Met hen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het ontbreken van de vernietiging een kennelijke omissie is. Hij beschouwt het verstekvonnis daarom in deze procedure als vernietigd.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts dan aanleiding is als het bestaan en de omvang van de vordering waarschijnlijk of voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is én het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen aan toewijzing niet in de weg staat. Deze eisen vormen communicerende vaten. Naarmate bijvoorbeeld de vordering meer vast staat en naarmate het risico van onmogelijkheid van terugbetaling minder aanwezig is, is het spoedeisend belang (meer) gegeven.

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat door de vernietiging van het verstekvonnis de rechtsgrond aan de op dat vonnis gebaseerde betaling door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] van € 12.871,56 is komen te ontvallen en dat die vernietiging (analoog aan de situatie in HR 19 februari 1999, NJ 1999, 367) op de voet van art. 6:203 BW een vordering tot ongedaanmaking van deze prestatie teweegbrengt, zulks met terugwerkende kracht - tot de datum waarop ter uitvoering van het vonnis is gepresteerd. Die vordering ontstaat echter pas wanneer de uitspraak van de rechter inzake de vernietiging, in dit geval dus het vonnis van 14 maart 2018, onherroepelijk is geworden (vgl. HR 3 juni 2016, NJ 2016, 358). Het hoger beroep tegen het vonnis van 14 maart 2018 is nog aanhangig. De vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot ongedaanmaking (terugbetaling) is dus nog niet ontstaan. Reeds hierom is de vordering niet toewijsbaar.

4.7.

Overigens is, gezien de beslissingen in het vonnis van 14 maart 2018 - met name die onder 3.5, waar is bepaald “dat al het op de peildatum aanwezige vermogen (dat dus onbekend is) bij helfte moet worden verdeeld” - de voorzieningenrechter van oordeel dat nog niet onomstotelijk vaststaat wát en hoe er tussen de partijen verdeeld en verrekend moet worden en wat er uiteindelijk per saldo door de een aan de ander zal moeten worden betaald. Gelet hierop kan thans evenmin worden geconcludeerd dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] uiteindelijk gerechtigd zal zijn tot (terug)betaling van het bedrag van € 12.871,56.

4.8.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft daarnaast aannemelijk gemaakt dat er een restitutierisico is, afgaande op de eigen stellingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dat hij onvoldoende inkomen heeft althans dat hij thans in een zeer financieel lastige positie verkeert.

4.9.

In de onduidelijkheid wie tot het bedrag van € 12.871,56 gerechtigd zal zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in aansluiting op het door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] subsidiair gevorderde erin te voorzien dat dat bedrag wordt geparkeerd op de derdengeldrekening van deurwaarderskantoor Ramona Batta c.s. te Maastricht totdat onherroepelijk zal zijn beslist dan wel tussen de partijen overeenstemming is bereikt.

4.10.

Nu de partijen ex-echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

in reconventie

4.11.

Gesteld noch gebleken is dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op basis van het vonnis van 14 maart 2018 is overgegaan tot executie daarvan of dat hij voornemens is om dat vonnis te gaan executeren. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar vordering ter zake het schorsen van (de tenuitvoerlegging/executie van) dat vonnis. De voorzieningenrechter zal haar daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

4.12.

Nu de partijen ex-echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

bepaalt dat het bedrag van € 12.871,56 in depot zal worden gehouden op de derdengeldrekening van deurwaarderskantoor Ramona Batta c.s. te Maastricht, totdat in het hoger beroep tegen het vonnis van 14 maart 2018 (zaaknummer C/03/225988 / HA ZA 16-557) onherroepelijk is beslist dan wel de partijen overeenstemming hebben bereikt over de bestemming van het bedrag,

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

in reconventie

5.4.

verklaart [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet-ontvankelijk in haar vordering,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.1

1 type: JC