Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3718

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
6359039 CV EXPL 17-7474
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Doorsnee incassozaak van ziektekostenverzekeraar ?

Levert voorlopige beperking van de (iets hogere) vordering tot € 500,00 de verplichting op om optimaal duidelijk te zijn over de gehele rechtsverhouding en over de relatie tot andere deelvorderingen?

Consequenties van het nalaten van die optimale duidelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 6359039 CV EXPL 17-7474

Vonnis van de kantonrechter van 18 april 2018 (bij vervroeging)

in de zaak

de naamloze vennootschap VGZ VOOR DE ZORG N.V., voorheen optredend onder de naam IZZ ZORGVERZEKERAAR N.V., BETREFFENDE IZZ

statutair gevestigd en kantoor houdend in Arnhem

verder ook te noemen: “VGZ”

eisende partij,

gemachtigde mr. G.F. Priester, werkzaam bij M.G. de Jong Gerechtsdeurwaarders- & Incassokantoor in Arnhem

tegen

[gedaagde]

wonend in [woonplaats] aan de [adres 1]

verder ook te noemen: “ [gedaagde] ”

gedaagde partij

in persoon procederend

1 De procedure

VGZ heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 20 augustus 2017 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding. Aan het exploot waren één genummerde productie alsmede enige onder productienummer 2 bijeengevoegde - niet direct op deze zaak betrekking hebbende - modelbrieven van VGZ en een bijlage over de gang van zaken in de op 4 oktober 2017 aangebrachte procedure toegevoegd.

[gedaagde] heeft - na verkregen uitstel - op de rolzitting van 1 november 2017 onder het inbrengen van twee specificaties geantwoord en tegen de vordering verweer gevoerd.

Vervolgens heeft VGZ op 29 november 2017 op de ontvangen weergave van dat antwoord in de aantekeningen van de griffier gereageerd met een repliek. Zij had aan deze conclusie vier producties gehecht. Omdat echter gebleken is dat het in het procesdossier gevoegde antwoord verwisseld was met het antwoord in een andere zaak, is dit gecorrigeerd en heeft VGZ op 28 februari 2018 een hernieuwde / op die correctie afgestemde repliek met acht - deels meervoudige - producties (3 t/m 10) ingediend, in plaats van het eerdere processtuk.

Op de rolzitting van 28 maart 2018 heeft [gedaagde] het processuele debat besloten met een als dupliek aan te merken mondelinge reactie.

Hierna is vonnis bepaald. De uitspraak is - bij vervroeging - op vandaag gesteld.

2 Het geschil

a. de vordering van VGZ

2.1

VGZ vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dagvaardingsdatum tot de datum van volledige betaling. Daarnaast vraagt VGZ veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de te liquideren proceskosten en de (eventuele) nadere kosten van tenuitvoerlegging en de daarover verschuldigde ‘B.T.W.’ (btw). De btw stelt zij niet te kunnen verrekenen. Volgens VGZ had [gedaagde] buiten rechte geen verweer gevoerd tegen de vordering. Om proceseconomische redenen sprak VGZ een sterke voorkeur uit voor een geheel schriftelijk te voeren procedure boven een tussentijdse comparitie van partijen. Met het gevorderde bedrag, dat zij uitdrukkelijk aanmerkt als (deel van de) ‘HOOFDSOM’ die zij van [gedaagde] te goed denkt te hebben, zegt VGZ ‘om haar moverende redenen’ haar vordering op betrokkene onder reserve van verdere rechten te beperken. Oogmerk hiervan is om aan [gedaagde] een duidelijk signaal te doen uitgaan omtrent de ernst van de situatie, waar naar haar zeggen eerdere pogingen om tot een minnelijke regeling te geraken, geen of onvoldoende resultaat opgeleverd hebben.

2.2

VGZ baseert de vordering in het inleidende processtuk op een niet of nauwelijks nader verklaarde overeenkomst van verzekering voor ziektekosten in de zin van de Zorgverzekeringswet. Datum van aangaan en eventueel eindigen van de overeenkomst is net zo min als de precieze inhoud geopenbaard. Ten aanzien van [gedaagde] was in ieder geval sprake van een basisverzekering. Omtrent een volgens VGZ ‘eventueel’ aangegane aanvullende verzekering is aanvankelijk niets gezegd. Bij repliek is melding gemaakt van zelfs ‘twee aanvullende verzekeringen’ die uitgelegd noch nader verklaard zijn. Van de polis en de toepasselijk verklaarde voorwaarden zijn evenmin stukken in het geding gebracht. VGZ stelde bij exploot slechts dat aan [gedaagde] de ‘uit hoofde van de zorgverzekering(en)’ verschuldigde bedragen in rekening gebracht zijn. Deze zouden door [gedaagde] voor een bedrag van € 1 035,50 in hoofdsom onbetaald gelaten zijn (‘ondanks herhaalde aanmaning en sommatie’). De periode waarin of waarover deze schuld ontstaan is, heeft VGZ in het inleidende processtuk onvermeld gelaten. Volgens het exploot zou het bedrag afgeleid moeten worden uit een als prod.1 overgelegde doch verder niet toegelichte ‘nadere specificatie’. Dit niet van een logo of indicatie van herkomst voorziene document met de kop ‘Factuurspecificatie’ is niet meer dan een vier kolommen beslaand lijstje. Het bevat ‘vorderingsnummers’, declaratienummers en niet van een optelling voorziene bedragen (oorspronkelijk respectievelijk ‘overgedragen’), die zelfs niet tot een kalenderdatum te herleiden zijn. Enige uitleg van dit lijstje ontbrak in de exploottekst zelf. Het ‘kan’ verder zo zijn, zo vervolgde het eerste processtuk, dat de specificatie naast onbetaalde premie ook posten weergeeft die zien op onbetaald gelaten zorgkostennota’s, eigen bijdragen en terugvorderingen. Anders dan voor premie (die bij vooruitbetaling verschuldigd is), is voor betaling van zulke onbetaald gelaten facturen bepalend wat op de nota vermeld staat.

2.3

Ondanks het vooralsnog ontbreken van zulke nota’s en data (voor premie dan wel andersoortige verplichtingen van de verzekerde) en van een opgave van gedane betalingen ging VGZ in het eerste processtuk uit van ‘wanbetaling’ van [gedaagde] ter zake van het genoemde bedrag van € 1 035,50. Op haar verzekeringsvoorwaarden en/of op de wet baseerde zij de stelling dat [gedaagde] ‘vanaf de vervaldatum van de vordering(en)’ tot 16 augustus 2017 € 16,41 aan wettelijke rente verschuldigd is. Een renteberekening ontbreekt bij het exploot, terwijl evenmin een indicatie gegeven is van het tijdstip met ingang waarvan op rente aanspraak gemaakt wordt ter zake van de verschillende onderdelen van het buiten rechte dan wel in rechte gevorderde bedrag. [gedaagde] zou verder via ‘diverse handelingen’ die ‘eiseres heeft verricht cq laten verrichten’, kennis gekregen hebben van het feit dat zij in de nakoming van haar verplichtingen ‘tekort is geschoten’. Vervolgens heeft VGZ ‘zich genoodzaakt gezien de zaak ter hand te stellen aan M.G. de Jong Gerechtsdeurwaarders- & Incassokantoor’. Enige door VGZ als extra productie aan het exploot gehechte modelbrieven (aangeduid als ‘voorbeelden’) zouden moeten aantonen dat en hoe [gedaagde] vervolgens op de wijze die art. 6:96 lid 6 BW voorschrijft, gelegenheid geboden is om zonder verhoging met een post invorderingskosten (alsnog) aan haar verplichtingen te voldoen. VGZ becijfert de na het uitblijven van de verlangde betaling(en) volgens haar verschuldigd geworden vergoeding van incassokosten op € 48,40 inclusief ‘BTW’ (btw). Opgeteld bij de andere bedragen komt dit er volgens VGZ op neer dat [gedaagde] in totaal - op enig niet nader verklaard moment - een schuld van € 1 100,31 aan VGZ gehad heeft. Omdat echter melding gemaakt is van een betaald bedrag van € 360,00 (zonder opgave van het betaalmoment of de betaalmomenten) was ten tijde van dagvaarding sprake van een te vorderen bedrag van in totaal € 740,31 (hetgeen de beperking van de vordering tot een bedrag van € 500,00 nog iets minder begrijpelijk maakt dan deze op zich al was). [gedaagde] is volgens VGZ buiten rechte ‘in der minne niet bereid gebleken tot voldoening aan de verplichtingen’, zodat zij zich gelegitimeerd acht tot gerechtelijke invordering.

2.4

In voortgezet debat (bij de repliek zoals deze in gecorrigeerde vorm op 28 februari 2018 ingebracht is) heeft VGZ de exploottekst iets concreter gemaakt. Al dan niet in reactie op het verweer van [gedaagde] heeft VGZ weliswaar bredere maar nauwelijks diepgaander informatie verschaft dan zij eerder bereid was prijs te geven. Naar eigen zeggen ‘weerlegt’ (beter: ‘weerspreekt’) VGZ het door [gedaagde] bij antwoord geleverde verweer. Zij wijst er op dat een restanthoofdsom van € 675,50 (d.w.z. € 1 035,50 minus een kennelijk eerder betaald bedrag van € 360,00) ziet op vijf (meervoudige) declaraties voor ‘zorgkosten’ die onder het vrijwillige of verplichte eigen risico vallen en dus voor rekening van [gedaagde] te brengen zijn. Met haar prod.3 verwijst VGZ naar declaraties die zien op kosten van medische prestaties (‘behandelingen’) in de jaren 2015 en 2016 die vallen onder het eigen risico van de verzekerde of die niet door de verzekering gedekt worden. VGZ legt niet uit wanneer en hoe de onbesproken gelaten brieven die zij als prod.3 overgelegd heeft, tot het betalingsverzuim van [gedaagde] geleid hebben. Uit prod.4 volgt volgens VGZ dat [gedaagde] van de kant van VGZ (beter: IZZ) ‘herhaaldelijk doch tevergeefs aangemaand’ is. De brieven ontberen iedere nadere uitleg, hetgeen ook geldt voor de brieven die de incassogemachtigde liet uitgaan (prod.5). Wel maakt VGZ in de repliek melding van een door [gedaagde] op 31 oktober 2016 aan de incassogemachtigde gestelde vraag naar de herkomst van de claim, een vraag die doorgeleid is naar VGZ alwaar men van [gedaagde] te horen kreeg dat de rekeningen waarom het ging, al betaald waren. VGZ noch haar gemachtigde heeft de toegezegde betalingsbewijzen ooit ontvangen. Ook in haar antwoord suggereert [gedaagde] dat een en ander (nu via haar werkgever) betaald is, maar de stukken die zij daaromtrent toont, hebben betrekking ‘op een oudere vordering’, eveneens behandeld door het kantoor van de gemachtigde, maar voorzien van een ander dossiernummer. In die zaak is [gedaagde] op 13 oktober 2015 (prod.7) gedagvaard voor een hoofdsom van € 360,00 c.a., hetgeen uitgemond is in een veroordelend verstekvonnis d.d. 2 december 2015 (prod.8). Pas na het leggen van loonbeslag zijn de bedragen betaald die conform dit vonnis verschuldigd waren. Volgens VGZ ging het om betalingen van € 495,13 op 30 maart 2016 en € 582,49 op 20 juli 2016. Vervolgens is dossier 4051370 ‘gesloten’. Het op dit moment aan de orde zijnde dossier 4081259 echter ziet volgens VGZ ‘op andere posten’.

2.5

VGZ wijst er op dat [gedaagde] meermaals aangemaand is om de vordering te voldoen. De ‘brieven’ (prod.4 en prod.5) zijn ‘gestuurd’ naar [adres 2] in [plaats] waar [gedaagde] tot 14 juli 2017 woonde. Zij zijn nooit als onbestelbaar retour gekomen, maar [gedaagde] reageerde nimmer, met uitzondering van het genoemde telefonische contact met zowel VGZ als haar gemachtigde op 31 oktober 2016.

2.6

Zowel bij exploot als in voortgezet debat heeft VGZ volstaan met een aanvullend bewijsaanbod dat naar onderwerp en middelen niet gespecificeerd was (“Eiseres biedt bewijs aan van al haar stellingen door alle middelen rechtens”).

b. het verweer van [gedaagde]

2.7

[gedaagde] heeft bij antwoord betoogd dat de vordering van VGZ niet klopt. Via haar werkgeefster Zuyderland heeft zij immers aan de deurwaarder betaald die ook nu weer als gemachtigde optreedt. Het ging toen (in 2016) om bedragen van € 495,13 en € 582,49 zoals blijkt uit de ter zitting van 1 november 2017 overhandigde stukken. Deze bedragen zijn op het loon ingehouden en vervolgens heeft [gedaagde] ‘nooit meer iets gehoord’ van VGZ of haar gemachtigde tot het moment van dagvaarding in deze zaak.

2.8

In voortgezet debat heeft [gedaagde] herhaald dat zij nog altijd niet begrijpt waar de vordering op gebaseerd is. De laatste rekening die zij van VGZ ontving, was van 15 maart 2016 en betrof een (premie)bedrag van € 93,11. Nadien heeft zij zeven maanden lang geen enkele brief van of namens VGZ ontvangen tot het moment van dagvaarding. Waar de in het dagvaardingsexploot genoemde bedragen vandaan komen, begrijpt [gedaagde] niet na de in 2016 verrichte betalingen. Door haar scheiding en de verkoop van de echtelijke woning is haar situatie totaal veranderd en gecompliceerd, maar zij leefde en leeft in de overtuiging aan al haar verplichtingen voldaan te hebben.

3 De beoordeling

3.1

Er valt begrip op te brengen voor de verwarring die [gedaagde] bevangt. VGZ en haar gemachtigde zijn daar in belangrijke mate debet aan. Niet alleen is het processtuk waarmee VGZ deze procedure inleidt, vaag en (desondanks) nodeloos ingewikkeld. Ook zaait VGZ verwarring met cijferopstellingen die niet te volgen zijn of die elkaar overlappen of tegenspreken, maar die op zijn minst vragen oproepen in plaats van deze te beantwoorden. Desondanks wordt nagelaten om in het geding gebrachte stukken van een adequate uitleg te voorzien, terwijl stukken die opheldering hadden kunnen verschaffen, niet overgelegd worden. Zo begint VGZ er al mee om een deel van de verzekeringsrelatie met [gedaagde] en de ontwikkelingen daarbinnen aan het zicht van [gedaagde] én van de kantonrechter te onttrekken. Daarmee wordt tevens de beoordelings- en beslisruimte van de rechter ingeperkt, ondanks het ‘nobele’ nevendoel van beperking van proceskosten. Door haar vordering te beperken tot een bedrag € 500,00 en dat bedrag uitdrukkelijk als hoofdsom aan te merken, kan VGZ er echter niet aan ontkomen dat het processuele debat uitgebreid wordt tot het (al dan niet bewust) verzwegen deel van de rechtsverhouding van partijen. Het verloop van de tweede procesronde geeft daar blijk van, ook al kwam daarin nog steeds niet alles op tafel of bleven ook toen en daarna vragen onopgehelderd.

3.2

In het midden moet blijven onder welke voorwaarden [gedaagde] precies bij VGZ / IZZ verzekerd was en of zij dat op dit moment nog steeds is. VGZ laat die informatie immers geheel buiten het processuele debat, zodat beoordeeld en beslist moet worden op basis van de wet en de schaarse informatie (voor zover vaststaand) die er wel is.

3.3

Als [gedaagde] verder beweert dat haar laatstelijk ontvangen factuur er een was die de datum 15 maart 2016 droeg, rust op VGZ de gemotiveerde stelplicht en bewijslast van het tegendeel. De in het betoog van VGZ vervatte tegenwerping dat de ontvangst afgeleid zou moeten worden uit het feit dat nadien nog brieven ‘gestuurd’ zijn naar haar toenmalige adres in [plaats] , kan als onvoldoende onderbouwd en niet bewezen ter zijde gesteld worden. Nu VGZ nalaat een naar onderwerp en middelen voldoende specifiek bewijsaanbod te doen, kan het gebrek in de stelplicht van VGZ ook niet geheeld worden met een bewijsopdracht op dit onderdeel. De gesuggereerde ontvangst van alle brieven die in 2016 / 2017 verzonden zijn naar het oude adres van [gedaagde] , in een periode dat bij haar sprake was van (aanstaande) echtscheiding en verkoop van de echtelijke woning, is al met al niet komen vast te staan.

3.4

Dit neemt niet weg dat VGZ aannemelijk heeft kunnen maken dat de inhoud van voor [gedaagde] bedoelde declaratiebrieven tot verhaal van ziektekosten uit 2015 en 2016 die (al dan niet als ‘eigen risico’) voor rekening van de verzekerde zelf dienden te komen, in deze gerechtelijke procedure als zodanig niet betwist is. [gedaagde] is in het geheel niet ingegaan op prod.3 bij repliek waarin een summier overzicht gegeven wordt van de medische kostenposten voor de bewuste twee kalenderjaren die niet door de verzekeraar vergoed worden en om verschillende redenen voor rekening van de verzekerde blijven. Zij bestrijdt ook niet dat het hier om gevallen / gevalletjes van eigen risico, eigen bijdrage of geheel buiten de verzekeringsdekking vallende medische (be)handelingen gaat, noch dat de bedragen onjuist zijn. Haar betalingsverplichting tot een bedrag van € 675,50 (repliek) of zelfs € 1 035,50 (exploot van dagvaarding) als zodanig staat dus vast. Daarom is slechts aan de orde of er - geheel of gedeeltelijk - betaald is en - voor zover dit niet het geval is - of VGZ dan terecht aanspraak maakt op in de stukken genoemde wettelijke rente en incassokosten.

3.5

Op dit punt gekomen maakt VGZ de zaak tot een puzzel omdat zij geen compleet beeld verschaft en ook nog eens op zijn minst twee incassodossiers in het (voortgezette debat) betrekt. In het overzicht van openstaande en (ter incasso aan De Jong) ‘overgedragen’ posten in de eerste productie komen aan het begin twee bedragen ter sprake van € 360,00 (een optelsom van € 191,27 en € 168,73) die daar voor de aangekaarte vordering niet (meer) thuishoren. Op 2 december 2015 heeft de kantonrechter Maastricht immers bij verstek [gedaagde] veroordeeld tot betaling van in totaal € 426,66 met verdere rente, in welk bedrag deze € 360,00 aan hoofdsom met rente en incassokosten verwerkt zijn. Weliswaar heeft VGZ aan het slot van haar huidige berekening (alleen) deze hoofdsom van € 360,00 als ‘voldaan’ in mindering gebracht, maar ondertussen zijn wel rente en kosten in rekening gebracht (niet inzichtelijk voorgerekend overigens) over een hoofdsom van € 1 035,50 en niet de € 675,50 waarvan in de repliek uitgegaan is.

3.6

En dan wordt het nog iets ingewikkelder. Uit de twee bij antwoord geleverde betalingsbewijzen en uit de (te) beperkte toelichting die VGZ bij repliek verschafte op die betalingen van de kant van werkgeefster Zuyderland, kan afgeleid worden dat voor [gedaagde] meer betaald is dan rechtstreeks af te leiden valt uit het vonnis van 2 december 2015. Volgens dat vonnis was [gedaagde] aan VGZ voor de onbetaald gelaten hoofdsom van € 360,00 bedragen verschuldigd van € 426,66 en € 272,16. Het laatste bedrag zag op de voor haar rekening gebrachte proceskosten tot de datum van dit vonnis. Vaststaat dat VGZ via loonbeslag onder werkgeefster Stichting Zuyderland Medisch Centrum Heerlen in de maanden maart en juli 2016 bedragen van € 495,13 en € 582,49 geïncasseerd heeft. In totaal is dit in elk geval (aanzienlijk) meer dan waartoe [gedaagde] bij verstek op 2 december 2015 veroordeeld was. Dat daar ook kosten van tenuitvoerlegging van het vonnis bijgekomen zijn, mag dan voor VGZ en haar gemachtigde (en voor de kantonrechter) vanzelfsprekend zijn, maar had ook met [gedaagde] gecommuniceerd moeten worden. Uit niets blijkt dat dit gebeurd is. Daarom kon bij [gedaagde] de veronderstelling ontstaan dat met die betalingen alle oude schulden ingelost waren. Nu ook in de thans aanhangige procedure iedere verdere specificatie van de kant van VGZ of haar gemachtigde uitgebleven is, heeft VGZ een dergelijke bij [gedaagde] klaarblijkelijk tot en met de dupliek levende ‘overtuiging’ niet kunnen wegnemen. Dat valt VGZ kwalijk te nemen. Met enige extra inspanning (en dan bij voorkeur zonder daarvoor naar het middel van een extra gerechtelijke procedure te grijpen) had VGZ [gedaagde] duidelijk uit kunnen leggen dat en waarom claims in afzonderlijke incassodossiers ondergebracht waren en dat daardoor vorderingen voor bedragen die op dezelfde twee jaren betrekking hadden, door elkaar heen liepen. Daarmee had een tweede gerechtelijke procedure voorkomen kunnen (beter nog: moeten) worden.

3.7

Hoewel het dus aan die uitleg ontbroken heeft, moet - helaas voor [gedaagde] - geconstateerd worden dat in de loop van 2015 en 2016 ten aanzien van haar (naast de voor een bedrag van € 360,00 al betaalde kosten) medische kosten gemaakt zijn tot een totaal van € 675,50 die om diverse redenen niet door haar verzekeraar vergoed (hoeven) worden. Ook staat vast dat de bedragen die via het loonbeslag geïncasseerd zijn (in totaal € 1 077,62) slechts voor € 360,00 betrekking hadden op twee andere niet voor vergoeding door VGZ in aanmerking komende rekeningen uit 2015. Voor het overige zijn de afdrachten van Zuyderland opgegaan aan de bestrijding van kosten van incasso en tenuitvoerlegging. Kosten die wellicht ook toen bij zorgvuldiger, coulanter en gerichter optreden van VGZ vermeden, althans voor een belangrijk deel beperkt hadden kunnen worden. [gedaagde] zal dus niet kunnen ontkomen aan betaling van het bedrag van € 675,50 dat zij nog aan VGZ schuldig is. Omdat VGZ ‘om haar moverende redenen’ (met als effect dat de zaak wederom ingewikkelder werd) in deze zaak slechts € 500,00 vordert, zal de veroordeling tot betaling daartoe beperkt blijven. Maar wel met de uitdrukkelijke kanttekening dat [gedaagde] tot de datum van dit vonnis geen rente en incassokosten verschuldigd is en daarom, voor wat de te vergoeden kosten van aan de orde gestelde medische handelingen in 2015 / 2016 betreft, naast die toe wijzen hoofdsom niet meer dan € 175,50 extra aan VGZ hoeft te betalen. Over het bedrag van € 500,00 waartoe VGZ haar vordering beperkt heeft, zal wel wettelijke rente toegewezen worden met ingang van de dag na dagtekening van dit vonnis.

3.8

De reden van deze beperkende kanttekening is er in gelegen dat de wijze van behandeling van deze incassozaak door VGZ en haar gemachtigde in en buiten rechte duidelijk maakt dat tot de datum van dit vonnis in redelijkheid geen betalingsverzuim van [gedaagde] heeft kunnen intreden. Door aan de debiteur niet de minimaal noodzakelijke duidelijkheid te verschaffen omtrent de precieze aard, inhoud, omvang en samenstelling van de vordering en omtrent het uiterste betaalmoment heeft VGZ zelf bewerkstelligd dat [gedaagde] niet in verzuim geraakte. Zelfs het in gebreke stellende effect van het dagvaarden heeft - gelet op het procesverloop - die vereiste duidelijkheid voor [gedaagde] niet gebracht, zodat pas na dit vonnis van verzuim aan haar kant sprake kan zijn. Het spreekt vanzelf dat dit tevens tot gevolg heeft dat de proceskosten in het geheel gecompenseerd worden: beide partijen worden geacht de eigen kosten te dragen.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- [gedaagde] wordt veroordeeld om (eventueel in nader overeen te komen termijnen) aan VGZ een bedrag van € 500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 april 2018 tot de datum van volledige betaling.

- De proceskosten worden geheel gecompenseerd.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS