Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3670

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
03/866179-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsbijstand minderjarige niet aangehouden verdachte. Salduz jurisprudentie. Zwijgrecht minderjarige verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Parketnummer: 03/866179-17

Tegenspraak, na aanhouding verschenen

Vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken d.d. 15 februari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedag verdachte] 2001,

wonende te [woonplaats verdachte] , [adres verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 24 oktober 2017 en 1 februari 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn op beide terechtzittingen verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Tevens is gehoord de moeder van verdachte.

Ten slotte zijn gehoord de wettelijke vertegenwoordigers van de benadeelde partij

[naam benadeelde partij] , de heer [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 1] en mevrouw [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 2] , bijgestaan door

mr. A.F.G. Pennino.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

met een kind beneden de twaalf jaar handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van dat kind dan wel met dat kind ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

3 Het beroep op bewijsuitsluiting

Alvorens te komen aan de inhoudelijke beoordeling van de in het procesdossier aanwezige bewijsmiddelen, dient de rechtbank te oordelen over het verzoek van de verdediging om de verklaring, die de verdachte op 15 november 2016 bij de politie heeft afgelegd, uit te sluiten als bewijsmiddel.

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de verdachte als bewijsmiddel dient te worden meegenomen. De verdachte is immers uitgenodigd voor verhoor en hij is daarbij niet aangehouden als verdachte. De Salduz-jurisprudentie is helder hieromtrent. De verdachte is bovendien in voldoende mate gewezen op het feit dat hij op eigen kosten een advocaat mag raadplegen en dat een advocaat of de wettelijk vertegenwoordiger bij het verhoor aanwezig mag zijn. Hij heeft hieromtrent immers een folder ontvangen en ook bij aanvang van zijn verhoor is dit voldoende besproken in het bijzijn van zijn moeder. Tijdens het verhoor zijn bovendien de belangen van verdachte op geen enkele wijze geschaad. Gelet op het vorenstaande is er volgens de officier van justitie geen sprake van een vormverzuim dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaring van de verdachte die hij heeft afgelegd bij de politie.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder overlegging van een pleitnota, gesteld dat sprake is van schending van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien verdachte voorafgaand en tijdens zijn verhoor geen rechtsbijstand van een advocaat heeft genoten. De verdachte heeft geen raadsman toegevoegd gekregen. Het feit dat hij ‘uitgenodigd’ was voor een gesprek, en er geen dwangmiddel werd toegepast, kan hiervoor niet als excuus dienen. Gelet op de ernst van het feit, met zeer ingrijpende gevolgen in het geval van een veroordeling, alsmede gelet op de kwetsbaarheid van de verdachte, dienen zijn belangen, waaronder zijn belang zich te laten bijstaan door een advocaat tijdens het verhoor door de politie, beschermd en gerespecteerd te worden. Vervolgens kon verdachte, zoals in de door de verdediging in de pleitnota aangehaalde jurisprudentie naar voren komt, nooit volledig de consequenties overzien van het afstand doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dat geen advocaat is geraadpleegd is geen rationele, doch een zuiver op financiële gronden ingegeven, keuze geweest van zijn moeder, waaraan verdachte zich heeft geconformeerd. Van belang is dat de moeder niet exact wist wat er tussen verdachte en [naam benadeelde partij] was voorgevallen. Door verdachte niet aan te houden, wordt zijn belang op (kosteloze) bijstand van een advocaat tijdens het verhoor in wezen omzeild. Wanneer toch wordt besloten om niet aan te houden - hetgeen goed verdedigbaar is wanneer bedacht wordt dat aanhouding een dwangmiddel is, welk pas moet worden toegepast als andere minder ingrijpende mogelijkheden zijn uitgeput - dan mag verdachte niet in een nadeliger positie komen te verkeren dan bij toepassing van een dwangmiddel het geval zou zijn. Ook in die situatie, dus bij een niet aangehouden verdachte, is het in beginsel wenselijk dat een kwetsbare minderjarige verdachte door een raadsman wordt bijgestaan tijdens zijn verhoor aangaande een ernstig feit. Dit zou onder andere anders kunnen zijn indien in plaats van een raadsman wél een vertrouwenspersoon bij het verhoor aanwezig is. Verdachte is echter buiten aanwezigheid van de moeder gehoord. Hierbij is opmerkelijk dat uit de audiovisuele registratie van het verhoor blijkt dat de verbalisanten de twijfel van verdachte over het al dan niet aanwezig laten zijn van de moeder wegnemen door voor te stellen de moeder niet in de verhoorruimte aanwezig te laten zijn, maar wanneer verdachte daaraan behoefte heeft haar terug naar binnen te halen. De moeder wel aanwezig laten zijn, maar haar naar buiten sturen op verzoek van verdachte, zou een betere optie geweest zijn.

De verklaring die verdachte vervolgens, zonder aanwezigheid van een advocaat dan wel een wettelijke vertegenwoordiger, heeft afgelegd bij de politie is niet alleen van enorm gewicht voor de onderhavige strafzaak, waarin het bewijs voor het overige enkel uit de verklaringen van het slachtoffer bestaat, maar ook voor de toekomst van verdachte. Daarmee is in de onderhavige kwestie sprake van een schending van artikel 6 EVRM. Dit dient volgens de Hoge Raad te leiden tot bewijsuitsluiting. De verdediging verzoekt derhalve de verklaring van verdachte bij de politie uit te sluiten van het bewijs.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat er op zich geen sprake kan zijn van schending van het bepaalde in de zogenaamde Salduz-jurisprudentie, aangezien verdachte, nu hij niet is aangehouden, niet automatisch op grond van bestaande regelingen het recht op consultatie van een toegevoegde advocaat en rechtsbijstand door zo’n advocaat tijdens het politieverhoor toekomt. Daarvan is enkel sprake in geval van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank dient aldus te beoordelen of sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat het, bij een verdachte van zeer jonge leeftijd (de verdachte was in de tenlastegelegde periode tussen de 12 en 14 jaar oud) en bij de verdenking van een dergelijk ernstig feit, ook als er geen sprake is van aanhouding, wenselijk is dat de verdachte bijstand heeft van een raadsman tijdens het verhoor, dan wel van een (volwassen) vertrouwenspersoon. Dit heeft de rechtbank ook al overwogen in het proces-verbaal ter terechtzitting van 24 oktober 2017. Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte, dat heeft plaatsgevonden op 15 november 2016, blijkt dat verdachte op uitnodiging van de politie vrijwillig naar het politiebureau is gekomen. De verdachte en zijn moeder hebben bij de uitnodiging voor dit verhoor een brochure ontvangen waarin verdachte werd gewezen op de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen en mee te nemen naar het verhoor. De verdachte verscheen vervolgens vergezeld van zijn moeder bij het verhoor. De moeder van de verdachte was op dat moment al een maand eerder (op 6 oktober 2016) omtrent het tenlastegelegde gehoord. Uit de inhoud van het verhoor van de moeder leidt de rechtbank af dat de moeder inmiddels wist van de ernst van de verdenking en waarover verdachte verhoord zou worden op 15 november 2016. De moeder en de verdachte hebben derhalve de nodige tijd gehad om zich te oriënteren ten aanzien van de ernst van de verdenking en daarbij de wenselijkheid en de mogelijkheid van (rechts)bijstand te overwegen. Bij aanvang van het verhoor, waarbij ook de moeder aanwezig was, is de verdachte gewezen op het recht om vragen niet te beantwoorden en is hij ook zelf gewezen op de mogelijkheid van het raadplegen van een advocaat en het aanwezig laten zijn van een advocaat, dan wel zijn moeder, tijdens het verhoor. Hem is ook de rol van een advocaat voorafgaand en tijdens het strafproces uitgelegd. Vervolgens hebben de verdachte en de moeder de keuze gemaakt dat de moeder, als wettelijke vertegenwoordigster, niet bij het verhoor aanwezig zou zijn. Tot slot is verdachte verhoord door speciaal daartoe opgeleide zedenrechercheurs. De rechtbank is op grond van dit alles van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals hierboven bedoeld.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat verdachte zelf nooit, noch ter terechtzittingen van 24 oktober 2017 en 1 februari 2018, noch bij de rechter-commissaris op 28 november 2017 heeft verklaard dat hij zich tijdens zijn verhoor bij de politie op zijn zwijgrecht had willen beroepen of dat hij tijdens dit verhoor niet de vrijheid heeft gevoeld om te verklaren zoals hij had willen verklaren. Gelet op het verloop en de inhoud van het verhoor op 15 november 2016 is de rechtbank daarvan ook overigens geenszins gebleken.

Gelet op al het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM, noch met de daarop vigerende jurisprudentie. Er heeft zich geen vormverzuim voorgedaan als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting of enige andere sanctie. Het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op basis van het procesdossier kan worden bewezen dat de verdachte het lichaam van het slachtoffer [naam benadeelde partij] meermalen seksueel is binnengedrongen door zijn penis in de mond en de vagina van [naam benadeelde partij] te brengen. [naam benadeelde partij] verklaart spontaan zeer gedetailleerd tegen haar moeder, de aangever, over het bij haar gepleegde misbruik door verdachte. De aangifte van de moeder en de verklaring van [naam benadeelde partij] komen op detailniveau met elkaar overeen. De aangifte en de verklaring van [naam benadeelde partij] zijn betrouwbaar en consistent. Daarbij komt dat de aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van [ouder verdachte sub 1] (zijnde de vader van verdachte) en [ouder verdachte sub 2] (zijnde de moeder van verdachte) omtrent de reactie van de verdachte op het moment dat hij met de beschuldiging jegens hem wordt geconfronteerd. Kijkend naar het feitencomplex, wordt gelet op voormelde bewijsmiddelen al voldaan aan het wettelijke bewijsminimum. De aangifte wordt eveneens ondersteund door de verklaring van de verdachte, die hij bij de politie op 15 november 2016 heeft afgelegd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Naar het oordeel van de verdediging bevat het dossier onvoldoende bewijsmateriaal dat steun biedt aan de verklaringen van [naam benadeelde partij] over het binnendringen van het lichaam. De verklaringen van de ouders van [naam benadeelde partij] zijn terug te voeren naar dezelfde bron, namelijk hetgeen [naam benadeelde partij] daarover tegen hen heeft verklaard. Ook de verklaring van [ouder verdachte sub 2] (zijnde de moeder van verdachte) is geen redengevend ondersteunend bewijs voor de verklaring van [naam benadeelde partij] . Bovendien kan ook de verklaring van de verdachte niet als ondersteunend bewijs dienen voor het binnendringen van het lichaam, aangezien deze handelingen uitdrukkelijk door verdachte worden betwist. Van belang is daarbij dat lichamelijk onderzoek bij [naam benadeelde partij] niet heeft plaatsgevonden.

4.3.

De bewijsmiddelen 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A. De aangifte van [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 2]:2

Zij deed aangifte namens [naam benadeelde partij] , geboren op [geboortedag benadeelde partij] 2008.[..]

“Ik ben aangifte komen doen in verband met [verdachte] . Hij heeft gezegd dat [naam benadeelde partij] de “pielie” in de mond moest doen en erop moest zuigen. Hij wilde zijn pielie in de “proem” stoppen. Zij moest eraan spelen.”[..] “Ze zei dat ze hem in de mond had gedaan omdat het moest van [verdachte] . De pielie. Hij heeft zijn pielie in haar “ding” gedaan. Ze zei dat hij moest stoppen omdat het pijn deed. Ze zei dat hij de pielie in haar “proem” deed. [verdachte] zei dat hij nog niet klaar was. Ze had ook een kussen op haar hoofd moeten leggen. Ze heeft daarna verteld dat ze iets glibberigs voelde in haar onderbroek, wat ze wegveegde met wc-papier.”[..] “ [naam benadeelde partij] vertelde dat het bij ons thuis is gebeurd, op het bed van [zus verdachte] . Boven.”[..] “Wij zaten in de auto. Plotseling begon ze daarover. Ze zei dat [verdachte] dat gevraagd had. De pielie in de mond en friemelen aan de pielie. “Het was 13 september (opmerking rechtbank: 2015) toen we in de auto zaten en [naam benadeelde partij] het vertelde.”[..] “We zijn diezelfde dag, 13 september (opmerking rechtbank: 2015), nog naar [verdachte] thuis gegaan. [ouder verdachte sub 1] (opmerking rechtbank: de vader van verdachte en [naam benadeelde partij] ) heeft aan de deur gevraagd aan [verdachte] of het klopte. [verdachte] ontkende het eerst. Uiteindelijk bekende hij.” [..] “De dag erna spraken wij er weer over met [naam benadeelde partij] . Ze vertelde de rest: “ [verdachte] wou zijn pielie bij mij in de proem doen” en ze moest aan de pielie friemelen.” [..] “Vervolgens heb ik met [ouder verdachte sub 2] (opmerking rechtbank: de moeder van [verdachte] ) geappt. Ik ben mijn man gaan halen. Daarna reden we naar [ouder verdachte sub 2] . We gingen zitten en ze haalde [verdachte] erbij. We zaten in de keuken, woonkamer. We vroegen aan [verdachte] of het klopte wat [naam benadeelde partij] gezegd had. Hij vroeg of [verdachte] aan [naam benadeelde partij] had gevraagd de pielie in de mond te doen en te friemelen. Hij gaf het toe. Hij zei namelijk “ja”.

Proces-verbaal van bevindingen verhoor [naam benadeelde partij] : 3

“Op de vraag om alles over [verdachte] te vertellen verklaart [naam benadeelde partij] :

aan de pielie gefriemeld;

de pielie in de mond;

pielie in de proem gestopt.

Desgevraagd verklaarde [naam benadeelde partij] dat het best vaak gebeurd was dat [verdachte] de pielie in de proem deed. Ze zou toen 5 of 6 jaar oud zijn geweest. [naam benadeelde partij] wist niet wanneer de laatste keer was.

Desgevraagd verklaarde [naam benadeelde partij] dat:

het bij haar thuis gebeurde op de slaapkamer van [zus verdachte] en op de wc;

het op de slaapkamer gebeurde en zij dan een kussen op haar hoofd kreeg omdat zij dan niet mocht kijken;

zij een keer het kussen eraf haalde;

[verdachte] had toen de pielie in haar proem gedaan;

hij deed dat door de proem open te houden met de vingers en toen de pielie erin deed;

zij wist dat omdat zij dat voelde, maar ook omdat zij het kussen niet meer op haar hoofd had;

[verdachte] doorging nadat zij “stop” had gezegd;

[verdachte] deed bewegen toen de pielie in de proem was;

dit pijn deed aan de proem;

zij op haar rug lag en [verdachte] boven haar “hing, steunend op zijn handen”;

het stopte nadat [verdachte] had gezegd: “wacht ik ben zo klaar.”

Over de pielie in de mond verklaarde [naam benadeelde partij] desgevraagd dat:

het op de wc gebeurd was;

zij de pielie van [verdachte] in de mond had gehad.

Desgevraagd verklaarde [naam benadeelde partij] voorts dat:

De pielie in de proem op de slaapkamer en op de wc gebeurde;

[naam benadeelde partij] en [verdachte] alleen op de slaapkamer waren;

zij toen op bed ging liggen en een kussen op haar hoofd kreeg en [verdachte] zijn pielie in haar “proem” deed;

[naam benadeelde partij] zelf haar broek omlaag deed, omdat [verdachte] dat tegen haar zei;

de broek aan de benen bleef en de onderbroek ook omlaag ging maar aan de benen bleef;

de kleding van [verdachte] gewoon aan was, hij de broek omlaag deed en toen de pielie in de proem deed;

de pielie in de mond vies proefde;

zij op de kamer van [zus verdachte] was toen ze de pielie in de mond had maar ook op de wc.

De verklaring van [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 1] : 4

“ [naam benadeelde partij] heeft mij ten aanzien van de door haar ondergane seksuele handelingen van [verdachte] uiteindelijk verteld dat:

[naam benadeelde partij] de pielie in de hand heeft moeten pakken;

[naam benadeelde partij] de pielie in de mond heeft moeten pakken;

[verdachte] met zijn pielie in haar muschke ging en dat het pijn deed (en muschke is bij ons in het gezin het geslachtsdeel van de vrouw);

zij een kussen op haar hoofd moest houden of dat hij dat op haar hoofd hield en dat [verdachte] toen zijn pielie in zijn muschke deed.”

De handelingen waren op de badkamer. Het inbrengen van de pielie gebeurde op het onderste bed van het stapelbed. Dit is het bed van [zus verdachte] . [verdachte] was toen 13 of 14 jaar en [naam benadeelde partij] was toen 6 of 7 jaar.” [..] “ [naam benadeelde partij] vertelde dat als [verdachte] klaar was dat er wit spul op haar kwam.”

De verklaring van [ouder verdachte sub 2] : 5

“ [ouder verdachte sub 1] en zijn familie kwamen toen bij ons binnen en toen zei [ouder verdachte sub 1] in mijn huis tegen mij dat [verdachte] met zijn blote pielie voor [naam benadeelde partij] had gestaan. [verdachte] reageerde niet, hij stond maar wat daar. [verdachte] zei naderhand dat dit zo was, en dat hij niet wist waarom hij dit zo had gedaan.”[..] “Het klopt dat ik later nog met [verdachte] heb gepraat, toen [ouder verdachte sub 1] weg was. [verdachte] liet niets los. [verdachte] zei dat wat [ouder verdachte sub 1] had gezegd dat dit zo was gebeurd. Ik vroeg aan hem waarom hij dit had gedaan en [verdachte] zei toen: “Dat weet ik niet.”

De verklaring van verdachte:6

“Ik was aan het experimenteren met [naam benadeelde partij] , met haar vagina. Ik deed dit met mijn handen. Ik wil geen antwoord geven op de vraag wat ik precies met mijn handen deed. Het duurde ongeveer vijf minuten.”[..] “Toen [naam benadeelde partij] op het bed lag zag ik haar vagina. Ik ging daar naar kijken. Haar hoofd was bovenaan het bed en ik zat op het bed bij haar knieën. Ik heb haar toen aangeraakt aan haar onderlichaam. Mijn penis werd groot.” [..] “Ik lig op bed en [naam benadeelde partij] ligt ook op bed. [naam benadeelde partij] ligt onder en ik boven [naam benadeelde partij] en mijn penis is tussen haar bovenbenen. Ik bewoog. Ik wil niet vertellen hoe ik bewoog. Mijn penis is niet in haar vagina geweest. Boven bij haar vagina heb ik haar misschien aangeraakt. Ik wilde verder geen problemen. Ik dacht als ik hem er niet in stop kan er weinig gebeuren. Toen ik op [naam benadeelde partij] lag voelde ik opwinding. Ik ben niet klaar gekomen.”[..] “Het zou wel kunnen dat ze een kussen op haar hoofd heeft gehad. Ik denk dat ze dan niet zou kunnen zien wat ik zou doen. Toen ik dit bij [naam benadeelde partij] deed lag zij inderdaad op haar rug en ik hing boven haar, steunend op mijn armen. Het klopt niet dat ik gezegd heb: “Wacht ik ben zo klaar.” [naam benadeelde partij] en ik hebben niets gezegd. Het klopt ook niet dat [naam benadeelde partij] stop zei en dat ik niet stopte. Ik had toen al niets meer gedaan.” [..] “Op de wc is niets gebeurd. [naam benadeelde partij] heeft daar mijn pielie niet in haar mond gehad. [naam benadeelde partij] heeft aan mijn pielie gefriemeld op de kamer. Volgens mij kneep ze erin.”[..]

“Het is één keer gebeurd. Dit was ver voor mijn verjaardag.”

4.4.

De beoordeling van het bewijs

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Een getuigenverklaring kan slechts tot het bewijs worden gebezigd wanneer deze naar het oordeel van de rechter betrouwbaar is en er dient een bewijsmiddel uit ander bron aanwezig te zijn. De rechtbank dient dus te beoordelen of zij de verklaring van [naam benadeelde partij] betrouwbaar acht en of haar verklaring voldoende wordt ondersteund door (een) ander(e) bewijsmiddel(en) in het dossier. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

[naam benadeelde partij] heeft zeer feitelijk en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die zij moest ondergaan of verrichten, met woorden en beschrijvingen die niet passend zijn bij de ervaringen van zo’n jong kind. Zowel tegenover haar ouders als bij het studioverhoor heeft [naam benadeelde partij] op essentiële punten gelijkluidend verklaard. De verklaring van [naam benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank authentiek gelet op de details waarover zij verklaart, alsmede gelet op haar beleving van de gebeurtenissen. Zo verklaart zij dat de penis in de mond vies smaakte, dat de penis in haar vagina pijn deed en dat er “glibberig spul” in haar ondergoed zat. Toen zij verdachte vroeg te stoppen omdat zij pijn had, zei verdachte volgens haar “Nee [naam benadeelde partij] , ik ben bijna klaar.” Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van [naam benadeelde partij] betrouwbaar.

Daarnaast vindt de verklaring van [naam benadeelde partij] voldoende steun in de verklaringen van getuigen [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 2] en [ouder verdachte sub 2] , die verklaren dat verdachte - wanneer hij op 14 september 2015 wordt geconfronteerd met hetgeen [naam benadeelde partij] tegen haar ouders heeft verteld - bekent dat hij [naam benadeelde partij] heeft gevraagd zijn penis in haar mond te doen en aan zijn penis te friemelen. Bovendien blijkt ook uit de verklaring van verdachte bij de politie dat hij seksuele handelingen heeft verricht bij [naam benadeelde partij] . Nu de verklaring van [naam benadeelde partij] aldus voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zijn penis in de mond en in de vagina van [naam benadeelde partij] heeft gebracht. Dit is naar het oordeel van de rechtbank gebeurd op twee momenten, immers de verdachte heeft zijn penis in de mond van [naam benadeelde partij] gebracht op de wc en hij heeft zijn penis in de vagina van [naam benadeelde partij] gebracht op de slaapkamer van [naam benadeelde partij] , op het bed van [zus verdachte] .

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de periode van 13 september 2013 tot en met 13 september 2015 in de gemeente [plaatsnaam] , met [naam benadeelde partij] (geboren [geboortedag benadeelde partij] -2008), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam benadeelde partij] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en in de vagina van die [naam benadeelde partij] gebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog K.T.E. Zászlós heeft over de geestvermogens van de verdachte op 14 september 2017 een rapport uitgebracht. De deskundige komt tot de conclusie:

dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, immers een autismespectrumstoornis, ADHD en een chronische persisterende tic-stoornis. Daarnaast is er sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, waarbij hij performaal sterker is dan verbaal. Hij heeft samenhangend met zijn problematiek impulsregulatieproblemen en een beperkt sociaal begrip en inzicht. Er bestaan daarentegen geen zorgen over de seksuele ontwikkeling van verdachte. Verdachte wist wel dat seksueel experimenteren met zijn halfzusje niet kon, maar gezien zijn autismespectrum- en ADHD-problematiek heeft hij zijn seksuele impulsen onvoldoende onder controle. Dit heeft geleid tot grensoverschrijdend handelen. Er is sprake van een matig recidiverisico;

dat gezien de aard van zijn ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens het aannemelijk is dat bij bewezenverklaring sprake is geweest van een doorwerking van de omschreven factoren in het tenlastegelegde. De verdachte is daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. De verdachte is aldus in verminderde mate toerekeningsvatbaar.

8 De straf

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd op door de gecertificeerde instelling, te weten Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, afdeling jeugdreclassering (verder: de GI) te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om als bijzondere voorwaarden op te leggen dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan psycho-educatie bij NOVA zorg of soortgelijke instelling en eventueel daaruit voortvloeiende noodzakelijke aanvullende ambulante behandeling op het gebied van autisme, bij CLASS of een soortgelijke instelling.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat in het voordeel van de verdachte rekening gehouden dient te worden met het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het feit. Bovendien kan worden vastgesteld dat verdachte vóór, maar ook na het tenlastegelegde feit niet met politie en/of justitie in aanraking is geweest. Voorts heeft de raadsman gewezen op het in de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming regio Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht (verder: de raad) gegeven strafadvies, namelijk een voorwaardelijke werkstraf. Daarnaast acht de psycholoog K.T.E. Zászlós, die over de geestvermogens van de verdachte heeft gerapporteerd, verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De raadsman heeft gesteld dat ook de psycholoog een (deels) voorwaardelijke straf heeft geadviseerd. De raadsman komt op basis van vorenstaande tot de conclusie dat een geheel voorwaardelijke (werk)straf een passende straf is, waarbij tevens de voorwaarden opgelegd kunnen worden zoals in de rapportages van de raad en de psycholoog worden geadviseerd.

Daarnaast heeft de raadsman opgemerkt dat een veroordeling voor een zedendelict in theorie levenslang een reden kan zijn voor weigering tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). De raadsman heeft dan ook verzocht een expliciete overweging hieromtrent door de rechtbank in het vonnis op te nemen, zodat de verdachte bij het aanvragen van een VOG geen problemen ondervindt.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank stelt voorop dat zij het betreurt dat zij met de verdachte niet heeft kunnen spreken over de feiten, over zijn beweegredenen, zijn gevoelens en over de gevolgen van de feiten voor zijn halfzusje, hemzelf en zijn familie. Verdachte heeft zich, na bij de politie wel verklaard te hebben, op advies en als onderdeel van de strategie van zijn raadsman, verder beroepen op zijn zwijgrecht. De rechtbank wil dit de verdachte, die er ter zitting zichtbaar mee worstelde, echter niet tegenwerpen. Helpend in termen van inzicht krijgen in de persoon van de verdachte, de verwerking van hetgeen is gebeurd en herstel van familieverhoudingen is het beroep op het zwijgrecht voor deze jonge verdachte in geen geval geweest.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van seksueel misbruik van zijn halfzusje, dat in de periode dat het misbruik plaatsvond tussen de vier en zeven jaar oud was. Hij heeft daarbij zijn penis in de mond en in de vagina van [naam benadeelde partij] gebracht. Toen [naam benadeelde partij] hem vroeg te stoppen omdat het pijn deed toen hij zijn penis in haar vagina bracht, zei hij dat ze nog even moest wachten, omdat hij bijna klaar was. Ook heeft hij van [naam benadeelde partij] verlangd dat zij zijn penis betastte. De verdachte heeft tijdens het voorval zijn eigen behoeftes voorop gesteld en geen rekening gehouden met de belangen en gevoelens van het slachtoffer [naam benadeelde partij] , op wie dit misbruik een grote impact heeft. Door aldus seksueel binnen te dringen in het lichaam van [naam benadeelde partij] heeft de verdachte mogelijk een normale en gezonde (seksuele) ontwikkeling, waar een ieder recht op heeft, bij [naam benadeelde partij] doorkruist. Het feit dat het zijn halfzusje betreft, maakt dit feit ernstiger. Zij kon en mocht van haar oudere halfbroer verlangen dat zij in haar eigen huis veilig was. Het feit heeft, zo staat in de schriftelijke verklaring die haar moeder heeft opgesteld, tot op heden ingrijpende gevolgen voor [naam benadeelde partij] . [naam benadeelde partij] plast soms in bed omdat ze bang is en last heeft van nachtmerries. Zij wordt dan schreeuwend wakker en roept dan vaker “ [verdachte] , niet doen, stoppen.” Ze heeft last van buikpijn als gevolg van stress en op school gaat het niet goed omdat haar concentratie verminderd is. Hulpverlening voor [naam benadeelde partij] is noodzakelijk en inmiddels ingezet, maar de nodige hulp heeft lang op zich laten wachten, omdat het belang van het onderzoek dit vergde.

Ten aanzien van de ernst van de bewezenverklaarde feiten heeft de rechtbank mede gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het strafblad van verdachte d.d. 25 september 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. De rechtbank zal hier in het voordeel van de verdachte rekening mee houden.

Voorts zal de rechtbank bij de straftoemeting rekening houden met de rapportage van de deskundige, waaruit blijkt dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Daarnaast zal de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met het tijdsverloop van twee en een half jaar sinds de bewezenverklaarde pleegperiode.

Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen voor de duur van drie maanden. De rechtbank legt daarmee een lagere voorwaardelijke jeugddetentie op dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is immers gebleken dat zaak de afgelopen jaren ook voor verdachte verstrekkende gevolgen heeft gehad. Dit blijkt uit het feit dat het contact tussen de verdachte en zijn halfbroertje en halfzusjes al meer dan twee en een half jaar verbroken is en vooralsnog onherstelbaar lijkt te zijn. Ook is er gedurende diezelfde periode geen contact meer geweest tussen de verdachte en zijn vader. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de komende periode de nadruk moet liggen op het herstel van de familie verhoudingen.

Uit de raadsrapportage van 18 oktober 2017 blijkt voorts dat verdachte, gezien de in de Pro Justitia rapportage omschreven problematiek, in zijn opvoedingsomgeving veel behoefte heeft aan aansturing en duidelijkheid, zodat hij – met het oog op zijn verdere verzelfstandiging – beter leert om te gaan met zijn beperkingen. De rechtbank acht hulp voor de verdachte noodzakelijk, om het recidiverisico verder terug te dringen en de ontwikkeling van verdachte naar zelfstandigheid op een positieve wijze te laten verlopen. Aangezien gebleken is dat bij verdachte en zijn wettelijke vertegenwoordigster geen sprake is van probleembeleving en daaraan gekoppeld een hulpvraag, heeft verdachte nooit structureel professionele hulp ontvangen. Het is derhalve van belang dat de hulp aan de verdachte, zoals in het advies van de Pro Justitia rapportage staat beschreven, ingekaderd wordt binnen een begeleid traject vanuit de jeugdreclassering.

De rechtbank zal, in lijn met het advies van de deskundige en de raad en tevens conform de eis van de officier van justitie, de volgende bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke jeugddetentie koppelen:

dat verdachte gedurende de proeftijd van twee jaar op door de GI, te bepalen tijdstippen zal melden bij de GI, zo vaak en zo lang de GI dat noodzakelijk acht;

dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan psycho-educatie en behandeling bij NOVA zorg of soortgelijke instelling, gericht op zijn beperkingen samenhangend met zijn autisme;

dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan, indien blijkt dat er bij Nova zorg onvoldoende expertise bestaat om de seksuele ontwikkeling als aandachtspunt in de behandeling mee te nemen, daaruit voortvloeiende noodzakelijke aanvullende ambulante behandeling, bij CLASS of soortgelijke instelling.

Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)

De rechtbank overweegt, zoals verzocht door de verdediging, nog het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank zou het onwenselijk zijn als de onderhavige schuldigverklaring tot gevolg zou hebben dat in de toekomst de afgifte van een VOG aan de verdachte wordt geweigerd. De verdachte was ten tijde van het feit tussen twaalf en veertien jaar oud. Bovendien is er – blijkens het raadsrapport en de Pro Justitiarapportage – geen sprake van risico op het opnieuw plegen van seksuele delicten, aangezien er geen zorgen bestaan over zijn seksuele ontwikkeling. Met de deskundige is de rechtbank van oordeel dat het feit moet worden gezien tegen de achtergrond van puberaal impulsief experimenterend gedrag, te wijten aan zijn autisme- en AHDH- problematiek.

9 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partijen [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 1] en mevrouw [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 2] hebben in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter, tevens het slachtoffer [naam benadeelde partij] , gevorderd een schadevergoeding van € 5.259,72 op te leggen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Deze schadevergoeding bestaat uit een totale materiële schadepost van € 259,72, onder te verdelen in € 109,72 (reiskosten) en € 150,- (aanschaf bed) en een immateriële schadepost van
€ 5.000,-.

De benadeelde partijen hebben tevens verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie gesteld dat deze vordering geheel kan worden toegewezen.

9.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schadepost betreffende het bed niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien dit onvoldoende is onderbouwd. De raadsman acht het verzoek ten aanzien van de immateriële schadepost niet passend, aangezien de moeder van verdachte dit bedrag zal moeten betalen. Bovendien draagt dit niet bij aan het verbeteren van de familiaire verhoudingen.

9.4.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] door het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 259,72. De rechtbank zal deze materiële schadepost toewijzen. Ook is gebleken dat aan [naam benadeelde partij] immateriële schade is toegebracht. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade van € 5.000,- toewijzen, nu de raadsman van de verdachte onvoldoende heeft weersproken dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden. De raadsman heeft het immers niet ten aanzien van de hoogte en de inhoud van de vordering, maar over de gevolgen daarvan en de effecten op de familiaire verhoudingen verweer gevoerd. Dat verweer kan er echter niet toe leiden dat de vordering op dit punt wordt afgewezen danwel niet ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank zal derhalve de gehele vordering van € 5.259,72 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2015.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen, omdat de wet niet de mogelijkheid biedt een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten laste van ouders van een minderjarige, die ten tijde van het tenlastegelegde feit jonger was dan 14 jaar.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 244, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;


Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 6 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 3 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van 2 jaar, de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en,

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte

- zich gedurende de proeftijd

o op door de gecertificeerde instelling te weten Bureau Jeugdzorg Limburg, te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

o meewerkt aan psycho-educatie en behandeling bij NOVA zorg of soortgelijke instelling, gericht op zijn beperkingen samenhangend met zijn autisme;

o meewerkt aan, indien blijkt dat er bij NOVA zorg onvoldoende expertise bestaat om de seksuele ontwikkeling als aandachtspunt in de behandeling mee te nemen, daaruit voortvloeiende noodzakelijke aanvullende ambulante behandeling, bij CLASS of soortgelijke instelling;

- draagt de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg, jeugdreclassering op toezicht te houden op naleving van deze voorwaarden en veroordeelde daarbij te begeleiden;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van de benadeelde partij [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 1] en mevrouw [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 2] toe;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van

€ 5.259,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2015 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M.C. van de Winkel, voorzitter, mr. J.J.M. Wassenberg en mr. M.B.T.G. Steeghs, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van

mr. V. Stroeks, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 februari 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 13 september 2013 tot en met 13 september 2015 in de gemeente [plaatsnaam] , met [naam benadeelde partij] (geboren [geboortedag benadeelde partij] -2008), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam benadeelde partij] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of in de vagina van die [naam benadeelde partij] geduwd en/of

gebracht;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 13 september 2013 tot en met 13 september 2015 in de gemeente [plaatsnaam] , met [naam benadeelde partij] (geboren op [geboortedag benadeelde partij] -2008), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de vagina van die [naam benadeelde partij] en/of het brengen van zijn, verdachtes, penis tussen de benen van die [naam benadeelde partij] ;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, afdeling zeden, proces-verbaalnummer 2015172650, gesloten d.d. 11 januari 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 69.

2 De aangifte van [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 2] d.d. 21 oktober 2015, pagina’s 12 tot en met 22.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2016, pagina’s 28 en 29.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [wettelijke vertegenwoordiger benadeelde partij sub 1] d.d. 27 september 2016, pagina’s 44 tot en met 49.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [ouder verdachte sub 2] d.d. 6 oktober 2016, pagina’s 50 tot en met 55.

6 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 15 november 2016, pagina’s 56 tot en met 68.