Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3648

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
6424520 OV VERZ 17-123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen sprake meer van een gemeenschap ex art. 3:166 BW na onherroepelijke uitspraak tot vaststelling van de verdeling. Het feit dat de registergoederen goederenrechtelijk nog geleverd dienen te worden, doet daaraan niet af. Hierdoor is ook geen sprake meer van een gemeenschappelijke regeling en zijn de vermogensrechten na vaststelling van de verdeling overgegaan naar degene aan wie de registergoederen zijn toebedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknr: 6424520 OV VERZ 17-123

beschikking van 11 april 2018

op een verzoek van

[verzoeker] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde mr. A.J.L.J. Pfeil,

contra:

[belanghebbende] ,

wonend te [woonplaats] , aan de [adres] ,

belanghebbende,

gemachtigde mr. J.J.M.C. Huppertz

Partijen worden hierna verder [verzoeker] en [belanghebbende] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 25 oktober 2017 met bijlagen,

  • -

    het verweerschrift van 20 maart 2018 met bijlagen,

  • -

    de mondelinge behandeling op 27 maart 2018.

1.2.

Ter zitting zijn verschenen:

  • -

    [verzoeker] , bijgestaan door mr. Pfeil voornoemd

  • -

    [belanghebbende] , bijgestaan door mr. Huppertz voornoemd.

1.3.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [verzoeker] en [belanghebbende] zijn broers van elkaar. Sinds 2004 procederen zij over het beheer en de verdeling van een gemeenschap. De gemeenschap behelsde een viertal panden, waarin horeca is gevestigd, al dan niet met (feest)zaal en bovenwoning (hierna: de panden).

2.2.

Bij beschikking van 13 april 2006 heeft de kantonrechter te Maastricht (een rechtsvoorganger van) Huizen Beheer Maastricht (hierna: HBM) aangewezen als beheerder van de panden. Partijen ondertekenden een definitieve beheersovereenkomst gedateerd op 6 april 2006.

2.3.

Bij arrest van 28 april 2015 (hierna: het arrest) heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch de verdeling “van de ontbonden gemeenschap” als volgt vastgesteld:

“(…)

[ A ] - deelt aan [belanghebbende] toe de vier onroerende zaken die in dit arrest in rechtsoverweging 24.2.1 sub 1 onder a tot en met d zijn genoemd;

[ B ] - deelt aan [belanghebbende] toe de in dit arrest in rechtsoverweging 24.2.3 genoemde en aan partijen genoegzaam bekende hypothecaire geldlening, onder de verplichting te bewerkstelligen dat [verzoeker] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze schuld;

[ C ] - veroordeelt [belanghebbende] om ter zake overbedeling aan [verzoeker] nog € 219.211,25 te betalen, verminderd met hetgeen [verzoeker] op grond van het beroepen vonnis van 25 februari 2009 inmiddels meer heeft geïncasseerd dan € 172.786,05 en vermeerderd met de helft van hetgeen aan de hypotheekschuld is afgelost in de periode van 19 december 2014 (zie rov. 24.4.3 tot heden);

Verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; (…)”

2.4.

Tegen voornoemd arrest van het hof voerde [verzoeker] drie cassatiemiddelen aan. De Hoge Raad casseerde bij arrest van 28 oktober 2016 het arrest van het hof op slechts één punt, ter zake een BTW kwestie. De overige klachten van het middel konden volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad vernietigde het arrest van 28 april 2015 en verwees de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, alwaar de zaak nu nog voor ligt.

2.5.

De Hoge Raad heeft voor het overige de verdeling, zoals die werd uitgesproken door het gerechtshof, niet gecasseerd.

2.6.

In februari 2017 heeft de notaris een conceptakte van verdeling en levering opgesteld en ter beoordeling aan partijen toegestuurd, met het verzoek om op 16 maart 2017 op zijn kantoor aanwezig te zijn voor het passeren van de akte. Levering van de panden aan [belanghebbende] bij notariële akte heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.

2.7.

Op 12 januari 2018 startte [verzoeker] een kort geding procedure waarin hij van HBM een voorschot op betaalde en nog te betalen huurpenningen vorderde, het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde en nog te voeren beheer, alsmede een verbod tot het verrichten van handelingen en/of werkzaamheden, anders dan gewoon onderhoud, aan de panden. De voorzieningenrechter wees de vorderingen van [verzoeker] bij vonnis van 15 februari 2018 af.

3 Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om HBM te ontslaan als beheerder van de panden en te vervangen door Living Maastricht C.V., althans een door de kantonrechter te bepalen derde.

3.2. [verzoeker] legt - samengevat - aan zijn verzoek ten grondslag dat partijen nog steeds gezamenlijk eigenaar zijn van de panden en dat er tussen hen nog een gemeenschap bestaat. Zo lang er geen levering ex art. 3:186 BW heeft plaatsgevonden, zijn en blijven beide broers eigenaar en deelgenoot. Omdat er nog steeds een gemeenschap is, is volgens [verzoeker] ook de beheersregeling (zie productie 2 bij verzoekschrift) nog van kracht.

3.3.

Volgens [verzoeker] vervult HBM haar taak niet meer naar behoren, reden waarom [verzoeker] de kantonrechter verzoekt een nieuwe beheerder aan te wijzen. HBM verzuimt sinds februari 2017 de (huur)opbrengsten van de in beheer gegeven panden over te boeken op de gezamenlijke rekening van partijen. Verder verzuimt zij sindsdien om tegenover partijen rekening en verantwoording af te leggen van het door haar gevoerde beheer en verricht zij, zonder overleg met partijen, grote investeringen in de panden.

3.4.

[belanghebbende] voert verweer en stelt - kort weergegeven - dat [verzoeker] sinds 18 april 2015 (datum arrest hof) geen medegerechtigde meer is in de huuropbrengsten, hij geen recht meer heeft op rekening en verantwoording, althans informatie ter zake het vastgoedbeheer en dat [verzoeker] geen zeggenschap meer heeft over onderhoud en/of investeringen aan of in de panden.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor de beoordeling van onderhavig verzoek neemt de kantonrechter het arrest van 28 april 2015, waarbij de tussen partijen bestaande gemeenschap is ontbonden, gescheiden en gedeeld, tot uitgangspunt. Het arrest heeft gezag van gewijsde. Daarmee staat de scheiding en deling, met waardebepaling, definitief vast.

4.2.

Voor de beslissing op onderhavig verzoek is van belang het antwoord op de vraag of, in het licht van het arrest, er nog steeds sprake is van een gemeenschappelijk beheer.

4.3.

Voor het antwoord op die vraag is van belang dat het hof, met het vaststellen van de verdeling, heeft bepaald dat het aandeel van [verzoeker] in de gemeenschap wordt toebedeeld aan [belanghebbende] . Deze verdeling heeft tot gevolg dat de rechten en plichten die samenhangen met de panden per peildatum (datum arrest, 28 april 2015) zijn overgegaan op degene aan wie de panden zijn toebedeeld; in casu: [belanghebbende] .

4.4.

Omdat de levering aan [belanghebbende] nog niet heeft plaatsgevonden, is er, zoals [verzoeker] ter zitting heeft aangevoerd, wel nog sprake van mede-eigendom, maar slechts in goederenrechtelijke zin. De onherroepelijke uitspraak van het hof heeft tot gevolg dat [verzoeker] die eigendom zal moeten overdragen. De vermogensrechten met betrekking tot de panden zijn met de verdeling door het hof al overgegaan naar [belanghebbende] . De nog te verrichten levering voor eigendomsoverdracht doet daar niets aan af.

4.5.

De scheiding en deling heeft tot gevolg dat alleen [belanghebbende] nog recht heeft op inkomsten uit de huurpenningen en verder ook alleen [belanghebbende] nog gaat over het onderhoud en het beheer van de panden. Van een gemeenschappelijk beheer is daarom geen sprake meer. Dit heeft tevens tot gevolg dat overige lasten, uitgaven en eventuele risico’s die kleven aan de panden (denk bijvoorbeeld aan prijsdalingen, tekortschietende huurders of het (deels) tenietgaan van de panden) voor rekening van [belanghebbende] zijn. Ook zolang er -goederenrechtelijk - nog niet geleverd is.

4.6.

Omdat niet meer gesproken kan worden van een gemeenschappelijk beheer ten aanzien van de panden, is [verzoeker] niet langer bevoegd tot het indienen van een verzoek ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, zoals bedoeld in art. 3:171 BW. [verzoeker] is daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

4.7.

De overige door partijen naar voren gebrachte stellingen en standpunten - hoe zeer voor partijen ook van belang - zijn voor de beslissing op onderhavig verzoek niet relevant en behoeven daarom geen nadere bespreking.

4.8. [verzoeker] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [belanghebbende] gerezen en begroot op € 400,- (2 x tarief € 200,-) salaris gemachtigde. De nakosten zullen worden toegewezen als nader in het dictum is bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

5.2.

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure, van € 400,-;

5.3.

veroordeelt [verzoeker] , onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door [belanghebbende] volledig aan deze beschikking voldoet, in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 100,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van deze beschikking, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in

art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

RJ