Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3642

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
03/700242-16 en 03/702698-16 (ttz gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, zware mishandeling en bedreiging: gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700242-16 en 03/702698-16 (ttz gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 11 januari en 3 april 2018. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Op 11 januari 2018 heeft de rechtbank ter plaatse een reconstructie laten houden.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat de verdachte met een mes heeft gestoken in de richting van politieambtenaren. Twee van hen heeft de verdachte geraakt. De verwijten variëren in ernst en er zijn diverse subsidiaire varianten ten laste gelegd: poging tot doodslag, zware mishandeling, poging tot zware mishandeling, eenvoudige mishandeling en bedreiging.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte op 7 mei 2016 in de tuin van zijn woning in [adresgegevens verdachte] twee politieambtenaren met een mes heeft gestoken. In geval van politieambtenaar [slachtoffer 1] , die door de verdachte in zijn been is gestoken, levert dat geen poging tot doodslag op, maar zware mishandeling. In geval van politieambtenaar [slachtoffer 2] , die in zijn arm werd geraakt, is er sprake van een poging tot zware mishandeling.

De verdachte heeft verder met het mes geprobeerd een derde politieambtenaar, [slachtoffer 3] , te steken. Het is niet gelukt [slachtoffer 3] te raken, maar het handelen van de verdachte levert een poging tot doodslag op, omdat er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 3] in de halsstreek of het hoofd zou worden geraakt. Verder heeft de verdachte voornoemde drie politieambtenaren en een vierde politieambtenaar bedreigd door met het mes en een bijl in hun richting te steken en te zwaaien.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen aanmerkelijke kans was dat de verdachte politieambtenaar [slachtoffer 3] zou raken met het mes. [slachtoffer 3] had de verdachte namelijk met een lexaanschild zodanig tegen een muur gefixeerd dat de verdachte weinig kon uitrichten. Dat betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken, zowel van de poging tot doodslag als van de poging tot zware mishandeling ten aanzien van [slachtoffer 3] .

Ten aanzien van politieambtenaar [slachtoffer 1] geldt volgens de raadsvrouw eveneens dat er geen aanmerkelijke kans bestond dat hij dodelijk zou worden getroffen door de verdachte. Evenmin is in zijn geval sprake van zwaar lichamelijk letsel, zodat ook het subsidiaire verwijt niet bewezen kan worden. Ten aanzien van het meer subsidiaire verwijt, de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] , heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft zich ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bedreigingen (feit 3) en het steken van politieambtenaar [slachtoffer 2] (feit 2).

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De bewijsmiddelen

Op 7 mei 2016 werden diverse surveillance-eenheden van de politie gestuurd naar het adres [adresgegevens verdachte] . Een man, naar later bleek de verdachte, was doorgedraaid en bevond zich met een mes en een bijl in de achtertuin van zijn woning.

De politieambtenaren die ter plaatse kwamen, besloten de man aan te houden op grond van artikel 3 van de Politiewet, omdat zij van mening waren dat de man psychische hulp nodig had. De verdachte werd in de achtertuin aangetroffen. Hij hield een bijl in zijn rechterhand en een mes in zijn linkerhand (de rechtbank: bezien vanuit de positie van [slachtoffer 3] ). De verdachte sprak met stemverheffing en maakte een zeer agressieve indruk. Hij zwaaide wild met het mes en de bijl en maakte telkens stekende bewegingen in de richting van de opsporingsambtenaren. De verdachte was zeer geëmotioneerd en agressief en bleef met het mes en de bijl stekende bewegingen maken, ondanks herhaalde vragen van de opsporingsambtenaren wat zij konden doen en de mededeling dat men geen geweld zou gebruiken, wanneer hij zou meewerken.2

De politiemensen die over de gebeurtenis relateren en/of aangifte hebben gedaan van bedreiging waren onder andere [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] .34567

Het mes en de bijl zijn (uiteindelijk) in beslag genomen. Het betreft een vleesmes, waarvan de rechtbank een afbeelding invoegt.8

Tussenconclusie van de rechtbank

Uit het voorgaande volgt in elk geval dat de verdachte voornoemde politieambtenaren bedreigd heeft. Door met een scherp vleesmes en een bijl in hun richting stekende bewegingen te maken, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. Hierover is ter terechtzitting geen discussie geweest en de rechtbank zal dit feit, feit 3 met parketnummer 03/700242-16, dan ook zonder verdere toelichting bewezen verklaren. Daarbij zij nog vermeld dat de verdachte zelf verklaard heeft geen heldere herinneringen meer te hebben aan de gebeurtenissen op 7 mei 2016; zijn verklaring kan dus geen bijdrage leveren aan het bewijsoordeel van de rechtbank.

Vervolg bewijsmiddelen: de verklaringen van aangevers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de verwondingen

De politieambtenaren zijn vervolgens in actie gekomen. [slachtoffer 3] is op de verdachte afgestapt en heeft de verdachte tegen een muur aangeduwd met behulp van een lexaanschild en het schild tegen het gelaat en de romp van de verdachte geduwd. De verdachte bleef zeer agressief en duwde met veel kracht tegen het schild. De verdachte hield beide armen gespreid en bleef wilde stekende bewegingen maken het met mes, dat hij in zijn rechterhand hield. De linkerarm kon door een collega gefixeerd worden, maar de arm waarmee de verdachte het mes vasthield niet. De verdachte kon meerdere keren met het mes langs het schild steken. Om niet geraakt te worden moest [slachtoffer 3] zijn hoofd naar rechts bewegen. Hij zag het lemmet van het mes meerdere malen op enkele centimeters langs zijn hoofd en nek gaan en was bang dat hij geraakt zou worden. Omdat [slachtoffer 3] zich naar rechts moest bewegen en omdat de verdachte met zoveel kracht tegen het schild duwde en zeer wilde bewegingen maakte, was [slachtoffer 3] bang dat hij de verdachte niet langer meer kon fixeren.9 [slachtoffer 3] was bang dat hij geraakt zou worden in zijn hoofd of nek; hij zag en voelde dat. Hij kon zelf geen kant uit en moest alles bijzetten om de verdachte niet de kans te geven hem te steken.10

Op enig moment viel de verdachte op de grond. In plaats van zijn val te breken met zijn handen, bleef de verdachte stekende bewegingen maken met het mes naar het been van politieambtenaar [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] voelde dat hij geraakt werd.11 Het letsel dat [slachtoffer 1] daarbij opliep betrof een verwonding ter hoogte van de binnenkant van de rechterknie, passend bij een steek/snijverwonding. Het betrof letsel aan de weke delen, waarbij geen blijvend functieverlies is opgetreden, met uitzondering van littekens. Naar verwachting zou volledig herstel enkele weken in beslag nemen.12

Ook politieambtenaar [slachtoffer 2] , die gelijk met de verdachte op de grond viel, werd geraakt door het mes. Op het moment dat [slachtoffer 2] de hand van de verdachte vastpakte om een polsklem aan te leggen, zag [slachtoffer 2] dat de verdachte het mes in zijn, [slachtoffer 2] ’, onderarm stak. [slachtoffer 2] zag de punt van het mes enkele centimeters verder uit zijn huid komen. Hij verklaarde verder dat hij twee steekwonden in zijn linker onderarm had opgelopen die gehecht respectievelijk geplakt werden.1314

Het betrof een steek/snijverwonding aan de buitenkant van de linker onderarm, waarbij geen blijvend functieverlies is opgetreden, met uitzondering van een litteken. Naar verwachting zou volledig herstel snel volgen.15

Vervolgconclusies van de rechtbank uit het bewijs

De verklaringen maken duidelijk dat de verdachte voortdurend met het vleesmes wilde steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van de politieambtenaren die doende waren hem aan te houden. Uit dat handelen kan worden afgeleid dat de verdachte het opzet had om hen te raken. Naar algemene ervaringsregels ligt die bedoeling besloten in het maken van steekbewegingen naar personen die zich dichtbij bevinden. Zelfs toen hij viel, ving de verdachte zichzelf niet op, maar ging hij door met steken richting de politieambtenaren.

Twee van hen heeft de verdachte ook verwond. Dit letsel is niet zo ernstig dat er juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Aangever [slachtoffer 1] heeft weliswaar uiteindelijk meer dan enkele weken nodig gehad om te herstellen, maar de steller van de tenlastelegging heeft een duidelijke keuze gemaakt door de feitelijke omschrijving van het zwaar lichamelijk letsel te beperken tot littekens. Dit voldoet niet aan de strafrechtelijke criteria voor zwaar lichamelijk letsel. Een ruimere uitleg van de tenlastelegging zou, naar het oordeel van de rechtbank, een denaturering daarvan betekenen. Dat neemt niet weg dat de verdachte gemakkelijk zwaar lichamelijk letsel had kunnen veroorzaken bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , bijvoorbeeld in de vorm van verwondingen aan pezen, zenuwen en gewrichten. Met andere woorden: er bestond een aanmerkelijke kans op. Deze kans heeft de verdachte ook aanvaard door wild te (blijven) steken met het mes. Dat levert derhalve telkens een poging op tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De kans op het veroorzaken van dodelijk letsel bij [slachtoffer 1] acht de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw, in deze zaak niet aanmerkelijk. Weliswaar bevinden zich in het been grote aderen waardoor er fors en uiteindelijk dodelijk bloedverlies kan optreden, maar een aanmerkelijk kans op een dodelijke bloeding acht de rechtbank niet aan de orde in het onderhavige geval. Daarvoor ontbreken harde aanknopingspunten. Een messteek ter hoogte van de knieholte in algemene zin is onvoldoende en het dossier geeft de rechtbank geen informatie om tot een ander inzicht te komen.

Dat ligt anders ten aanzien van [slachtoffer 3] . Door langs diens hoofd te steken, onderwijl proberend [slachtoffer 3] terug te duwen en uit zijn evenwicht te brengen, had de verdachte [slachtoffer 3] in de hals of in het hoofd kunnen raken. Een forse snijverwonding in de halsslagader, die, zoals algemeen bekend, binnen zeer korte tijd de dood veroorzaakt, ligt dan voor de hand met het soort mes dat de verdachte in handen had.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat erop neerkomt dat het feitelijk niet mogelijk was om [slachtoffer 3] te raken. De raadsvrouw baseert dat op hetgeen verklaard en nagespeeld is tijdens de reconstructie, maar de rechtbank hecht meer aan de verklaring en bevindingen van [slachtoffer 3] uit het dossier. Een situatie als de onderhavige is immers nooit exact te reproduceren bij een reconstructie. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij grote moeite had de verdachte in bedwang te houden en dat hij het mes langs zich voelde gaan. De situatie was zo hectisch en het gedrag van de verdacht zo agressief, dat het beslist niet slechts de beleving van het gevaar door [slachtoffer 3] betreft, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, maar dat het een reëel gevaar was dat terecht ook als zodanig is ervaren door [slachtoffer 3] , en overigens ook door andere verbalisanten. Er was wel degelijk een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 3] geraakt zou worden, bijvoorbeeld op het moment waarop de verdachte met de door [slachtoffer 3] beschreven tegenkracht [slachtoffer 3] uit zijn evenwicht zou hebben gebracht, als gevolg waarvan [slachtoffer 3] zijn hoofd/hals niet langer had kunnen beschermen door het naar rechts te houden. Dat het goed is afgelopen, is niet aan de verdachte te danken, wiens agressiviteit op dat moment geen grenzen kende.

De omstandigheid dat [slachtoffer 3] een steekwerend vest droeg, wat de raadsvrouw nog heeft aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. Weliswaar had dat vest [slachtoffer 3] mogelijk kunnen beschermen tegen een steek in zijn schouder of bovenrug, maar dat is een van de wil van de verdachte onafhankelijke omstandigheid die geen invloed heeft op het voorwaardelijk opzet van de verdachte.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

03/700242-16 feit 1 meer subsidiair

op 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 1] met een mes in zijn been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

03/700242-16 feit 2 primair

op 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 2] met een mes in zijn arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

03/700242-16 feit 3

op 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend stekende en zwaaiende bewegingen met een mes en een bijl in de richting van genoemde personen gemaakt;

03/702698-16 primair

op 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de richting van de nek en het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

03/700242-16 feit 1 meer subsidiair

poging tot zware mishandeling

03/700242-16 feit 2 primair

poging tot zware mishandeling

03/700242-16 feit 3

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

03/702698-16 primair

poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psychiater J.R. Nijdam heeft over de geestvermogens van de verdachte op 13 september 2016 een rapport uitgebracht. Deze gedragsdeskundige beschrijft in zijn rapport dat de verdachte op 7 mei 2016 leed aan een aanpassingsstoornis met een stoornis van emoties en gedrag en een angststoornis, ontstaan door overmatig alcoholgebruik. Als gevolg van deze stoornissen is de verdachte uiteindelijk de controle over zijn emoties en gedrag in ernstige mate kwijtgeraakt. De psychiater adviseert de rechtbank de feiten verminderd toe te rekenen aan de verdachte.

De rechtbank neemt de bevindingen van de psychiater en het advies over. De rechtbank zal daarmee bij de strafmaat rekening houden. Er is in elk geval geen sprake geweest van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte volledig uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij vanwege de ernst van de feiten geen andere straf kan eisen dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij zwaar onder invloed van alcohol was en dat de slachtoffers ambtenaren zijn die aangevallen werden tijdens de uitoefening van hun beroep.

De officier van justitie is van mening dat de straf wel gematigd moet worden, omdat zij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de omstandigheid dat hij oprechte spijt heeft en het tijdsverloop tussen de feiten en de uiteindelijke uitspraak in de zaak. Daarom kiest de officier van justitie ervoor om de helft van de straf voorwaardelijk te vorderen. Deze keus is niet ingegeven door de noodzaak om herhaling te voorkomen en/of bijzondere voorwaarden op te leggen, want de kans op herhaling wordt klein geacht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte, mede omdat die de aanleiding vormden voor de feiten. Niet alleen is de visie van de raadsvrouw op het bewijs anders dan die van de officier van justitie, ook moet de verdachte als een uitzonderlijke verdachte worden beschouwd, aan wie niet meer onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd dan de duur van het reeds ondergane voorarrest van enkele maanden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In de nacht van 6 op 7 mei 2016 staat in een besloten achtertuin een doorgedraaide dronken man, met een lange bijl in zijn ene en een scherp mes in zijn andere hand. Hij heeft zijn vrouw al bedreigd en de buurman en een zwager de garage uitgejaagd, zwaaiend met de bijl en het mes. De politie komt ter plaatse, met veel agenten, om de situatie tot rust te brengen. Drie agenten gaan voorop door de garage, roepen de man aan, bieden aan hem te helpen, maar ze dringen niet tot hem door. Hij blijft zwaaien met het mes en de bijl. De spanning in de achtertuin is enorm. Dan besluiten de agenten om actie te ondernemen en de man aan te houden. Eén agent spuit met pepperspray, een tweede agent duwt de man met zijn schild tegen de tuinmuur. Maar de man laat zich niet stoppen. Hij zwaait nog steeds met het mes en de bijl. Er komen meer agenten de tuin in. Als de man de bijl dan toch afhandig gemaakt is, blijft hij stekende bewegingen maken met het mes. De agent met het schild moet telkens zijn hoofd opzij doen om niet geraakt te worden.

Uiteindelijk lukt het de agenten de man ten val te brengen, maar het steken is nog niet ten einde. Zolang hij het mes in zijn handen heeft, blijft de man stekende bewegingen maken naar de agenten. Hij steekt één agent dwars door de arm, hij raakt een andere agent ook aan zijn arm en een derde agent krijgt een messteek dwars door zijn knie. Deze laatste verliest veel bloed. Twee andere agenten moeten de wond dicht houden om het bloeden te stoppen.

Als dan ten slotte ook het mes afhandig gemaakt kan worden, blijf de man zich verzetten tot hij geboeid op de grond ligt.

Drie agenten gewond door heftig verzet en één agent die met veel moeite heeft kunnen voorkomen dat hij in zijn hals werd gestoken, dat is een recept voor een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Maar dit is niet het hele verhaal. Want de verdachte is geen onbezonnen woesteling die de politie te grazen wil nemen. Geen jonge sterke kerel die het op durft te nemen tegen een overmacht aan politie. De verdachte is een man van nu 71 jaar oud, met een broze gezondheid en van wie zijn omgeving zegt dat hij zo rustig en behulpzaam is. Iemand die zegt dat hij veel respect en ontzag voor de politie heeft en die bij de eerste ontmoeting met zijn advocate op het politiebureau vraagt hoe het met de betrokken agenten is. En die zich niet kan herinneren dat hij dit heeft gedaan. Hij kan het zich ook niet voorstellen.

Wat is hier dan gebeurd? Volgens de psychiater die de verdachte heeft onderzocht is dit incident een gevolg van een aantal factoren van stress. De verdachte had grote zorgen om zijn zoon, die in de gevangenis was gekomen omdat hij zijn ex-vrouw stalkte en die tot over zijn oren in de schulden zat door een gokverslaving. En zorgen om de twee kleinkinderen, die altijd veel bij de verdachte en zijn vrouw waren geweest en die ze nu niet meer mochten zien van bureau Jeugdzorg. De verdachte voelde zich ernstig gefrustreerd. Hij kampte met zijn gezondheid en had pijnmedicatie ingenomen. En hij had te veel bier gedronken toen hij ’s avonds in de tuin was blijven zitten omdat hij daar beter kon ademen dan binnen. Bij elke slok bier werd de frustratie een beetje minder. En bang, dat was de verdachte ook. Er was bij de buren ingebroken, de beelden daarvan had hij gezien. Vandaar die bijl en dat mes, zodat hij zich kon beschermen tegen inbrekers die het op oude mensen hadden voorzien.

Zo was de verdachte eraan toe, toen eerst zijn vrouw, vervolgens de buurman en de zwager en ten slotte de politie de tuin ingekomen waren. Volgens de psychiater was op dat moment sprake van een angststoornis, die gevoed werd door het alcoholmisbruik. Toen kwamen alle frustraties naar buiten en kon de verdachte zijn handelen niet meer goed sturen, met het vreselijke incident en de gewonde agenten tot gevolg. Volgens de psychiater zou de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moeten worden geacht voor wat is gebeurd. De rechtbank begrijpt dat de psychiater tot dat advies is gekomen en vindt ook dat de strafbare feiten waarin het incident is uitgemond de verdachte verminderd moeten worden toegerekend.

Maar waar leidt dat dan toe? Op zichzelf is dit gedrag, zoals hiervoor ook al werd vermeld, een recept voor een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zeker als iemand zelf aan het ontstaan van dat gedrag heeft bijgedragen door veel te veel bier te drinken. De officier van justitie heeft dan ook een gevangenisstraf van vier jaar geëist. De helft daarvan zou volgens de officier van justitie voorwaardelijk opgelegd moeten worden.

Een straf wordt opgelegd met een bepaald doel. Soms is dat om herhaling van strafbare feiten te voorkomen, soms om een voorbeeld te stellen en soms alleen maar als vergelding.

Herhaling van een soortgelijk feit door deze verdachte zal niet snel plaatsvinden, denkt de rechtbank. De verdachte had zoiets nooit eerder gedaan, getuige zijn blanco strafblad. Hij is zelf heel erg geschrokken van wat gebeurd is en heeft sindsdien geen druppel alcohol meer gedronken. Het contact met de kleinkinderen is hersteld. Zijn omgeving is hem tot steun. En als hij het moeilijk zou hebben, kan hij contact opnemen met de reclassering. Het voorkomen van herhaling hoeft dus niet het doel van de straf te zijn.

Vergelding dan? Straffen om pijn te doen, omdat je iemand anders pijn hebt gedaan. Dat gebeurt vooral met mensen die met echte kwade wil een strafbaar feit plegen. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Een voorbeeld stellen? Dat zou kunnen, maar het is de vraag of deze verdachte de persoon is die daarvoor zou moeten dienen. De rechtbank vindt van niet. Iemand van zijn leeftijd, met een verder blanco strafblad en een zwakke gezondheid. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou voor hem extra zwaar zijn.

De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om wel een lange gevangenisstraf op te leggen

– om zo de ernst van de gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking te brengen – maar die straf voor het grootst mogelijke gedeelte voorwaardelijk, vanwege de persoon van de verdachte. Het onvoorwaardelijke deel zal even lang zijn als de duur van het voorarrest. De rechtbank komt op die manier tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel een aantal bijzondere voorwaarden koppelen, te weten reclasseringstoezicht – vooral met het doel dat de verdachte een beroep op zijn toezichthoudster kan doen als dat nodig is – en een verbod om alcohol te drinken, zoals dat ook tot heden gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gegolden. De rechtbank verwacht niet dat de verdachte weer te veel bier gaat drinken, maar de psychiater ziet in het alcoholgebruik een directe relatie met wat is gebeurd. Dat moet de verdachte dus achterwege laten, zoals hij dat ook sinds de strafbare feiten heeft gedaan. De proeftijd zal de rechtbank op drie jaren stellen, ook dat hoort bij de ernst van de strafbare feiten.

De rechtbank realiseert zich dat deze straf ongebruikelijk is bij de feiten die zij heeft bewezenverklaard. Maar gezien de persoon van de verdachte is dit naar het oordeel van de rechtbank de juiste beslissing.

Nog één omstandigheid is onbenoemd gebleven: de verdachte heeft vanaf het begin en herhaaldelijk de wens geuit om zijn excuses te kunnen aanbieden aan de betrokken politiemensen. Dat toont dat hij vanaf het begin de verantwoordelijkheid voor wat gebeurd is, heeft aanvaard. De rechtbank heeft ook daarmee rekening gehouden bij haar beslissing. Zij zou het de verdachte onder die omstandigheden ook gunnen dat de betrokken politiemensen over de schaduw van de gebeurtenissen zouden kunnen heen stappen en dat een contact tot stand zou kunnen komen. Dat gunt de rechtbank de betrokken politiemensen zelf ook.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 560,- voor geleden immateriële schade (smartengeld), terzake van het feit met parketnummer 03/702698-16.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 2.727,36,- , waarvan € 2.700,- voor geleden immateriële schade, terzake van feit 1 (parketnummer 03/700242-16).

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 954, -, waarvan € 900,- voor geleden immateriële schade, terzake van feit 2 (parketnummer 03/700242-16).

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 870,- voor geleden immateriële schade, terzake van feit 3 (parketnummer 03/700242-16).

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 3]

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. De vordering wordt door de verdediging betwist. De rechtbank deelt de conclusie van de raadsvrouw dat in deze zaak op basis van de gegeven onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 3] civielrechtelijk aanspraak kan maken op smartengeld. De vordering voldoet op dit moment niet aan de vereisten hiervoor van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De vordering heeft betrekking op het begrip aantasting van de persoon op andere wijze dan door middel van fysiek letsel of aantasting van de eer of goede naam. Uit de onderbouwing volgt echter niet dat aan het slachtoffer psychisch letsel van voldoende gewicht is toegebracht om zo’n aantasting van de persoon aan te kunnen nemen. Daarvan is in het algemeen pas sprake als het slachtoffer lijdt aan een in de psychiatrie (dan wel psychologie) erkend ziektebeeld. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en onveiligheid vallen, hoe naar ook voor het slachtoffer, niet onder het bereik van voornoemd artikel van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij staat nog wel de weg open om zijn schade te verhalen via een civiele procedure.

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen. Zij acht de gevorderde materiële schade (reiskosten) het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Ook is als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade ontstaan.

De verdachte is voor deze schade civielrechtelijk aansprakelijk.

De vordering betreft reiskosten voor een bedrag van € 17,36. De raadsvrouw heeft de vordering betwist omdat deze schadepost niet onderbouwd is met schriftelijke bescheiden. De rechtbank is echter van oordeel dat dit ook niet altijd vereist is. De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft evident steekletsel opgelopen waarvoor een medische behandeling met vervolgafspraken in het AZM noodzakelijk was en de rechtbank acht het gevorderde bedrag alleszins redelijk.

Het toe te kennen bedrag aan immateriële schade zal de rechtbank matigen ten opzichte van de vordering. De vordering is door de raadsvrouw niet betwist voor zover deze niet boven de € 750, - uitkomt. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op min of meer vergelijkbare rechterlijke uitspraken. Dit bedrag beschouwt de rechtbank ook als een redelijk bedrag gelet op het letsel van [slachtoffer 1] . Alles tezamen zal de rechtbank dus een bedrag van € 767,36 toekennen. Het meergevorderde zal worden afgewezen.

De schadevergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, voor het geval de verdachte de schadevergoeding niet uit zichzelf zal betalen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toewijzen. Zij acht de gevorderde materiële schade (kosten sportschool) het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Ook is als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade ontstaan. De verdachte is voor deze schade civielrechtelijk aansprakelijk.

De vordering van materiele schade betreft kosten van een sportschool in het kader van het herstel voor een bedrag van € 54,-. De raadsvrouw heeft de vordering niet betwist.

Het toe te kennen bedrag aan immateriële schade zal de rechtbank matigen ten opzichte van de vordering. De vordering is door de raadsvrouw niet betwist voor zover deze niet boven de € 750, - uitkomt. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op min of meer vergelijkbare rechterlijke uitspraken. Dit bedrag beschouwt de rechtbank ook als een redelijk bedrag gelet op het letsel van [slachtoffer 2] . Alles tezamen zal de rechtbank dus een bedrag van € 804,- toekennen. Het meergevorderde zal worden afgewezen.

De schadevergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, voor het geval de verdachte de schadevergoeding niet uit zichzelf zal betalen.

De benadeelde partij [slachtoffer 4]

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. De vordering wordt door verdediging betwist. De rechtbank deelt de conclusie van de raadsvrouw dat in deze zaak op basis van de gegeven onderbouwing en het tenlastegelegde niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 4] aanspraak kan maken op smartengeld. De rechtbank overweegt als volgt.

De benadeelde partij beschrijft fysiek letsel, maar de rechtbank kan op grond daarvan geen bedrag aan immateriële schade toekennen, omdat dit letsel geen rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde bedreiging. De mishandeling van [slachtoffer 4] is namelijk niet ten laste gelegd.

Voor het overige voldoet de vordering niet aan de vereisten van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De vordering heeft in het kader van de bewezen verklaarde bedreiging betrekking op het begrip aantasting van de persoon op andere wijze dan door middel van fysiek letsel of aantasting van de eer of goede naam. Uit de onderbouwing volgt echter niet dat aan het slachtoffer psychisch letsel van voldoende gewicht is toegebracht om zo’n aantasting van de persoon aan te kunnen nemen. Daarvan is in het algemeen pas sprake als het slachtoffer lijdt aan een in de psychiatrie (dan wel psychologie) erkend geestelijk ziektebeeld. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en onveiligheid vallen, hoe naar ook voor het slachtoffer, niet onder het bereik van voornoemd artikel van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij staat nog wel de weg open om zijn schade te verhalen via een civiele procedure.

8 Het beslag

De in beslag genomen bijl en het mes zal de rechtbank verbeurd verklaren. Het zijn voorwerpen die aan de verdachte toebehoren en met behulp waarvan de feiten zijn begaan.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33a, 36f, 45, 57, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal gelet op de straf die zij zal opleggen het bevel tot voorlopige hechtenis, dat eerder al werd geschorst, opheffen.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder parketnummer 03/700242-16 feit 1 primair en feit 1 subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzonder voorwaarden niet heeft nageleefd:

- stelt voorts als bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij Reclassering Nederland, Heerderweg 25, te Maastricht op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van alcohol;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

03/702698-16 primair

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] , domicilie kiezende aan de Prins Bisschopssingel 53 te Maastricht, niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

03/700242-16 feit 1 meer subsidiair

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , domicilie kiezende aan de Prins Bisschopssingel 53 te Maastricht, gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 767,36, waarvan € 750,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 7 mei 2016 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van € 767,36, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 7 mei 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

03/700242-16 feit 2 primair

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , domicilie kiezende aan de Prins Bisschopssingel 53 te Maastricht, gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 804,-, waarvan € 750,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 7 mei 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van € 804,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 7 mei 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

03/700242-16 feit 3

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] , domicilie kiezende aan de Prins Bisschopssingel 53 te Maastricht, niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

2 1.00 STK Mes Kl: bruin vleesmes 783156

1. STK Bijl 783155

De voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 april 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer 1] met een mes, in elk geval een scherp of puntig voorwerp, in zijn been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (littekens) heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 1] met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn been te steken;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 1] met een mes, in elk geval een scherp of puntig voorwerp, in zijn been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 2] met een mes, in elk geval een scherp of puntig voorwerp, in zijn arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] met een mes, in elk geval een scherp of puntig voorwerp, in zijn arm te steken;

3.

hij op of omstreeks 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend stekende en/of zwaaiende bewegingen met een mes en/of een bijl in de richting van genoemde personen gemaakt;

parketnummer: 702698-16

hij op of omstreeks 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, in elk geval een scherp of puntig voorwerp, in de richting van de nek en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 mei 2016 in de gemeente Meerssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, in elk geval een scherp of puntig voorwerp, in de richting van de nek en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het Proces-verbaal Algemeen dossier, proces-verbaalnummer LB3R016124, gesloten d.d. 4 juli 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 163.

2 Het overzichtsproces-verbaal, dossierpagina 69 en 70 bovenaan.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 3] , dossierpagina’s 81 onderaan, 82 bovenaan.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 1] , dossierpagina 85 en het proces-verbaal van verhoor aangever, dossierpagina 136, tweede helft.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 2] , dossierpagina 90 en het proces-verbaal verhoor aangever, dossierpagina 136.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 4] , dossierpagina 95.

7 Het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van verhoor aangever, dossierpagina 157, midden van de pagina.

8 De Kennisgeving van inbeslagneming, dossierpagina 43.

9 Het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 3] , dossierpagina 82.

10 Het proces-verbaal verhoor van aangever, dossierpagina 157, tweede helft.

11 Het proces-verbaal verhoor van aangever, dossierpagina 144.

12 De letselbeschrijving van forensisch geneeskundige T.M.D.L. Pelzer, verbonden aan GGD Limburg, dossierpagina 147.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 91.

14 Het proces-verbaal van verhoor aangever, dossierpagina 137, eerste helft.

15 De letselbeschrijving van forensisch geneeskundige T.M.D. L. Pelzer, verbonden aan GGD Limburg, dossierpagina 139.