Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3608

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2572
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1350, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/2572

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] L, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L.), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 27 juni 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E.R. Slegers-van Heugten.

Het onderzoek in de zaak is geschorst om verweerder de gelegenheid te geven een gebrek in de onderbouwing te herstellen. Op grond van een nader advies heeft verweerder bij gewijzigd besluit van 14 februari 2018 besloten aan eiser een tegemoetkoming in de planschade toe te kennen van € 1.800,= en rente over dat bedrag vanaf 9 juni 2016 te vergoeden, alsmede te beslissen tot terugbetaling van het door eiser betaalde recht.

Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in aanmerking genomen dat eiser nog voldoende belang daarbij heeft nu met het gewijzigde besluit niet geheel aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, is van rechtswege beroep ontstaan tegen het besluit van 14 februari 2018 (bestreden besluit 2).

Eiser heeft nadere gronden aangevoerd tegen het besluit van 14 februari 2018.

Partijen hebben toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten en de rechtbank heeft het onderzoek bij brieven van 30 maart 2018 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, woonachtig aan het [adres] , heeft op 6 juni 2016 verzocht om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van het bestemmingsplan Nieuw Bergen, in werking getreden en onherroepelijk geworden op 23 mei 2013. Eiser heeft de waardevermindering van zijn woning in verband daarmee geschat op € 55.000,- ten gevolge van het wijzigen van de voorheen geldende bouwhoogtes plus € 45.000,- ten gevolge van het vaststellen van verschillende bouwhoogtes.

Aan Tog Nederland Zuid B.V. (Tog) is door verweerder opdracht gegeven een planschadeadvies uit te brengen. Tog heeft op 28 oktober 2016 een conceptadvies aan partijen doen toekomen. Eiser heeft zijn zienswijze op dat concept geleverd. Tog heeft op 30 november 2016 een definitief advies uitgebracht. Tog heeft de gebruiksmogelijkheden en de bouwmogelijkheden van het oude en het nieuwe bestemmingsplan vergeleken en gerapporteerd dat er sprake is van een waardevermindering als gevolg van beperkt nadeliger uitzicht, een beperkte afname van privacy, beperkte afname van (zon)lichttoetreding, een zeer beperkte toename van overlast en een zeer beperkte vermindering van de situeringswaarde van de onroerende zaak. Tog heeft de omvang van de waardevermindering van de onroerende zaak van eiser geschat op € 6.000,=, terwijl het normaal maatschappelijk risico is becijferd op € 6.200,=.

Op basis van dit advies heeft verweerder bij het primaire besluit het verzoek van eiser om een tegemoetkoming in planschade afgewezen op de grond dat er geen sprake is van vergoedbare schade nu de vastgestelde schade valt binnen het normaal maatschappelijk risico.

2. Het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich in navolging van de bezwaarschriftencommissie op het standpunt gesteld dat slechts ruimtelijke gevolgen relevant zijn en dat Tog op goede gronden de door eiser aangevoerde kwalitatieve aspecten als rust, natuur, groen, privacy en ruime kavels buiten beschouwing heeft gelaten. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat Tog in het kader van de planvergelijking is ingegaan op de diverse schadeaspecten en dat het rapport geen onjuistheden bevat of dat de conclusies die door Tog zijn getrokken inhoudelijk niet concludent zouden zijn, terwijl eiser geen tegenadvies van een onafhankelijke deskundige heeft ingebracht. Volgens verweerder is voorts voldaan aan de eis dat de gedachtegang van de beëdigd taxateur duidelijk en voldoende controleerbaar is en dat het verslag van het onderzoek voldoende basis biedt voor besluitvorming.

3. In beroep heeft eiser aangevoerd dat het Bargapark waar hij woont een apart leefgebied is in de gemeente Bergen met ruime kavels, bosgebied, laagbouw (voor het overgrote deel maximaal 5,5 m), veel natuur (flora en fauna), veel rust, semi-verharde wegen en waar de meeste kavels volledige privacy bieden. Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Nieuw Bergen, is de toegestane bouwhoogte met ongeveer 100% verhoogd tot 7,5 m en 10 m, terwijl voorts tot 2,5 m in plaats van voorheen tot 4 m van de perceelsgrens mag worden gebouwd. Volgens eiser is de waarde van zijn woning te laag vastgesteld. Verder is eiser van mening dat nu er wel schade is vastgesteld er ook grond is om het betaalde recht van € 500,- terug te betalen. Eiser heeft betoogd dat in het rapport van Tog de schade die wordt geleden ten aanzien van de verschillende factoren niet met feiten zijn onderbouwd en dat daar geen metingen aan ten grondslag zijn gelegd. Bovendien zijn volgens eiser door de bezwaarschriftencommissie de onderbouwde argumenten van eiser onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Eiser heeft de onwenselijkheid van bouwen tot een hoogte van 10 m in een bosgebied naar voren gebracht en is van mening dat Tog onvoldoende feitelijk heeft aangetoond dat de schade slechts zeer beperkt is. De bezwaarschriftencommissie heeft de conclusie van Tog ondersteund zonder inhoudelijk op de feiten in te gaan, heeft verwezen naar planvergelijkingsaspecten zonder deze te benoemen, heeft een begrip als ruimtelijke relevantie gehanteerd zonder uitleg en heeft opgemerkt dat het rapport is uitgevoerd door een deskundige zonder in te gaan op aspecten die in het economisch verkeer in belangrijke mate de waarde van een onroerend goed mede bepalen. Eiser heeft aangevoerd dat Tog ook andere zakelijke belangen heeft bij verweerders gemeente zodat er een risico van belangenverstrengeling is. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat in de jurisprudentie een vorm tot stand is gekomen om planschade te beoordelen maar dat dit een eenzijdig vastgestelde vorm lijkt die geen recht doet aan objectiviteit bij de vaststelling van schade zoals die in het economisch verkeer wordt geleden. Eiser heeft de rechtbank verzocht de planschade op de juiste economische waarde te beoordelen.

4. Naar aanleiding van de zitting van de rechtbank op 18 januari 2018 heeft verweerder Tog opgedragen te onderzoeken dan wel nader te motiveren op welke wijze de hoogteverschillen in het perceel van eisers woning de onderscheiden schadeaspecten beïnvloeden. Tog heeft op 9 februari 2018 een gewijzigd advies uitgebracht en is daarbij ingegaan op de invloed van het natuurlijke hoogteverschil op het perceel van eiser op de onderscheiden schadeaspecten. De aanpassingen in het advies hebben tot gevolg dat de geconstateerde planschade in enigermate naar boven is bijgesteld naar € 8.000,=.

Bij besluit van 14 februari 2018 heeft verweerder op grond van het bijgestelde advies aan eiser een tegemoetkoming in de planschade toegekend van € 1.800,=, zijnde het meerdere boven de drempel van het normaal maatschappelijk risico van 2% van de waarde van de onroerende zaak van eiser, alsmede rente over dat bedrag en vergoeding van het betaalde recht.

5. Het gewijzigde besluit van 14 februari 2018 geeft de rechtbank aanleiding om vast te stellen dat verweerder zijn besluit op bezwaar van 27 juni 2017 niet handhaaft en dat dit besluit als ingetrokken dient te worden beschouwd. Het daartegen gerichte beroep komt dan ook voor niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking wegens verval van procesbelang. De rechtbank zal echter verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 1 is verder van rechtswege gericht tegen het bestreden besluit 2.

6. Eiser heeft naar aanleiding van het gewijzigde besluit aanvullend aangevoerd dat het hoger gelegen deel van het perceel ruim 400 m² bedraagt en dat het effect daarvan door Tog is onderschat. Eiser heeft voor de onderbouwing van de consequenties van het nieuwe regime verwezen naar zijn bezwaarschrift waar hij voor de door Tog opgevoerde schadeaspecten de mate van verslechtering heeft becijferd en zijn stelling onderbouwd dat Tog de geleden planschade heeft onderschat. Eiser heeft andermaal benadrukt dat de planschade ook wordt geleden als gevolg van het feit dat op grond van het nieuwe regime gebouwd mag worden tot 2,5 m van de perceelsgrens waar dit voorheen 4 m was en dat deze door eiser aan de aanvraag ten grondslag gelegde grond door Tog in het rapport niet is verwoord. Verder voert eiser aan dat niet is te volgen hoe Tog tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een zeer geringe verruiming van de gebruiksmogelijkheden, terwijl daarbij niet ook in aanmerking is genomen dat er tot op 2,5 m van de perceelsgrens mag worden gebouwd. Met betrekking tot het aspect privacy heeft eiser betoogd dat omwonenden in de voorheen geldende situatie geen zicht hadden op privacygevoelige plaatsen op het betreffende perceel, zoals de achtertuin en het zwembad, terwijl met de nieuwe bouwmogelijkheden in het oosten, zuid-oosten en zuiden in meerdere bouwlagen en tot 2,5 m van de perceelsgrens een onverbloemd uitzicht wordt geboden op het hele perceel inclusief privacy gevoelige plaatsen, zoals de achtertuin met terrassen en het zwembad. Volgens eiser heeft Tog ten onrechte met betrekking tot zonlichttoetreding onvoldoende gemotiveerd het standpunt gehandhaafd dat er sprake is van een beperkte afname. Ten aanzien van verkeersintensiteit heeft eiser nogmaals betoogd dat in zijn visie sprake is van een substantiële toename onder het nieuwe regime door uitbreiding van woonoppervlak waardoor de samenstelling van bewoners sterk zal veranderen, terwijl bovendien de mogelijkheid van aan huis gebonden beroepen zal zorgen voor een uitbreiding van het verkeer, naast het gebruik van openbare plaatsen voor evenementen, jongerenontmoetingsplaatsen en terrassen. Een hogere verkeersintensiteit brengt volgens eiser ook meer overlast mee.

7. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

8. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

9. Volgens vaste rechtspraak mag verweerder zijn besluiten baseren op het advies van een deskundig adviseur, mits dit advies voldoet aan bepaalde vereisten.

De rechtbank stelt vast dat Tog is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Verweerder heeft in het verweerschrift verklaard dat Tog niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van het bestemmingsplan Nieuw Bergen, zodat er geen aanleiding bestaat om te concluderen dat Tog voor de advisering over planschade als gevolg van dit bestemmingsplan niet voldoende objectief zou zijn. Ter zitting heeft verweerders vertegenwoordiger aanvullend verklaard dat verweerders gemeente geen vaste relatie heeft met Tog, dat Tog geen belang heeft bij de uitkomst, dat verweerders gemeente Tog niet ook inschakelt voor WOZ-taxaties en dat er ook andere deskundige bureaus worden gecontacteerd voor planschadeboordelingen. Verweerders gemeente is tevreden over de dienstverlening van Tog en heeft de ervaring dat Tog onafhankelijk en objectief werkt, hetgeen blijkt uit zowel toe- als afwijzingen en uit het feit dat er ook wel forse bedragen worden toegekend.

De enkele stelling van eiser dat Tog ook (andere) zakelijke belangen heeft zodat er een risico van belangenverstrengeling bestaat, slaagt niet.

10. Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398). Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat het advies van Tog onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. Daarbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5953), inzichten van een deskundige in een geval als dit mede zijn gebaseerd op diens kennis, ervaring en intuïtie, zodat een nadere toelichting op die inzichten niet in alle gevallen en niet op alle details kan worden verlangd. Wel dient de gedachtegang duidelijk en voldoende controleerbaar te zijn en dient het verslag van het onderzoek voldoende basis te bieden voor verdere besluitvorming.

11. De maatstaf bij de te verrichten toetsing door de rechtbank is niet de eigen waardering door de rechter van de nadelen van de planologische wijziging, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het bestuursorgaan, gelet op de motivering van het advies van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige, zich bij de besluitvorming in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Dit laat onverlet dat de besluitvorming dient te voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan dient te toetsen (uitspraak van 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3052).

12. Op de aanvrager rust in beginsel de bewijslast, indien hij een op een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige gebaseerd oordeel van het bestuursorgaan omtrent het bestaan van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (uitspraak van 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8773), omtrent de omvang van deze schade, of omtrent het oorzakelijk verband tussen de gestelde schadeveroorzakende planologische wijziging en de gestelde schade (uitspraak van 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1621), bestrijdt.

13. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de door Tog gemaakte vergelijking van het oude en het nieuwe bestemmingsplan en de vaststelling dat eiser door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren ten aanzien van de schadefactoren uitzicht, privacy, zonlichttoetreding, verkeersintensiteit, overlast en situeringswaarde. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat Tog alle relevante schadefactoren bij zijn beoordeling heeft betrokken. Eiser is echter van mening dat Tog bij de planvergelijking deze schadefactoren heeft ondergewaardeerd en daarmee de nadeliger positie waarin eiser is komen te verkeren heeft onderschat. Daartoe heeft eiser geen deskundig tegenrapport overgelegd maar gedetailleerd gemotiveerd en berekend dat de mate waarin Tog een verslechtering voor de onderscheiden factoren in aanmerking heeft genomen groter moet zijn.

14. Uit de vergelijking van het oude en het nieuwe bestemmingsplan volgt dat er sprake was en is van een groene wijk met ruime kavels en vrijstaande woningen. De wijziging die het nieuwe bestemmingsplan meebrengt bestaat uit een wijziging van de bouwhoogte van hoofdgebouwen (deels hoger maar ook voor een gedeelte lager), de onderlinge variatie in bouwhoogtes, de mogelijkheid om tot 2,5 m in plaats van voorheen tot 4 m van de perceelsgrens te bouwen, een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van woningen voor beroepen aan huis en van de openbare ruimte. Verder is er sprake van een groter maximaal gezamenlijk oppervlak aan bijbehorende bouwwerken, afhankelijk van de grootte van het perceel, en van enige verruiming van de bouwmogelijkheden op de voor wegen bestemde gronden.

15. Eiser is van mening dat de impact van de planologische wijziging op de gebruiksmogelijkheden groter is dan waar Tog vanuit is gegaan. Eiser heeft aangevoerd dat de bestemming wonen onder het nieuwe bestemmingsplan een ruimere invulling kent dan onder het oude plan doordat er grotere woningen kunnen worden gebouwd die ook door gezinnen met kinderen kunnen worden bewoond, terwijl de huidige bewoners veelal ouderen zijn, althans in elk geval bewoners die hebben gekozen voor die locatie vanwege de rust, de privacy en de natuur. Bovendien is eiser van mening dat Tog daarbij ten onrechte niet heeft betrokken dat onder het nieuwe regime tot op 2,5 m van de perceelsgrens mag worden gebouwd.

De rechtbank stelt vast dat er planologisch geen sprake is van een wijziging van de bestemming. De wijze waarop daaraan, binnen de planologische kaders, invulling wordt gegeven is een feitelijk gegeven, waarvan in de planschadejurisprudentie nu juist dient te worden geabstraheerd. De gebruikswijziging zit, zoals Tog ook in aanmerking heeft genomen, in de geclausuleerde uitbreiding van de bestemming wonen met beroepen aan huis en in de gebruiksmogelijkheden van wegen met de bestemming verkeer, die op grond van het nieuwe regime ook mogen worden aangewend voor evenementen, terrassen en jongerenontmoetingsplaatsen. Het bouwen tot 2,5 m van de perceelsgrens is niet relevant bij de vergelijking van de gebruiksmogelijkheden; dat heeft geen invloed op het planologisch gebruik. De conclusie die Tog heeft getrokken, inhoudende dat er per saldo sprake is van een zeer geringe verruiming van de gebruiksmogelijkheden, is inzichtelijk gemaakt en concludent. Hetgeen eiser daartegen in heeft gebracht slaagt niet.

16. Tog heeft in zijn rapport de bouwmogelijkheden geïnventariseerd en geconcludeerd dat het nieuwe regime tot een verruiming van de bouwmogelijkheden leidt in verband met de hogere maximale goot- en bouwhoogte, en tot een verruiming van de bouwmogelijkheden voor bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede ten aanzien van de gronden met de bestemming wegen tot enige verruiming van de bouwmogelijkheden.

De rechtbank stelt met eiser vast dat in deze beschrijving niet is opgenomen dat de bouwmogelijkheden ook zijn verruimd doordat onder het nieuwe regime mag worden gebouwd tot 2,5 m van de perceelsgrens waar dit voorheen tot 4 m was. Bij de relevante schadefactoren heeft Tog echter die verruiming wel in ogenschouw genomen, zodat het verzuim van het niet vermelden in de beschrijving van de verruiming van de bouwmogelijkheden niet tot gegrondheid van het beroep leidt. Eisers gronden slagen niet.

17. Met betrekking tot de schadefactoren die door Tog in aanmerking zijn genomen overweegt de rechtbank als volgt. Het is juist de deskundigheid van een planschadeadviseur om een waardering te maken van de aspecten die al dan niet leiden tot een planologisch nadeel. De enkele stelling daartegenover dat die waardering niet juist is, leidt, in het kader van de toetsing van planschadezaken, niet tot de conclusie dat het bestuursorgaan dat advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Een redelijk denkend koper slaat inderdaad acht op rust, ruimte, privacy, ligging, omgeving, en dat zijn dan ook de door Tog in aanmerking genomen schadeaspecten uitzicht, privacy, (zon)lichttoetreding, verkeersintensiteit, overlast en situeringswaarde, als zijnde de te objectiveren aspecten die een relatie hebben met de planologische verandering. Subjectieve beleving van deze aspecten spelen geen rol bij de waardering. De waardering dient plaats te vinden aan de hand van de maximale invulling van het oude en het nieuwe planologisch regime en niet aan de hand van de werkelijkheid. Hier wijkt de beoordeling af van de prijsontwikkeling en de waardering van een onroerende zaak op de vrije markt. Bovendien merkt de rechtbank op dat het niet om absolute cijfers en berekeningen gaat, maar om relatieve ontwikkelingen ten opzichte van het perceel van eiser die door de deskundige in het grote geheel zijn beoordeeld.

18. Tog heeft de schadeaspecten uitzicht en privacy gewaardeerd als beperkt nadeliger en heeft daarbij de verruimde bouwmogelijkheden, het natuurlijke hoogteverschil en de verruiming voor het bouwen tot op 2,5 m tot de perceelsgrens betrokken; echter niet in een omvang en van een impact zoals door eiser beleefd. Niet is gebleken dat Tog tot deze waardering is gekomen op grond van onjuiste feiten. De andere waardering van deze aspecten die eiser daartegenover heeft gesteld, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verweerder het advies van Tog niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiser heeft zich overigens vooral gebaseerd op de subjectieve beleving van de voorheen aanwezige situatie.

Met betrekking tot zonlichttoetreding is Tog tot de waardering van een beperkt nadeliger positie gekomen vanwege de verruimde bouwmogelijkheden, inclusief het dichter op de perceelsgrens bouwen. Eiser heeft gewezen op de schaduwwerking voor het zwembad. Dat is echter geen planologisch relevant argument omdat het zwembad een feitelijk inrichtingselement is zonder dat dit planologisch verankerd is. Voor zover eiser bezonningspercentages (van één maand) heeft genoemd is daarmee nog niet aannemelijk gemaakt, laat staan door een deskundige onderbouwd, dat de waardering van Tog op een beperkt nadeliger positie niet op goede gronden berust.

Tog heeft geconcludeerd dat eiser ten aanzien van verkeersintensiteit niet in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de gebruiksmogelijkheden, voor zover planologisch relevant en zoals hiervoor beschreven, in zeer geringe mate zijn verruimd. Hetgeen eiser daartegenover heeft gesteld is met betrekking tot de verruimde gebruiksmogelijkheden hiervoor al weerlegd. Overigens heeft eiser met zijn subjectieve beleving van de zeer beperkt verruimde gebruiksmogelijkheden niet overtuigd dat Tog op onjuiste gronden tot zijn waardering is gekomen.

Bij het schadeaspect overlast heeft Tog vastgesteld dat sprake is van een zeer beperkt nadeliger positie op grond van de wijziging in de gebruiksmogelijkheden van de gronden met de bestemming wegen, alsmede de verruimde bouwmogelijkheden op die gronden en omdat tot op 2,5 m van de perceelsgrens gebouwd mag gaan worden. Voor zover eiser ook ten aanzien van dit schadeaspect heeft gewezen op intensiever gebruik binnen de bestemming wonen, slaagt die grond niet. De door eiser gelegde relatie tussen verkeersintensiteit en overlast, is door Tog ook verdisconteerd.

De planologische wijziging leidt volgens Tog voor eiser met betrekking tot de situeringswaarde van zijn onroerende zaak tot een zeer beperkt nadeliger positie. Daarbij heeft Tog in aanmerking genomen dat in de directe nabijheid van het perceel van eiser de bouwhoogte deels is toegenomen en dat de bouwhoogtes meer variatie kennen. Omdat de omgeving van de onroerende zaak van eiser zich volgens Tog na de planologische wijziging nog altijd laat omschrijven als een ruim opgezette woonwijk waar overwegend woningen gesitueerd zijn, is er ten aanzien van de schadefactor situeringswaarde geen sprake van een aanzienlijke wijziging ten nadele van eiser, aldus Tog. De andere, subjectieve, beleving daarvan door eiser leidt niet tot de conclusie dat Tog van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat de door verweerder ingeschakelde deskundige bij de advisering omtrent de omvang van de schade van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan of dat het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde advies anderszins niet inzichtelijk of inhoudelijk concludent is. De gronden van eiser slagen niet.

19. De genoemde schadefactoren zijn door een deskundig taxateur, met inachtneming van de planologische ontwikkeling en de eveneens beschreven (theoretische) voordelen van het nieuwe bestemmingsplan, geschat op een waardeverlies van € 8.000,=.

Bij de bepaling van de waardevermindering is maatgevend welke prijs een redelijk denkend en handelend koper voor de onroerend zaak zou hebben geboden onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het nieuwe planologische regime en op het tijdstip direct daarna, uitgaande van hetgeen maximaal op grond van het oude en het nieuwe planologische regime kon worden gerealiseerd (uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1439). Dat betekent niet dat de marktwaarde of de subjectieve waardering van een onroerende zaak maatgevend is voor de planschade, maar het verschil in prijs dat een redelijk denkend koper betaald zou hebben met inachtneming van de theoretische maximale uitwerking van het oude en het nieuwe bestemmingsplan. Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat de waarde van zijn onroerende zaak te laag is vastgesteld en dat zijn schade een bedrag van € 100.000,= beloopt, maar daarmee niet aangetoond dat de door de deskundig taxateur gemaakte inschatting van het waardeverlies op een onvoldoende grondslag berust.

20. Schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico moet redelijkerwijs ten laste blijven van de verzoeker om een tegemoetkoming. Daartoe is in artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening een drempel van 2% neergelegd als minimum-forfait, dat geldt voor alle gevallen waarin is verzocht om vergoeding van indirecte planschade in de vorm van waardevermindering, ongeacht de vraag of de schadeveroorzakende planologische maatregel als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (ECLI:NL:RVS:2015:2071). Hiertegen heeft eiser geen gronden aangevoerd.

21. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, gelet op de motivering van het advies van Tog, in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Daarom dient het beroep van eiser tegen het besluit van 14 februari 2018 ongegrond te worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juni 2017 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 14 februari 2018 ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,= aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 april 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.