Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3599

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3177
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Sluiting woning 13B Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3177

beslissing van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[Naam 1] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.W. Kok),

en

de burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd die ertoe strekt dat hij met ingang van 11 juli 2017 om 09.00 uur de woning aan [adres ] te [woonplaats] dient te sluiten en voor de duur van negen maanden gesloten dient te houden.

Bij besluit van 11 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Uit het door de politie, Eenheid Limburg, op 2 juni 2017 opgemaakte rapport blijkt dat de politie op 2 mei 2017 in de woning aan [adres ] te [woonplaats] (de woning) een onderzoek heeft ingesteld, waarbij een in werking zijnde professionele hennepkwekerij werd aangetroffen met 179 hennepplanten. Op het [adres ] te [woonplaats] staan eiser en zijn broer, [naam 2] , ingeschreven.

2. Op 6 juni 2017 heeft verweerder zijn voornemen tot sluiting van de woning aan eiser kenbaar te maken. Eiser heeft op 15 juni 2017 gebruik gemaakt van de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te maken. Hij heeft toen aangegeven een hennepkwekerij te hebben opgezet wegens financiële problemen.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de sluiting van de woning bevolen met ingang van 11 juli 2017 om 09.00 uur. De woning is feitelijk per die datum gesloten. Aan dat besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in de woning verdovende middelen als bedoeld in artikel 3 (softdrugs) van de Opiumwet aanwezig waren met het oogmerk deze te verkopen, af te leveren en/of te verstrekken.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder is op

11 juli 2017 overgegaan tot sluiting van de woning.

5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. In de gronden van beroep heeft hij - kort gezegd - aangevoerd dat nu het strafrechtelijk onderzoek niet is afgerond, verweerder het onder 1. genoemde rapport niet aan de oplegging van de last onder bestuursdwang ten grondslag had kunnen leggen. Daarnaast is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom is overgegaan tot het opleggen van de last onder bestuursdwang. Eiser acht het voorts discriminerend dat zijn woning langer wordt gesloten dan de woning van iemand die daar in gezinsverband woonachtig is. De belangenafweging die in het bestreden besluit is gemaakt, is - zo stelt eiser - evenmin voldoende gemotiveerd. Tevens is het sluiten van de woning voor de duur van negen maanden disproportioneel. Verweerder had namelijk kunnen volstaan met het geven van een waarschuwing. Tot slot stelt eiser dat het sluiten van de woning in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Op grond van het bepaalde in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Op lijst II is onder meer hennep opgenomen.

8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) brengt de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand kan worden ontleend. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering en verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van

11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2365).

9. Voor de uitvoering van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder “Beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast, -handel en -productie” (de beleidsregels) vastgesteld.

In onderdeel 1 onder het kopje “Handhaving” is opgenomen dat in de gemeente Venlo regelmatig wordt geconstateerd dat vanuit illegale verkooppunten verdovende middelen worden verhandeld. Om deze ontwikkeling een halt toe te roepen is in april 2009 het “one strike you’re out” principe ingevoerd, gekoppeld aan een langere sluitingsduur. Illegale verkooppunten krijgen onder dit systeem bij constatering van een overtreding slechts in beperkte gevallen eerst een waarschuwing. In alle overige, als dringend te kwalificeren gevallen volgt direct een sluitingsmaatregel op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Als dringend geval is in elk geval - maar niet uitsluitend - te beschouwen de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel het daartoe aanwezig zijn van harddrugs en/of grote hoeveelheden softdrugs, waaronder ook de op verkoop c.q. handel gerichte, bedrijfsmatige hennepteelt in woningen, lokalen en/of bijbehorende erven wordt begrepen.

Bij de toepassing van het beleid wordt voor de uitleg van de begrippen “grote hoeveelheid softdrugs” en/of “bedrijfsmatige hennepteelt” aansluiting gezocht bij het daartoe gestelde in de “Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie”.

Volgens deze aanwijzing is sprake van beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt is sprake in de volgende gevallen:

  • -

    bij een aangetroffen hoeveelheid van 6 (delen van) planten of meer;

  • -

    ongeacht de hoeveelheid planten, indien er sprake is van het telen van hennep om geldelijk gewin te verkrijgen;

  • -

    ongeacht de hoeveelheid planten, indien de mate van professionaliteit van de kwekerij deze kwalificatie rechtvaardigt. Dit wordt onder meer afgemeten aan het soort perceel, de belichting, de verwarming en de bevloeiing.

Indien sprake is van bedrijfsmatige hennepteelt vindt sluiting van de woning voor de duur van één jaar plaats.

In onderdeel 5 heeft verweerder de bevoegdheid om in geval van bijzondere omstandigheden gemotiveerd af te wijken van het voorliggende beleid.

10. Wat betreft eisers betoog dat verweerder het rapport van 2 juni 2017 niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen, omdat het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond, overweegt de rechtbank als volgt.

Het is vaste jurisprudentie dat verweerder kan en mag uitgaan van de juistheid van de politiestukken, tenzij eiser aantoont dan wel aannemelijk maakt dat daarvan niet langer kan worden uitgegaan (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566 en van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3383). Dit geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Ander tegenbewijs dan de enkele ontkenning van het gerelateerde in het rapport is er niet. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van het rapport heeft mogen uitgaan. Daarbij heeft verweerder nog kunnen betrekken dat eiser zelf heeft verklaard dat hij een hennepkwekerij in zijn woning had, omdat hij financiële problemen had. Verweerder heeft het hiervoor genoemde rapport dus aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.

11. De rechtbank stelt vast dat de aangetroffen hoeveelheid planten het in de beleidsregels genoemde maximum van vijf planten ruimschoots overschrijdt. Gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling is daarmee aannemelijk dat deze drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering en/of verstrekking en lag het op de weg van eiser om het tegendeel aannemelijk te maken. Eiser is hierin niet geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder dan ook, gelet op de hoeveelheid aangetroffen planten, bevoegd om tot toepassing van bestuursdwang over te gaan.

12. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om over te gaan tot sluiting van de woning voor negen maanden.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn belangenafweging doorslaggevende betekenis heeft mogen toekennen aan de omvang van de hoeveelheid softdrugs die zijn aangetroffen, meer in het bijzonder het feit dat het hier om een professionele hennepkwekerij ging. De aangetroffen hoeveelheid hennep was in ieder geval niet bestemd voor eigen gebruik. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sluiting van de woning voor de duur van negen maanden noodzakelijk is in het belang van de openbare orde en het herstel van de gewenste situatie van het woon- en leefklimaat. Wat betreft eisers betoog dat zijn woning niet als drugspand bekend staat en dat geen sprake is geweest van drugsoverlast of van een verstoring van de openbare orde, heeft verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2562) kunnen concluderen dat het voor de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk is dat hij aannemelijk maakt dat sprake is van een drugspand, drugsoverlast of risico’s voor de omgeving. Verweerder heeft, gelet hierop van de bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik kunnen maken, ook al was mogelijk geen sprake van concrete overlast door de aanwezigheid van drugs in de woning.

Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraken van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:950) en van 10 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:55) overwogen dat verweerder, mede gelet op de bijzondere positie die Venlo als grensgemeente met Duitsland inneemt (met al zijn negatieve gevolgen van drugstoerisme) bij de uitvoering van de Opiumwet in redelijkheid het beleid kan voeren dat hij een woning in beginsel sluit wanneer meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs in de woning wordt aangetroffen. Verweerder kon derhalve overgaan tot sluiting van de woning voor de duur van negen maanden zonder voorafgaande waarschuwing.

14. Met betrekking tot het betoog van eiser dat verweerder artikel 8 van het EVRM heeft overtreden als gevolg van de woningsluiting en gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiser, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser geen sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op het door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op bescherming van privéleven, het familie- en gezinsleven en de woning. In het tweede lid van artikel 8 van het EVRM is bepaald dat de rechten voortvloeiende uit het eerste lid van dat artikel kunnen worden beperkt, indien de beperking een legitiem doel dient en voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verweerder heeft in zijn beleid vastgesteld dat de gemeente Venlo als grensgemeente te kampen heeft met een forse drugsproblematiek. Daarom wordt door verweerder een zeer strikt beleid gehanteerd ten aanzien van verdovende middelen in woningen en lokalen. Verweerder heeft met de verwijzing naar het beleid voldoende gemotiveerd dat het (geschonden) algemeen belang is gediend met sluiting van de woning. Er is dan ook sprake van een legitiem doel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in het kader van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM en met de persoonlijke situatie van eiser voldoende rekening heeft gehouden door de sluitingsduur - in afwijking van het beleid - te verkorten tot negen maanden. Eisers enkele niet onderbouwde stelling dat het discriminerend is dat zijn woning langer wordt gesloten dan de woning van iemand die daar in gezinsverband woonachtig is, slaagt niet. Bij de belangenafweging heeft verweerder zich immers rekenschap gegeven van de belangen van eiser en het feit dat hij de enige is die de woning bewoont.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van eiser en zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de persoonlijke situatie van eiser niet hoefde te leiden tot een verdere afwijking van het beleid.

15. Verder is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd verweerder ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht niet had moeten dwingen tot een verdere afwijking van het door hem gevoerde beleid. Verweerder heeft immers reeds rekening gehouden met het feit dat eiser voor een periode van negen maanden dakloos wordt. Verder heeft verweerder aangegeven dat het moeten verlaten van de woning een logisch gevolg is van de woningsluiting en eiser zijn stellingen niet heeft onderbouwd. Er is immers aan de hand van objectieve gegevens niet gebleken dat hij financieel of anderszins niet in staat is tijdelijk vervangende woonruimte te krijgen. Ook in beroep heeft eiser geen documenten overgelegd, waaruit kan worden geconcludeerd dat de motivering van verweerder op dit punt geen stand houdt.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 april 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.