Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3555

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1364
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einde ziektewet. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1364

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.A.E. Bol),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: mr. K. van der Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij vanaf 11 november 2016 volgens de Ziektewet (ZW) weer geschikt wordt geacht tot het verrichten van arbeid en geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.

Bij besluit van 31 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser werkte sinds september 2015 voor 40 uur per week als timmerman bij [werkgever] via [uitzendbureau] te Brunssum. Op 12 oktober 2015 heeft eiser zich ziek gemeld vanwege psychische klachten en locomotore klachten en beperkingen. Bij besluit van 11 januari 2016 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij vanaf die datum in aanmerking komt voor een

ZW-uitkering.

2. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 11 november 2016 volgens de ZW weer arbeidsgeschikt wordt geacht. Verweerder heeft aan dit besluit de rapportage van J.J.M. Quaedvlieg, verzekeringsarts, van 16 september 2016 en de rapportage van A.P.J. de Bruijni, arbeidsdeskundige, van 4 oktober 2016 ten grondslag gelegd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder de rapportage van A.D.C. Huijsmans, verzekeringsarts bezwaar en beroep, van 16 maart 2017 en de rapportage van W.W.M. Strijbos, arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, van 30 maart 2017 ten grondslag gelegd.

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn rug- en psychische klachten. Eiser is door voornoemde klachten minder belastbaar dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser medische informatie van zijn behandelend revalidatiearts van

21 augustus 2017 overgelegd. Verder heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu hij ten onrechte niet nader (lichamelijk) is onderzocht door de (bezwaar)verzekeringsarts.

5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke bepalingen relevant.

6. In artikel 19, eerste lid, van de ZW is bepaald dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Artikel 19, vijfde lid, van de ZW bepaalt, voor zover van belang, dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 van de ZW onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

In artikel 19aa, eerste lid, van de ZW is bepaald, voor zover van belang, dat in afwijking

van artikel 19 van de ZW de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld

in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde, indien de verzekerde:

a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 van de ZW; en

b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

7. In dit geding dient aan de hand van de beroepsgronden de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij deze beoordeling neemt de rechtbank als uitgangspunt dat het primair aan verweerder is de medische feiten in het geding te brengen, die de correctheid van het bestreden besluit onderbouwen. Als verweerder hierin is geslaagd, is het aan eiser om met medische (en/of andere) gegevens twijfel te wekken over de correctheid van die medische grondslag. Daarbij kan de rechtbank geen gewicht hechten aan hoe eiser zelf zijn klachten ervaart.

Voorts geldt als uitgangspunt dat verweerder in beginsel mag afgaan op de juistheid van

de bevindingen van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts (bezwaar en beroep) en arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep). Dit is anders wanneer het onderzoek van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) en de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep)

niet zorgvuldig of niet volledig is geweest dan wel anderszins gebreken vertoont.

8. Uit de gedingstukken blijkt dat de verzekeringsarts de dossiergegevens van eiser heeft bestudeerd en eiser heeft gezien en psychisch en lichamelijk heeft onderzocht op zijn spreekuur. De verzekeringsarts heeft kennis genomen van het feit dat eiser zich ziek heeft gemeld vanwege psychische klachten, die samenhingen met privéproblematiek, en rugklachten. Vervolgens heeft de verzekeringsarts zijn bevindingen vastgelegd in zijn rapportage van 16 september 2016. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er sprake

is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek, waardoor eiser aangewezen is op werkzaamheden conform de FML van 16 september 2016. In deze FML zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van persoonlijk functioneren (rubriek 1.9.8), aanpassing aan fysieke omgevingseisen (rubriek 3.5.1 en 3.8.1), dynamische handelingen (rubriek 4.11.2, 4.12, 4.13.1, 4.14.1, 4.15.1, 4.16.1 en 4.21.1) en statische houdingen (rubriek 5.1.1, 5.2.1, 5.3.2, 5.4.2, 5.5.1, 5.6.1, 5.7.1 en 5.9.1).

9. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 4 oktober 2016 blijkt dat de arbeidsdeskundige dossierstudie heeft verricht, op 27 september 2016 het Claim Beoordeling en Borging Systeem (CBBS) heeft geraadpleegd, op 3 oktober 2016 overleg heeft gehad

met de verzekeringsarts en op eveneens 3 oktober 2016 eiser heeft gesproken.

De arbeidsdeskundige is van oordeel dat eiser niet langer geschikt is voor de maatgevende arbeid. Vervolgens heeft hij een aantal functies geduid die eiser rekening houdend met zijn belastbaarheid volgens de FML wel in staat moet zijn te vervullen, te weten telefonisch medewerker planning (servicekantoor gasstoring en onderhoud), administratief medewerker (medewerker documentatie informatie) en administratief ondersteunend medewerker. Aanvullend heeft hij nog de functies routechauffeur (tandtechnisch laboratorium/bezorger apotheekproducten) en parkeercontroleur (parkeergarage) geduid. Eiser kan hiermee per

10 oktober 2016 meer dan 65%, namelijk 70,95% van het maatmanloon verdienen.

10. Voorts blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat

hij dossierstudie heeft verricht en kennis heeft genomen van hetgeen de gemachtigde van eiser tijdens de telefonische hoorzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari 2017, naar voren heeft gebracht. Hij heeft verder kennis genomen van de medische informatie van de behandelend revalidatiearts van eiser van 22 maart 2016. Hierin staat onder meer vermeld dat eiser sinds 20 jaar rugklachten heeft en sinds oktober 2015 ook klachten heeft aan zijn benen. Er is sprake van milde discopathie en milde degeneratieve afwijkingen waarvoor de behandelend revalidatiearts oefentherapie adviseert. In zijn rapportage van 16 maart 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens gemotiveerd het standpunt ingenomen dat hij op basis van de beschikbare gegevens geen aanleiding ziet om de door

de primaire verzekeringsarts beschreven belastbaarheid te wijzigen. Dat eiser ondanks uitgebreide oefentherapie nog steeds veelvuldig pijnklachten ervaart, kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vanuit de objectiveerbare medische pathologie onvoldoende worden verklaard. Hij merkt op dat pijnklachten ook subjectief zijn.

Volgens hem heeft de primaire verzekeringsarts desondanks in de FML voldoende uitgebreide beperkingen aangenomen voor statische en dynamische belasting van de rug, voor zwaar tillen en ook voor het hanteren van lichte lasten.

Ook heeft hij enige beperkingen ten aanzien van persoonlijk functioneren aangegeven, echter op basis van privéproblematiek en aanpassingsproblematiek is er feitelijk geen enkele medische indicatie om beperkingen op psychisch functioneren aan te nemen.

11. Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht.

Daarnaast heeft hij op 29 maart 2017 het CBBS geraadpleegd. Hij heeft vervolgens in zijn rapportage van 30 maart 2017 gemotiveerd geconcludeerd dat hij geen aanleiding ziet om af te wijken van de beoordeling van de primaire arbeidsdeskundige en de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen.

12. Naar aanleiding van de gronden van beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de rapportage van 8 december 2017 opgesteld. Hij heeft zich hierin gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij in de beroepsgronden van eiser en de in de beroepsfase door hem overgelegde medische informatie geen aanleiding heeft gezien om het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van eisers belastbaarheid per datum in geding te wijzigen.

13. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken, niet gezegd kan worden dat de rapportages van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) en de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) op onzorgvuldige wijze en zonder meewegen

van de overgelegde medische informatie van de behandelaars van eiser zijn vastgesteld.

De rechtbank merkt hierbij op dat een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) niet verplicht

is de betrokkene lichamelijk te onderzoeken. Eiser is weliswaar niet lichamelijk onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maar wel door de primaire verzekeringsarts.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich door de beschikbare gegevens, het gesprek met eisers gemachtigde en de ontvangen medische informatie van de behandelende revalidatiearts van eiser kennelijk voldoende voorgelicht geacht om de belastbaarheid

van eiser te kunnen beoordelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover in twijfel te trekken. Eiser heeft niet concreet aan de hand van objectief medische stukken onderbouwd dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) bij het vaststellen van de belastbaarheid van eiser onvoldoende rekening heeft gehouden met de rug- en psychische klachten van eiser.

14. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 11 november 2016 geen recht meer heeft op ZW-uitkering.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

17 april 2018. De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 april 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.