Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3540

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
C/03/247523 / HA RK 18-60
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking – gebruikelijke werkwijze – volstrekt onvoldoende voor objectiveerbare schijn van partijdigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/247523 / HA RK 18-60

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in het verzoek van

[verzoeker] ,

wonend te [woonplaats] ,

advocaat mr. R.C.C.M. Nadaud te Vaals,

hierna: verzoeker,

strekkende tot wraking van mr. C.G.A. Wouters, rechter in deze rechtbank, hierna: de rechter.

1 De procedure

Op 13 maart 2018 is tijdens de behandeling van de zaak met nummer C/03/238874 / FA RK 17-3002, houdende een verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdrage, door de advocaat van verzoeker een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.

Op 19 maart 2018 heeft de rechter de wrakingskamer meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking wenst te berusten en dat zij ter zitting van de wrakingskamer gehoord wenst te worden. Tevens heeft zij een schriftelijke reactie ingediend.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 29 maart 2018. Verzoeker is niet verschenen, namens hem is wel zijn advocaat verschenen. De rechter is eveneens verschenen.

De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2 Het standpunt van verzoeker

Namens verzoeker wordt gesteld dat hij noch zijn advocaat het verhoor van de minderjarige zoon van verzoeker, hierna: [minderjarige] , heeft bijgewoond en dus niet weet wat daarin precies is gezegd. De inhoud echter van dit verhoor en hetgeen daar door de zoon van verzoeker is gezegd heeft invloed of zou van invloed kunnen zijn op de oordeelsvorming van de rechter in de te behandelen zaak.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft in haar reactie kenbaar gemaakt dat verzoeker twee verzoeken tot wijziging alimentatie heeft ingediend, in beide verzoeken werd hij bijgestaan door mr. Nadaud. Het eerste verzoek (zaaknummer C/03/238601) betrof de wijziging van de kinderalimentatie tijdens de minderjarigheid van [minderjarige] , het tweede verzoek de wijziging van de alimentatie na de meerderjarigheid van [minderjarige] (vanaf 28 november 2016). De moeder van [minderjarige] werd in de eerste procedure bijgestaan door mr. G.M.B.R. Nielissen.

Naar aanleiding van de opmerking van mr. Nielissen dat [minderjarige] bij de behandeling van het eerste verzoek niet gehoord was maar wel gehoord wenste te worden, is nagegaan of dit alsnog op grond van het bepaalde in artikel 6.1 van Procesreglement Alimentatie nodig was – wat het geval bleek omdat hij nog geen oproeping van de rechtbank daartoe had ontvangen – en is hij met instemming van mr. Nadaud gehoord. Dit horen ter zitting heeft, zoals gebruikelijk, buiten aanwezigheid van partijen plaatsgevonden en na afloop ervan is door de rechter aan partijen en hun raadslieden conform artikel 6.3 van het Procesreglement Alimentatie de inhoud van het verhoor kort en zakelijk meegedeeld en zijn zij in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, wat mr. Nadaud ook heeft gedaan.

De stelling van mr. Nadaud dat hij niet weet wat er tijdens dit verhoor is gezegd dan ook niet juist is, aldus de rechter.

Zij stelt voorts dat de nihilstelling waar het in onderhavige procedure over gaat een hele andere periode betreft dan die aan de orde was in de voornoemde eerste procedure waarin [minderjarige] als minderjarige is gehoord. Omdat het minderjarigenverhoor in die andere zaak geen onderdeel uitmaakt van het dossier in onderhavige tweede procedure kan het niet in de oordeelsvorming worden betrokken.

4 De beoordeling

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

De wrakingskamer stelt voorop dat de advocaat van verzoeker ter zitting van de wrakingskamer expliciet heeft aangegeven dat het subjectieve criterium in dit geval niet aan de orde is, zodat de wrakingskamer zich zal beperken tot de vraag of aan het objectieve criterium is voldaan.

Vast staat dat het minderjarigenverhoor heeft plaatsgevonden in de eerste procedure tot wijziging van de onderhoudsbijdrage en dat dit verhoor heeft plaatsgevonden met instemming van mr. Nadaud, de advocaat van verzoeker. Verzoeker en zijn advocaat zijn daarbij – zoals gebruikelijk – niet aanwezig geweest, wel is er is na afloop ter zitting, conform de gebruikelijke werkwijze, door de rechter mondeling verslag gedaan van dit minderjarigenverhoor en zijn partijen in de gelegenheid geweest hierop te reageren.

De wrakingskamer overweegt dat het enkele feit dat verzoeker en zijn advocaat niet aanwezig zijn geweest bij dit minderjarigenverhoor en daarom niet letterlijk weten wat hierin is besproken, volstrekt onvoldoende is om een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid aan te nemen. Omdat er overigens door of namens verzoeker geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan aan de onpartijdigheid van de rechter kan worden getwijfeld komt de wrakingskamer tot het oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond is en daarom moet worden afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking van mr. C.G.A. Wouters af.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.J. Otto, voorzitter, mr. W.E. Elzinga en

mr. R.M.M. Kleijkers en is in aanwezigheid van de griffier mr. M.J.W.D. Janssen in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.1

1 type: coll: