Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3520

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
03/864014-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 46 maanden wegens medeplegen van overtreding van artikel 2C van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie (ter zake van synthetische drugs). Overschrijding redelijke termijn: strafkorting van 5%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/864014-13

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat kantoorhoudende te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 15, 17 en 18 januari 2018. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 15 maart 2018.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: samen met anderen meermalen MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of amfetamine heeft verhandeld. (zaaksdossier 1)

Feit 2: samen met anderen 28 kilogram amfetamine, 33 kilogram MDA en/of MDMA en/of MDEA en 270 gram cocaïne heeft verhandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad op het adres [adres 1] en/of [adres 2] te Eindhoven. (zaaksdossier 1)

Feit 3: zich in de periode van juni 2012 tot en met 1 oktober 2013 schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die het overtreden van de Opiumwet als oogmerk had. (zaaksdossier 1)

3 De voorvragen

Met betrekking tot feit 1 heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek tot partiële nietigheid van de dagvaarding gedaan. Indien de tenlastelegging ziet op meer dan de geobserveerde deals op 15 februari en 4 maart 2013, is de feitsomschrijving op dit punt te vaag en de dagvaarding daarmee onvoldoende duidelijk: er staat feitelijk niet meer dan dat [verdachte] tussen juni 2012 en oktober 2013 de Opiumwet heeft overtreden.

Desgevraagd heeft de officier van justitie aangegeven dat de tenlastelegging doelde op deals die zijn geobserveerd op 15 februari en 4 maart 2013. Nu de steller van de tenlastelegging de strekking hiervan uitdrukkelijk beperkt heeft tot deze twee gebeurtenissen, kan de rechtbank niet anders dan de tenlastelegging zo te lezen. Zij komt daardoor aan het voorwaardelijk verweer van partiële nietigheid niet toe.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de dagvaarding geldig is. Er zijn voorts geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, de rechtbank is bevoegd is en er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier is hetgeen is tenlastegelegd onder de feiten 1 tot en met 3 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat, hoewel er geen concrete afvangacties zijn gedaan, voldoende is gebleken dat [verdachte] zich bezig heeft gehouden met de handel in synthetische drugs. De officier van justitie wijst in dit kader met name op de Blackberry-communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] .

Voorts acht de officier van justitie bewezen dat de bergingen van de panden aan de [adres 1] en de [adres 2] te Eindhoven in gebruik waren bij [medeverdachte 2] en [verdachte] , zodat zij beiden verantwoordelijk worden gehouden voor wat er tijdens de actiedag in deze panden is aangetroffen.

De officier van justitie acht tot slot bewezen dat [verdachte] in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Uit zaaksdossier 1E volgt dat [verdachte] met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was betrokken bij de handel in verdovende middelen. Uit de Blackberry van [medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] allerlei klussen voor [medeverdachte 1] deden. Zij produceerden en verkochten verdovende middelen, verrichtten betalingen voor transacties, fungeerden als chauffeur en zo voort. Uit de onderschepte communicatie volgt bovendien dat [verdachte] wist dat de organisatie een misdadig oogmerk had.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van al hetgeen aan hem is tenlastegelegd.

Ten aanzien van feit 1 merkt de verdediging op dat niets bekend is over soort en hoeveelheid materiaal. Met PGP-berichten, waar de officier van justitie haar standpunt op baseert, dient bovendien terughoudend te worden omgegaan. De PGP-berichten zijn niet (althans onvoldoende) te herleiden tot [verdachte] . Voorts is onbekend welke handelingen er werden verricht: welke deelnemingsvorm? Het enkele feit dat gesprekken betrekking lijken te hebben op strafbare feiten en onaannemelijk zou zijn dat alle besproken transacties niet door zouden zijn gegaan, maakt dit niet anders. Dat is slechts de overtuiging, die slechts de schijn van betrokkenheid van [verdachte] zou kunnen bewijzen en niet de betrokkenheid zelf.

Ten aanzien van de stashpanden (feit 2) merkt de verdediging op dat van verkoop, afleveren, verstrekken en vervoeren niets blijkt uit het dossier. Nergens blijkt uit dat [verdachte] gedurende de tenlastegelegde periode (af en toe) op dit adres verbleef, er (regelmatig) op bezoek kwam of daar zelfs een tijdje heeft gewoond. Het lijkt er juist veel meer op dat hij er al geruime tijd niet meer kwam. [verdachte] regelde geen huur of betalingen, er zijn geen spullen van hem aangetroffen en hij heeft zich gedurende de tenlastegelegde periode niet voorgedaan als de geregistreerde bewoner van (een van) beide panden.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat het weliswaar mogelijk is om deel te nemen aan een criminele organisatie zonder feitelijk te zijn betrokken bij de door of ten behoeve van de organisatie gepleegde strafbare feiten, maar dat op grond van het dossier niet is te bewijzen dat [verdachte] heeft bijgedragen aan het oogmerk van de door het Openbaar Ministerie gestelde criminele organisatie. Op geen enkele wijze is vast te stellen dat [verdachte] met voldoende intensiteit en duur een bijdrage heeft geleverd of ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het misdadig oogmerk van de tenlastegelegde criminele organisatie. De verdediging verzoekt daarom ook vrijspraak voor feit 3.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het onderzoek Wolf Beretta is een zeer omvangrijk onderzoek waarbij een aantal verdachten over langere tijd door de politie in de gaten is gehouden. Dit in de gaten houden bestond onder andere uit het tappen van vele telefoonlijnen, het plaatsen van afluisterapparatuur in de diverse auto’s in gebruik bij verdachten en in de woning van [medeverdachte 3] , het observeren van verdachten, en het opnemen van vertrouwelijke communicatie tussen verdachten tijdens besprekingen in horecagelegenheden. In het proces-verbaal is door middel van pv’s stemherkenning1 en pv’s bevindingen met betrekking tot de bijnamen van verdachten aangegeven op basis van welke feiten en omstandigheden de politie de conclusie trekt dat een bepaald telefoonnummer door een bepaalde verdachte wordt gebruikt, wie er spreekt en wie met een bepaalde bijnaam bedoeld wordt. Na de inbeslagname van een aantal BlackBerry telefoons onder verdachten is ook herleid kunnen worden welke verdachte gebruik maakte van welk BlackBerry e-mailadres.2

Daar waar een en ander door de verdediging niet betwist wordt, neemt de rechtbank de conclusie van de politie, dat een bepaalde verdachte de gebruiker is van een bepaald telefoonnummer of dat een bepaalde verdachte met een bepaalde bijnaam wordt aangeduid of dat een bepaalde verdachte de gebruiker is van een onder hem inbeslaggenomen BlackBerry, over en maakt deze tot de hare.

Daar waar de verdediging in dit kader iets betwist heeft, gaat de rechtbank hierop nader in in haar bewijsoverwegingen.

[medeverdachte 1] 3 BlackBerry4 [aliasnaam 1] en [aliasnaam 1] (= [aliasnaam 1] in het Spaans)5

[medeverdachte 4] 6

[medeverdachte 5] 7 BlackBerry8 [aliasnaam 2]9, [aliasnaam 2]10, [aliasnaam 2]11, [aliasnaam 2]12, [aliasnaam 2]13

[medeverdachte 3] 14 [aliasnaam 3]15, [aliasnaam 3] , [aliasnaam 3]16

[medeverdachte 6] 17 BlackBerry18 [aliasnaam 4]19, [aliasnaam 4]20

[medeverdachte 7] 21

[medeverdachte 8] 22

[medeverdachte 2] 23 BlackBerry24 [aliasnaam 5]25, [aliasnaam 5]26

[medeverdachte 9] 27 [aliasnaam 6]28

[medeverdachte 10] 29 BlackBerry30 [aliasnaam 7]31 of [aliasnaam 7]32

[medeverdachte 11] 33 [aliasnaam 8]34, [aliasnaam 8]35

Feit 3 (zaaksdossier 1 - criminele organisatie m.b.t. synthetische drugs)

Inleiding

In zaakdossier 1 beschrijft de politie deelonderzoeken naar de productie van en handel in (synthetische) drugs.

Stemherkenningen

De betrokkenheid van [medeverdachte 1]36 en [medeverdachte 2]37 bij de tenlastegelegde criminele organisatie heeft de politie mede afgeleid uit de opgenomen gesprekken waarin verbalisanten de stemmen van verdachten herkennen. De stemmen in de telefoongesprekken en/of de OVC-gesprekken kwamen overeen met de stemmen van de verdachten tijdens hun verhoor. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de stemherkenningen in het dossier en neemt de bevindingen van de politie over.

BlackBerries

In het onderzoek ‘Wolf/Beretta’ maakten verschillende verdachten gebruik van Blackberries. Onderling verstuurden zij beveiligde en versleutelde e-mails. In de woning van [medeverdachte 1] is op 1 oktober 2013 tijdens een huiszoeking een beveiligde BlackBerry gevonden. Het NFI heeft deze telefoon onderzocht en de agenda, notities en het e-mailverkeer leesbaar gemaakt.38 De politie heeft in een proces-verbaal beschreven dat [medeverdachte 1] de daadwerkelijke gebruiker van deze BlackBerry is en dat zijn e-mailadres [e-mailadres 1] is.39 In de contactenlijst staat een emailadres met de naam ‘ [aliasnaam 5] ’ (mailadres: [e-mailadres 2] ), ‘ [aliasnaam 5] (mailadres [e-mailadres 3] ), ‘ [aliasnaam 9] ’ (mailadres [e-mailadres 2] ) en ‘ [aliasnaam 4] ’ (mailadres [e-mailadres 4] ). De politie gaat ervan uit dat de eerste twee adressen horen bij [medeverdachte 2] , de derde bij [verdachte] en de laatste bij [medeverdachte 6] . Hieronder wordt toegelicht waarom.

Bijnaam [verdachte] ; [aliasnaam 9]

De verdachten in het onderzoek ‘Wolf Beretta’ maakten onderling gebruik van bijnamen. [verdachte] wordt aangeduid als ‘ [aliasnaam 9] ’. De politie onderbouwt in een proces-verbaal dat deze bijnaam bij [verdachte] hoort:

Op 29 juli 2013 is er e-mailverkeer tussen [medeverdachte 1] en iemand met de naam ‘ [aliasnaam 9] ’. [aliasnaam 9] mailt: ‘Hooi goede middag heb pap liggen alleen kann daar nu niet bij. Heb nu die 25 tikkels bij me, kan later vandaag beter morgen. Moet daarvoor terug naar Nijmegen.’

[medeverdachte 1] antwoordt: ‘Ben om 1445 bij mij ong?’

[aliasnaam 9] : ‘Yes! Daar achter op die grote parkeerplaats toch?’

Om 14.32 mailt hij: ‘5min ben daar.’

[medeverdachte 1] : ‘Hij pas 15u.’

[aliasnaam 9] : ‘Ok kom toch even bij jou binne?’

[medeverdachte 1] antwoordt om 14.41 uur: ‘Zet je auto weg en kom ff.’

Op de portiek en de voordeur van de woning van [medeverdachte 1] was ten tijde van het onderzoek een camera gericht. De verbalisant beschrijft dat [verdachte] op 29 juli 2013 om 14.54 uur in beeld verschijnt, een schoudertas draagt en de woning binnengaat. Om 14.55 uur ziet de verbalisant [verdachte] zonder schoudertas uit de woning komen. De verbalisant heeft de beelden bekeken vanaf 14.30 tot en met 16.00 uur en de enige persoon die hij in beeld zag was [verdachte] .40 Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bijnaam van [verdachte] ‘ [aliasnaam 9] ’ is en dat hij onder die naam in de BlackBerry van [medeverdachte 1] staat.

De raadsman van [verdachte] heeft in zijn pleidooi de juistheid van de herkenning betwist omdat controle van de herkenning niet mogelijk is vanwege het ontbreken van de camerabeelden in het dossier. De rechtbank overweegt hierover dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om onderzoekswensen op te geven. De raadsman had tijdens de regiezitting om de beelden kunnen verzoeken, maar heeft dit niet gedaan. Het bij pleidooi enkel aangeven dat de beelden ontbreken, is voor de rechtbank onvoldoende om twijfel te zaaien over de herkenning van [verdachte] door de verbalisant.

Bijnaam [medeverdachte 2] : [aliasnaam 5]

In een proces-verbaal van bevindingen legt de politie uit dat [medeverdachte 2] de bijnaam ‘ [aliasnaam 5] ’ heeft. In de BlackBerry van [medeverdachte 1] is e-mailverkeer gevonden van 1 augustus 2013 omstreeks 10.37 uur met [aliasnaam 5] . Om 10.40 uur mailt [aliasnaam 5] : ‘Yes, wanneer zie ik je om samen pap te controleren?’ Om 10.53 uur antwoordt [medeverdachte 1] dat hij om 12.00 uur thuis is, waarop [aliasnaam 5] reageert met: ‘Ok, tot dan…’

De verbalisant beschrijft de camerabeelden van de voordeur van de woning van [medeverdachte 1] op 1 augustus 2013, 12.12 uur. Hij ziet [medeverdachte 2] in beeld verschijnen voor de voordeur en naar binnen gaan. Om 12.54 uur ziet de verbalisant [medeverdachte 2] de woning verlaten.

Op 22 augustus 2013 om 16.04 uur mailt [aliasnaam 5] : ‘Ik meld me zo okay? Binnen half uur…’. De reactie terug is: ‘ [persoon 1] zit bij mij nu. Hoe laat denk je. Anders gaat hij weg en doen we het morgen.’ [aliasnaam 5] reageert: ‘Binnen half uur…’.

Op de beelden van 22 augustus 2013 ziet de verbalisant om 16.49 uur dat [medeverdachte 2] de woning binnengaat en deze om 16.56 uur samen met [medeverdachte 1] verlaat.41

Daarnaast wordt [medeverdachte 2] aangeduid als ‘ [aliasnaam 5] ’. De politie leidt dat af uit een OVC-gesprek op 7 juni 2013 tussen [medeverdachte 1] en [persoon 2] . Als het over [medeverdachte 2] gaat, zegt [medeverdachte 1] : “Het is het [aliasnaam 5] van mij en ‘ [aliasnaam 10] ’(fonetisch) is [persoon 3] , [medeverdachte 12] , heeft ie wel zo’n schrik van.”42 Daarnaast is er een tapgesprek van 30 maart 2013 waarin [medeverdachte 2] een vrouw met de naam [persoon 4] aan de telefoon krijgt en zelf zegt: “Met het [aliasnaam 5] ”.43

Dit leidt de rechtbank tot de conclusies dat de bijnaam van [medeverdachte 2] ‘ [aliasnaam 5] ’ is, dat hij onder die naam in de BlackBerry van [medeverdachte 1] staat en dat ook over hem wordt gesproken als ‘ [aliasnaam 5] ’.

Bijnaam [medeverdachte 6] : ‘ [aliasnaam 4] ’/’ [aliasnaam 4] ’

In een proces-verbaal van bevindingen legt de politie uit dat de persoon die als ‘ [aliasnaam 4] ’ in de BlackBerry van [medeverdachte 1] staat, [medeverdachte 6] is voor wie ook de bijnaam ‘ [aliasnaam 4] ’, ‘ [aliasnaam 4] ’ en ‘ [aliasnaam 4] ’ wordt gebruikt. Daarbij is onder meer van belang dat het emailadres van [aliasnaam 4] in de BlackBerry van [medeverdachte 1] het enige mailadres is dat begint met [X] ([e-mailadres 4]). In een OVC-gesprek op 22 augustus 2013 vraagt een onbekend persoon aan [medeverdachte 1] het nummer van de nieuwe telefoon van [aliasnaam 4] / de [aliasnaam 4] . Te horen is dat [medeverdachte 1] ‘ [X] ’ noemt en ‘ [X] ’.44 Verder staat in de notities in de BlackBerry van [medeverdachte 1] op de datum 30 augustus 2013 een afspraak met iemand met de naam ‘ [persoon 1] ’ om 15.00 uur en met ‘ [aliasnaam 4] ’ om 15.30 uur. Uit videobeelden van de voordeur van [medeverdachte 1] blijkt dat om 15.34 uur eerst een onbekende persoon naar binnen gaat en dat om 15.50 uur [medeverdachte 6] de woning van [medeverdachte 1] betreedt.45 Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte 6] als [aliasnaam 4] in de BlackBerry van [medeverdachte 1] staat en ook de bijnaam ‘ [aliasnaam 4] ’ heeft. [medeverdachte 6] heeft gesteld dat hij louter bij toeval op dat moment bij de deur van [medeverdachte 1] stond en dat hij als goede vriend van [medeverdachte 1] heel vaak bij hem aan de deur kwam.

Redengevende feiten en omstandigheden

[medeverdachte 13] is een medeverdachte in het onderzoek Wolf/Beretta. Hij is op 4 december 2013 door de politie gehoord. De politie vraagt: “We tonen jou de foto van een man ( [verdachte] ) ken je die?” [medeverdachte 13] antwoordt dat hij de man herkent als de kennis van [medeverdachte 2] . De man werd door [medeverdachte 2] ‘ [verdachte] ’ genoemd. Op de vraag of [medeverdachte 13] wel eens samen met [verdachte] ergens naar toe is geweest antwoordt hij: “Ik ken hem van [naam] (de rechtbank begrijpt uit het dossier dat dit een restaurant in Eindhoven is) en van [naam] ”.

Over [medeverdachte 2] verklaart [medeverdachte 13] : “ [medeverdachte 2] heeft mij ook wel eens pillen gegeven. Het ging om zo’n 1.000 xtc pillen die ik gekregen heb. Ik kreeg ze op de pof en aan de hand van wat ik verdiend had mocht ik een gedeelte van de opbrengst houden. Ik denk dat ik vanaf 2011 pillen verkoop voor [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft mij ook speed aangeboden in pastavorm en ook MDMA. [medeverdachte 2] kon alle soorten verdovende middelen leveren. Ik heb ook wel eens cocaïne van hem gehad voor eigen gebruik. Ik heb alleen xtc pillen verkocht. Die pillen hadden een kleurtje en waren voorzien van verschillende logo’s. Sommige pillen waren rond en sommige waren ruitvormig. De inhoud van de pillen was volgens mij 140 mg.46 Op 9 december 2013 verklaart [medeverdachte 13] nog het volgende: “Ik ken [verdachte] ongeveer een jaar. Ik heb hem de eerste keer gezien bij [naam] in Eindhoven. Hij was bij [medeverdachte 2] . Ik zag hem als de rechterhand of het knechtje van [medeverdachte 2] . Ik had de indruk dat [medeverdachte 2] iets slimmer was dan [verdachte] . Als [medeverdachte 2] erbij was dan voerde [medeverdachte 2] altijd het woord en hield [verdachte] zich afzijdig.”47

Op 12 februari 2013 vindt er een OVC-gesprek plaats in de BMW van [medeverdachte 1] tussen [medeverdachte 1] en [persoon 2] .48

[medeverdachte 1] : “Maar ik ben wel heel blij met dingetje hoor, met die jongen van mij.”

[persoon 2] : “ [medeverdachte 2] .”

[medeverdachte 1] : “Ja.” (…) “Daar ben ik wel heel blij mee. Hij doet toch allerlei kutdingetjes. Die doet hij.”

[persoon 2] : “En niet hebberig. Dat is ook heel belangrijk hè. Ik heb in Amsterdam alleen maar hebbers om me heen.”

Op 20 juni 2013 zit [medeverdachte 1] alleen in zijn auto. Hij praat in zichzelf, waarbij de volgende passages zijn opgenomen:

“…als je dan bezig bent, dan bel je misschien wel even terug, ik geloof het niet… met echte mensen te praten…pure eerlijkheid… [medeverdachte 2] , echte mensen willen eerlijkheid…weet je wat het is, jij vertelt niks tegen mij, ook niet als het om jou gaat, had jij gewoon tegen mij moeten vertellen, direct, je kan die handel niet betalen en exporteren jongen…ik weet niet wat jij aan het doen bent…

(…)

Gewoon eventjes met meer dan 20 blokken over straat rijden zonder mijn weten, om ff te moeten laten zien…

(…)

Dus die vrijheid krijg jij niet (…) en dan ga je ook weer weg…en weet je wat het is [medeverdachte 2] , waarom heb jij mij niet verteld dat [aliasnaam 9] erbij is? waarom heb je dat niet verteld, waarom heb je dat niet verteld?

(…)

[aliasnaam 9] komt gewoon helemaal niet opdagen…volgt gewoon helemaal niet op, dat is niet goed…”49

De rechtbank merkt op dat bovenstaande OVC-opnamen en de verklaringen van [medeverdachte 13] in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen steun bieden voor de stelling dat [verdachte] en [medeverdachte 2] in dienst stonden van [medeverdachte 1] en dat [verdachte] als rechterhand van [medeverdachte 2] kan worden gezien. Aan [persoon 2] laat [medeverdachte 1] namelijk weten dat hij blij is dat [medeverdachte 2] allerlei ‘kutdingetjes’ voor hem doet en [medeverdachte 1] uit zijn ongenoegen als [medeverdachte 2] en [verdachte] naar zijn mening te weinig verantwoordelijkheid aan hem afleggen.

Op 14 maart 2013 vindt het volgende OVC-gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [persoon 5] .

[medeverdachte 1] : “Kom na 7 uur, dan ligt [aliasnaam 7] in bed.”

[persoon 5] : “Ben je altijd thuis meestal…”

[medeverdachte 1] : “Altijd”

[persoon 5] : “Kan ik gewoon naar je toekomen he?”

[medeverdachte 1] : “Ja, je kunt blindgaan, als je voor een gesloten deur staat, dat we de bel niet horen, pgptje (fonetisch) ik ben over 5 minuten bij jou.”

[persoon 5] : ‘Dan kom ik van de week effe praten met jou ja.

[medeverdachte 1] : “En die A, dat is, daar kan ik alleen nog wel mee vooruit, kunnen we kijken hoe dat moet.”

[persoon 5] : “Zal ik je wat zeggen, die heb ik vanuit B gemaakt.”50

Op 11 mei 2013 is er een OVC-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] :

[medeverdachte 1] : “Uhh die B… ja is wel oké.. ja, door dat hij nog van alles en nog wat gedaan heeft… ze zitten allemaal met die B te klooien.”

Later in het gesprek is te horen dat [medeverdachte 1] zegt: “Dan is het net als met [aliasnaam 11] (fonetisch) die ook zegt, ja een goeie, dan moet je al, en van… eerst kijken, eerst kijken, want normaal komt er een/tweeënveertig uit, door ons.

[medeverdachte 2] : “Nee maar hij zei ook, eh het moet gewoon daar zijn en het is niks anders, ik zeg het is ook een beetje dit, daar komen we op terug, we hebben in ieder geval wel iets.”

[medeverdachte 1] : “Ja ik ben benieuwd wat er uit komt, en mocht het inderdaad minder zijn, dan wordt het voor hun ook minder, snap je?” 51

Op 30 mei 2013 zijn er OVC-gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] vraagt hoe het met ‘ [aliasnaam 11] ’ is. [medeverdachte 2] zegt dat hij niets meer van hem heeft gehoord en [medeverdachte 1] vraagt of hij dat sampletje niet meer heeft gehad. [medeverdachte 2] zegt van wel. [medeverdachte 1] heeft [aliasnaam 11] gisteren gezegd dat hij spullen mee moest nemen, hij zei toen ja, maar ik moet alleen maar een sampletje hebben nu. [medeverdachte 1] heeft hem verteld: “Oké dan ga maar ff laten zien, maar die spullen moet je wel aanpakken hoor.”

[medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 2] : “Eeeh gewoon dumpen daar hoor, gewoon zeggen eh we komen er om 12 uur bij jou op de zaak en dan huppa…en dan denk ik dat we het een eind gehad hebben met die ‘ [persoon 5] ’… ik geef hem 100 A terug en ik pas een beetje aan… en klaar zijn we ermee. Dat is wel dikke winst hè, 90?”

[medeverdachte 2] : “Ja maar hij moet die dingen hè. Hoe moet dat?” (…) “Die dingen was toch niet goed van hem?”

[medeverdachte 1] : “Ja, daarom geef ik hem ook maar zo weinig terug.” (…)

Later in het gesprek vraagt [medeverdachte 2] : “Kan ook iets met drie en een half?”

[medeverdachte 1] : “Nee moet met 5. Hij vraagt 5, ga ik toch niet zeggen 3 en een half. Dat is echt kruimelwerk man.”

(…)

[medeverdachte 1] : “Vind ik trouwens een goeie vent…echt waar en nou ook weer hè…1000 poeier… zijn er 300 400 van kut, gewoon kut.. al vochtig geworden en zowiezo, maar toen ze uiteindelijk naar het resultaat keken, kwam er 50, 60% uit van wat normaal eruit moet halen, dat scheelt dus 200 300 stuks, ja, voor hun…”

[medeverdachte 2] : “De helft”.

[medeverdachte 1] : “Ik krijg gewoon 200 die hadden ze al gegeven, meteen al diezelfde dag…”

[medeverdachte 2] : “Ja maar bij ons gaat dat altijd netjes hè..”

[medeverdachte 1] : “Ja, maar daar gaan ze er uiteraard vanuit omdat ik er mee kom… sta ik weer voor schut hè…weet je nou het lullige daarvan is, als ik nou volgende keer weer met iets kom, dan gaan ze eerst kijken, ja waar heeft ie dat nou weer vandaan, wat voor idioten, dat dat weer verkeerd is, dan doen ze het niet meer snap je? Dat verprutst zo’n kut [aliasnaam 11] daar nou mee, omdat ie niet zelf checkt, niet zelf controleert, er geen ballen verstand van heeft.”

[medeverdachte 2] : “Hij is bij iedereen aan het shoppen”52

De politie vermeldt dat [persoon 5] op 11 juli 2013 werd aangehouden in verband met de levering van 60 kilo amfetamine en ongeveer 21 kilo marihuana.53 Op 10 augustus 2013 vindt er een OVC-gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en zijn echtgenote [medeverdachte 14] . [medeverdachte 1] zegt dat het er niet goed uitziet voor [aliasnaam 11] . [medeverdachte 14] vraagt of [medeverdachte 1] denkt aan ‘langer dan drie’. [medeverdachte 1] zegt: “Hadden aan een Duitser verkocht, langer dan drie ja.” Hij zegt dat als je verkoopt aan iemand die ermee naar het buitenland gaat, je strafbaar bent voor twaalf jaar. [medeverdachte 14] vraagt: “Dus hij was voor amfetamine en voor hash.” “Ja wiet”, zegt [medeverdachte 1] , “komt er voorlopig niet uit.”54

De rechtbank concludeert op basis van het gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 14] dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de naam ‘ [aliasnaam 11] ’ of ‘ [aliasnaam 11] ’ gebruiken voor [persoon 5] . Verder is uit de gesprekken op 14 maart 2013 en 11 en 15 mei 2013 op te maken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in contact staan met deze [persoon 5] . [persoon 5] is een afnemer (zo blijkt uit het gesprek op 30 mei 2013). Hij krijgt samples via [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vindt dat hij een hele partij moet afnemen. Kennelijk houdt hij zich ook bezig met productie; hij heeft A uit B gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat BMK een grondstof is voor amfetamine. Verder is uit de gesprekken op te maken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich zorgen maken over hun reputatie gezien de kwaliteit van [persoon 5] productie. Bij ‘ons’ gaat het altijd netjes, zegt [medeverdachte 2] in het meervoud.

E-mailverkeer BlackBerry [medeverdachte 1] en OVC-gesprekken in de periode 27 juni 2013 – 30 september 2013

Het e-mailverkeer in de BlackBerry van [medeverdachte 1] beslaat de periode van 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013.55

(Omwille van de begrijpelijkheid wordt in de weergave van de e-mails hieronder voor de afzenders en ontvangers de werkelijke naam van verdachten gebruikt. Het contact ‘ [aliasnaam 9] ’ wordt dus aangeduid met [verdachte] en het contact ‘ [aliasnaam 5] ’ met [medeverdachte 2] . De namen in de daadwerkelijke tekst van de mailberichten zijn vanzelfsprekend letterlijk overgenomen.)

Op 28 juni 2013 stuurt [medeverdachte 1] een mail naar [medeverdachte 2] : ‘Yoo man. Dringerd A verkopen…Spreek je later vandaag.’ De politie merkt daarbij ambtshalve op dat met ‘A’ vermoedelijk amfetamine of amfetamine-olie wordt bedoeld.

Dezelfde dag mailt [medeverdachte 1] aan [aliasnaam 11] : ‘Geen tijd vandaag sorry. Als je samples wil zeg maar’. [aliasnaam 11] schrijft terug: ‘Oke krijg marok niet te pakken voor voorbeeld. Spreken we maandag wel wat af…’

[medeverdachte 1] mailt daarna aan [verdachte] : ‘Kan je [aliasnaam 11] ff contacten ivm afgeven 3 samples. Laat hem er maar voor rijden.’

De rechtbank leidt uit deze communicatie af dat ‘voorbeeld’ een synoniem is voor ‘sample’ en dat met ‘marok’ naar alle waarschijnlijkheid [verdachte] wordt bedoeld.

Op 29 juni 2013 ontvangt [medeverdachte 1] een mail van [medeverdachte 2] waarin weer over ‘A’ wordt gesproken. [medeverdachte 2] laat weten dat hij pas maandag van die A kan zeggen omdat de baas dan terug is. Hij schrijft aan [medeverdachte 1] dat hij maar moet uitgaan van ‘een deal op basis van 200L en 50L is 250L alvast.’

[medeverdachte 1] mailt op 30 juni 2013 met het e-mailcontact ‘ [persoon 6] ’. Uit het politieonderzoek is niet bekend geworden wie dat is. De inhoud van het bericht luidt: ‘Hey man. Kan je iets met die for voor 17e.’ De politie vermeldt dat met ‘for’ vermoedelijk formamide wordt bedoeld, een grondstof die wordt gebruikt bij de vervaardiging van synthetische drugs.

[medeverdachte 1] ontvangt een mail van [medeverdachte 2] met de tekst: ‘Ik krijg dan 1200 for… Als ik wil.’

Op 4 juli 2013 stuurt [medeverdachte 1] een mail naar [persoon 6] : ‘Yee heb voorbeeld nodig van juw rondjes 140mgr.’

In zaaksdossier 1F legt de politie uit dat dat ‘140’ staat voor 140 milligram werkzame stof per tablet.56 De rechtbank overweegt dat dit ook in lijn is met de verklaring van [medeverdachte 13] over xtc-pillen van 140 mg.

Op 5 juli 2013 stuurt [persoon 6] als antwoord aan [medeverdachte 1]57: ‘Krijg je morgen vraag [persoon 7] aub laat [aliasnaam 4] [persoon 7] vragen geef je zaterdag cas bromesafrole.’ Hij mailt verder: ‘Oke 200 staat klaar maar was probleem [aliasnaam 4] geloof ik hoor het wel morgen.’

[medeverdachte 1] mailt naar [medeverdachte 6] – die in de vorige mail met [aliasnaam 4] en [aliasnaam 4] werd aangeduid – of hij morgen vroeg contact opneemt met [persoon 9] in verband met levering morgen van ‘zelfde’. [medeverdachte 6] reageert: ‘We hebben al date om 9 uur.’

In het proces-verbaal licht de politie toe dat een cas-nummer een unieke numerieke identifier is voor chemische elementen, componenten, polymeren en legeringen. De afkorting staat voor Chemical Abstracts Service, een divisie van de American Chemical Society.

Ook op 5 juli 2013 vindt de volgende mailwisseling plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] :

[medeverdachte 1] : ‘Yoo man belangerijk’

[medeverdachte 2] :’Yo net wakker. 5u thuis…’ ‘Kun je voor mij nu een litertje als sample eruit halen. Ik kan als ik wil nog meer verkopen aan dezelfde mensen. Zeg maar hoe je het wilt…’. ‘Kan vandaag 200A leveren als je wilt. Zeg maar.’

[medeverdachte 1] : ‘200 mag je leveren, maar is morgen pap. Kijk maar. Maar regel ff 10 dat bij mijn maat komt.’

[medeverdachte 2] : ‘Is vertrouwd. Zie onderstaande…. Betalen 100 procent… Dan heb je morgen je geld.’

Dezelfde dag mailt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 6] : ‘Goeiemorgen. Kan je straks 1 sample maken (1 fl grolsch). Zeg maar hoe laat [aliasnaam 5] kan aanpakken.’ [medeverdachte 6] mailt terug: ‘Ok 13.00 mijn parking.’

[medeverdachte 1] ontvangt een mail van [medeverdachte 2] met de volgende inhoud: ‘Als [persoon 8] toch niks te doen heeft en ap kost hem 40k voor 1000. Ik kan veel A kwijt aan die gasten. Waarom kopen ze geen Ap in en laten mij verkopen. Is toch winst of ben ik zo gek. Ik ben er binnen een uurtje. Regel jij [aliasnaam 9] en [aliasnaam 4] … Dan wordt er tenminste gewerkt en verdiend. Of snap ik het allemaal niet.’

De politie vermeldt dat ‘Ap’ mogelijk voor apaan staat, een chemische stof waarmee BMK wordt gemaakt, de belangrijkste grondstof voor amfetamine.

OVC-gesprek 5 juli 2013

Op 5 juli 2013 om 14.48 uur vindt het volgende OVC-gesprek plaats in de auto van [medeverdachte 1] waaraan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] deelnemen58:

[medeverdachte 2] : “Zal ik hem even opzetten, kom ik er zo aan.”

[medeverdachte 1] : “Ja, dat is goed, ja doe maar. Is goed.”

[medeverdachte 6] : “Ik ga naar [medeverdachte 15] .”

[medeverdachte 1] : “Ja, is top.”

[medeverdachte 6] : “Ik geef dat ding gewoon aan hem. Het zijn er dus gewoon dezelfde hoeveelheid als de vorige keer.”

[medeverdachte 1] : “Ja ja ja gewoon, hij weet dat?”

[medeverdachte 6] : “Ja.”

[medeverdachte 1] : “Ja.”

[medeverdachte 6] : “Het staat allemaal netjes in …” (onverstaanbaar)

[medeverdachte 1] : “Ja gewoon die hele, alle twee.”

[medeverdachte 6] : “Ja ik heb eentje, ik heb er nog tien thuis.”

[medeverdachte 1] : “Ja, waar waar waar…”

[medeverdachte 6] : “Vanwege dat eh.”

[medeverdachte 1] : “Waar je ze ook hebt, tweehonderd erbij.”

[medeverdachte 6] : “Ja.”

[medeverdachte 1] : “Naar dingetje, die daar wacht al. [aliasnaam 9] wacht al.”

[medeverdachte 6] : “Wanneer moet dat naar toe?”

[medeverdachte 1] : “Vraag het even aan hem. Ik moet, ja we moeten snel hebben.”

[medeverdachte 6] : “Ok.”

[medeverdachte 1] : “Ja.”

[medeverdachte 6] : “Ok.”

[medeverdachte 1] : “Weg is weg.”

[medeverdachte 6] : “Ja.”

Uit de gang van zaken op 5 juli 2013 leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 1] aangeeft dat er afnemers zijn voor een levering van 200 A. Er is een sample nodig van een liter. [medeverdachte 1] gaat ermee akkoord en schakelt [medeverdachte 6] in om voor [medeverdachte 2] het sample te regelen. Ook [verdachte] moet in actie komen.

Op 13 juli 2013 mailt [medeverdachte 1] naar [verdachte]59: ‘Goeiemorgen. We hebben 100.000st 140 ml tickets voorraad. 70cent kan je iets mee’. ‘Is dat werkzaam of geslagen’, mailt [verdachte] terug. ‘140 brutto’, aldus [medeverdachte 1] . [verdachte] schrijft dat hij gaat informeren en vraagt nog naar de kleur en het logo.

In een emailwisseling tussen [medeverdachte 1] en [persoon 6] op 16 juli 2013 komen de volgende berichten voor:

[medeverdachte 1] : ‘oké 100 a en 130000 rondjes vandaag oke’.

[persoon 6] : ‘Hoeveel dozen zijn die tickers.’

[medeverdachte 1] : ‘6 kleintjes van 25x30x30.’

Iets later op dezelfde dag:

[medeverdachte 1] : ‘ [aliasnaam 4] pakt die 130000ticktets aan 12.15.’

[medeverdachte 2] : ‘Is goed… Pak ik dan ook die a aan of niet?’

[medeverdachte 1] : ‘Ik wacht nog op 100 A. Als die er zijn neemt [aliasnaam 9] de 200 A totaal mee. En jij verkopen.’

[medeverdachte 2] : ‘Ben er al mee bezig. Ik kom wel met busje want die ander is weg met de auto…’

Op 19 juli 2013 meldt [medeverdachte 6] per mail aan [medeverdachte 1] dat ‘ [persoon 8] ’ 2000 rose tickets terug wil en vraagt of hij die kan vragen bij [aliasnaam 9] . De politie interpreteert tickets als pillen.

Dezelfde dag laat [persoon 6] aan [medeverdachte 1] weten dat hij hier en daar wat rondjes voor hem kwijt kan en hij moet er 2.000 in Roermond hebben. [medeverdachte 1] antwoordt dat dat gaat en dat hij het maar moet regelen met [persoon 7] en [aliasnaam 4] .

[persoon 6] stuurt het volgende bericht terug: ‘Kijk uit je telefoon staat niet goed kan neger niet regelen met jongen heeft er morgen 10000 nodig geef zijn mail maar dan kan het recht streeks [persoon 7] gaat ook weg maandag vakantie.’ [medeverdachte 1] zal het regelen.

De volgende dag mailt [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] : ‘Hey man, vraag eens aan [persoon 8] wie [aliasnaam 12] is, die moet ik morgen die 10.000 tickets geven, zegt [persoon 9] .’ [medeverdachte 1] bericht terug dat hij het wel regelt. Het moet voor 10.00 of na 12.00 uur en hij neemt met beiden contact op. Het liep overigens al in verband met 2000.

Op 21 juli 2013 mailt [medeverdachte 1] aan [verdachte] : ‘Graag even dit adres noteren. Hij heeft die 20.000 140ers nodig en moet jou 10.000 stuks betalen. [e-mailadres 5].

De politie vermeldt daarbij dat dit mailadres behoort bij iemand met de bijnaam [aliasnaam 12] .

Op 25 juli 2013 mailt [medeverdachte 1] met het onbekende contact [persoon 10] . [medeverdachte 1] is dan met vakantie op Kos. [medeverdachte 2] is ook mee. [persoon 10] schrijft dat hij maandag misschien 25 van die tickets nodig had. Welke kleur en stempel?

[medeverdachte 1] mailt een lijstje:

Blauw stempel DNA

Rose stempel DNA

Groen stempel DNA

Rose stempel DNA facebookduimpje

[persoon 10] vraagt: ‘ok dus verschillende stempels’. ‘Nee’, mailt [medeverdachte 1] ‘alleen DNA erop bij alle kleuren. Dus stempel hetzelfde maar kleur is anders. Allemaal 140mgr.’

[persoon 10] : ‘Ok maar je hebt geen 25 van dezelfde kleur?’

[medeverdachte 1] : ‘Jawel rose 25000. Blauw alleen 5000.’

Op 26 juli 2013 mailt [medeverdachte 1] aan [verdachte] of hij 5000 blauwe en 20.000 rose wil bewaren. Hij moet die maandag uitleveren. [verdachte] antwoordt dat het goed is, hij is er morgen en zondag even tussenuit, maar hij heeft wel zijn pg bij zich voor het geval dat. [medeverdachte 1] vraagt: ‘Kan je maandag die 25000st aan [persoon 10] leveren?’ [verdachte] schrijft dat het goed is en dat ze zondag nog wel mailen voor een tijd en vraagt of ze naar Eindhoven of Amsterdam moeten. [medeverdachte 1] zal het checken en wenst [verdachte] veel plezier op ‘ [naam] ’.

[medeverdachte 1] vraagt [persoon 10] dezelfde dag: ‘Kan je die morgen al aanpakken? Maandag is chauf bezet.’ [persoon 10] laat weten dat hij zelf een beetje uit de buurt is. Maandag of zondagavond. [medeverdachte 1] schrijft dat de oude chauffeur op vakantie is en chauffeur 2 zit op [naam] . Hij laat weten of maandag gaat.

Op 28 juli 2013 is [medeverdachte 1] teruggekeerd van Kos en op 29 juli 2013 heeft hij mailcontact met [verdachte] . [verdachte] schrijft: ‘Hooi goede middag heb pap liggen alleen kann daar nu niet bij. Heb nu die 25tikkels bij me, kan later vandaag beter morgen. Moet daarvoor terug naar Nijmegen.’

[medeverdachte 1] antwoordt: ‘ben om 1445 bij mij ong?’

[aliasnaam 9] : ‘Yes! Daar achter op die grote parkeerplaats toch?’

Om 14.32 mailt hij: ‘5min ben daar.’

[medeverdachte 1] : ‘Hij pas 15u.’

[aliasnaam 9] : ‘Ok kom toch even bij jou binne?’

[medeverdachte 1] antwoordt om 14.41 uur: ‘Zet je auto weg en kom ff.’ ‘ [persoon 10] is daar exact 15u. Ok.’

Om 15.03 uur mailt [verdachte] aan [medeverdachte 1] : ‘Ping [persoon 10] dat even rondje moet lopen toevallig kwam politie voorbij’.

Om 15.06 uur mailt [medeverdachte 1] aan [persoon 10] : ‘ [aliasnaam 13] is ff rondje lopen omdat er wouten voorbij kwamen’.

[persoon 10] vraagt of [medeverdachte 1] al terug is. ‘Ja’, schrijft [medeverdachte 1] , ‘sinds gisteren avond. Meteen mega stress weer Pffff.’

Uit de berichten tussen 25 juli en 29 juli 2013 leidt de rechtbank de volgende gang van zaken af: [persoon 10] bestelt 25.000 pillen bij [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zet de bestelling vervolgens uit bij [verdachte] ; hij moet 5.000 blauwe en 20.000 rose bewaren en uitleveren. Afgesproken wordt dat [verdachte] ze levert op 28 juli om 15.00 uur dichtbij de woning van [medeverdachte 1] . Dat levert dan nog wat vertraging op omdat er kennelijk politie in de omgeving is. Verder leidt de rechtbank uit de communicatie af dat [verdachte] wordt aangeduid als ‘ [aliasnaam 13] ’.

De volgende dag mailt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat hij donderdag 50A heeft verkocht. De geldschieter is pas woensdagavond terug van vakantie maar hij kijkt of hij dan pap kan ophalen. Hij is bezig met de laatste 50 maar dat gaat wel lukken. [medeverdachte 1] reageert dat dat mooi is en vraagt of het lukt dat hij de pap morgen voor 12 uur heeft. Volgens [medeverdachte 2] moet dat lukken. [aliasnaam 9] is op de hoogte. Wellicht eerder pap voor A maar dat weet hij voor donderdag zeker.

Op 30 juli 2013 mailt het onbekend gebleven contact ‘ [persoon 11] ’ aan [medeverdachte 1] of hij a olie wil verkopen en als hij 200 goede pillen heeft wil hij er twee miljoen. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij 200A heeft maar pas op 17 augustus. Hij vraagt welke pillen [persoon 11] moet hebben. [persoon 11] schrijft: ‘A olie kan geef aan mi.’ [medeverdachte 1] mailt dat [persoon 11] maar moet zeggen waar en wanneer. [persoon 11] antwoordt dat het de volgende dag om 14.00 uur kan voor de deur van het casino in Utrecht. Het kan aan zijn dochter worden gegeven die een witte Mazda 2 rijdt.’

Dezelfde dag schakelt [medeverdachte 1] [persoon 6] in: ‘Ok krijg net een aanvraag binnen voor 2milj st. 200mgrs. Kan jij iets? [persoon 6] vraagt of ze in één keer geleverd moeten worden. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij alle info op een rij gaat zetten en dat het voor zijn Chinese leverancier is.

Enige uren later mailt [medeverdachte 1] aan [verdachte] of hij of anders [aliasnaam 5] morgen toch die twee liter A om 14.00 uur kan afgeven in Utrecht. [medeverdachte 1] kan zelf niet. [verdachte] mailt terug dat hij het met [aliasnaam 5] zal bespreken. [medeverdachte 1] zal ook kijken of ‘ [aliasnaam 4] .’ kan. ’s Avonds mailt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] : ‘70A a 35k verkocht waarschijnlijk morgen pap. Maar reken maar op donderdag pap. Zijn aan het kijken of ze meer geld kunnen verzamelen voor het restant.’

De rechtbank stelt op grond van de bewoordingen vast dat in bovenstaande mail

weinig verhullende taal wordt gebruikt. Er staat letterlijk ‘pillen’ en duidelijk wordt dat A hier hetzelfde is als A-olie. De rechtbank vindt daarnaast bevestiging voor de interpretatie van het woord ‘pap’ als geld.

Wederom is de gang van zaken dat bij [medeverdachte 1] wordt besteld – in dit geval amfetamineolie en pillen - en dat [medeverdachte 1] vervolgens contact opneemt met [verdachte] en [medeverdachte 2] voor de uitvoering. [medeverdachte 6] wordt ook als alternatief gezien. [medeverdachte 2] houdt [medeverdachte 1] op de hoogte van de verkoopresultaten.

Op 31 juli 2017 om 1.00 ’s nachts mailt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] : ‘Ik moet morgenmiddag ff weg ivm a verkoop. Kan [aliasnaam 4] rijden wanneer ik met hem afspreek. Kan eventueel auto lenen?’ [medeverdachte 1] laat weten: ‘Je kan auto lenen. Geen probleem. Zullen we afspreken 11u.’ ‘Ok bij jou’, mailt [medeverdachte 2] terug. [medeverdachte 1] : ‘Haal je dorint 10.30? Neem 2 ltr A mee.’ ‘Ja is cool…’, laat [medeverdachte 2] weten.

Dezelfde dag mailt [verdachte] ’s morgens aan [medeverdachte 1] dat hij ’s middags een afspraak heeft met iemand die als het goed is veel tikkels wil. Hij vraagt informatie over hoeveel pillen er nog liggen van welke kleur en logo.’

[medeverdachte 1] mailt aan [verdachte] : ‘Ik moet morgen 110 stuks [aliasnaam 11] hebben. Ze moeten uiterlijk half elf geleverd worden in Zaltbommel.’

[medeverdachte 2] mailt aan [medeverdachte 1] : ‘ben je verjaardag. Ik heb ff tijd kan pas tegen 17u pap ophalen...’ [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Op verjaardag. Kan geen pap gebruiken nu. Morgen.’

[medeverdachte 2] : ‘Het zit zo. Heb dadelijk 35k en moet nog 5k krijgen. Dan is 80 Liter verkocht. Restant willen ze denk ik ook wel, maar moesten daar pap voor verzamelen…’ ‘Heb 35k in de zak… En als goed is dadelijk meer. Ik ga even verder met de verkoop.’

Er is die dag ook mailverkeer tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] die volgens het dossier Wolf Beretta de bijnaam ‘ [aliasnaam 8] ’ heeft. [medeverdachte 1] schrijft in een mailbericht: ‘We zijn er morgen. Het wordt alleen andere levering om je niet voor blok te zetten. Maar resultaat is ong zelfde. De voorraad strekt niet. 13 plaat + 100 snelle. (Mijn voorraad klopt overigens we’ll). Wilde ik je ff doorgeven.

[medeverdachte 11] : ‘100 is goed. Ik moet sikkie nog 9 geven!!!???? (…)

[medeverdachte 1] : ‘Hoeveel krijgt hij er nu’

[medeverdachte 11] : ’13 dikke goeie. + 100 snelle.’

[medeverdachte 1] : ‘100 dubbele bedoel je toch?’

[medeverdachte 11] : ‘Ok gooi die 13 er ook bij! Bedankt. Maar vraag eerst of hij er mee geholpen anders neem het boeltje maar weer mee terug.’

[medeverdachte 1] : ‘Als jij wil dat ik thuis blij ook ok. Dan gaat [aliasnaam 13] alleen. Maar ik kan beter uitleggen denk ik. 13st gaan erbij.’

[medeverdachte 11] : ‘Nee ga aub je weet nooit waar de volgende sleutel ligt in je leven. Indiana jones komt ook overal uit!!!!’

De politie interpreteert de terminologie zo dat met ‘snelle’ amfetamine wordt bedoeld en dat ‘plaat’ staat voor een plak hash.

Op 31 juli ontvangt [medeverdachte 1] ook mail van [medeverdachte 2] : ‘Ik heb hier 39k voor je. Dat trekt het dan gelijk qua A minus die 2 die je net gehad hebt. Dan zijn er 80A weg… Blijven er 20A over maar zijn deze week ook verkocht. Verder werd me weer door die gasten gevraagd hoeveel A je nog wilde verkopen… Daar kunnen ze dan nog rekening mee houden…’

[medeverdachte 1] antwoordt: ‘Voor morgen moet je er 13 afgeven opv 14 dikke platen. 1 plaat moet ik.’

De volgende morgen op 1 augustus 2013 om 9.28 uur mailt [medeverdachte 1] dat hij ook komt en dat [verdachte] op hem moet wachten. Hij vertrekt nu.’ Ze spreken af bij afslag Apollo hotel langs de snelweg. Om 10.40 uur ontvangt [medeverdachte 1] een mail van [medeverdachte 2] die hem vraagt wanneer hij [medeverdachte 1] zien om samen pap te controleren. [medeverdachte 1] laat weten dat [aliasnaam 9] ok is. Ze hebben net samen koffie gedronken. [medeverdachte 1] is om 12.00 uur thuis. [medeverdachte 2] mailt: ‘ok, tot dan.’60

Op 2 augustus 2013 om 16.49 uur vraagt [medeverdachte 1] per mail aan [medeverdachte 2] of hij nog 20 kg M heeft en wat de prijs en levertijd is. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij dat even aan [aliasnaam 9] moet vragen.

[medeverdachte 1] mailt ook aan [verdachte] de vraag of hij snel 20 kilo M kan leveren.

Uit bovenstaande mail in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte] kennis heeft over en toegang heeft tot voorraden. Bij hem moet immers worden nagevraagd of er nog 20 kilo M is. Ondersteuning voor die conclusie vindt de rechtbank ook in de vraag van [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 1] op 19 juli 2013 of hij aan [aliasnaam 9] 2.000 rose tickets kan vragen.

Op 3 augustus 2013 stuurt [medeverdachte 2] twee mails aan [medeverdachte 1] :

‘Wil je [persoon 8] eens vragen of hij 1100+ for wilt ruilen tegen 25A ofzo.’ En:

‘ [aliasnaam 9] is even tickets weg leggen en dan zo bij jou…’

De politie vermeldt in het proces-verbaal dat het gaat om formamide (‘for’) en amfetamine (‘A’).

Op 12 augustus 2013 vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] per mail of hij tickets heeft. [medeverdachte 1] laat weten dat hij eind van de week 140’ers heeft en A.

[medeverdachte 2] vraagt naar hoeveelheden.

Op 15 augustus 2013 mailt [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat hij dat weekend ongeveer 100.000 140’ers krijgt die er uit moeten en of hij kan helpen met de verkoop. [verdachte] kan en vraagt nog naar welke kleur en stempel.

Op 17 augustus 2013 stuurt [persoon 6] de volgende mail naar [medeverdachte 1] : ‘Hij hoopt vandaag teslaan stempels zijn ze aan het maken en hij zegt vandaag 90% klaar maar kan ook goed weer maandag worden pfff en moet 100 gr m hebben voor die 200 en 240 monsters omdat hij alles gemengt heeft voor 140.’

Op 22 augustus 2013 vraagt [medeverdachte 1] per mail aan [medeverdachte 2] : ‘Ben je hier? Heb techn support nodig voor bb.’. Op 23 augustus 2013 mailt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] : ‘ [aliasnaam 8] wilt me morgenvroeg even zien. Volgens mij wat vragen over pgp en klokken. Het is dat jij het weet.’61

Op 23 augustus 2013 is er een OVC-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]62:

[medeverdachte 2] : “Oh.. Ik heb jou gister vier en een half gegeven… vier.”

[medeverdachte 1] : “Ja.”

[medeverdachte 2] : “Nou is het een rond getal. Nou klopt het.”

[medeverdachte 1] : “Wacht effe”

[medeverdachte 2] : “Nou is het drie vijf.”

[medeverdachte 1] : “Ja eh… wacht effe… even kijken [medeverdachte 2] … maar heb jij mij in totaal vijf en zes…”

[medeverdachte 2] : “Drie vijf.”

[medeverdachte 1] : “Wat? Drieduizendvijfhonderd?”

[medeverdachte 2] : Nee vijfendertig. In totaal vijfendertig.”

[medeverdachte 1] : “Ah zo even kijken, jij hebt vijf en negen is veertien… hoe bedoel je?”

[medeverdachte 2] : “Of niet…”

[medeverdachte 1] : “Nee man. Veertien en zes…”

[medeverdachte 2] : “Oh nee ja veertig bedoel ik veertig sorry.”

[medeverdachte 1] : “Nee veertien en zes, plus twintig… maar die twintig daar heb je al A voor, daar gaat het nu om.”

[medeverdachte 2] : “Nee, daarom nee maar dat moet je allemaal voor die A rekenen.”

[medeverdachte 1] : “Ja nee, dat is na hier.”

[medeverdachte 2] : “Ja daar allemaal is voor die eh… dus dan krijg je…”

[medeverdachte 1] : “Zes, dus ik schrijf nu zes op… en dan gaat…”

[medeverdachte 2] : “Dus je krijgt nog tien van hem… Dan heb je die eerste plans (fon.) al gedaan. Snap je? Probeer ik vandaag op te halen…”

[medeverdachte 1] : “Ja ik heb het zelf opgeschreve…”

[medeverdachte 2] : “Die probeer ik vandaag nog op te halen.”

[medeverdachte 1] : “Moeten A bij hebben.”

Uit bovenstaand OVC-gesprek in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen waaronder het emailverkeer leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] voortdurend op de hoogte houdt van de financiële resultaten.

Op 28 augustus 2013 vraagt [medeverdachte 1] per mail aan [medeverdachte 6] of hij 100 stuks kan meegeven aan [aliasnaam 5] . Die zal over 5 minuten bij [medeverdachte 6] zijn. [medeverdachte 6] mailt terug dat hij ( [aliasnaam 5] ) dan moet wachten want hij is er nu mee bezig.’63

De volgende dag informeert [medeverdachte 1] per mail bij [medeverdachte 2] hoe de verkoop is verlopen. [medeverdachte 2] laat weten dat hij er druk mee bezig is. De eerste 100 komen goed en met de volgende 100 is hij ook bezig. [medeverdachte 1] vraagt hoe zijn schema is met verkoop vandaag en morgen. [medeverdachte 2] antwoordt dat 20 is uitgeleverd en dat dadelijk 30 wordt uitgeleverd en in de loop van de dag als het meezit nog 50. Nu is hij nog met de resterende 100 bezig. ‘Maar nu moet eerst de A eruit. Met die laatste 100 heb ik wel moeite om die meteen voor zaterdag weg te werken. En daar moet ik even voor A aan de slag.’ [medeverdachte 1] bericht dat die A nu het belangrijkst is.’

Bovenstaande mail in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen ziet de rechtbank ook als een voorbeeld van [medeverdachte 1] leidinggevende rol in relatie tot [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] stelt de prioriteiten en aan hem wordt gerapporteerd.

Op 22 september 2013 mailt [verdachte] [medeverdachte 1] met de vraag hoe het zit met de M. ‘Als ze allemaal goed zijn kan ik ze allemaal kwijt met pap als de prijs goed is.’ De politie interpreteert dit als contant afrekenen.

Dezelfde dag is er ook een mailwisseling tussen [medeverdachte 1] en het onbekende contact ‘ [persoon 8] ’. [medeverdachte 1] wil [persoon 8] spreken in verband met weer een nieuwe order en vraagt of er morgen nog M komt. Hij meldt ook dat hij verkoop heeft voor ’50 st direct pap.’ [persoon 8] laat weten: ‘Oke geef ik je 50 poeder.’ [medeverdachte 1] schrijft: ‘Laat [persoon 7] met [aliasnaam 4] kontact opnemen morgen. Ik zie jou om 10.30u.’ [persoon 8] laat nog weten dat het poeder is dat een beetje glinstert, het is mooi spul en zijn jongens merken met verwerken dat het top sterk is.

[medeverdachte 1] geeft dezelfde dag per mail aan [verdachte] door dat ze morgen vroeg M kunnen krijgen:

[verdachte] : Okay mooi hoeveel? Kleur brokken of poeder en voor welke prijs.’

[medeverdachte 1] : ‘Ik kan wel zeuren voor 42 inkoop.’

[verdachte] : ‘Beetje zeuren hoord erbij.’

[medeverdachte 1] : ‘Hoe wel rekening dat het top spul is zeer krachtig dus probeer toch voor 46.’

[verdachte] : ‘Ok is van originele p gemaakt?’ ‘Kan denk max 45 voor poeder krijgen.’

[medeverdachte 1] : ‘Dan is het de vraag: 50x200=10k / 3=3.33k pp. Of dat de moeite is. Misschien wordt het 50x300=15k/3=5k pp.’

[verdachte] : ‘Pap os pap op het moment dus of nu 10 of 15 is ja toch en als snel door kan drukken is goed toch.’

[medeverdachte 1] : ’43 krijg ik niet omlaag.’

[verdachte] : “Ok probeer 46.’

Een dag later mailt [medeverdachte 1] met [persoon 11] . [persoon 11] laat weten dat hij 1 miljoen tickets heeft van 200 en hij vraagt naar de prijs van 50 M. [medeverdachte 1] antwoordt dat de prijs van M 4500 is. Als de kwaliteit goed is wil [persoon 11] 50 hebben.

Dezelfde dag stuurt [medeverdachte 1] een bericht naar [medeverdachte 6] : ‘Van als ik het vergeet: kan je de dieren inlichten dat dinsdag [persoon 9] 4 vaten van 250L per vat komt brengen. ( Het is niks bijzonders) kan jij misschien busje overnemen bij praxis daar.’ [medeverdachte 6] laat weten dat dat geen probleem is.

[medeverdachte 2] stuurt op 29 september 2013 de volgende mail naar [medeverdachte 1] : ‘Heeft iedereen M. Krijg net weer 50 stuks glas voor maandag aangeboden. Van nog iemand anders weer 30 stuks. Ik kan we’ll een en ander verkopen maar wacht op jouw spullen. Wat krijgen we precies. Die 5 poeders trouwens die verkopen we ook maar want anders komt het geld misschien te laat voor maandag. En dan pakken we later wel poeders.’ [medeverdachte 1] vraagt wat ze voor glas vragen. [medeverdachte 2] antwoordt dat de een 43 vraagt, dan weer 45 maar op aantallen gaat prijs naar beneden. Alles is goed want hij heeft een aanvraag voor 46,5. Winst is winst.

[verdachte] stuurt op 28 september 2013 de volgende e-mail aan [medeverdachte 1] : ‘Hoi goede avond hoe gaat ie? Vraagje domi vraagt me of ik hem goeie lady kan leveren als okay kan ie 10stuk doen. Maar wil weten of dat wel mag van jou of dat ok is.’

[medeverdachte 1] : ‘Nee niet doen. [aliasnaam 7] is lid van een grote groep die bevriend is met mij en mijn partner. Als er iets fout gaat hebben we en groot groepsprobleem met anderen die van niks weten want er zijn andere belangen. Hij kan dat eigenlijk niet maken. En behalve dat: ik kan al toppers leveren voor 30,5 en ik doe het niet. Perfect dat je ff overlegt.’ ‘Je kan het hem best uitleggen als je dat je wil’. [verdachte] laat per mail weten dat hij hem ( [aliasnaam 7] ) al heeft gezegd dat hij heeft overlegd en dat ze geen zaken kunnen doen.

De rechtbank ziet in bovenstaande mail ook een aanwijzing voor de ondergeschikte rol van [verdachte] aan [medeverdachte 1] . [verdachte] beslist niet zelfstandig aan wie hij verkoopt, maar zoekt daarover eerst afstemming met [medeverdachte 1] .

Op 29 september 2013 ontvangt [medeverdachte 1] een mail van [persoon 11] die vraagt of [medeverdachte 1] hem poeder en kristal kan geven. [medeverdachte 1] antwoordt dat dat kan en [persoon 11] mailt: ‘Morgen sms me hoe laat 105K geven aan mij vr. Ik zie je 8 of 9 oct bij jou.’

Dezelfde dag stuurt [verdachte] de volgende mail aan [medeverdachte 1] : ‘Vraagje. Wat met die 5 m poe. Kan ik die nog laten tikken? Zijn ze dinsdag klaar. Of moet je pap hebben? Dan stellen samples van 200 wel even uit. Of moet ff kijk wat met pap kan regelen dat ze zelf kan pappe.’

[medeverdachte 1] antwoordt: ‘Ik moet morgen 105k hebben uit 25st glas en 5st poeier. Dus het kan ff wachten. Morgen ochtend krijgen we glas. Weet nog geen tijd.’

Op 30 september 2013 vindt in de ochtend de volgende e-mailwisseling plaats tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] :

[medeverdachte 2] : ‘Ik weet niet wat je eventueel met [aliasnaam 9] hebt gepland ivm M, maar ik weet dus niet wat wij met onze klanten moeten bespreken. Die 5 poeders verkopen we morgen en appen we sowieso morgen. Tegen welk tijdstip heb je de pap nodig. Morgen verlopen als goed is onze pgps. Morgen in de loop van de dag ontvangen we twee nieuwe pgps.

  • -

    [aliasnaam 5] : [pgp adres 1]

  • -

    [aliasnaam 9] : [pgp adres 2]

[medeverdachte 2] : ‘Gaan die 25 stuks morgen door of niet.’

[medeverdachte 1] : ‘Als het goed is komen die spullen vandaag.’

[medeverdachte 2] : ‘Ja maar weet je geen tijd? Of hoeft er vandaag niet betaald te worden.’

[medeverdachte 1] : ‘Ongeveer 12u. Vandaag moet er wel betaald worden.’

[medeverdachte 2] : ‘Dan moet je ook even een klant zoeken want kan nu pas hoe of wat gaan informeren. Moment ga eens ff alles controleren.’ ‘Maar is we’ll zeker glas of niet.’ ‘Is M er al’?’

[medeverdachte 1] : ‘ [aliasnaam 4] staat meteen in verbinding met cahauf tota.’

[medeverdachte 2] : ‘ [aliasnaam 4] heeft nog niks…’

Dezelfde dag om 13.41 uur vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij om 14.45 u bij [aliasnaam 4] kan zijn voor glas. [medeverdachte 2] antwoordt; ‘Ja maar weet niet of ik alles nog voor vandaag verkocht krijg…’

Dezelfde dag om 14.05 mailt [medeverdachte 1] naar [verdachte] : ‘ [aliasnaam 5] krijgt over half uur dat glas maar zit te huilen dat ie zn spullen niet verkocht krijgt vandaag. Kan je hem ff helpen? Je moet ff 3 gram eruit halen en apart als monster afgeven aan diegene die de pap van het glas moet krijgen en dat die unit weer netjes dichtmaken.’ [verdachte] mailt terug dat hij om half vier glas kan aanpakken en: ‘Ga ff rond mailen kan er wel wat weg doen.’

[medeverdachte 6] laat [medeverdachte 1] per mail weten dat hij net 25 heeft gekregen en gegeven. [persoon 9] komt morgen niet met 4 vaten. Dat is pas woensdag en dan zijn ze er niet. Wat te doen?

‘Top’, mailt [medeverdachte 1] . [medeverdachte 6] vraagt of [medeverdachte 1] ook over morgen heeft gelezen en [medeverdachte 1] schrijft: ‘Oh. Laat [persoon 9] naar dieren zelf gaan.’ ‘Ok dan geef ik adres?’, mailt [medeverdachte 6] .

[verdachte] vraagt per mail aan [medeverdachte 1] wat glas inkoop kost. [medeverdachte 1] antwoordt: 44.

[medeverdachte 2] mailt aan [medeverdachte 1] dat om 20 uur in Weert 5 poeders worden afgerekend. 13 Glas moet ’s avonds in Arnhem worden afgerekend en hij zit te wachten op iemand die nog 5 stuks wil. Daarvan moet de klant nog bevestigen en dan is er nog een klant die eigenlijk alles wil maar [medeverdachte 2] kan niet iedereen tegelijk aanbieden.

[verdachte] vraagt [medeverdachte 1] per mail of hij al iets over die ‘aa’ weet. [medeverdachte 1] zal het vragen.

[medeverdachte 1] mailt [medeverdachte 2] of hij kan doorgeven hoe het nu staat met de verkoop en stuurt een mailtje met precies diezelfde tekst een minuut later aan [verdachte] .

[medeverdachte 2] mailt [medeverdachte 1] met een nieuwe pgp [aliasnaam 5] [pgp adres 3] VIP.

‘Hey. Waarom heb je een 2e pgp?’, vraagt [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 2] : ‘Eerste 13 worden nu weg gebracht met pap. Dat brengen we je vanavond en die 5 poeders ook zo met pap.’

[medeverdachte 1] : ‘Hoeveel units zijn er verkocht en pap ontvangen?’

[medeverdachte 2] : We zitten zo op 13 units en 5 poeders met pap.’

[medeverdachte 1] : ‘Ok. Mooi. Vandaag de hele dag griep. Morgenochtend heb ik rechtzaak scheiding. Leo om 10u. daarna. Kan je dan?

[medeverdachte 2] : ‘Ik maak we’ll tijd. Morgen is zeker alles verkocht met pap.’

[medeverdachte 1] : ‘Ok.’

[medeverdachte 2] : ‘Je moet mijn pgp adres veranderen. Dit is mijn nieuwe. Die oude is weg. We hebben zoals je ziet nu domeinhosting uit Colombia. ‘

[medeverdachte 1] : ‘Type je nieuwe adres voor mij en stuur. Ik kan niet zien of jouw pg eindigt met .com of .co.’

Tot slot is er een mailwisseling tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] waarin [verdachte] op de vraag hoe het staat met de verkoop aangeeft dat de eerste 13 zijn verkocht.

De politie vermeldt in het proces-verbaal dat met glas vermoedelijk glaswerk wordt bedoeld dat wordt gebruikt tijdens de fabricage van synthetische drugs. De rechtbank betwijfelt of dat in de context van bovenstaande e-mails juist is, bijvoorbeeld omdat glas in verband wordt gebracht met samples, en het de rechtbank ambtshalve bekend is dat ‘glass’ ook een benaming is voor methamfetamine.

Op 30 september 2013 in de avond mailt [verdachte] aan [medeverdachte 1] : ‘Heyy, mijn pgp is verlopen heb nu een ander kaartje erin. Eerste 13 zijn verkocht mail je zo nog.’

Notities in de BlackBerry van [medeverdachte 1]

In de BlackBerry van [medeverdachte 1] staat een onderdeel ‘Notities’. Hierin heeft de politie onder meer het volgende aangetroffen:

In het blad Notities onder 8: de titel ‘ [X] ’:

Betaald op 200kgP:

15.000 17-8

5.000 17-8

5.000 17-8 [aliasnaam 5] lening

20.000 20-8 [persoon 8]

9.000 21-8 [aliasnaam 5]

20.000 21-8 voorschot A

6.000 22-8 [aliasnaam 5]

4.000 22-8

Totaal 86K

------------------------------

Saf; 3000 wij

3000 [persoon 11]

4000 fabr

Betaald: 50k aanb saf (150)

2,5k 5% 14-9

In het blad Notities onder 19: de titel ‘Ontvangen’:

25000 [aliasnaam 5] 5-7 ivm lady

1plaat afg 1100 8-7 sl naar [aliasnaam 10] .

760 A tot nu toe ontv [persoon 6]

200 A ont [persoon 6] 28-8

117.500st tick ontv [persoon 6]

37.100 [aliasnaam 5]

9.000 [aliasnaam 5] ivm met [persoon 10]

20.000 [aliasnaam 5] 16-7

25.900 [aliasnaam 5] 17-7

2.000 [aliasnaam 5] 20 - 7 ( [aliasnaam 4] )

26.000 [aliasnaam 5] ivm (tikkets+A)

39.000 [aliasnaam 5] 1-8

10.000 [aliasnaam 5] 6-8

5.950 [aliasnaam 5] 7-8

5.950 [aliasnaam 5] 7-8

25.000 [aliasnaam 7] 13-8

60.000 [persoon 8] 13-8

10.000 [persoon 8] 3-9

1.000 [aliasnaam 8] 30-8

In onderling verband en samenhang bezien met de e-mailberichten concludeert de rechtbank dat bovenstaande lijstjes de administratie bevatten van de handel in verdovende middelen en grondstoffen voor drugs.

Tussenconclusie

Uit de inhoud van de BlackBerry van [medeverdachte 1] zoals hierboven weergegeven trekt de rechtbank de conclusie dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 6] zich gedurende de ruim drie maanden waarover het berichtenverkeer zich uitstrekt gezamenlijk hebben beziggehouden met kort gezegd de handel (in- en verkoop) in harddrugs en drugsprecursoren zoals apaan en formamide. Die onderlinge samenwerking was gezien de hoeveelheid communicatie, de inhoud ervan en de hoge frequentie intensief en gestructureerd.

Zaaksdossiers 1A en 1B

In de zaaksdossier 1A en 1B staan twee locaties in Eindhoven centraal: de [adres 1] en de [adres 2] . Dit zijn twee appartementen met bergingen die de politie tijdens de actiedag op 1 oktober 2013 is binnengevallen en heeft doorzocht. De politie beschrijft met betrekking tot beide panden de resultaten van de doorzoekingen.

Verdovende middelen [adres 1]

Op 1 oktober 2013 is forensisch onderzoek verricht in en nabij een woning aan de [adres 1] te Eindhoven. De woning betrof een appartement in een appartementencomplex en was gelegen op de tweede verdieping. Door de verbalisanten werden in het appartement onder meer de volgende stoffen aangetroffen en nader onderzocht:

  • -

    SIN AAFO0546NL (referentie spoornummer: OPO44.04.01.006), brokje bruin poeder van 5,27 gram. Uitslag: Inconclusive. Monster van 2,2 gram genomen, met SIN AAEF6685NL.

  • -

    SIN AAFO0545L (referentie spoornummer: OPO44.04.03.001), rose poeder van 109,05 gram. Gestest met TrueNarc voor amfetamine. Monster van 4 gram genomen, met SIN AAEF6691NL.

  • -

    SIN AAFO0547NL (referentie spoornummer: OPO44.04.01.005), 5 groene pillen. Uitslag: Inconclusive. Monster van 5 pillen genomen, met SIN AAEF6692NL.

Na de doorzoeking van de woning werd een bij dit appartement behorende berging doorzocht. Hierbij werden diverse mogelijke verdovende middelen aangetroffen. In een jumbo boodschappentas zat een verpakking met bruine korrels en in een zwarte plastic draagtas zaten 5 verpakkingen met een wit poeder. Door de verbalisanten werden de verpakkingen met de bruinachtige korrels en één verpakking met het witte poeder getest met de TrueNarc. Tijdens deze test was de uitslag van de bruine korrels MDMA en de uitslag van het witte poeder amfetamine.64

De forensische opsporing heeft vervolgens drie verpakkingseenheden ontvangen die waren aangetroffen tijdens de doorzoeking in de berging behorende bij perceel [adres 1] te Eindhoven. Deze betroffen onder andere het navolgende:

- In verpakkingseenheid 1 zat een witte plastic draagtas met daarin een zwarte plastic draagtas. In deze zwarte draagtas zaten 5 gesealde plastic pakketten met daarin een witte substantie. De 5 pakketten waren allen dubbel geseald verpakt.

o Pakket 1, gewaarmerkt AAER6314NL, had na weging een bruto gewicht van 1030 gram. De witte substantie in de sealzak werd getest met de MMC amfetamine test. Deze test was positief op amfetamine. Een monster van 5 gram uit pakket 1 werd gewaarmerkt AAEI9202NL.

o Pakket 2, gewaarmerkt AAER6312NL, had na weging een bruto gewicht van 1020 gram. De witte substantie in de sealzak werd getest met de MMC amfetamine test. Deze test was positief op amfetamine. Een monster van 5 gram uit pakket 2 werd gewaarmerkt AAEI9203NL.

o Pakket 3, gewaarmerkt AAER6320NL, had na weging een bruto gewicht van 1030 gram. De witte substantie in de sealzak werd getest met de MMC amfetamine test. Deze test was positief op amfetamine. Een monster van 6 gram uit pakket 3 werd gewaarmerkt AAEI9204NL.

o Pakket 4, gewaarmerkt AAER6323NL, had na weging een bruto gewicht van 1040 gram. De witte substantie in de sealzak werd getest met de MMC amfetamine test. Deze test was positief op amfetamine. Een monster van 5 gram uit pakket 4 werd gewaarmerkt AAEI9205NL.

o Pakket 5, gewaarmerkt AAER6325NL, had na weging een bruto gewicht van 1050 gram. De witte substantie in de sealzak werd getest met de MMC amfetamine test. Deze test was positief op amfetamine. Een monster van 6 gram uit pakket 5 werd gewaarmerkt AAEI9206NL.

- In verpakkingseenheid 3 zat een plastic boodschappentas met het opschrift “JUMBO”. In deze tas zat een transparante gesloten sealzak met daarin bruine brokken. De bruine brokken uit de sealzak werden netto gewogen en werden getest met de MMC XTC/MDMA test. Deze test was positief op MDMA. Het gewicht bedroeg 5000 gram. Een monster van 5 gram bruine brokken werd gewaarmerkt AAEI9207NL.65

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) d.d. 10 december 2013 volgt onder meer dat de monsters met kenmerk AAEF6685NL en AAEF6692NL beiden MDMA bevatten. Tenslotte volgt uit het rapport dat het monster met kenmerk AAEF6691NL amfetamine en 4-methylamteamine bevat. Amfetamine, 4-methylamfetamine en MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) zijn vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.66

Uit het rapport van het NFI d.d. 23 oktober 2013 volgt voorts dat het monster met kenmerk AAEI9207NL MDMA bevat. Uit het rapport volgt voorts dat de monsters met de kenmerken AAEI9202NL, AAEI9203NL, AAEI9204NL, AAEI9205NL en AAEI9206NL voornamelijk amfetamine als werkzame stof bevatten. Naast amfetamine is eveneens een lagere concentratie van methylamfetamine aangetoond (indicatief: circa een tiende deel ten opzichte van amfetamine). Van de drie mogelijke methylamfetamines (2-, 3- of 4-methylamfetamine) is alleen 4-methylamfetamine vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet. Met de gebruikte methode kan geen uitsluitsel worden gegeven welke van de drie methylamfetamines het betreft. Amfetamine en MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) zijn vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.67

Verdovende middelen en apaan [adres 2]

Op 1 oktober 2013 heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden in de woning aan de [adres 2] te Eindhoven. De woning betrof een appartement op de vijfde verdieping. De bij de woning behorende berging bevond zich op de begane grond van het appartementencomplex. Tijdens dit onderzoek werden in de berging onder meer de volgende stoffen aangetroffen en ander onderzocht:

  • -

    SIN AAEE1704NL (IBN code: EC778.08.01.001), draagtasje met sealzak inhoudende een donkerkleurig kristalachtig materiaal van 5 kg netto. Uitslag: positief MDMA. Monster: AADN5164NL.

  • -

    SIN AAEE1701NL (IBN code: EC778.08.01.002), draagtasje met sealzak inhoudende een donkerkleurig kristalachtig materiaal van 5 kg netto. Uitslag: positief MDMA. Monster: AADN5169NL.

  • -

    SIN AAEE1703NL (IBN code: EC778.08.01.003), draagtasje met sealzak inhoudende een donkerkleurig kristalachtig materiaal van 5 kg netto. Uitslag: positief MDMA. Monster: AADN5163NL.

  • -

    SIN AAEE1702NL (IBN code: EC778.08.01.004), draagtasje met sealzak inhoudende een donkerkleurig kristalachtig materiaal van 3 kg netto. Uitslag: positief MDMA. Monster: AADN5165NL.

  • -

    SIN AAEE1705NL (IBN code: EC778.08.01.005), draagtasje met 2 sealzakken inhoudende een donkerkleurig kristalachtig materiaal van totaal 10 kg netto. Uitslag: positief MDMA. Monster: AADN5162NL.

  • -

    SIN AAEE1710NL (IBN code: EC778.08.01.010), gripzak met crèmekleurige stof van 255 gram netto. Monster: AADN5161NL.

  • -

    SIN AAEE1711NL (IBN code: EC778.08.01.011), gripzak met crèmekleurige stof van 94 gram netto. Monster: AADN5159NL.

  • -

    SIN AAEE1712NL (IBN code: EC778.08.01.012), gripzak met witte poeder/brokjes van 270 gram netto. Monster: AADN5158NL.

  • -

    SIN AAEE1713NL (IBN code: EC778.08.01.013), sealzak met crèmekleurige stof van 890 gram netto. Monster: AADN5160NL.

  • -

    SIN AAEE1714NL (IBN code: EC778.08.01.014), 1 roze tablet los in doos.

  • -

    SIN AAEE1719NL (IBN code: EC778.08.01.017), draagtas inhoudende twee plastic zakken met witte substantie van totaal 2000 gram netto. Monsters: AADN5151NL en AADN5156NL.

  • -

    SIN AAEE1716NL (IBN code: EC778.08.01.021), draagtas inhoudende 14 sealzakken met witte substantie van totaal 14.000 gram netto. Monsters: AADN5157NL, AADN5170NL, AADN5171NL, AADN5172NL, AADN5173NL, AADN5174NL.

  • -

    SIN AAEE1720NL (IBN code: EC778.08.01.024), draagtas inhoudende 6 sealzakken met witte substantie van totaal 6.000 gram netto. Monsters: AADN5154NL en AADN5155NL.

  • -

    SIN AAEE1724NL (IBN code: EC778.08.01.025), vuilniszak inhoudende een jerrycan met 20 liter vloeistof. Monster: AADN5139NL.

  • -

    SIN AAEE1725NL (IBN code: EC778.08.01.029), Jumbotas met vuilniszak inhoudende een jerrycan met 20 liter vloeistof. Monster: AADN5137NL.

  • -

    SIN AAEE1726NL (IBN code: EC778.08.01.027), Jumbotas met vuilniszak inhoudende een jerrycan met 20 liter vloeistof. Monster: AADN5138NL.

  • -

    SIN AAEE1728NL (IBN code: EC778.08.01.033), C-1000 tas met vijf jerrycans inhoudende een totaal van 24 liter vloeistof. Monsters: AADN5166NL, AADN5167NL, AADN5168NL.

  • -

    Monster SIN AADN5140NL (IBN code: EC778.08.01.033), uit AAEE1728NL (5 liter).

  • -

    Monster SIN AADN5142NL (IBN code: EC778.08.01.033), uit AAEE1728NL (5 liter).

  • -

    Monster SIN AADN5143NL (IBN code: EC778.08.01.033), uit AAEE1728NL (5 liter).

  • -

    Monster SIN AADN5144NL (IBN code: EC778.08.01.033), uit AAEE1728NL (5 liter).

  • -

    Monster SIN AADN5145NL (IBN code: EC778.08.01.033), uit AAEE1728NL (4 liter).

Er werd een positieve indicatie verkregen op de aanwezigheid van in totaal circa 23.329 gram netto aan amfetamine, circa 28.000 gram aan MDMA en circa 270 gram netto aan cocaïne.68

Daarnaast werden de volgende monsters genomen:

  • -

    SIN AAEE1707NL (IBN code: EC778.08.01.006), doos inhoudende een zilverkleurige sealzak met witte stof van 24.970 gram netto. Uitslag: positief apaan. Monster: AADN5148NL.

  • -

    SIN AAEE1706NL (IBN code: EC778.08.01.007), doos inhoudende een zilverkleurige sealzak met witte stof van 24.990 gram netto. Uitslag: positief apaan. Monster: AADN5150NL.

  • -

    SIN AAEE1708NL (IBN code: EC778.08.01.008), doos inhoudende een zilverkleurige sealzak met witte stof van 24.970 gram netto. Uitslag: positief apaan. Monster: AADN5153NL.

  • -

    SIN AAEE1709NL (IBN code: EC778.08.01.009), doos inhoudende een zilverkleurige sealzak met witte stof van 24.970 gram netto. Uitslag: positief apaan. Monster: AADN5146NL.

  • -

    SIN AAEE1717NL (IBN code: EC778.08.01.015), doos inhoudende een zilverkleurige sealzak met witte stof van 24.990 gram netto. Uitslag: positief apaan. Monster: AADN5175NL.

  • -

    SIN AAEE1718NL (IBN code: EC778.08.01.016), doos inhoudende een zilverkleurige sealzak met witte stof van 24.970 gram netto. Uitslag: positief apaan. Monster: AADN5147NL.

  • -

    SIN AAEE1722NL (IBN code: EC778.08.01.022), doos inhoudende een zilverkleurige sealzak met witte stof van 24.990 gram netto. Uitslag: positief apaan. Monster: AADN5152NL.

  • -

    SIN AAEE1723NL (IBN code: EC778.08.01.023), doos inhoudende een zilverkleurige sealzak met witte stof van 24.970 gram netto. Uitslag: positief apaan. Monster: AADN5149NL.

Er werd een positieve indicatie verkregen op de aanwezigheid van in totaal 199.820 gram apaan.

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) d.d. 13 november 2013 volgt het navolgende:

  • -

    De monsters ‘lichtgele vloeistof’ met de kenmerken AADN5137NL, AADN5138NL, AADN5139NL, AADN5140NL, AADN5142NL, AADN5143NL, AADN5144NL en AADN5145NL bevatten amfetamine. Ook de monsters ‘crèmekleurige vloeistof kristallijn poeder’ met de kenmerken AADN5151NL, AADN5156NL, AADN5154NL, AADN5155NL, AADN5157NL, AADN5166NL bevatten amfetamine. Dit geldt eveneens voor het monster ‘crèmekleurig geklonterd poeder’ met kenmerk AADN5161NL, en tenslotte ook voor de monsters ‘crèmekleurige substantie’ met de kenmerken AADN5166NL, AADN5167NL, AADN5168NL, AADN5170NL, AADN5171NL, AADN5172NL, AADN5173NL en AADN5174NL.

  • -

    Het monster ‘monster crèmekleurig poeder en brokjes’ met kenmerk AADN5158NL bevat cocaïne.

  • -

    De monsters ‘beige kristallen en poeder’ met de kenmerken AADN5162NL, AADN5163NL, AADN5164NL, AADN5165NL en AADN5169NL bevatten MDMA, evenals het monster ‘tablet (0,42 gram), roze, diepdruk: “db”, in een gripzakje’ met kenmerk AAEE1714NL.

  • -

    Het monster ‘lichtgeel geklonterd poeder’ met kenmerk AADN5159NL en het monster ‘crèmekleurig geklonterd poeder’ met kenmerk AADN5160NL bevatten amfetamine en 4-methylamfetamine.

Cocaïne, amfetamine, MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en 4-MA (4-methylamfetamine) zijn vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

- De monsters ‘crèmekleurig kristallijn poeder’ met de kenmerken AADN5146NL, AADN5147NL, AADN5148NL, AADN5149NL, AADN5150NL, AADN5152NL, AADN5153NL en AADN5175NL bevatten apaan.

In relatie tot de productie van verdovende middelen is het bekend dat deze stof kan worden omgezet in benzylmethylketon (BMK), een grondstof voor o.a. amfetamine of metamfetamine.69

Samengevat is op het adres [adres 1] in totaal ruim 5 kilo amfetamine aangetroffen en ruim 5 kilo MDMA en op het adres [adres 2] in totaal ruim 23 kilo amfetamine, 28 kilo MDMA, 270 gram cocaïne en ongeveer 200 kilo apaan. Op basis van de omvang van deze partijen harddrugs en apaan concludeert de rechtbank dat het hier gaat om opslaglocaties.

Relatie [medeverdachte 2] tot het pand [adres 1]

Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] te Eindhoven heeft de politie onder meer schriftelijke bescheiden aangetroffen die gericht zijn aan [medeverdachte 2] , te weten:

  • -

    een nota van Brabant Water N.V. voor een bedrag van € 68,00 en gedateerd 29 juni 2013, gericht aan [medeverdachte 2] , [adres 1] , [postcode] Eindhoven. Op deze nota is met pen geschreven ‘2-7 Betaald’;

  • -

    een brief van ‘Endinet’, inzake de meteropname op het verbruiksadres [adres 1] , [postcode] Eindhoven, gedateerd 30 mei 2013 en gericht aan dhr/mevr [medeverdachte 2] ;

  • -

    een aantal stukken van UPC Nederland inzake het ‘Alles-in-1-Standaard pakket’, gedateerd 30 mei 2013 en gericht aan [medeverdachte 2] , [adres 1] , [postcode] Eindhoven, waarin [medeverdachte 2] als nieuwe klant wordt verwelkomd door UPC Nederland. Tussen deze stukken bevindt zich tevens een factuur van UPC Nederland, voor een bedrag van € 158,25 en gedateerd 25 juni 2013, gericht aan dhr. [medeverdachte 2] , [adres 1] , [postcode] Eindhoven. Op deze factuur is met pen geschreven ‘2-7’.70

Tijdens de doorzoeking in de woning heeft de politie ook 4 doosjes van mobiele telefoons inbeslaggenomen. In een berghok werd op/in een witte box 1 doosje (verpakking) van mobiele telefoons aangetroffen. In de woonkamer, werden op/in een dressoir 3 doosjes (verpakking) van mobiele telefoons aangetroffen. Hieronder bevond zich een verpakking met de gegevens: Telefon Komorkowy Blackberry 9790, Black, met IMEI: [IMEI nummer] . . Het IMEInummer van deze telefoon komt overeen met het IMEInummer van de inbeslaggenomen Blackberry, die is aangetroffen op de [adres 3] te Eindhoven, onder beslagnummer GC004.01.02.001.71 De politie heeft gerelateerd, zakelijk weergegeven, dat het adres [adres 3] te Eindhoven het GBA-adres van [medeverdachte 2] betreft.72

Uit door Vesteda Property Management BV verstrekte gegevens volgt dat vanaf 2006 mevrouw [medeverdachte 16] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , de woning [adres 1] huurt. Bij het pand wordt een berging gehuurd. Ambtshalve is het bekend dat mevrouw [medeverdachte 16] de dochter is van [medeverdachte 1] en dat zij daadwerkelijk woonachtig is op het adres [adres 4] te Eindhoven.73

Op 14 februari 2013 om 10:21:24 uur vindt er een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 16] . Uit de OVC-opname van dit gesprek volgt onder meer het navolgende:

[…]

Sessie 2

[medeverdachte 1] : “Weet je wat je nu alvast wel kan doen als de telefoon werkt, afspraak maken dat ze de bel komen maken. Vesteda bellen en afspraak maken dat ze de sleutels komen…”

[medeverdachte 16] : “ja dat kan ik dadelijk doen, ik zal eerst proberen zelf die sleutel te doen…

[medeverdachte 1] : “Dan is dat in ieder geval, want dit flatje dat houden we aan.”

[medeverdachte 16] : “Want? O ja dat heb je gezegd.”

[medeverdachte 1] : “ [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 2] gaat er waarschijnlijk wonen. [medeverdachte 2] wil niet de hele tijd bij zijn moeder zitten en dit is te betalen. We laten het dus helemaal zoals het is, je blijft die flat houden, ik wil die flat ook houden, ik weet niet waarom, je weet maar nooit.”

Op 23 maart 2013 om 19:19:44 uur vindt er een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en een NN-man, vermoedelijk [persoon 2] . Uit de OVC-opname van dit gesprek volgt onder meer het navolgende:

[…]

Sessie 17

NN-man vraagt hoe is het met dat ding is afgelopen, met [medeverdachte 2] ?

[medeverdachte 1] : … onverstaanbaar …. laten we zitten, voorlopig.

[…]

NN-man: en hoe is het met die andere?

[medeverdachte 1] : zijn maat?

NN-man: zit die in dat flatje?

[medeverdachte 1] : nee daar zijn ze weg.

NN-man: nu al?

[medeverdachte 1] : … onverstaanbaar… ja dat willen ze niet meer, dat is echt… onverstaanbaar

NN-man: hebben ze doorverhuurd?

[medeverdachte 1] : ja, volgens mij wel. Of nee, ze hebben toch wel betaald. Hebben betaald tot oktober. Maar ja ik vond het op een gegeven moment toch niet meer zo best. Al een paar keer eehh… zitten…

NN-man: echt een depressief flatje.

[medeverdachte 1] : dat sowieso. Hijzelf pakt het flatje van [medeverdachte 16] . Dat is een hele leuke flat, daar gaat hij ook echt wonen. Hij woont nog wel bij zijn moeder, maar dan heeft hij ook iets van zichzelf, waar hij meisjes kan uitnodigen en zo.

NN-man vindt [medeverdachte 2] een beetje kinderlijk.74

Op 8 juli 2013 om 15:39:56 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door een medewerker van Vesteda. Uit de weergave van dit telefoongesprek volgt het navolgende:

Medewerker vraagt of hij spreekt met [medeverdachte 16] . [medeverdachte 2] zegt: “Ja daar spreekt u mee”. Medewerker zegt dat de huur van juni nog niet is overgemaakt en dat er een betalingsherinnering is gestuurd. [medeverdachte 2] zegt dat hij geen factuur heeft ontvangen en dat hij de betaling zal overmaken. 75

Op 15 juli 2013 om 15:59:04 uur belt [medeverdachte 2] zijn moeder, mevrouw [naam moeder] . Uit de weergave van dit telefoongesprek blijkt het navolgende:

[…]

[medeverdachte 2] zegt dat ze anders naar het appartement van [medeverdachte 16] (ng+fon) moet komen.

[naam moeder] zegt ok.

[medeverdachte 2] zegt dat hij daar nog wel even is en dat daar een overstroming is en dat hij het moet fixen.

[naam moeder] zegt ok.

Gesprek gaat verder over dat [naam moeder] naar het appartement van [medeverdachte 16] moet komen.

[naam moeder] vraagt wat het nummer is.

[medeverdachte 2] zegt dat [naam moeder] moet bellen als ze er is, omdat ze niet kan aanbellen.

[medeverdachte 2] zegt dat hij dan naar beneden moet lopen.

[medeverdachte 2] zegt bij nummer 40 daar. […]76

Overweging van de rechtbank over het beheer van de [adres 1] in Eindhoven

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien kon [medeverdachte 2] , in ieder geval vanaf medio 2013, als heer en meester over het appartement – en daarmee over de daarbij behorende berging – aan de [adres 1] beschikken. [medeverdachte 16] is volgens de verhuurder de officiële huurster van deze woning. Uit de OVC-gespreken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 16] respectievelijk [persoon 2] in februari en maart 2013 volgt dat [medeverdachte 2] de woning van [medeverdachte 16] zal gaan bewonen. Tijdens de doorzoeking zijn er vervolgens facturen gevonden van voorzieningen die het appartement betreffen en die op naam zijn gesteld van [medeverdachte 2] . Deze facturen dateren van 30 mei 2013 en 29 juni 2013. Op 8 juli 2013 wordt [medeverdachte 2] gebeld door een medewerker van de verhuurster. Tijdens dit gesprek deelt [medeverdachte 2] mee dat hij ‘ [medeverdachte 16] ’ is en zegt hij toe een achterstallige betaling te regelen. Uit een tapgesprek van 10 juli 2013 blijkt dat [medeverdachte 2] toegang heeft tot het appartement. Ook geeft [medeverdachte 2] op 15 juli 2013 instructies aan zijn moeder met betrekking tot het brengen van een bezoek aan dit appartement. Tenslotte is er 1 oktober 2013 een verpakking aangetroffen van een BlackBerry, die op het GBA-adres van [medeverdachte 2] is inbeslaggenomen.

Relatie [medeverdachte 2] tot het pand [adres 2]

Uit de huurovereenkomst zelfstandige ruimte van het appartement aan de [adres 2] te Eindhoven volgt dat dit appartement vanaf 27 oktober 2004 door [persoon 12] wordt gehuurd van Woningstichting SWS.77 Op 7 juni 2013 heeft [persoon 12] aangevraagd dat [medeverdachte 2] als tijdelijke huisbewaarder zal optreden vanwege haar tijdelijke arbeid of studie in het buitenland. Dit formulier is door hen beiden ondertekend.78

Op 8 juli 2013 vindt er om 20:56:05 uur een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en een NN-vrouw. Dit gesprek luidt onder meer als volgt:

[…]

NN-vrouw vertrekt morgenvroeg naar Curaçao.

NN-vrouw zegt plotseling: van wie is die schuur beneden he… godverdomme… he?

[medeverdachte 2] : ik zit er zelf nooit.

NN-vrouw: je moet die schuur leeghalen man, want mijn moeder komt die fiets ophalen binnenkort, als ze dat ziet gaat ze echt flippen. Ik ben vandaag die koelkast gaan halen dus ik zag iets, ik zei O...

[medeverdachte 2] : meen je dat want ik zie die jongen nou.

NN-vrouw: ja maar die jongen heeft gezegd dat is niet van mij, ik weet niet van wie dat is.

[medeverdachte 2] : o, dan ga ik er nou heen, weet ik effe voldoende, dat vind ik helemaal super

NN-vrouw: maakt niet uit, maar ik wil die shit echt weg. Weet je de woningbouw heeft tegen mij gezegd, ik heb die vandaag gesproken, hun zeggen omdat het de [adres 2] is kan ik sowieso niet voor een lange periode. Ze houden het elke keer bij, want ze zeiden de [adres 2] is altijd met wiet en shit, dus ze gaan het nou extra in de gaten houden, dus please geen shit in mijn huis.

[medeverdachte 2] : ik heb de sleutel niet eens man.

[…]

[medeverdachte 2] : nee ik heb geen sleutel of niks, maar er is wel een andere persoon die een sleutel heeft en daar ga ik nou heen, dan gaan we effe mooi met z’n drietjes zitten. Hij zal (onverstaanbaar) als (…) geen sleutel hebt. […]79

Uit de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Eindhoven volgt, zakelijk weergegeven, dat [persoon 13] vanaf 21 december 2011 staat ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] Eindhoven.80

Verklaring getuige [persoon 13] over de adressen [adres 1] en [adres 2]

Op 1 oktober 2013 heeft de getuige [persoon 13] verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij sinds half augustus woont op het adres [adres 2] te Eindhoven. [persoon 13] huurt deze woning van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] is een donkere Surinaamse jongen, 31 jaar, kort haar, stevige jongen en bijna 2 meter groot. [persoon 13] heeft verklaard dat hij 850 euro per maand betaald aan [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] dit weer aan ‘haar’ betaalt. [persoon 13] kent haar niet, hij heeft haar maar één keer ontmoet. Zij woont in het buitenland. Het mobiele telefoonnummer van [medeverdachte 2] is [telefoonnummer 1] . [persoon 13] heeft [medeverdachte 2] leren kennen tijdens een schildersklus bij een maat, [persoon 14] . [persoon 13] heeft verklaard dat hij nooit in de berging is geweest. Hij wist niet van het bestaan van die berging en heeft er ook geen sleutel van gekregen. Volgens [persoon 13] heeft [medeverdachte 2] hem nooit over die berging verteld.81

Bij de politie heeft [persoon 13] op 15 januari 2014 verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij [medeverdachte 1] in 2006 heeft leren kennen, toen hij in de woning van een zekere [persoon 14] werkte. Toen [persoon 13] bij [medeverdachte 1] in het appartement aan het werk was, kwam hij [medeverdachte 16] tegen. Zij vertelde hem dat zij een stiefdochter van [medeverdachte 1] was. Op enig moment had hij geen woon- of verblijfplaats. [persoon 13] kwam [persoon 14] tegen en deze zei tegen hem dat hij ging verhuizen en dat zijn appartement vrij kwam. Dit appartement was gelegen aan de [adres 1] te Eindhoven. [persoon 14] huurde dit appartement van [medeverdachte 16] . [persoon 14] vertelde [persoon 13] dat als hij een overeenkomst zou kunnen krijgen met [medeverdachte 16] , [persoon 13] dit appartement dan kon huren. [persoon 13] is toen met een kopie van het huurcontract en een handtekening van [medeverdachte 16] naar de gemeente Eindhoven gegaan en heeft zich op het adres [adres 1] te Eindhoven laten inschrijven.

Toen [medeverdachte 17] zijn relatie was verbroken heeft [persoon 13] aangeboden dat [medeverdachte 17] bij hem in de woning kon gaan wonen. [persoon 13] is daarna in Helmond gaan wonen waar [medeverdachte 2] contact met hem opnam. [medeverdachte 2] vroeg [persoon 13] of hij het appartement gelegen aan de [adres 1] wilde opknappen. [medeverdachte 2] wilde in het appartement gaan wonen. [persoon 13] had aan [medeverdachte 2] aangegeven dat hij ook nog steeds op zoek was naar woonruimte. [medeverdachte 2] bood hem een appartement aan gelegen aan de [adres 2] te Eindhoven. Dit appartement zou van een meisje zijn, dat op dat moment in het buitenland verbleef. Eind juli, begin augustus 2013 is [persoon 13] in het appartement gelegen aan de [adres 2] te Eindhoven gaan wonen. [medeverdachte 2] vertelde hem dat op de galerij rechts naast de voordeur een berging zat waar de spullen van het meisje opgeslagen lagen. [persoon 13] is nog nooit in deze berging geweest. Hij heeft daar nooit een sleutel van gekregen of gezien. Hij heeft alleen van [medeverdachte 2] één sleutel van de voordeur gekregen. Verder heeft hij van [medeverdachte 2] één elektronische sleutel (druppel) gekregen zodat hij toegang kreeg tot de ingang van het appartementencomplex. [medeverdachte 2] was zelf ook in het bezit van de sleutels van dit appartement. [persoon 13] heeft nooit geweten dat er beneden ook een schuur zat. Een paar dagen voor de politie-inval kwam er een Marokkaanse vriend van [medeverdachte 2] langs. [persoon 13] weet de naam van deze vriend niet, maar weet wel dat het de maat van [medeverdachte 2] was. Hij kwam gewoon zonder aankondiging binnen in het appartement. Hij had daar kennelijk een sleutel van. Deze vriend had voor [persoon 13] in het appartement aan de [adres 2] gewoond. [persoon 13] heeft deze vriend twee à drie keer ontmoet, één keer voordat hij in het appartement aan de [adres 2] ging wonen en één keer een paar dagen voor de politie-inval. De eerste keer dat hij de vriend had gezien was bij het appartement aan de [adres 2] . [medeverdachte 2] liet [persoon 13] toen het appartement zien en deze vriend was daar aanwezig. [persoon 13] heeft deze vriend ook gezien toen hij aan het werk was aan de [adres 1] te Eindhoven.

Toen [persoon 13] in het appartement aan de [adres 1] te Eindhoven woonachtig was, was hij in het bezit van 2 sleutels van het appartement en 2 sleutels van de bijbehorende schuur. Toen [medeverdachte 17] bij hem in kwam wonen, heeft hij 1 setje sleutels aan [medeverdachte 17] gegeven. Toen [persoon 13] , en later [medeverdachte 17] , waren vertrokken uit het appartement zijn de sloten van het appartement vervangen door [medeverdachte 2] met uitzondering van de centrale toegangsdeur. [persoon 13] heeft daar maar 2 maanden gewoond.

Op foto 1 heeft [persoon 13] [medeverdachte 1] herkend, op foto 2 [medeverdachte 17] en op foto 3 [medeverdachte 2] . Op foto 4 heeft [persoon 13] de vriend van [medeverdachte 2] herkend, waarvan hij de naam niet meer precies weet. 82

De rechtbank merkt met betrekking tot de fotoherkenning het volgende op. Bij het verhoor van [persoon 13] zitten vier bijlagen met in elke bijlage een foto. De politie heeft echter niet in het proces-verbaal vermeld wat de naam is van de man die op foto vier staat. De rechtbank heeft echter geen reden om te twijfelen dat het een foto van [verdachte] is, omdat dezelfde foto aan [medeverdachte 13] is getoond tijdens diens verhoor en daar vermeldt de politie in het proces-verbaal wèl dat een foto wordt getoond van [verdachte] .

Bij de politie heeft [persoon 13] op 16 januari 2014 nog verklaard, zakelijk weergegeven, dat de vriend van [medeverdachte 2] waar over hij eerder heeft verklaard (NN1) in zijn telefoon staat als ‘KKK Pooooo’ met nummer [telefoonnummer 2] . [persoon 13] belde hem op te kijken waar hij was en toen stuurde hij niet bellen, alleen whatsapp. [persoon 13] belde hem omdat hij hem de huur van de eerste maand heeft betaald. De huur van de [adres 2] ging volgens [persoon 13] altijd contant. [medeverdachte 2] zou het geld van de factuur aan [persoon 13] overmaken en [persoon 13] zou de huur aan [medeverdachte 2] contant terugbetalen. De eerste maand huur op de [adres 2] heeft hij contant gegeven aan die vriend van [medeverdachte 2] .83

Overweging van de rechtbank over het beheer van de [adres 2] in Eindhoven

Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] de huisbewaarder was tijdens de afwezigheid van de bewoonster [persoon 12] vanaf 9 juli 2013. Daarna heeft [medeverdachte 2] vervolgens de woning onderverhuurd aan [persoon 13] . Volgens [persoon 13] had hij zelf geen sleutel van de berging. Uit het tapgesprek tussen [persoon 12] en [medeverdachte 2] op 8 juli 2013 volgt dat [medeverdachte 2] kennelijk wel toegang tot deze berging kon krijgen en dat er die dag ‘shit’ in de berging lag die onmiddellijk verwijderd moest worden. [persoon 13] was op 1 oktober 2013 nog altijd woonachtig op de [adres 2] te Eindhoven en niet is gebleken van een verandering in de beheertaken van [medeverdachte 2] of de toegang tot het appartement.

Observaties en tapgesprekken met betrekking tot de [adres 2]

Op 10 januari 2013 wordt het perceel [adres 2] geobserveerd door de politie. Uit deze observatie volgt, zakelijk weergegeven dat om 12.30 uur [verdachte] met een zak met eten in zijn hand de flat aan de [adres 2] binnengaat. Omstreeks 16.48 uur worden [verdachte] en [medeverdachte 2] waargenomen bij hotel De [naam] in Leende terwijl zij een ontmoeting hebben met twee onbekende mensen die Duits en Nederlands spreken. Het observatieteam hoort dat de Nederlands-sprekende man aan [verdachte] vraagt hoe het met [medeverdachte 2] ging. Vervolgens werd gehoord dat [verdachte] tweemaal ‘ [adres 2] ’ zei. Later op de dag wordt waargenomen dat [medeverdachte 2] de parkeerplaats van de [adres 2] oprijdt, in de richting van de flat loopt en met [verdachte] en een onbekende man de flat ingaat.84

In een tapgesprek op 19 januari 2013 om 1.18 uur wordt [verdachte] gebeld door een onbekende man. [verdachte] vraagt of de man er is. De onbekende man zit nog in de auto. [verdachte] zegt dat hij maar op de bel moet drukken. De man weet het nummer niet en [verdachte] zegt: “ [adres 2] ”.

Dezelfde avond wordt [verdachte] gebeld door een onbekende vrouw aan wie hij vertelt dat hij nu in Eindhoven woont.85

Op 4 februari 2013 belt [verdachte] naar [persoon 15] . [persoon 15] is er en vraagt welk nummer. [verdachte] zegt: “ [adres 2] ”. [verdachte] maakt open.86

Op 6 februari 2013 wordt [medeverdachte 1] geobserveerd. Om 10.59 uur rijdt hij in een Volkswagen Polo ( [kenteken 1] ) weg bij zijn woning in gezelschap van een onbekende man op de passagiersstoel. Om 11.12 uur parkeert [medeverdachte 1] op de [adres 2] in Eindhoven ter hoogte van een flat met het nummer 4. Om 12.34 uur ziet het observatieteam dat [medeverdachte 1] met de onbekende man naar buiten komt uit de portiek waarin ook perceel [adres 2] is gevestigd en dat beiden weer in de auto instappen en wegrijden.87

Op 15 februari 2013 wordt het perceel [adres 2] vanaf 08:30 uur geobserveerd door de politie. Uit deze observatie volgt, zakelijk weergegeven, dat [medeverdachte 2] om 12:12 uur en een onbekende man (NN1) voor de portiek stonden van het flatgebouw waarin onder andere perceel [adres 2] is gevestigd. [medeverdachte 2] belde aan bij één van de deurbellen. Om 12:13 uur gingen [medeverdachte 2] en NN1 de deur van de portiek binnen. Om 12:30 uur kwamen [medeverdachte 2] en NN1 uit de deur van de portiek. [medeverdachte 2] droeg op dat moment een witkleurige plastic tas. Om 12:31 uur stapten [medeverdachte 2] als passagier en NN1 als bestuurder in een personenauto, merk Audi , type A4, kleur wit en voorzien van Belgisch kenteken [kenteken 2] .

Om 13:19 uur kwam [verdachte] uit de portiek. Hij hield een zichtbaar gevulde blauwkleurige plastic tas van de Albert Heijn in zijn hand. Om 13:20 uur stapte [verdachte] als bestuurder en enige inzittende in de [kenteken 3] , met de blauwe tas in zijn hand, waarop deze [kenteken 3] vertrok. Deze werd vervolgens om 13:22 uur geparkeerd op een parkeerplaats van Winkelcentrum [naam] te Eindhoven, ter hoogte van supermarkt Albert Heijn. Een onbekende man stapte als passagier in de [kenteken 3] . Deze NN2 had niets zichtbaar in zijn handen bij het instappen. Om 13:31 uur stapte NN2 uit, met de blauwe tas in zijn hand. Hij liep naar een bedrijfsauto, merk Volkswagen, type Caddy en voorzien van kenteken [kenteken 4] en opende de achterdeuren van de laadruimte. NN2 borg de blauwe tas op in de laadruimte aan passagierszijde. Om 13:32 uur kwam NN2 uit de laadruimte van de [kenteken 4] , zonder blauwe tas. NN2 stapte als bestuurder en enige inzittende in de [kenteken 4] en vertrok. Om 13:33 uur liep [verdachte] vanaf de parkeerplaats richting de ingang van supermarkt Albert Heijn.88 De [kenteken 4] staat op naam van [persoon 16] en in het bedrijfsprocessensysteem van de politie staat een mutatie geregistreerd waarin deze [persoon 16] in verband wordt gebracht met het dealen van verdovende middelen. Het gaat om een melding van 26 juni 2012 dat er geregeld werd gedeald op het terrein van Vita Zorg en Welzijn. Die dag werd tussen een persoon in een personenauto en twee jongens geld gewisseld tegen een zakje met onbekende inhoud. De personenauto stond ook op naam van [persoon 16] .

Op 4 maart 2013 wordt het perceel [adres 2] vanaf 14:30 uur geobserveerd door de politie. Uit deze observatie volgt, zakelijk weergegeven, dat een man (later door het observatieteam herkend als [verdachte] ) bij een personenauto, merk Volvo, type S60, kleur zwart en voorzien van het kenteken [kenteken 5] , stond. Deze auto stond geparkeerd op de parkeerplaats bij een flatgebouw waarin onder andere [adres 2] is gevestigd. Om 17:02 uur liep [verdachte] naar een personenauto, merk Honda, type CRV, kleur grijs en voorzien van kenteken [kenteken 6] . [verdachte] keek aan de bestuurderszijde in de [kenteken 6] . [verdachte] liep naar de [kenteken 5] en stapte als bestuurder en enige inzittende in en vertrok. Om 17:09 uur stopte de [kenteken 5] op de parkeerplaats bij winkelcentrum [naam] ter hoogte van de Albert Heijn. [verdachte] stapte uit en maakte contact met de bestuurder van een bestelauto, merk Volkswagen, type Caddy, kleur rood en voorzien van kenteken [kenteken 4] . [verdachte] opende de kofferbak van de [kenteken 5] en pakte een zwart tasje van ongeveer 25 bij 15 centimeter uit de kofferbak. [verdachte] gaf dit aan NN2. NN2 legde het tasje in de laadruimte van de [kenteken 4] . NN2 werd herkend van de observatie van 15 februari 2013. NN2 stapte om 17:14 uur als bestuurder en enige inzittende in de [kenteken 4] stapte en vertrok. Om 17:15 uur stapte [verdachte] als bestuurder en enige inzittende in de [kenteken 5] en vertrok.89

De rechtbank merkt op dat de gedragingen zoals beschreven in de observaties van 15 februari 2013 en 4 maart 2013 alle schijn hebben van een mogelijke drugsdeal; een korte ontmoeting op een parkeerplaats waarbij men even bij elkaar in de auto zit, iets wordt overgedragen en men weer uit elkaar gaat.

Peilbakengegevens

De politie vermeldt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] gebruik maakten van een Volvo S 60 met het kenteken [kenteken 5] waaraan een peilbaken was geplaatst. In de periode tussen 30 december 2012 en 14 februari 2013 werd 29 maal een stop geregistreerd in de onmiddellijke omgeving van het pand [adres 2] in Eindhoven. [medeverdachte 2] maakte ook gebruik van een Audi met kenteken [kenteken 7] waaraan een peilbaken was geplaatst. In de dagen tussen 10 maart 2013 en 15 maart 2013 werden 19 stops geregistreerd in de onmiddellijke omgeving van de [adres 2] in Eindhoven.90

Slotsom van de rechtbank

Deelname aan een criminele organisatie (feit 9)

De rechtbank komt tot het oordeel dat er sprake is geweest van een criminele organisatie. Zij stelt aan de hand van de bewijsmiddelen daartoe het volgende vast.

Uit het e-mailverkeer in de BlackBerry van [medeverdachte 1] valt in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen op te maken dat zowel [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] als [medeverdachte 6] zich op grote schaal bezighielden met de in- en verkoop van diverse soorten synthetische drugs en precursoren. De e-mailberichten worden ondersteund door OVC-gesprekken. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de e-mailwisselingen tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] op 5 juli 2013 en het OVC-gesprek in de auto van [medeverdachte 1] waaraan zij op diezelfde dag ook alle drie deelnemen. De aard en de inhoud van de onderschepte communicatie laat redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat het hier gaat om handel in verdovende middelen, zeker nu elke verklaring van de zijde van verdachten volstrekt is uitgebleven. De genoemde aantallen in de notities in de BlackBerry van [medeverdachte 1] geven bovendien een indruk van de omvang van de handel. Die was aanzienlijk.

Wat betreft de onderlinge verhoudingen heeft [medeverdachte 1] een aansturende rol. Hij onderhoudt de contacten met producenten/leveranciers en afnemers en [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] verrichten de diverse uitvoerende werkzaamheden. Zo laat [medeverdachte 1] [medeverdachte 6] samples maken (e-mail van 5 juli 2013) en uit e-mail verkeer op 16 juli 2013 is op te maken dat [medeverdachte 6] een levering van 6 dozen pillen in ontvangst zal nemen, [verdachte] 200 A meeneemt en [medeverdachte 2] kan beginnen met de verkoop. [verdachte] houdt zich ook bezig met het afleveren van bijvoorbeeld pillen (zie het e-mail verkeer tussen 25 en 28 juli 2013) en [medeverdachte 2] int geld dat hij vervolgens afdraagt aan [medeverdachte 1] , zo volgt bijvoorbeeld uit mailverkeer tussen beiden op 29 en 31 juli 2013. De hoeveelheid ‘pap’, een term voor geld, wordt uitgedrukt in ‘K’ (1.000 euro) en wordt meestal genoemd in relatie tot leveringen van amfetamine(olie) en pillen. [medeverdachte 1] laat zich geregeld door [medeverdachte 2] en [verdachte] informeren over hoe de verkoop verloopt en geeft prioriteiten aan.

Uit de verklaring van [medeverdachte 13] blijkt dat [medeverdachte 2] alle soorten verdovende middelen kon leveren, zoals MDMA, xtc-pillen van 140 mg en cocaïne. [medeverdachte 13] kende [verdachte] in december 2013 ongeveer een jaar en ziet hem als de rechterhand van [medeverdachte 2] . De nauwe band tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] wordt ook bevestigd door de verklaring van [persoon 13] .

De rechtbank concludeert verder dat er intensief wordt samengewerkt. Het gaat hier niet om individuen die ‘ieder voor zich’ werken. Vrijwel dagelijks is er op verschillende momenten contact en er wordt efficiënt gecommuniceerd en afgestemd. Men heeft aan een half woord genoeg. Communicatie verliep via zogenaamde encrypted BlackBerries die alleen werden gebruikt om versleutelde e-mailberichten te versturen en te ontvangen. Hiertoe werden onderling e-mailadressen uitgewisseld. [medeverdachte 2] speelde een rol bij de organisatie van de BlackBerries, zo volgt ook uit zijn mails van 22 augustus en 30 september 2013. De rechtbank gaat dan ook niet mee in het verweer van de raadsman van [verdachte] dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] de (unieke) gebruiker is, te meer nu is gebleken dat [medeverdachte 2] op 30 september 2013 aangeeft dat ‘we’ twee nieuwe pgp’s ontvangen en wat de adressen van hemzelf en [verdachte] daarvan zijn. Ook [verdachte] laat die dag weten dat zijn kaartje was verlopen en dat hij een nieuw adres heeft. Dat duidt naar het oordeel van de rechtbank niet op incidenteel gebruik, maar op structureel gebruikerschap.

Verder wijst de rechtbank op de bergingen van de appartementen aan de [adres 1] en de [adres 2] in Eindhoven die gezien de grote hoeveelheden amfetamine, MDMA en apaan die daar werden bewaard, moeten worden beschouwd als opslaglocaties van het samenwerkingsverband. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat zowel [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] als [verdachte] in relatie zijn te brengen met deze ‘stashpanden’. Het gaat in de eerste plaats om de opslag van middelen waarin zij handelen en voortdurend met elkaar in contact staan, zo blijkt uit de onderschepte communicatie. Daarnaast worden zij er vanaf 10 januari 2013 soms alleen, soms in elkaars gezelschap gezien en [verdachte] gedraagt zich (komende van de [adres 2] ) op de parkeerplaats van het winkelcentrum de [naam] op 15 februari en 4 maart 2013 op een manier die alle schijn heeft van een drugsdeal. [medeverdachte 2] houdt zich bezig met de huur van beide locaties en ook [medeverdachte 1] is hier blijkens de onderschepte communicatie geheel van op de hoogte.

Het oogmerk van de organisatie was gericht op de handel in synthetisch drugs, de handel in precursoren en daarmee op voorbereidings- en bevorderingshandelingen in het kader van de productie van synthetische drugs. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 6] een substantieel aandeel gehad in de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Tot slot wordt uit de bewijsmiddelen hun bewuste betrokkenheid bij de organisatie en het opzet op het oogmerk van de organisatie om opiumwetmisdrijven te plegen afgeleid.

Partiële vrijspraak [verdachte]

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van [verdachte] zich concentreerden op de handel in synthetische drugs en op voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot synthetische drugs en dat hij in tegenstelling tot [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] onvoldoende in verband kan worden gebracht met bijvoorbeeld de invoer van verdovende middelen of precursoren vanuit het buitenland. Van dat onderdeel wordt hij daarom vrijgesproken. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat dat [verdachte] deelnam aan een crimineel samenwerkingsverband met de andere in de tenlastelegging vermelde verdachten ( [medeverdachte 11] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 8] , [persoon 17] , [persoon 18] en [persoon 19] ). Ook van deze gedeelten van de tenlastelegging wordt [verdachte] vrijgesproken.

Feit 1 (zaaksdossier 1) Vrijspraakoverweging feit 1: [verdachte]

De rechtbank zal [verdachte] hiervan vrijspreken omdat op basis van de bewijsmiddelen niet is vast te stellen dat [verdachte] op genoemde data en tijdstippen MDMA en/of amfetamine heeft verkocht of aanwezig heeft gehad.

Feit 2 (zaaksdossier 1 – [adres 1] en [adres 2] te Eindhoven)

Onder feit 2 wordt [verdachte] verweten dat hij op 1 oktober 2013 op twee adressen – te weten: de [adres 1] en de [adres 2] in Eindhoven – samen met één of meer anderen verdovende middelen aanwezig heeft gehad.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de politie op 1 oktober 2013 in totaal 28 kilogram amfetamine, 33 kilogram MDMA en 270 gram cocaïne heeft aangetroffen op de adressen [adres 1] en [adres 2] te Eindhoven.

De rechtbank heeft ook al overwogen dat [medeverdachte 2] vanaf medio 2013 als heer en meester kon beschikken over het appartement inclusief de berging aan de [adres 1] en dat hij de beheerder was van het appartement en de berging aan de [adres 2] .

Voorts heeft de rechtbank hierboven wettig en overtuigend bewezen geacht dat [medeverdachte 2] en [verdachte] met onder anderen [medeverdachte 1] deel uitmaakten van een crimineel samenwerkingsverband dat zich in ieder geval tot 1 oktober 2013 bezighield met de handel in harddrugs zoals amfetamine en MDMA. [medeverdachte 2] en [verdachte] verrichtten uitvoeringstaken waarvan het afleveren van bestelde drugs een belangrijk onderdeel was. Naar het oordeel van

de rechtbank dienden de bergingen van de genoemde appartementen als opslaglocaties voor voorraden verdovende middelen en precursoren.

Uit onderschepte communicatie is bovendien gebleken dat [verdachte] kennelijk op de hoogte was van en toegang had tot voorraden en uit diverse bewijsmiddelen blijkt dat hij ook bij de beide opslaglocaties is waargenomen. [persoon 13] heeft hem enkele dagen voor de politie-inval ook nog in het appartement aan de [adres 2] gezien onder omstandigheden waaruit [persoon 13] de conclusie trok dat [verdachte] over een sleutel beschikte.

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] op 1 oktober 2013 samen met anderen of een ander in totaal 28 kilogram amfetamine, 33 kilogram MDMA en 270 gram cocaïne voorhanden heeft gehad op de adressen [adres 1] en [adres 2] in Eindhoven.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte]

2.

op 01 oktober 2013 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, meermalen, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (5 kilogram op het adres [adres 1] en 23 kilogram op het adres [adres 2] ) en MDMA (5 kilogram op het adres [adres 1] en 28 kilogram op het adres [adres 2] ) en 270 gram cocaïne (op het adres [adres 2] ), zijnde amfetamine en MDMA en cocaïne, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in de periode gelegen in de maanden januari 2013 tot en met 1 oktober 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen (waartoe onder andere behoorden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, als genoemd in de Opiumwet, namelijk

- het verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en het aanwezig van (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet

en/of

- voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht op het bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet en artikel 10a, lid 1, van de Opiumwet

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De redelijke termijn

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

Het onderzoek Wolf / Beretta betreft een zeer omvangrijk dossier, met vele verdachten en met als basis niet één, maar twee grote en langdurige opsporingsonderzoeken. Gelet op de grote samenhang en verwevenheid tussen de zaken, acht het Openbaar Ministerie het niet meer dan logisch dat allereerst werd gekozen voor het in elkaar schuiven van de onderzoeken Wolf en Beretta en vervolgens voor een gelijktijdige afdoening van de zaken van de verdachten. Daarnaast acht het Openbaar Ministerie van belang dat het een criminele organisatie betrof die niet alleen ‘functioneerde’ op het Europese continent, maar onder meer ook in het Caribisch gebied en Zuid-Amerika. Volgens het Openbaar Ministerie is dit een reden voor verlenging van de redelijke termijn. Voorts stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat ook de vele onderzoekswensen van de verdediging in deze zaak een vertragende factor zijn geweest. Niet zozeer de hoeveelheid onderzoekswensen dient mee te wegen bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn moet worden opgerekt, dit is immers inherent aan de omvang van de zaak, maar het feit dat die onderzoekswensen tevens betrekking hadden op nader onderzoek buiten de Europese Unie dient wel mee te wegen bij de oprekking van de termijn.

Het Openbaar Ministerie stelt zich dan ook op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die een redelijke termijn van om en nabij de vier jaar rechtvaardigen. Dit betekent dat met het wijzen van vonnis op 29 maart 2018 deze termijn met enkele maanden wordt overschreden, maar het Openbaar Ministerie vindt niet dat die overschrijding tot strafreductie zou moeten leiden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank, gelet op de ruimschootse schending van de redelijke termijn, een daarbij passende strafkorting toe te passen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beoordeling of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn geldt als uitgangspunt dat een strafzaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan deze redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging kan worden ingesteld. Deze termijn van twee jaar kan verlengd worden indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Die bijzondere omstandigheden kunnen zien op de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, de invloed van de verdachte(n) en/of de raadslieden op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank weegt als bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de redelijke termijn wordt opgerekt mee dat de zaak Wolf-Beretta zeer omvangrijk is. Op verzoek van de verdediging van de verdachte en/of de medeverdachten zijn middels rechtshulpverzoeken getuigen gehoord in de Dominicaanse Republiek, Curaçao, België en Duitsland. Voor de afhandeling van deze rechtshulpverzoeken is men afhankelijk van de buitenlandse autoriteiten en daarmee gaat doorgaans veel tijd gemoeid.

Het Openbaar Ministerie stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn in belangrijke mate te wijten is aan de inwilliging van de onderzoekswensen van de verdediging, hetgeen voor rekening en risico van de verdediging komt. In de optiek van de rechtbank heeft de verdediging geen onderzoekswensen opgevoerd die de voortgang onevenredig of onredelijk hebben vertraagd. De verdediging heeft het recht onderzoekswensen op te geven en bij de vaststelling van een algemene redelijke termijn van twee jaar, is dit in bepaalde mate ook verdisconteerd. De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie dan ook niet in de stelling dat in dit geval de onderzoekswensen als bijzondere omstandigheid gelden die rechtvaardigen dat de redelijke termijn dusdanig wordt opgerekt dat er geen sprake meer zou zijn van een overschrijding.

De rechter-commissaris was eind 2016 nagenoeg gereed. Vanwege de vele verdachten, raadslieden en officieren van justitie die bij deze zaak betrokken waren heeft het plannen van de inhoudelijke behandeling van deze zaak de nodige voeten in de aarde gehad. Voor de behandeling waren vele zittingsdagen nodig. Het is niet gelukt om in 2017 data te vinden waarop alle betrokkenen beschikbaar waren. Om verder uitstel te voorkomen is daarom besloten de zaken deels vanaf medio november 2017 op zitting te behandelen en deels vanaf januari 2018.

Omdat de rechtbank van oordeel is dat deze gang van zaken -die het gevolg is van het onderdeel uitmaken van een grote zaak- niet volledig voor rekening en risico van de verdachten mag komen, houdt zij hier in het kader van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachten rekening mee.

De rechtbank concludeert dat, onder de gegeven omstandigheden, een overschrijding van de redelijke termijn met 12 maanden gerechtvaardigd is.

[verdachte] is niet aangehouden. Uit het dossier volgt dat waarschijnlijk ten behoeve van de regiezitting op 17 oktober 2014 in augustus/september 2014 een concept tenlastelegging is opgestuurd, waarna de advocaat zich per 8 september 2014 heeft gesteld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte uit dit toesturen van de concept dagvaarding redelijkerwijs de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Nu de exacte datum daarvan onduidelijk is, hanteert de rechtbank in het voordeel van verdachte 8 september 2014. Het tijdsverloop tussen de aanvang van de redelijke termijn en de uitspraak bedraagt ongeveer 3 jaar en zes maanden.

Dit brengt met zich mee dat, alles afwegende, in deze zaak er sprake is van een termijnoverschrijding voor de duur van 6 maanden. Als gevolg hiervan zal de rechtbank een strafkorting toepassen van 5%.

8 De straf en/of de maatregel

8.1

De vordering van de officier van justitie

Harddrugsgebruik levert grote gevaren op voor de gezondheid en gaat gepaard met allerlei soorten criminaliteit. Om aan geld voor drugs te komen, plegen gebruikers hinderlijke en soms ook ernstige strafbare feiten. Criminele organisaties die zich richten op de handel in verdovende middelen en precursoren bevorderen deze criminaliteit. Hun enige doel is veel geld verdienen ten koste van de gezondheid van anderen en de samenleving in het algemeen. Het Openbaar Ministerie zal tussen de leden van de criminele organisatie slechts een beperkt onderscheid in strafmaat maken. Aan de ene kant omdat ieder lid voor de organisatie van waarde was, aan de andere kant om te voorkomen dat de personen die zelf op de achtergrond bleven en de uitvoerende werkzaamheden inclusief bijbehorende risico’s overlieten aan anderen minder hard worden gestraft.

Met inachtneming van de bewezen verklaarde feiten, vordert het Openbaar Ministerie ten aanzien van [verdachte] een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, [verdachte] een zeer ondergeschikte rol heeft gespeeld: de loopjongen van de loopjongen. Een gevangenisstraf van 4 jaar, zoals deze door het Openbaar Ministerie is geëist, is dan ook buitenproportioneel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewezen is verklaard de deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van het op twee adressen te Eindhoven aanwezig hebben van in totaal 28 kilo amfetamine, 33 kilo MDMA en 270 gram cocaïne.

[verdachte] heeft gedurende een periode van ongeveer 10 maanden deel uit gemaakt van een crimineel samenwerkingsverband dat zich op grote schaal bezighield met de in- en verkoop van diverse soorten synthetische drugs en precursoren. Dit samenwerkingsverband bestond uit [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] . De aansturende rol van deze organisatie was weggelegd voor [medeverdachte 1] , en [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] verrichtten diverse uitvoerende werkzaamheden. [verdachte] en [medeverdachte 2] verkochten de synthetische drugs en informeerden vervolgens [medeverdachte 1] over het verloop van de verkoop. [medeverdachte 1] informeerde op zijn beurt dan [verdachte] en [medeverdachte 2] over de prioriteiten binnen de handel. [medeverdachte 13] omschrijft [verdachte] als ‘de rechterhand van [medeverdachte 2] ’ en ook [persoon 13] bevestigt de nauwe band tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] . De leden van de criminele organisatie werkten intensief samen. Vrijwel dagelijks was er op verschillende momenten contact en werd efficiënt gecommuniceerd en afgestemd. Voor de opslag van de drugs werd door de organisatie gebruik gemaakt stashpanden. [verdachte] was niet de loopjongen van de loopjongen, zoals de verdediging stelt, hij was als rechterhand van [medeverdachte 2] . Samen regelden zij de verkoop van de synthetische drugs en brachten op die manier feitelijk het geld binnen.

Het criminele samenwerkingsverband stelde alles in het werk om de handel zo voorspoedig mogelijk te laten verlopen: middels versluierd en verhuld taalgebruik, het gebruik van bijnamen en geëncrypte Blackberry’s werd getracht eventuele risico’s af te dekken en ontdekking te voorkomen.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen. Kortom, de productie van synthetische drugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Door onderdeel van zo’n organisatie uit te maken heeft [verdachte] zijn eigen geldelijke gewin boven het maatschappelijk belang gesteld.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] niet ter terechtzitting is verschenen. Dit is zijn goed recht, maar dit heeft tot gevolg dat hij niets naar voren heeft kunnen brengen omtrent zijn persoonlijke omstandigheden waar de rechtbank, als deze wel bekend zouden zijn geweest, eventueel rekening mee had kunnen houden. [verdachte] heeft een strafblad waarop eerdere Opiumwetdelicten voorkomen.

De straf

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan [verdachte] in beginsel een gevangenisstraf van 48 maanden opleggen. Vanwege de hiervoor genoemde termijnoverschrijding zal de straf 5% (afgerond, 2 maanden) lager uitvallen. Dit betekent dat een gevangenisstraf van 46 maanden wordt opgelegd.

De straf van 4 jaar is conform de door het Openbaar Ministerie geëiste straf. Omdat de rechtbank van oordeel is dat de redelijke termijn wél is overschreden, valt de uiteindelijke straf lager uit dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde straf.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 11a (oud) van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde feit 1;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte voor de feiten 2 en 3 tot een gevangenisstraf van 46 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. L Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker en

mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

(zaaksdossier 1)

hij in of omstreeks de periode van juni 2012 tot en met 1 oktober 2013, te

Eindhoven,in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen althans eenmaal opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA

(=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA (=MDEA) en/of

amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

I;

art. 2 onder B Opiumwet

2.

(zaaksdossier 7)

hij op of omstreeks 01 oktober 2013 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in

vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid

van een materiaal bevattende amfetamine (5 kilogram op het adres

[adres 1] en/of 23 kilogram op het adres [adres 2] )

en/of MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) (5 kilogram op het adres

[adres 1] en/of 28 kilogram op het adres [adres 2] )

en/of 270 gram cocaïne (op het adres [adres 2] ), zijnde

amfetamine en/of MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of cocaïne

(telkens) een middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art. 2 ahf/ond B/C/D Opiumwet

3.

(zaaksdossier 7)

hij in of omstreeks de periode gelegen in en/of tussen de maand(en)juni 2012

tot en met 1 oktober 2013 te Eindhoven en/of te Leende, in elk geval in

Nederland en/of te Antwerpen, in elk geval in België heeft deelgenomen aan een

organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke

personen (waartoe onder andere behoorden [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 11]

en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 10]

en/of [medeverdachte 8] en/of [persoon 17] en/of [persoon 18] en/of

[persoon 19] en/of een of meerdere tot nu toe onbekend gebleven

perso(o)n(en)), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer

misdrijven, als genoemd in de Opiumwet, namelijk

- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het

verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of het aanwezig

hebben en/of vervaardigen van (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de

Opiumwet danwel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

en/of

- voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht op het bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of

vervaardigen en/of het binnen en/of buiten Nederland brengen van (een)

middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens

artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of

- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het

verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of het aanwezig

hebben en/of vervaardigen van (een) middel(en) als bedoeld op lijst II van de

Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

(art. 11A Opiumwet)

1 Zie hieronder de noot bij de naam van de verdachte.

2 Proces-verbaal van bevindingen PGP telefoons, zaaksdossier 2, bijlage 220, pagina 2330.

3 Proces-verbaal van stemherkenning [medeverdachte 1] , zaaksdossier 2, bijlage 11, pagina 74.

4 Beslagdossier Beretta, Bijlage 96, pagina 1760 tot en met 2488.

5 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bijnaam van [medeverdachte 1] , persoonsdossier [medeverdachte 1] , bijlage 5, pagina 78.

6 Proces-verbaal van stemherkenning [medeverdachte 4] , personsdossier [medeverdachte 4] , pagina 5.

7 Proces-verbaal van bevindingen stemherkenning [medeverdachte 5] , zaaksdossier 2, bijlage 8, pagina 65.

8 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek ‘veilige BlackBerry’ [medeverdachte 5] , zaaksdossier 2, bijlage 174, pagina 1178.

9 Proces-verbaal van bevindingen PGP telefoons, zaaksdossier 2, bijlage 220, pagina 2327.

10 Proces-verbaal van bevindingen bijnamen [medeverdachte 5] , persoonsdossier [medeverdachte 5] , bijlage 5, pagina 28.

11 Proces-verbaal van bevindingen bijnamen [medeverdachte 5] , persoonsdossier [medeverdachte 5] , bijlage 5, pagina 27.

12 Proces-verbaal van bevindingen bijnamen [medeverdachte 5] , persoonsdossier [medeverdachte 5] , bijlage 5, pagina 27.

13 Proces-verbaal van bevindingen bijnamen [medeverdachte 5] , persoonsdossier [medeverdachte 5] , bijlage 5, pagina 27.

14 Proces-verbaal van bevindingen stemherkenning [medeverdachte 3] , zaaksdossier 2, bijlage 9, pagina 68.

15 Proces-verbaal van bevindingen aanvulling bijnamen [medeverdachte 3] ‘ [aliasnaam 3] ’, persoonsdossier [medeverdachte 3] , bijlage 3, pagina 8.

16 Proces-verbaal van bevindingen bijnamen [medeverdachte 3] ‘ [aliasnaam 3] / [aliasnaam 3] ’, persoonsdossier [medeverdachte 3] , bijlage 4, pagina 14.

17 Proces-verbaal van identificatie [medeverdachte 6] , persoonsdossier [medeverdachte 6] , bijlage 3, pagina 8.

18 Beslagdossier Beretta, pagina 3139 en 3240. 2e aanvullend algemeen dossier PV nummer: 2012001505 B, bijlagen 139 tot en met 143, pagina 3280 tot en met 3320.

19 Proces-verbaal van bevindingen, vaststelling identiteit [aliasnaam 4] , persoonsdossier [medeverdachte 6] , bijlage 4, pagina 17

20 Proces-verbaal van bevindingen, vaststelling identiteit [aliasnaam 4] , persoonsdossier [medeverdachte 6] , bijlage 4, pagina 17

21 Proces-verbaal stemherkenning [medeverdachte 7] , persoonsdossier [medeverdachte 7] , bijlage 2, pagina 5.

22 Proces-verbaal stemherkenning [medeverdachte 8] , persoonsdossier [medeverdachte 8] , pagina 4.

23 Proces-verbaal van stemherkenning [medeverdachte 2] , persoonsdossier [medeverdachte 2] , bijlage 2, pagina 5.

24 Beslagdossier Beretta, bijlage 164, pagina 2865 en 3017.

25 Proces-verbaal pv identificatie bijnaam ‘ [aliasnaam 5] ’, persoonsdossier [medeverdachte 2] , bijlage 3, pagina 8.

26 Proces-verbaal van bevindingen identificatie van [aliasnaam 5] zijnde [medeverdachte 2] , persoonsdossier [medeverdachte 2] , pagina 14.

27 Proces-verbaal van bevindingen stemherkenning [medeverdachte 9] , persoonsdossier [medeverdachte 9] , pagina 5.

28 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bijnaam van [medeverdachte 9] , persoonsdossier [medeverdachte 9] , pagina 8.

29 Proces-verbaal van bevindingen stemherkenning [medeverdachte 10] , zaaksdossier 2, bijlage 10, pagina 71.

30 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek ‘veilige BlackBerry’ telefoon Javiel [medeverdachte 10] , zaaksdossier 2, bijlage 175, pagina 1357 tot en met 1488.

31 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bijnaam [medeverdachte 10] , persoonsdossier [medeverdachte 10] , bijlage 3, pagina 9.

32 Proces-verbaal van bevindingen PGP telefoons, zaaksdossier 2, bijlage 220, pagina 2330.

33 Proces-verbaal van stemherkenning [medeverdachte 11] , persoonsdossier [medeverdachte 11] , bijlage 2, pagina 5.

34 Proces-verbaal van bevindingen ‘ [aliasnaam 8] ’, 1 augustus 2013, bzaaksdossier 2, bijlage 6, pagina 47.

35 Proces-verbaal van bevindingen ‘ [aliasnaam 8] ’, persoonsdossier [medeverdachte 11] , bijlage 5, pagina 20.

36 Proces-verbaal van stemherkenning, pv-nummer 30-448035, persoonsdossier 5 ( [medeverdachte 1] ), bijlage 2, pagina 3 tot en met 5.

37 Proces-verbaal van stemherkenning, pv-nummer 30-442394, persoonsdossier 7 ( [medeverdachte 2] ), bijlage 2, pagina 4 tot en met 6.

38 Proces-verbaal beslagdossier Beretta, pv-nummer 30-457102, d.d. 2 juni 2014, pagina 44 en NFI-rapport in bijlage 96 van dit beslagdossier, pagina 1762 tot en met 2437.

39 Proces-verbaal van bevindingen identificatie [medeverdachte 1] gebruiker Blackberry, pv-nummer 30-602363, persoonsdossier 5 ( [medeverdachte 1] ), bijlage 4, pagina 13 tot en met 21.

40 Proces-verbaal van bevindingen identificatie van [aliasnaam 9] zijnde [verdachte] , pv-nummer 30-513296, persoonsdossier 5 ( [medeverdachte 1] ), bijlage 4, pagina 22 tot en met 26.

41 Proces-verbaal van bevindingen identificatie van [aliasnaam 5] zijnde [medeverdachte 2] , pv nummer 30-532274, persoonsdossier 7, bijlage 3, pagina 14 tot en met 17.

42 Proces-verbaal van beluisteren en herbeluisteren OVC gesprek, zaaksdossier 6, bijlagen 130 en 131, pagina 1298 tot en met 1314.

43 Proces-verbaal van identificatie bijnaam ‘ [aliasnaam 5] ’, pv nummer 30-438682, persoonsdossier 7, bijlage 3, pagina 8 tot en met 12.

44 Proces-verbaal beluisteren OVC-gesprek, PV nummer 30-522938, zaaksdossier 7, bijlage 4, pagina 68.

45 Proces-verbaal van bevindingen vaststelling van de identiteit van [aliasnaam 4] , pv nummer 30-539130, persoonsdossier 8, bijlage 4, pagina 17 tot en met 37.

46 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pv-nummer 30-493586, persoonsdossier 18 ( [medeverdachte 13] ), bijlage 11, pagina 40 tot en met 49.

47 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pv-nummer 30-497346, persoonsdossier 18 ( [medeverdachte 13] ), bijlage 11, pagina 66 tot en met 70.

48 Proces-verbaal beluisteren OVC-gesprek d.d. 12 februari 2013, PV nummer 30-470568, zaaksdossier 7, bijlage 4, pagina 35 tot en met 40.

49 Proces-verbaal beluisteren OVC-gesprek, PV nummer 30-533118, d.d. 5 februari 2014, zaaksdossier 7, bijlage 26, pagina 516 tot en met 518.

50 Proces-verbaal beluisteren OVC-gesprek, pv nummer 30-510745, d.d. 17 januari 2014, zaaksdossier 1, bijlage 87, pagina 739 tot en met 741.

51 Proces-verbaal beluisteren OVC-gesprek, pv nummer 30-345673, d.d. 13 januari 2014, zaaksdossier 1, bijlage 88, pagina 744 tot en met 746.

52 Proces-verbaal beluisteren OVC-gesprek, pv nummer 30-400065, d.d. 24 juli 2013, zaaksdossier 1, bijlage 89, pagina 748 tot en met 752.

53 Proces-verbaal zaaksdossier ZD01.E, pv nummer 2012001505, d.d. 26 juni 2014, pagina 22.

54 Proces-verbaal beluisteren OVC gesprek, pv nummer 30-510982, d.d. 6 januari 2014, zaaksdossier 1, bijlage 91, pagina 757 tot en met 761.

55 Proces-verbaal Communicatie Blackberry van [medeverdachte 1] , pv nummer 30-528317A, d.d. 22 mei 2014, zaaksdossier 1, bijlage 231, pagina 1820 tot en met 1858, in combinatie met extractierapport NFI, bijlage bij pv nummer 30-528317, d.d. 20 februari 2014, bijlage 103, pagina 864 tot en met 919.

56 Proces-verbaal zaaksdossier ZD01.F (onderzoek synthetische drugs), pv nummer 2012001505, pagina 52.

57 Proces-verbaal Communicatie Blackberry van [medeverdachte 1] , pv nummer 30-528317A, d.d. 22 mei 2014, zaaksdossier 1, bijlage 231, pagina 1820 tot en met 1858, in combinatie met extractierapport NFI, bijlage bij pv nummer 30-528317, d.d. 20 februari 2014, bijlage 103, pagina 864 tot en met 919.

58 Proces-verbaal beluisteren OVC-gesprek, PV nummer 30-526487, 28 januari 2014, zaaksdossier 1, bijlage 100, pagina 805 tot en met 807.

59 Proces-verbaal Communicatie Blackberry van [medeverdachte 1] , pv nummer 30-528317A, d.d. 22 mei 2014, zaaksdossier 1, bijlage 231, pagina 1820 tot en met 1858, in combinatie met extractierapport NFI, bijlage bij pv nummer 30-528317, d.d. 20 februari 2014, bijlage 103, pagina 864 tot en met 919.

60 Beslagdossier Beretta, extractierapport NFI, pagina 1931-1933.

61 Beslagdossier Beretta, extractierapport NFI, pagina 1986 en p. 2311.

62 Proces-verbaal beluisteren OVC gesprek, PV nummer 30-510954, d.d. 6 januari 2014, zaaksdossier 1, bijlage 93, pagina 770 tot en met 772.

63 Proces-verbaal Communicatie Blackberry van [medeverdachte 1] , pv nummer 30-528317A, d.d. 22 mei 2014, zaaksdossier 1, bijlage 231, pagina 1820 tot en met 1858, in combinatie met extractierapport NFI, bijlage bij pv nummer 30-528317, d.d. 20 februari 2014, bijlage 103, pagina 864 tot en met 919.

64 Proces-verbaal van bevindingen forensisch onderzoek [adres 1] Eindhoven d.d. 8 oktober 2013, zaaksdossier 1, bijlage 8, pagina 72 tot en met 74.

65 Proces-verbaal testen wegens verdovende middelen locatie [adres 1] Eindhoven d.d. 9 oktober 2013, zaaksdossier 1, bijlage 9, pagina 76 en 77.

66 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 december 2013, door ing. P.H. Wallinga, zaaksdossier 1, bijlage 10, pagina 83 tot en met 85.

67 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 oktober 2013, ondertekend d.d. 23 oktober 2013, door ing. P.H. Wallinga, zaaksdossier 1, bijlage 11, pagina 87 en 88.

68 Proces-verbaal doorzoeking [adres 2] te Eindhoven d.d. 9 oktober 2013, zaaksdossier 1, bijlage 25, pagina 227 tot en met 232.

69 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 november 2013, door ing. P.H. Wallinga, zaaksdossier 1, bijlage 26, pagina 245 tot en met 247.

70 Proces-verbaal van bevindingen in het beslag, van de woning [adres 1] te Eindhoven, aangetroffen schriftelijke stukken i.r.t. [medeverdachte 2] d.d. 1 november 2013, zaaksdossier 1, bijlage 15, pagina 113 en 114, inclusief bijlagen op pagina’s 115 tot en met 122.

71 Proces-verbaal van bevindingen 4 doosjes van mobiele telefoons d.d. 7 november 2013, zaaksdossier 1, bijlage 14, pagina 109 tot en met 111.

72 Proces-verbaal Zaaksdossier ZD01.A (onderzoek synthetische drugs), locatie [adres 1] Eindhoven, pagina 17.

73 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens d.d. 20 september 2013, zaaksdossier 1, bijlage 5, pagina 47 en 48.

74 Proces-verbaal beluisteren OVC gesprek d.d. 1 mei 2013, zaaksdossier 1, bijlage 4, pagina 43 en 44.

75 Proces-verbaal Zaaksdossier ZD01.A (onderzoek synthetische drugs), locatie [adres 1] Eindhoven, pagina 7.

76 Proces-verbaal Zaaksdossier ZD01.A (onderzoek synthetische drugs), locatie [adres 1] Eindhoven, pagina 8.

77 Huurovereenkomst zelfstandige ruimte d.d. 27 oktober 2004, zaaksdossier 1, bijlage 19, pagina 154 tot en met 157.

78 Aanvraag huisbewaring (deel II) d.d. 7 juni 2013, zaaksdossier 1, bijlage 19, pagina 159 tot en met 164.

79 Proces-verbaal zaaksdossier ZD01.B (onderzoek synthetische drugs), locatie [adres 2] te Eindhoven, pagina 10.

80 GBA-uittreksel d.d. 15 augustus 2012, zaaksdossier 1, bijlage 5 bij bijlage 1 (Proces-verbaal identificatie gebruiker 06-34652406 d.d. 14 augustus 2012, pagina 10 tot en met 13.

81 Proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 13] d.d. 1 oktober 2013, Bijlage 28, pagina 254 en 255 van ZD01.

82 Proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 13] d.d. 15 januari 2014, Bijlage 16, pagina 124 tot en met 130 van ZD01.

83 Proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 13] d.d. 16 januari 2014, Bijlage 17, pagina 136 tot en met 139 van ZD01.

84 Proces-verbaal observeren 10 januari 2013, bijlage 18, p. 146 tot en met 150 bij ZD01.

85 Proces-verbaal zaaksdossier ZD01.B (onderzoek synthetische drugs), locatie [adres 2] te Eindhoven, pagina 7.

86 Proces-verbaal zaaksdossier ZD01.B (onderzoek synthetische drugs), locatie [adres 2] te Eindhoven, pagina 8.

87 Proces-verbaal observeren (door chef en observanten): woensdag 6 februari 2013, zaaksdossier 7, bijlage 31, pagina 898 tot en met 899.

88 Proces-verbaal observeren (door chef en observanten): vrijdag 15 februari 2013, zaaksdossier 1, bijlage 21, pagina 177 tot en met 188.

89 Proces-verbaal observeren (door chef en observanten): maandag 4 maart 2013, zaaksdossier 1, bijlage 22, pagina 190 tot en met 196.

90 Proces-verbaal zaaksdossier ZD01.B (onderzoek synthetische drugs), locatie [adres 2] te Eindhoven, pagina 12.