Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3402

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
6649208/AZ/18-19 11042018
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onterecht gegeven ontslag op staande voet; veeleer sprake van miscommunicatie dan van een weloverwogen ontslag; toekenning van een billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6649208 \ AZ VERZ 18-19

Beschikking van de kantonrechter van 11 april 2018

in de zaak van:

[verzoekende partij] ,

wonend [adres verzoekende partij] ,

[woonplaats verzoekende partij] ,

werknemer

gemachtigde mr. M.M.H. Lenaers,

verzoekende partij in het verzoek,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RESTAURANT PERRON 9 B.V.,

gevestigd te Weert,

werkgever,

verschenen bij haar directeur de heer [X] ,

verwerende partij in het verzoek.

Partijen zullen hierna [verzoekende partij] en Perron 9 worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 13 februari 2018 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- de op 26 maart 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [verzoekende partij] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mw. mr. M.M.H. Lenaers en namens
Perron 9, haar directeur de heer [X] .

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekende partij] , geboren op [geboortedag] 1997, is op 1 november 2017 bij Perron 9 in dienst getreden voor de duur van 5 maanden en vervulde laatstelijk de functie van leidinggevende bediende/hulpkok tegen een loon van € 1.100,00 netto per maand, exclusief vakantiebijslag.

2.2.

Op 14 december 2017 is [verzoekende partij] op een gegeven moment naar huis gegaan en heeft de directeur van Perron 9 [verzoekende partij] nageroepen dat hij niet meer hoefde te komen.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt thans – kort weergegeven – betaling van achterstallig loon over de periode van 1 november 2017 tot en met 14 december 2017, betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en betaling van een billijke vergoeding, een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente en veroordeling van Restaurant Perron 9 in de proceskosten.

3.2.

[verzoekende partij] stelt daartoe – zakelijk weergegeven – dat de directeur van Perron 9 op 14 december 2017 kort na aanvang van het werk had meegedeeld dat hij eerder naar huis kon gaan omdat het die dag vrij rustig was. Toen hij daarna daadwerkelijk naar huis ging heeft de directeur hem nageroepen dat hij niet meer terug hoefde te komen. Volgens [verzoekende partij] komt dit neer op een ontslag op staande voet, maar is dat onterecht gegeven. Er was immers geen enkele reden voor een ontslag. Vanwege de onregelmatige opzegging is Perron 9 een vergoeding verschuldigd van € 1.732,50. Verder stelt [verzoekende partij] dat hij op zoek is gegaan naar ander werk en dat hij sinds 1 februari 2018 werkzaam is voor een ander bedrijf. Dit betreft een arbeidsovereenkomst op oproepbasis zodat geen sprake is van een vast inkomen. Verder stelt [verzoekende partij] dat hij in het ontslag wenst te berusten. [verzoekende partij] is van mening dat Perron 9 ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zodat Perron 9 tevens een billijke vergoeding aan hem is verschuldigd. Volgens [verzoekende partij] is een vergoeding van € 1.155,00 netto redelijk. Voorts voert [verzoekende partij] aan dat hij recht heeft op achterstallig loon over de periode van 1 november tot en met 14 december 2017 ad € 1.650,00 netto. In mindering daarop heeft Perron 9 een bedrag van
€ 700,00 betaald, zodat resteert € 950,00 netto.

3.3.

Perron 9 heeft verweer gevoerd bij monde van haar directeur de heer [X] . Perron 9 stelt dat op 14 december 2017 aan het personeel werd meegedeeld dat het rustig was en dat de kans bestond dat men eerder naar huis kon gaan. [verzoekende partij] heeft dat kennelijk opgevat als een mededeling dat hij meteen naar huis mocht gaan en is kort daarop vertrokken. Het is mogelijk dat toen is gezegd dat hij niet meer terug hoefde te komen. Volgens Perron 9 heeft daarna een huisbezoek plaatsgevonden en werd met [verzoekende partij] afgesproken dat een bedrag van
€ 700,00 betaald zou worden. Dat was het bedrag voor de daadwerkelijk gewerkte uren omdat [verzoekende partij] een veelvuldig ziekteverzuim had. Perron 9 verkeerde dan ook in de veronderstelling dat een en ander netjes was afgewikkeld. Verbazend was vervolgens het door [verzoekende partij] ingenomen standpunt dat Perron 9 ernstig verwijtbaar had gehandeld. Perron 9 betwist dat daarvan sprake is geweest.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekende partij] heeft de onderliggende verzoeken tijdig ingediend, omdat deze zijn ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door Restaurant Perron 9 is beëindigd (artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

4.2.

Het geschil van partijen betreft de vraag of het door Perron 9 aan [verzoekende partij] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. In dat verband is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling helder geworden dat op 14 december 2017 veeleer sprake is geweest van een miscommunicatie dan van een ontslag op staande voet. De vraag of de directeur daadwerkelijk zou hebben gezegd dat er misschien eerder naar huis mocht worden gegaan kan in het midden blijven. Van belang is dat de directeur zich er van had moeten onthouden om aan [verzoekende partij] mee te delen dat hij niet meer terug hoefde te komen. Gelet op dit samenstel van feiten moet er vanuit worden gegaan dat geen sprake is geweest van een dringende reden die een onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigde.

4.3.

Nu geen sprake is van een dringende reden voor een onverwijlde opzegging van het dienstverband, betekent dit dat sprake is van een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, zodat [verzoekende partij] recht kan doen gelden op het loon over de opzegtermijn als bedoeld in artikel 7:672, lid 2, BW. De hoogte van dat bedrag ad € 1.732,50 netto is door Perron 9 niet betwist. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum indiening van het verzoekschrift, zijnde 13 februari 2018.

4.4.

Uit artikel 7:681, lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis is (ook) in het kader van artikel 7:681, lid 1, onderdeel a, BW voor toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist. In een geval als bedoeld in dat artikel is echter al invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid, als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Het geven van een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht, levert dus als zodanig al ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever op. Nu hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigde, is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Perron 9. Het verzoek van [verzoekende partij] om toekenning van een billijke vergoeding kan dus worden toegewezen.

4.5.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft echter geen specifiek punitief karakter en bij het begroten daarvan kan dus geen rol spelen welk bedrag voor de werkgever een ‘bestraffend’ effect heeft.

4.6.

In dat verband staat vast dat [verzoekende partij] feitelijk slechts zes weken voor Perron 9 heeft gewerkt. Voorts is van belang dat op 14 december 2017, zoals hiervoor reeds overwogen, veeleer sprake is geweest van een miscommunicatie en een impulsieve handeling van de directeur van Perron 9 dan van een weloverwogen aanzegging van een ontslag op staande voet. Mede is van belang dat [verzoekende partij] sinds 1 februari 2018 een nieuwe baan heeft aanvaard. Onder die omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de hoogte van de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag van € 500,00 netto. [verzoekende partij] heeft immers geen inkomensschade geleden door het ongeldige ontslag op staande voet. Door vergoeding van die schade wordt [verzoekende partij] naar het oordeel van de kantonrechter ook voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Perron 9, bestaande uit het geven van een ongeldig ontslag op staande voet. Perron 9 zal dus worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag ter zake van een billijke vergoeding. De gevorderde wettelijk rente

zal worden toegewezen vanaf 8 mei 2018, te weten 14 dagen na deze uitspraak, nu Perron 9 pas door deze uitspraak wordt veroordeeld de billijke vergoeding te betalen.

4.7.

Het door [verzoekende partij] verzochte achterstallige loon en vakantiebijslag over de periode van 1 november 2017 tot en met 31 december 2017 ad in totaal € 1.032,50 netto is door Perron 9 niet weersproken, zodat dit eveneens kan worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal worden bepaald op 50%, derhalve op een bedrag van € 516,25 netto. De wettelijke rente zal, bij gebreke van een specificatie, worden toegewezen vanaf de datum van indiening van het onderhavige verzoek, derhalve vanaf 13 februari 2018.

4.8.

Perron 9 zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [verzoekende partij] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht verzoek € 79,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2.0 punten x € 200,00 tarief)

Totaal € 479,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

4.9.

veroordeelt Perron 9 om aan [verzoekende partij] tegen bewijs van kwijting te betalen:

a. een bedrag van € 1.732.50 netto te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2018 tot de dag der voldoening,

b. een bedrag van € 1.548,75 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2018 tot de dag der voldoening en

c. een bedrag van € 500,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf
8 mei 2018 tot de dag der voldoening;

4.10.

veroordeelt Perron 9 in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 479,00;

4.11.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.12.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Rijksen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken.

type: FL

coll: