Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:339

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
6221072 cv expl 17-6515
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling facturen geleverde werkzaamheden.

In verband met dubbel in rekening gebrachte uren, vordering gedeeltelijk afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6221072 \ CV EXPL 17-6515

Vonnis van de kantonrechter van 17 januari 2018

in de zaak van:

[eisende partij] , h.o.d.n. [X],

wonend te [vestigingsplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde Vaessen Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen:

1 [gedaagde partij sub 1] , voorheen vennoot van [Y] V.O.F.,
wonend [adres gedaagde partij sub 1] ,
[woonplaats gedaagde partij sub 1] ,

2. [gedaagde partij sub 2], voorheen vennoot van [Y] V.O.F.,
wonend [adres gedaagde partij sub 2] ,
[woonplaats gedaagde partij sub 2] ,

gedaagde partij,

gedaagde sub 1 verschenen, mede namens gedaagde sub 2.

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is (nader) vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde partij] werkzaamheden verricht op het project De Dormig te Landgraaf en het project Maasveld te Maastricht. [gedaagde partij] was op deze projecten werkzaam voor [A] v.o.f.

2.2.

[eisende partij] heeft zijn werkzaamheden aan [gedaagde partij] (onder meer) als volgt in rekening gebracht:

a. factuur nr 27 d.d. 22 oktober 2013 ad € 1.037,50: betreft 23 gewerkte uren in week 37, 15 uren in week 38 (op woensdag 18 en donderdag 19 september 2013 ieder 7,5 uur) en 7,5 uur in week 39 (op woensdag 25 september 2013),

b. factuur nr 28 d.d. 22 december 2013 van € 112,00: betreft 3,5 gewerkte uur in week 39 (op dinsdag 24 september 2013),

c. factuur nr 29 d.d. 22 december 2013 van € 278,40: betreft 6,5 gewerkt uur in week 40 (op woensdag 2 oktober 2013),

d. factuur nr 30 d.d. 22 december 2013 van € 656,71: betreft 5,5 gewerkt uur in week 39 (op donderdag 26 september 2013) en 19,5 gewerkte uren in week 40 (op maandag 30 september 2013, dinsdag 1 oktober 2013 en woensdag 2 oktober 2013 telkens 6,5 uur),

e. factuur nr 31 d.d. 22 december 2013 van € 664,06.

De facturen 27 tot en met 30 hebben betrekking op het project De Dormig, factuur 31 op het project Maasveld.

De facturen vermelden geen betalingstermijn.

2.3.

Bij brieven van 19 februari 2016 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] aangemaand om de facturen met de nrs 27, 30 en 31 (zijnde een totaalbedrag van € 2.358,27) te betalen binnen 14 dagen. In deze aanmaningen heeft [eisende partij] telkens aanspraak gemaakt op 8% wettelijke rente

(€ 188,78 respectievelijk € 119,48, respectievelijk € 120,81).

2.4.

Op 21 oktober 2016, 21 november 2016 en 30 december 2016 heeft de incassogemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij] aangemaand.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 2.358,27 aan hoofdsom, € 353,74 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 261,92 aan wettelijke rente tot 25 juli 2017, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is de betaling van de hiervoren beschreven facturen met de nummers 27, 30 en 31. Na aanvankelijke betwisting daarvan heeft [gedaagde partij] de verschuldigdheid van factuur nr 31 van een bedrag van € 664,06 erkend, zodat dit bedrag toewijsbaar is.

4.2.

Bij factuur nr 27 zijn de gewerkte uren in de weken 37 (volledig), 38 (volledig) en gedeeltelijk 39 (gedeeltelijk) in rekening gebracht.

Ten aanzien van de uren uit de weken 37 en 38 heeft [gedaagde partij] geen verweer gevoerd. Ten aanzien van de gefactureerde uren uit week 39 heeft [gedaagde partij] gesteld dat [eisende partij] de uren uit deze week heeft verdeeld over drie facturen te weten nr 27, 28 en 30. [gedaagde partij] heeft echter niet betwist dat deze uren gewerkt zijn. Nu nergens uit blijkt dat een dergelijke verdeling c.q. spreiding niet is toegestaan en ook niet is gebleken dat de gewerkte uren dubbel in rekening zijn gebracht - factuur 27 brengt immers de op woensdag gewerkte uren in rekening, nr 28 de dinsdaguren en nr 30 die van de donderdag - zijn deze uren van deze factuur naar het oordeel van de kantonrechter verschuldigd nu zij onbetaald zijn gebleven. [gedaagde partij] zal dan ook veroordeeld worden tot betaling van deze factuur van € 1.037,50.

4.3.

Bij factuur nr 30 van € 656,71 zijn allereerst de op donderdag gewerkte uren van week 39 in rekening gebracht. Zoals in 4.2. overwogen zijn die uren toewijsbaar.

Daarnaast zijn de op maandag (6,5), dinsdag (6,5) en woensdag (6,5) van week 40 gewerkte uren in rekening gebracht. Met betrekking tot die 6,5 woensdaguren heeft [gedaagde partij] gesteld dat deze uren al bij factuur nr 29 (als enige uren) zijn gefactureerd (voor € 278,40). Factuur 29 is door [gedaagde partij] betaald op 10 maart 2014, zoals blijkt uit het bij dupliek overgelegde bankafschrift. [gedaagde partij] heeft als onderbouwing van zijn stelling de diverse weekstaten van week 39 en 40 overgelegd alsmede factuur 29. Deze weekstaten zijn door [eisende partij] voorzien van een stempel met zijn naam. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat deze door [eisende partij] zijn ingevuld. Nu de weekstaat die zich bij factuur nr 29 bevindt 6,5 uur aan gewerkte uren op woensdag vermeldt, kunnen deze uren naar het oordeel van de kantonrechter niet nogmaals bij factuur nr 30 gedeclareerd worden. De kantonrechter gaat er immers van uit dat [eisende partij] die woensdag geen 13 uur heeft gewerkt. Het verweer van [gedaagde partij] op dit punt zal dan ook worden gehonoreerd. Op het gevorderde bedrag van

€ 656,71 van factuur 30 zal dan ook een bedrag van € 278,40 in mindering worden gebracht, zodat een bedrag van € 378,31 toegewezen zal worden.

4.4.

Uit voorgaande volgt dat in totaal een bedrag van € 2.079,87 zal worden toegewezen.

[eisende partij] heeft daarover wettelijke rente gevorderd, die berekend tot 25 juli 2017 een bedrag van € 261,92 beloopt. Wettelijke rente is pas toewijsbaar vanaf het moment dat de wederpartij in verzuim is. [gedaagde partij] heeft betoogd dat zij niet de originele facturen kort na de factuurdatum heeft ontvangen en aangegeven dat zij pas hiervan (telefonisch) op de hoogte is gekomen begin 2016. [gedaagde partij] heeft echter niet betwist dat [gedaagde partij] bij schrijven dan 19 februari 2016 door [eisende partij] is gemaand de bedragen te betalen binnen 14 dagen. Aangezien [gedaagde partij] geen betaling heeft verricht, is zij na ommekomst van deze termijn in verzuim. Nu [eisende partij] de wettelijke rente vordert vanaf 5 maart 2016, zijnde de 15e dag na het schrijven van 19 februari 2016, is deze vordering toewijsbaar.

4.5.

[eisende partij] vordert verder een bedrag € 353,74 aan buitengerechtelijke incassokosten, kennelijk gerelateerd aan de Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

Partijen zijn geen consumenten en ook niet gebleken is dat de buitengerechtelijke incassokosten zijn gebaseerd op een overeenkomst waaruit de verschuldigdheid van deze kosten voortvloeit. Nu niet is gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [gedaagde partij] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van

€ 40,00 ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is.

4.6.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [eisende partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.7.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 91,60

  • -

    griffierecht 223,00

  • -

    salaris gemachtigde 300,00 (2 x tarief € 150,00)

totaal € 614,60

4.8.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 2.119,87 , vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 2.079,87 vanaf 5 maart 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 614,60,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: mjp

coll: