Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3377

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
03/659308-17, 03/238937-16 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 38m, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht. Naast andere vereisten, waaraan wel is voldaan, bepaalt artikel 38m, eerste lid, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht dat de rechter de ISD-maatregel kan opleggen indien ‘de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.’ Uit deze bewoordingen blijkt dat het opleggen van de ISD-maatregel heeft te gelden als een ultimum remedium, een laatste redmiddel. Nu uit zowel bovenstaand reclasseringsadvies als uit het strafblad van de verdachte blijkt dat behandeling en begeleiding binnen een voorwaardelijk strafkader niet eerder zijn geprobeerd, is het opleggen van een ISD-maatregel op dit moment prematuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03/659308-17 en 03/238937-16 (tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A. Dronkers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 maart 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Daarnaast is ter terechtzitting de vordering behandeld van de minderjarige benadeelde partij [benadeelde 3] . Ter zitting is de vordering toegelicht door haar ouders.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De in de tenlastelegging voorkomende kennelijke schrijffouten of misslagen zijn in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: een fiets heeft gestolen op 2 mei 2017;

Feit 2: een fiets heeft gestolen in de periode van 4 tot en met 10 juni 2017, dan wel deze fiets heeft geheeld;

Feit 3: een fiets heeft gestolen door middel van braak of verbreking op 7 juli 2017;

Feit 4: een fiets heeft gestolen op 23 juni 2017.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 2 primair niet bewezen en heeft gevorderd de verdachte hiervan vrij te spreken. Wel acht hij de feiten 1, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezen.


Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte, de camerabeelden en de herkenning van de verdachte als dader. Bij de herkenning zijn volgens de officier van justitie voldoende bijzondere kenmerken genoemd om ervan overtuigd te zijn dat de verdachte de dader is.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte en de verklaring van de verdachte over het verwerven van de fiets. Volgens de officier van justitie had de verdachte een onderzoeksplicht met het oog op de mogelijkheid dat de fiets was gestolen. Bij hem hadden alarmbellen moeten gaan rinkelen toen hij zag dat het slot van de fiets was geforceerd.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en de aanvankelijke verklaring van de verdachte dat hij zichzelf op de camerabeelden herkent als de persoon met de Action-tas.

Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte. Hierbij heeft hij opgemerkt dat ook een gestolen fiets kan worden gestolen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging naar voren gebracht dat er te weinig bewijs is voor een bewezenverklaring, nu:

  • -

    de verdachte ontkent dat hij de dader is;

  • -

    de verbalisant niet heeft gerelateerd dat zij de verdachte herkent, maar dat zij het loopje van de verdachte herkent;

  • -

    de verdachte niet is vervolgd voor de feiten van 25 februari 2017, waaraan de verbalisant de herkenning van de kleding van de verdachte heeft gekoppeld.

De verdediging heeft dan ook verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging naar voren gebracht dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde diefstal. Zij heeft verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde opzet-, dan wel schuldheling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman naar voren gebracht dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring, omdat:

  • -

    de verdachte ontkent dat hij de dader is;

  • -

    het niet logisch is dat de verdachte zich binnen een tijdsbestek van twee uur heeft omgekleed, terwijl de persoon op de camerabeelden op 7 juli 2017 rond 07:50 uur andere kleding droeg dan de persoon op de camerabeelden op 7 juli 2017 omstreeks 10:17 uur, terwijl het volgens de verbalisanten in beide gevallen ging om de verdachte.

De verdediging heeft dan ook verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte erkent de fiets te hebben weggenomen. Hij zou dit echter hebben gedaan met de bedoeling om te worden aangehouden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Feit 1

Op 2 mei 2017 heeft [benadeelde 1] aangifte gedaan van diefstal van haar fiets, gepleegd bij het Designer Outlet. Navraag bij een medewerker van de beveiliging van het Designer Outlet leerde haar dat de diefstal van haar fiets te zien was op de camerabeelden.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft deze camerabeelden bekeken en heeft de dader van de fietsendiefstal beschreven als een negroïde man, dragende een donkere jas met capuchon op zijn hoofd en een donkere broek. Volgens de verbalisant trok de man met zijn been. (pagina 54)

Ook verbalisant [verbalisant 2] heeft de camerabeelden bekeken. Zij heeft gerelateerd dat zij de loop van de dader herkende ‘als zijnde de loop van de mij ambtshalve bekende [verdachte] ’. Verder herkende zij het postuur en de kleding van de verdachte. Deze kleding zou hij ook bij de twee fietsendiefstallen op 25 februari 2017 hebben gedragen. (pagina 42)

Verder heeft verbalisant [verbalisant 2] gerelateerd dat zij op 23 juni 2017 dienst had op het politiebureau te Roermond op het moment dat de verdachte in vrijheid werd gesteld. Zij zag de verdachte door de hal van het politiebureau naar buiten lopen. Zij herkende zijn gezicht, zijn manier van lopen en zijn postuur als dat van de dader van de twee fietsendiefstallen op 25 februari 2017. (pagina 42)

In het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden van de diefstal op 25 februari 2017 worden beschreven, wordt bij het signalement van de dader echter niet verwezen naar zijn gezicht en evenmin naar zijn manier van lopen. Er wordt slechts gerelateerd dat het vermoeden bestond dat de verdachte de dader was. (pagina’s 30 en 31)

Gelet op deze vage herkenning, alsmede het feit dat de zaken tegen de verdachte met betrekking tot de diefstallen van 25 februari 2017 zijn geseponeerd vanwege het ontbreken van voldoende bewijs, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte de dader is van de diefstal van de fiets van [benadeelde 1] op 2 mei 2017. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

3.3.2

Feit 2

3.3.2.1 Feit 2 primair

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte de onder 2 primair tenlastegelegde fietsendiefstal heeft gepleegd en zal de verdachte hiervan vrijspreken. Hiertoe overweegt zij dat het enkele feit dat de verdachte op 7 juli 2017 beschikte over een in juni 2017 gestolen fiets, niets zegt over zijn betrokkenheid bij deze diefstal.

3.3.2.2 Feit 2 subsidiair

De bewijsmiddelen

Op 19 juli 2017 heeft [naam moeder benadeelde 2] aangifte gedaan van diefstal van de fiets van haar dochter [benadeelde 2] . Op 4 juni 2017 zag [benadeelde 2] haar fiets voor het laatst. Daarna ging zij op vakantie. [benadeelde 2] had haar fiets geplaatst in een fietsenrek bij haar appartement op de Willem II Singel te Roermond. Zij had haar fiets afgesloten met een ringslot. Op 10 juni 2017 was [benadeelde 2] nog op vakantie toen aangeefster een bericht van haar kreeg. [benadeelde 2] had van een vriendin gehoord dat haar fiets was weggenomen.

Tijdens het weekeinde, voorafgaand aan de aangifte, zag aangeefster [naam moeder benadeelde 2] op de Facebookpagina van de politie Roermond een bericht over een vermoedelijk gestolen fiets. [naam moeder benadeelde 2] herkende de fiets als die van [benadeelde 2] . Na het door de politie tonen van een fiets aan aangeefster [naam moeder benadeelde 2] , zag aangeefster direct dat dit de fiets van haar dochter was.

De gestolen fiets betreft een fiets van het merk/type Gazelle Primeur, kleur groen, met framenummer [nummer] .2

Op 7 juli 2017 uur reden de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] over de Hamstraat richting het Stationsplein te Roermond. Zij zagen de hen ambtshalve bekende [verdachte] fietsen. Zij reden achter [verdachte] aan en zagen dat er geen sleutel in het fietsslot zat, terwijl het slot open was. Nadat [verdachte] was gestopt, bekeek verbalisant [verbalisant 2] de fiets. Hij zag dat het een groene Gazelle Primeur damesfiets betrof met een hoefijzerslot dat was doorgeflext. De sticker met het framenummer was onbeschadigd. De sticker had het nummer [nummer] .3

Verbalisant [verbalisant 3] toonde aangeefster [naam moeder benadeelde 2] deze bij [verdachte] aangetroffen fiets. De verbalisant zag dat aangeefster [naam moeder benadeelde 2] een fietssleutel uit haar beurs pakte en deze in het slot van de getoonde fiets stopte. Zij zag dat de sleutel paste en hoorde een klikgeluid, afkomstig van het ringslot van de fiets. Het klikgeluid was het geluid van een slot dat opent.4

De verdachte heeft verklaard dat hij de fiets anderhalve maand voordat de politie hem ermee aantrof bij ene [naam] , woonachtig op de Donderberg te Roermond, heeft gepakt. Deze [naam] had twee of drie fietsen op de aanhangwagen.5 Toen de verdachte de fiets meenam zag hij dat het slot was doorgeslepen. Hij heeft deze [naam] geen vragen gesteld over de herkomst van de fiets.6

De bewijsoverweging

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 7 juli 2017 de in de periode van 4 tot en met 10 juni 2017 gestolen fiets van [benadeelde 2] voorhanden had.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van deze fiets wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze gestolen was. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

Het is een feit van algemene bekendheid dat er veel fietsen worden gestolen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er bij de verdachte op zijn minst aanleiding had moeten zijn om zich af te vragen wat de herkomst van de fiets was, nu hij deze kreeg van een persoon die geen fietshandelaar is en hij er bovendien (kennelijk) niets voor hoefde te betalen. De verdachte heeft in het geheel geen vragen gesteld over de herkomst van de fiets. In die zin is hij in ernstige mate tekortgeschoten in zijn, onder de gegeven omstandigheden geldende, onderzoeksplicht naar de herkomst van de fiets.

Hier komt nog bij dat de verdachte op het moment van het verwerven van de fiets zag dat het slot was geforceerd. De wetenschap omtrent het geforceerde slot, in combinatie met het tekortschieten in zijn onderzoeksplicht, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte op het moment van het verwerven en voorhanden krijgen van de fiets op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze van diefstal afkomstig was. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte de fiets opzettelijk heeft geheeld.

De exacte datum van het verwerven en voorhanden krijgen van de fiets staat niet vast. De verdachte heeft verklaard dat hij de fiets op 7 juli 2017 anderhalve maand in zijn bezit had. Gelet op de datum van de diefstal - gepleegd tussen 4 en 10 juni 2017 - is dit niet mogelijk. De rechtbank leidt hieruit echter wel af dat de verdachte de fiets in of omstreeks de periode van 4 tot en met 10 juni 2017 heeft verworven.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank feit 2 subsidiair bewezen, zoals hieronder weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.3

Feit 3

De bewijsmiddelen

Op 15 juli 2017 heeft aangeefster [naam moeder benadeelde 3] aangifte gedaan van diefstal van de fiets van haar dochter, [benadeelde 3] . Op 6 juli 2017 stalde [benadeelde 3] haar fiets op de Kruisherenstraat te Roermond in het eerste fietsenrek, aan de linkerzijde. Ze zette haar fiets met een kettingslot aan die van haar vriendin [naam vriendin] , een zwarte omafiets. Op 7 juli 2017 omstreeks 08:10 uur keek aangeefster [naam moeder benadeelde 3] vanaf het balkon, toen haar dochter en [naam vriendin] naar de fietsenstalling op de Kruisherenstraat liepen. [naam vriendin] pakte haar fiets. [benadeelde 3] zag haar fiets niet meer staan. Het betreft een fiets van het merk/type Gazelle Medeo, zilvergrijs met wit van kleur.7

Op 7 juli 2017 stelde verbalisant [verbalisant 2] een onderzoek in naar de camerabeelden van de binnenstad te Roermond. Zij bekeek de beelden van die dag van de Kruisherenstraat.

De verbalisant zag dat op 7 juli 2017, omstreeks 07:47 uur, de haar ambtshalve bekende [verdachte] uit de Sint Cornelisstraat kwam lopen. Zij herkende hem aan zijn gezicht, alsmede aan zijn wijze van lopen en bewegen. De verbalisant zag dat [verdachte] over de Kruisherenstraat liep in de richting van het Stationsplein. Hij stopte bij de openbare, onbewaakte fietsenstalling. [verdachte] keek enkele seconden in de richting van de fietsen en liep vervolgens terug richting de Sint Cornelisstraat.

Om 07:48:47 uur verdween [verdachte] uit beeld. Om 07:50:29 uur was hij weer in beeld met een zogenoemde bigshopper met het opschrift ‘Action’. [verdachte] liep terug naar de fietsenstalling. Bij het eerste fietsenrek stond hij stil. In het eerste rek stonden twee fietsen tegen elkaar. [verdachte] keek schichtig om zich heen, maakte de bigshopper open en nam er een roodkleurige betonschaar uit. Met zijn armen drukte [verdachte] de zijden van de betonschaar naar elkaar toe, terwijl hij bij twee fietsen stond. Hij maakte een knipbeweging.

Vervolgens stopte [verdachte] de betonschaar in de bigshopper terug en trok hij bij de twee fietsen een ketting los. De ketting stopte hij in de bigshopper. [verdachte] pakte de rechterfiets uit het fietsenrek. Hij tilde de fiets aan de achterzijde omhoog. Op die manier liep hij richting zijn woning.

De verbalisant zag dat omstreeks 08:09:33 uur twee meisjes kwamen aanlopen bij de fietsenstalling. Beiden keken in de richting van waar de fiets was weggenomen. Een van de meisjes pakte een zwarte omafiets die links naast de weggenomen fiets stond. Het andere meisje liep naar de ingang van het appartementencomplex.8

Geconfronteerd met een fotoprint van voornoemde videobeelden heeft de verdachte verklaard dat hij zichzelf herkent op de foto met de afbeelding van de man met de bigshopper.9

De bewijsoverweging

Op grond van de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van de verdachte dat hij zichzelf herkent, stelt de rechtbank vast dat de verdachte de fiets van [benadeelde 3] heeft gestolen. Verdachtes verklaring bij de politie dat de camerabeelden zijn gemanipuleerd is geenszins onderbouwd. Bovendien acht de rechtbank deze stelling volstrekt ongeloofwaardig. Het verweer van de verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij niet de persoon is op de camerabeelden, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen.

3.3.4

Feit 4

De bewijsmiddelen

De rechtbank acht feit 4 bewezen, gelet op:

  • -

    de opmerking van verbalisant [verbalisant 4] op pagina 2 van het stamproces-verbaal d.d. 25 september 2017, registratienummer PL2300-2017100854;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2017, proces-verbaalnummer PL2300-2017100854-4;

  • -

    de afstandsverklaring d.d. 23 juni 2017, registratienummer PL2300-2017100854-7;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2017, proces-verbaalnummer PL2300-2017100854-12, inclusief bijlage;

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte in het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 23 juni 2017, proces-verbaalnummer PL2300-2017100854-6.

De bewijsoverweging

De rechtbank volstaat ten aanzien van dit bewezenverklaarde feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Bij de politie heeft hij immers verklaard dat hij begrijpt dat dit juridisch gezien een diefstal is.

Mocht de verdachte echter met zijn opmerking, dat hij de fiets niet wilde houden, maar slechts aandacht wilde vragen van de politie, betwisten dat sprake is geweest van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, overweegt de rechtbank dat het begrip ‘toe-eigenen’ volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet noodzakelijk veronderstelt: ‘bewaren’ of ‘in bezit houden’. Ook het tijdelijk de heerschappij over een goed van een ander verschaffen kan het oogmerk van (wederrechtelijke) toe-eigening opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 2 subsidiair

in of omstreeks de periode van 4 juni 2017 tot en met 10 juni 2017 in de gemeente Roermond een fiets (merk Gazelle Primeur) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 3

op 7 juli 2017 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle Medeo, toebehorende aan [benadeelde 3] , waarbij verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 4

op 23 juni 2017 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 2 subsidiair

opzetheling

feit 3

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

feit 4

diefstal

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen acht, gevorderd aan de verdachte op te leggen de voorwaardelijke maatregel tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel), waarbij hij zich zou moeten houden aan de voorwaarden zoals neergelegd in het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Limburg, Vincent van Gogh, d.d. 13 oktober 2017. Deze voorwaarden behelzen een meldplicht, een ambulante behandeling voor psychische problematiek en middelengebruik (eventueel met een korte klinische opname), een leefstijltraining en urinecontroles. Hiertoe heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat, mede gelet op verdachtes strafblad van 30 pagina’s, wordt voldaan aan de voorwaarden om de ISD-maatregel op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om niet de voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat:

  • -

    het reclasseringsadvies te summier is om het opleggen van de voorwaardelijke ISD-maatregel te rechtvaardigen;

  • -

    het reclasseringsadvies enigszins gedateerd is;

  • -

    de bijzondere voorwaarden opgelegd kunnen worden bij een voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel in combinatie met een taakstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft in een periode van ruim twee maanden twee fietsen gestolen en één fiets geheeld. Deze diefstallen en heling zijn er enkele in een reeks van vele, zoals blijkt uit het 30 pagina’s tellende strafblad van de verdachte. Het bevreemdt de rechtbank dan ook niet dat de officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een (voorwaardelijke) ISD-maatregel op te leggen.

De eis van de officier van justitie is (mede) gebaseerd op het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Limburg d.d. 13 oktober 2017, waarin onder meer het volgende is gesteld:

‘Betrokkene is een 59-jarige ontkennende veelpleger die verdacht wordt van meerdere fietsendiefstallen. Betrokkene heeft zich in het verleden veelvuldig schuldig gemaakt aan het plegen van vermogensdelicten en staat in de gemeente Roermond bekend als een notoire fietsendief.

Er zijn aanwijzingen voor psychische problematiek, maar hier is niet eerder onderzoek naar gedaan. Een recente verwijzing naar MET ggz inzake diagnostiek en behandeling is op niets uitgelopen omdat betrokkene afspraken niet nakwam. Verder is er weinig zicht op de problematiek van betrokkene. Hij verkeert in een negatief sociaal netwerk en er is mogelijk sprake van overmatig middelengebruik, maar aangezien betrokkene weinig openheid van zaken geeft, zich sociaal wenselijk opstelt en een ontkennende verdachte is, kan rapporteur moeilijk inschatten of er sprake is van een relatie tussen deze leefgebieden en de ten laste gelegde feiten.

Rapporteur is van mening dat diagnostiek en behandeling gericht op de psychische klachten van betrokkene geïndiceerd is. Aangezien betrokkene moeite heeft om zich te conformeren aan afspraken en er sprake is van een hoog recidiverisico zou een hulpverleningstraject het beste kunnen plaatsvinden binnen een strak juridisch kader zoals een voorwaardelijke ISD-maatregel.

(…) Op basis van de delictgeschiedenis en de veelplegersstatus van betrokkene is de inschatting dat er sprake is van een hoog recidiverisico met betrekking tot het plegen van vermogensdelicten.

(…) Aangezien behandeling en begeleiding binnen een voorwaardelijk strafkader niet eerder is geprobeerd, geniet een voorwaardelijke ISD-maatregel de voorkeur boven een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.’ (pagina’s 5 en 6)

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of in deze zaak is voldaan aan de vereisten om een ISD-maatregel, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op te leggen.

Wil de rechtbank overgaan tot oplegging van de ISD-maatregel, dient in ieder geval te zijn voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 38m, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze vereisten niet voldaan. Hiertoe overweegt zij het volgende.

Naast andere vereisten, waaraan overigens wel is voldaan, bepaalt artikel 38m, eerste lid, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht dat de rechter de ISD-maatregel kan opleggen indien ‘de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.’ Uit deze bewoordingen blijkt dat het opleggen van de ISD-maatregel heeft te gelden als een ultimum remedium, een laatste redmiddel. Nu uit zowel bovenstaand reclasseringsadvies als uit het strafblad van de verdachte blijkt dat behandeling en begeleiding binnen een voorwaardelijk strafkader niet eerder zijn geprobeerd, is het opleggen van een ISD-maatregel op dit moment prematuur.

De rechtbank acht het overigens wel noodzakelijk dat aan de verdachte de voorwaarden worden opgelegd, zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling voor psychische problematiek en middelengebruik (eventueel met een korte klinische opname), een leefstijltraining en urinecontroles. De rechtbank zal deze koppelen aan de op te leggen straf.

Bij het bepalen van de strafsoort en de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor diefstal van een fiets in geval van veelvuldige recidive - waarvan in dit geval sprake is - is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. De rechtbank acht dit oriëntatiepunt eveneens van toepassing op de opzetheling van een fiets. Gelet hierop zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest. Gelet op het uitgebreide strafblad van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een andere dan een vrijheidsbenemende straf geen enkel recht doet aan de ernst van de feiten in combinatie met de persoon van de verdachte. Nu de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, het noodzakelijk acht dat de verdachte zich houdt aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, zal de rechtbank de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan de behandeling van de verdachte en daarmee aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft ter zake van feit 3 een bedrag van € 200,00 gevorderd aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot volledige toewijzing van de vordering, alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, in geval van een bewezenverklaring van feit 3, ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Aan de benadeelde partij is rechtstreeks schade toegebracht door het onder 3 bewezenverklaarde feit. Nu het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van de begrote schade ad € 200 niet door de verdediging is betwist, stelt de rechtbank de hoogte van de schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op dit bedrag. Gelet hierop zal de rechtbank het gevorderde bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op voor hetzelfde bedrag, opdat de inning van het verschuldigde bedrag de benadeelde partij uit handen wordt genomen door de Staat. Het opleggen van deze maatregel is mogelijk, nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

8 De vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 03/238937-16

8.1

Inleiding

Bij vonnis van 15 februari 2017 heeft politierechter in deze rechtbank de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren en met als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Bij schriftelijke vordering van 27 februari 2018 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, omdat de verdachte de algemene voorwaarde zou hebben overtreden door zich schuldig te maken aan een of meer strafbare feiten.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd de vordering toe te wijzen, omdat de verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden.

De verdediging heeft verzocht de proeftijd van de tenuitvoerlegging te verlengen, eventueel onder aanscherping van de voorwaarden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu de verdachte zich gedurende de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten, te weten de onder 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten, en de rechtbank geen aanleiding ziet om van de tenuitvoerlegging af te zien, ligt het voor de hand om de vordering van de officier van justitie toe te wijzen. Gelet echter op de in de hoofdzaak op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met bijzondere voorwaarden, acht de rechtbank termen aanwezig om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, een taakstraf te gelasten van 60 uren. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou immers het noodzakelijk geachte hulpverleningstraject doorkruisen. Indien de verdachte deze taakstraf niet (naar behoren) verricht dient deze te worden vervangen door 14 dagen hechtenis.

Een verlenging van de proeftijd, zoals verzocht door de verdediging, acht de rechtbank niet aangewezen, gelet op het strafblad van de verdachte.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart de onder 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 2 subsidiair, 3 en 4 tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. de veroordeelde moet zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis tussen 13:00 uur en 15:00 uur melden bij GGZ Reclassering Limburg Vincent van Gogh op het adres Laurentiusplein 10 te Roermond, waarna hij zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. de veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor psychische problematiek bij MET ggz of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven;

  3. indien de reclassering het noodzakelijk acht, wordt de veroordeelde verplicht om zich te laten behandelen voor zijn middelengebruik bij de ambulante verslavingszorg van Vincent van Gogh of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven. Binnen dit ambulante behandeltraject wordt de veroordeelde verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven;

  4. e veroordeelde volgt de Leefstijltraining;

  5. de veroordeelde werkt mee aan urinecontroles om zijn middelengebruik inzichtelijk te maken;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vordering tot tenuitvoerlegging

  • -

    wijst de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03/238937-16 toe;

  • -

    gelast, in plaats van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 2 weken, een taakstraf voor de duur van 60 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast van 14 dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] , wonende te [R] , ten aanzien van feit 3 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 7 juli 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde 3] , van € 200,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 7 juli 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.A.F.M. Krol, voorzitter, mr. C. Wapenaar en mr. J.M.G. Gunsing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 april 2018.

Buiten staat

Mr. J.M.G. Gunsing is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 02 mei 2017 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

feit 2 primair

hij in of omstreeks de periode van 4 tot en met 10 juni 2017 in de gemeente Roermond

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle Primeur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

feit 2 subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2017 tot en met 10 juni 2017 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, een fiets (merk Gazelle Primeur) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 3

hij op of omstreeks 07 juli 2017 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle Medeo, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

feit 4

hij, op of omstreeks 23 juni 2017 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Gazelle, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan A. [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, registratienummer PL2300-2017146799 Z, gesloten d.d. 2 oktober 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 98.

2 Proces-verbaal aangifte van [naam moeder benadeelde 2] namens [benadeelde 2] d.d. 19 juli 2017 op de pagina’s 55-57.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2017 op pagina 61.

4 Korte opmerking verbalisant in het proces-verbaal aangifte van [naam moeder benadeelde 2] namens [benadeelde 2] d.d. 19 juli 2017 op pagina 57.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 8 september 2017 op de pagina’s 77 en 78.

6 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 27 maart 2018.

7 Proces-verbaal aangifte van [naam moeder benadeelde 3] namens [benadeelde 3] d.d. 15 juli 2017 op de pagina’s 70 en 71.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2017 op de pagina’s 64 en 65.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 8 september 2017 op pagina 79 in combinatie met de foto op pagina 90.