Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3375

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
03/659118-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot doodslag. Bewijs voor voorwaardelijk opzet.

Een dissociatieve toestand is niet een zo verregaand geestelijke afwijking dat aangenomen moet worden dat de dader is verstoken van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

De rechtbank kan de aanname van de verdediging dat dissociatie moet leiden tot het oordeel dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid niet volgen.

De noodzaak tot een zo spoedig mogelijke behandeling van de verdachte in een Forensisch Psychiatrische Polikliniek strookt niet met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Om die reden legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op met een voorwaardelijk gedeelte van de maximale duur van twee jaar en met een onvoorwaardelijk gedeelte dat gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Daarnaast legt de rechtbank, om de ernst van het bewezenverklaarde feit tot uitdrukking te brengen, aan de verdachte de maximale taakstraf op van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659118-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte is ter terechtzitting bijgestaan door mr. E. Gorsselink, vervangende mr. M.F.M. Geeratz, beiden advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 maart 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Daarnaast is ter terechtzitting de vordering behandeld van de benadeelde partij [slachtoffer] .

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een stuk glas tegen het hoofd, de hals en/of het gezicht te slaan, dan wel dat hij deze [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs ten aanzien van het primair tenlastegelegde

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen. Hiertoe heeft hij het volgende naar voren gebracht.

De verdachte heeft bewust met een gebroken glas tegen de linker-/achterzijde van de hals van het slachtoffer geslagen, waarna hij het glas een seconde lang in de hals heeft geduwd. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer opnieuw met het glas geslagen, en wel tegen de linkerkant van zijn gezicht. De verdachte heeft gehandeld met boos opzet. Dat het letsel dodelijk had kunnen zijn, blijkt uit de medische informatie.

Indien boos opzet niet kan worden bewezenverklaard, kan in ieder geval voorwaardelijk opzet worden bewezen, aldus de officier van justitie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet bewezen en heeft verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd.

Niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het doden van het slachtoffer. In de eerste plaats levert het met een kapot glas tegen een oor slaan geen aanmerkelijke kans op op het overlijden van het slachtoffer. In de tweede plaats blijkt uit het dossier niet dat het duwen met het kapotte glas in de hals van het slachtoffer gebeurde in de buurt van de halsslagader. Bovendien was de wond niet dusdanig diep dat dit zou kunnen leiden tot de dood van het slachtoffer.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

De bewijsmiddelen

Op 19 maart 2017 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Op 19 maart 2017 was [slachtoffer] aanwezig bij een bedrijfsfeest bij [naam partycentrum] in Velden. Op enig moment had [slachtoffer] bij de wc’s ruzie met een collega, genaamd [verdachte] . Opeens liep [verdachte] weg. Hij zei dat hij terug zou komen. Even later kwam [verdachte] terug en zei hij: ‘Hier heb je het.’ [slachtoffer] zag dat [verdachte] uithaalde met, hij denkt, zijn rechterarm en -hand en tegen de linkerzijde van [slachtoffer] ’ hoofd sloeg. [slachtoffer] voelde meteen pijn aan zijn hoofd en voelde dat er iets langs zijn hoofd stroomde. Hij voelde met zijn hand en keek er vervolgens naar. Hij zag dat zijn hand onder het bloed zat. [verdachte] moet met iets scherps hebben geslagen. Het oor van [slachtoffer] was gescheurd. Verder had hij pijn aan zijn hoofd.2

Op 20 maart 2017 waren de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] belast met het uitlezen van de camerabeelden van het incident bij [naam partycentrum] te Velden.

De verbalisanten zagen dat de weergegeven datum 19 maart 2017 was en dat er vanaf het tijdstip 00:33:32 uur beelden op de usb-stick stonden.3

Tijdstip 00:34:31 uur

Twee personen komen in beeld lopen vanaf de rechterzijde. Eén persoon wordt door verbalisant [verbalisant 2] herkend als [getuige 1] . De andere persoon wordt door verbalisant [verbalisant 1] herkend als aangever [slachtoffer] . Even later komt een persoon uit het toilet gelopen. [slachtoffer] heeft een dreigende houding tegenover deze persoon. Hij probeert bij deze persoon te komen. Hij wordt echter door [getuige 1] tegengehouden.

Vervolgens loopt deze persoon de trap op. Om 00:34:49 uur verdwijnt hij uit beeld.4

Tijdstip 00:36:27 uur

Er komt een persoon naar beneden via de trap. Deze persoon loopt met versnelde pas in de richting van [slachtoffer] . [getuige 1] staat op dat moment ongeveer een halve meter van [slachtoffer] af.

Terwijl deze persoon op [slachtoffer] afloopt, heeft hij zijn rechterarm gestrekt omhoog op schouderhoogte. Het lijkt erop dat deze persoon iets in zijn hand heeft. Vervolgens slaat deze persoon met zijn rechterarm/-hand tegen de linkerzijde van de hals van [slachtoffer] . Hij raakt [slachtoffer] aan de linker-/achterzijde van zijn hals. Op het moment dat hij [slachtoffer] raakt, heeft hij zijn hand in een soort van klauwgreep, gevormd met zijn duim, wijs- en middelvinger. Op het moment dat deze persoon [slachtoffer] raakt in zijn hals, lijkt het alsof deze persoon [slachtoffer] na deze slag met zijn rechterarm/-hand in de hals duwt. Dit duwen duurt ongeveer één seconde.

Hierna haalt de persoon zijn rechterarm/-hand kort omhoog en slaat hij [slachtoffer] wederom. Deze klap raakt [slachtoffer] op de linkerzijde van zijn gezicht / zijn linkeroor.5

[getuige 1] heeft als getuige verklaard over het incident dat zich op 19 maart 2017, omstreeks 00:30 uur, had voorgedaan bij [naam partycentrum] te Velden.

[getuige 1] hoorde dat er een conflict gaande was bij de toiletten. Hierop ging hij naar beneden. Hij hoorde dat [slachtoffer] en [verdachte] tegen elkaar aan het schreeuwen waren. Hij zag dat beiden aan het duwen en trekken waren aan elkaar. [getuige 1] trok [slachtoffer] weg bij [verdachte] . Tegen [verdachte] zei hij dat hij naar boven moest gaan.

Enkele minuten later, [getuige 1] stond nog met [slachtoffer] bij de toiletten, hoorde hij glas breken.6

Plots zag hij [verdachte] met een vaart van de trap afkomen en direct uithalen naar [slachtoffer] . [verdachte] sloeg met zijn rechterhand. Hij sloeg met kracht. [getuige 1] zag zijn arm eerst naar achteren gaan en toen naar voren in de richting van [slachtoffer] .7 [verdachte] sloeg [slachtoffer] ter hoogte van zijn nek. Hij dacht dat [verdachte] met een stuk glas sloeg.8

In verband met een vechtpartij kregen de verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] op 19 maart 2017, omstreeks 00:38 uur, van de meldkamer van de politie het verzoek om te gaan naar [naam partycentrum] te Velden.

Ter plaatse troffen de verbalisanten [slachtoffer] aan. Deze persoon bloedde hevig aan de linkerkant van zijn hoofd. Verbalisant [verbalisant 4] hoorde [slachtoffer] zeggen dat een collega, genaamd [verdachte] , dit gedaan had en dat deze persoon nog binnen zou zijn.

De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] troffen in het restaurantgedeelte van het partycentrum [verdachte] aan. Deze persoon werd ter plaatse verzorgd door een medewerker van de ambulance.

Desgevraagd zei [verdachte] dat hij op het toilet werd aangevallen.

Beide handen van [verdachte] zaten onder het bloed. Verder had hij een bebloed gelaat.

[verdachte] werd ter controle overgebracht naar het ziekenhuis te Venlo. Aldaar werd zijn rechterhand gehecht. De verbalisanten zagen dat [verdachte] een scherpe snijwond had aan zijn rechterhand.9

Op 19 maart 2017 werd ter plaatse voor de deur van het herentoilet aangetroffen een afgebroken deel, te weten de voet, van een drinkglas met bloedsporen.10

Op 19 maart 2017, omstreeks 01:20 uur, is [verdachte] te Velden op heterdaad aangehouden op verdenking van poging tot doodslag.11 Geconfronteerd met de prints van de camerabeelden van het incident met het glas heeft de verdachte verklaard dat hij hierop [slachtoffer] en zichzelf herkent.12

Een forensisch arts heeft ten aanzien van het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel het volgende geconstateerd.

Er zijn twee letsels waargenomen, te weten:

- letsel 1: Linker oorschelp in horizontale vlak vrijwel volledig door midden gesneden;

- letsel 2: Snijwond van onderzijde linker oor lopend naar hals, licht tot matig diep.

De getoonde letsels zijn snij-/steekverwondingen. Letsel 1 van het linker oor laat zien dat het kraakbeen van de oorschelp volledig is doorsneden. Dit houdt in dat er met enige kracht is gestoken of gesneden. Letsel 2 is een snijwond die zich bevindt in de hals nabij de dwarse halsspier links. Aan de voorzijde van deze spier bevindt zich de grote hoofdslagader. De afstand van de getoonde snijverwonding, hoog in de hals, ten opzichte van de halsslagader is gering. Met een snijwond op deze locatie zou ook (een tak van) de grote hoofdslagader geraakt kunnen zijn, met een levensbedreigend bloedverlies als gevolg.13

3.3.2

Bewijsoverweging I: Wat is er gebeurd?

Op grond van de aangifte van [slachtoffer] , de verklaring van getuige [getuige 1] , de beschrijving van de camerabeelden en het aantreffen van het kapotte glas met bloed stelt de rechtbank het volgende vast:

Op 19 maart 2017 is een collega van [slachtoffer] , genaamd [verdachte] , enkele minuten na een eerdere confrontatie tussen beiden, met gestrekte rechterarm op schouderhoogte op [slachtoffer] afgelopen, waarna hij [slachtoffer] tweemaal met een gebroken glas heeft geslagen. Na de eerste klap duwde [verdachte] een seconde lang het glas tegen de hals van [slachtoffer] . [slachtoffer] werd geraakt aan de linker-/achterzijde van zijn hals en aan de linkerzijde van zijn gezicht / zijn linkeroor.

Daarnaast blijkt uit de medische informatie van de forensisch arts dat [slachtoffer] ten gevolge hiervan snij- en steekverwondingen heeft opgelopen. Van de linker oorschelp is het kraakbeen volledig door midden gesneden, hetgeen betekent dat er met kracht is gestoken of gesneden. Verder blijkt dat [slachtoffer] een licht tot matig diepe snijwond in de hals had op een geringe afstand van de halsslagader.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat de verdachte de collega van [slachtoffer] , genaamd [verdachte] , is. Dit doet zij op grond van de camerabeelden, de bevindingen van de politie met betrekking tot het aantreffen van de verdachte, de aanhouding van de verdachte en de verklaring van de verdachte dat hij zichzelf herkent op de prints van de camerabeelden.

3.3.3

Bewijsoverweging II: Is sprake van een poging tot doodslag?

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een poging tot doodslag, dient te worden beoordeeld of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Dat de verdachte met zuiver opzet heeft gehandeld, in die zin dat hij willens en wetens heeft geprobeerd om het slachtoffer om het leven te brengen, kan niet worden bewezen, nu de verdachte heeft verklaard dat hij zelf niet weet wat er is gebeurd en dit opzet evenmin uit andere bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Ten aanzien van de vraag of er voldoende bewijs is dat de verdachte met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van [slachtoffer] - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank is gelet op:

  • -

    de gedragingen van de verdachte, bestaande uit het slaan en duwen met een kapot glas tegen respectievelijk in de hals van het slachtoffer en het vervolgens slaan met een kapot glas tegen het hoofd/oor van het slachtoffer;

  • -

    het aan het slachtoffer toegebrachte letsel, met name de licht tot matig diepe snijwond in de hals op een geringe afstand van de halsslagader;

  • -

    het kapotte glas waarmee is geslagen;

van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou overlijden aan een slagaderlijke bloeding.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan deze aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, in het bijzonder gelet op het ogenschijnlijk doelbewust met een kapot glas in de hand op het slachtoffer aflopen en hem twee keer met het glas te slaan tegen de hals en het hoofd, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte dan ook (minimaal) in voorwaardelijke zin opzet gehad op de dood van slachtoffer [slachtoffer] . Slechts door de gelukkige omstandigheid dat het slachtoffer niet met de scherpe punten van het kapotte glas in de slagader is geraakt, is het bij een poging gebleven.

Gelet op het verweer van de verdediging dat het feit de verdachte niet kan worden toegerekend omdat hij verkeerde in een dissociatieve toestand, alsmede gelet op de verklaring van de verdachte dat sprake is geweest van een zogenoemde black-out, overweegt de rechtbank met betrekking tot het bewijs van het opzettelijk handelen van de verdachte ambtshalve het volgende.

Er kan pas sprake zijn van het niet opzettelijk hebben begaan van de hem verweten handelingen, als bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Mocht bij de verdachte al sprake zijn geweest van een dissociatieve toestand, dan nog doet een zodanig uitzonderlijk geval zich hier niet voor. Een dissociatieve toestand is immers niet een zo verregaand geestelijke afwijking dat aangenomen moet worden dat de dader is verstoken van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

De hierboven beschreven gedragingen van de verdachte duiden er juist op dat de verdachte tenminste in enige mate bewust en doelgericht heeft gehandeld.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

primair

op 19 maart 2017 te Velden, gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een stuk glas tegen het hoofd en de hals van die [slachtoffer] heeft geslagen, gesneden en gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat hij zich niet geheel kan vinden in de inhoud van de met betrekking tot de verdachte opgemaakte Pro Justitia-rapportage. Hij deelt namelijk niet de conclusie dat de aanwezige posttraumatische stressstoornis (hierna ook: PTSS) en de autismespectrumstoornis de aanval van de verdachte op [slachtoffer] geheel verklaren. Wel is de officier van justitie het eens met de conclusie dat het tenlastegelegde feit de verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de verdachte, in geval van een bewezenverklaring, volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd.

Het is niet aan de psycholoog, maar aan de rechtbank, om vast te stellen of bij de verdachte sprake is van een bepaalde mate van toerekeningsvatbaarheid. De taak van de psycholoog is om de rechtbank te voorzien van de juiste informatie over de verdachte. De rechtbank zou op basis van deze informatie niet moeten onderzoeken of zij kan vaststellen dat sprake is van een stellige doorwerking van de ziekelijke stoornis en/of de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte in zijn handelen. Onderzocht dient te worden of het zou kunnen zijn dat de ziekelijke stoornis en/of de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens hebben doorgewerkt in zijn handelen. In geval van twijfel dient dit in het voordeel van de verdachte te worden uitgelegd.

Het is evident dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een autismespectrumstoornis en een posttraumatische stressstoornis. Daarnaast was sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet op het rapport van de psycholoog, de geloofwaardige verklaring van de verdachte dat hij niet weet wat er is gebeurd en het relaas van de verbalisanten dat de verdachte dit ook direct na het incident heeft aangegeven, zijn er voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte verkeerde in een dissociatieve toestand. Het feit dat de psycholoog heeft gerapporteerd dat bij de verdachte nooit eerder een dissociatieve toestand is vastgesteld, betekent niet dat nooit eerder sprake is geweest van een dergelijke toestand.

Nu bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake is geweest van een dissociatieve toestand, dient hij volledig ontoerekeningsvatbaar te worden verklaard.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De psycholoog [naam psycholoog] heeft over de geestvermogens van de verdachte op 7 juni 2017 een rapport uitgebracht. De rechtbank komt op basis van de in dit rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies tot de conclusie dat bij de verdachte geen sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit. Hiertoe overweegt zij het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat vanaf het moment dat [slachtoffer] beneden op het toilet voor hem stond alles wazig is geworden. ‘Op een gegeven moment, ik weet niet precies meer wanneer, leek het alsof ik mijn hoofd op de grond stootte. Ik kan me slechts vlagen herinneren van wat er daarna is gebeurd. Ik heb nog wel meegekregen dat ik geslagen werd. Daarna lijkt het alsof ik bewusteloos ben geraakt.’ (proces-verbaal van verhoor verdachte op pagina 29). Verdachte heeft ter zitting verklaard zich nog steeds niets te kunnen herinneren van het gebeuren. Hij kan zich ook niet herinneren eerder die avond tegen getuige [getuige 2] te hebben gezegd dat hij zich stoorde aan het (handtastelijke) gedrag van [slachtoffer] , omdat dit hem deed denken aan het gedrag van zijn alcoholistische vader en dat zijn handen zouden jeuken (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] op pagina 132).

Op grond hiervan, alsmede op grond van de psychologische Pro Justitia-rapportage, heeft de verdediging gesteld dat aangenomen moet worden dat bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake is geweest van dissociatie als gevolg waarvan het bewezenverklaarde hem niet kan worden toegerekend en ontslag van rechtsvervolging moet volgen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij kan de aanname van de verdediging dat dissociatie moet leiden tot het oordeel dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid niet volgen. De raadsman heeft dit ook niet nader onderbouwd.

De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een chronische en complexe posttraumatische stressstoornis. Er is sprake geweest van affectieve verwaarlozing in de jeugd van de verdachte ten gevolge waarvan de hechting onveilig is verlopen. Van zes- tot achttienjarige leeftijd was er sprake van lichamelijke en geestelijke mishandeling door vader die een alcoholprobleem had. Daarnaast is sprake van een autismespectrumstoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling bestonden ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde.

De psycholoog heeft onder meer het volgende overwogen - zakelijk weergegeven -: Over het tenlastegelegde kan vanuit gedragskundig oogpunt worden gezegd dat het personeelsuitje voor de verdachte vanwege zijn autisme een spannende gebeurtenis was. Het provocerende en treiterende gedrag van aangever [slachtoffer] (jegens verdachte) maakte het voor hem nog belastender. Desgevraagd beaamden collega’s van de verdachte dat [slachtoffer] zich daadwerkelijk misdroeg. Betrokkene wilde weg maar kon niet weg, waardoor de druk nog groter werd.

Normaal gesproken vermijdt de verdachte voor hem belastende situaties. Toen hij [slachtoffer] tegen het lijf liep en deze hem bedreigde, is hij in paniek geraakt en overspoeld door angst en vermoedelijk ook woede. Vervolgens lijkt hij een black out te hebben gekregen.

Vervolgens heeft de psycholoog gerapporteerd:

‘Mogelijk is er sprake geweest vanuit de PTSS, dat er een associatie is ontstaan tussen de vroegere agressie van zijn vader en de agressie van het slachtoffer, waardoor het een herbeleving was van zijn traumatische ervaringen. Overspoeld door angst lijkt hij [in] een dissociatieve toestand geraakt te zijn en heeft vervolgens gehandeld, zonder dit bewust te hebben meegemaakt. Hij is na tussenkomst van een getuige weggegaan, maar even later teruggekomen met een glas waarmee hij de aangever heeft aangevallen.

Hoe is het te verklaren dat betrokkene, die doorgaans een vermijder is, die zich niet agressief uit, tot zo’n agressieve ontlading komt? Het lijkt alsof de opgelopen, gestuwde woede, die is losgekomen in betrokkene, de overhand heeft genomen, boven de angst is komen te staan en dat dit hem tot een heftige agressieve ontlading naar de aangever heeft bewogen.

Betrokkene is (…) nooit eerder in een dergelijke dissociatieve toestand geraakt, dus betrokkene is daar niet gevoelig voor. Het is vanuit de PTSS in combinatie met de autismespectrumstoornis echter wel mogelijk in situaties van zeer hoge stress.

Ten slotte is het mogelijk dat het gebruik van alcohol een drempelverlagende werking heeft gehad.’ (pagina 18)

De psycholoog komt tot de conclusie dat de verdachte in staat kan worden geacht om het ongeoorloofde van het tenlastegelegde in te zien, maar op grond van voormelde overwegingen verminderd in staat was om andere gedragskeuzen te maken en conform te handelen. Geadviseerd wordt de verdachte het hem tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank kan de redenering en de conclusie van de psycholoog ten aanzien van de vraag in hoeverre het tenlastegelegde de verdachte, gezien de vastgestelde gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis, kan worden toegerekend, volgen en zal deze conclusie dan ook overnemen.

De verdachte is dan ook strafbaar, omdat evenmin andere feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de strafeis het volgende naar voren gebracht.

Gelet op de ernst van het feit, waaronder begrepen het boos opzet bij de verdachte en het blijvende ontsierende litteken bij het slachtoffer, is het uitgangspunt voor dit feit een gevangenisstraf van zes jaar. In het voordeel van de verdachte dient evenwel rekening te worden gehouden met het feit dat hij niet eerder voor gewelddadige delicten is veroordeeld, alsmede met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Gelet hierop heeft de officier van justitie een gevangenisstraf gevorderd van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

Een deels voorwaardelijke straf acht de officier van justitie niet aangewezen. In de eerste plaats zou dit juist in het nadeel van de verdachte zijn. In de tweede plaats is behandeling in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf niet noodzakelijk, nu de behandeling al in een vrijwillig kader van de grond is gekomen.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd de geschorste voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte, in het geval dat hij schuldig wordt bevonden, geen straf op te leggen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de gevolgen van een gevangenisstraf voor de verdachte groot zullen zijn. Bovendien is in feite ook de verdachte een slachtoffer van wat er is gebeurd: Hij heeft overal de schuld van gekregen, heeft zijn baan verloren en is vervolgens weer overeind moeten krabbelen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft tijdens een bedrijfsfeest een collega aangevallen met een gebroken glas. Hij heeft het slachtoffer twee keer met dit glas geslagen, zowel tegen zijn hals als tegen zijn hoofd. Hierbij is de linker oorschelp van het slachtoffer vrijwel volledig door midden gesneden en is het slachtoffer een snijwond in zijn hals toegebracht met een blijvend litteken als gevolg. Het had niet veel gescheeld of de verdachte had met het gebroken glas de halsslagader van het slachtoffer geraakt.

Zoals de rechtbank hierboven al heeft overwogen, levert het bewezenverklaarde feit een poging tot doodslag op. Doodslag is een van de ernstigste strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent, omdat hierbij het leven van een ander, het meest fundamentele rechtsgoed dat een mens bezit, wordt afgenomen. Alleen hieruit blijkt al dat ook een poging tot doodslag een zeer ernstig strafbaar feit is.

Bij het bepalen van de strafsoort en de strafmaat slaat de rechtbank normaal gesproken acht op rechterlijke uitspraken met betrekking tot vergelijkbare feiten. Met name kijkt de rechtbank naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd door het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch, de hoger beroepsinstantie van deze rechtbank. In de regel legt het hof voor een voltooide enkelvoudige doodslag geen lagere straf op dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar. Hiervan uitgaande zou in deze zaak, waar het gaat om een poging tot doodslag, een gevangenisstraf van minimaal vijf jaar passend zijn als uitgangspunt. Gelet echter op de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat het vergelijken met andere zaken geen recht doet aan deze zaak. De rechtbank zal haar gebruikelijke uitgangspunten dan ook loslaten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van het feit, zoals hierboven weergegeven, niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Hierbij houdt de rechtbank bovendien rekening met de grote gevolgen voor het slachtoffer. Zelf heeft het slachtoffer in het op 27 juni 2017 bij Slachtofferhulp Nederland ingediende schadeonderbouwingsformulier aangegeven dat:

  • -

    hij door de pijn aan de wonden en het feit dat hij geen werk mocht verrichten, drie weken lang niet heeft kunnen werken;

  • -

    hij veel pijn heeft gehad en het nog steeds moeilijk is om normaal te slapen;

  • -

    zijn oor nog steeds erg gevoelig is en de huid erg strak aanvoelt;

  • -

    hij bang is om de verdachte tegen te komen;

  • -

    hij veel aan het incident denkt en er slecht van kan slapen;

  • -

    de wetenschap dat het veel slechter had kunnen aflopen er bij hem erg heeft ingehakt;

  • -

    hij sindsdien snel geïrriteerd is.

Bij de strafmaat houdt de rechtbank echter ook rekening met de volgende omstandigheden.

1. Zoals hierboven al is overwogen is bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis en een complexe, chronisch verlopende, posttraumatische stressstoornis, alsmede van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde zodanig dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht voor de poging tot doodslag.

2. De psycholoog die de verdachte heeft onderzocht heeft het risico op recidive ingeschat als laag tot matig. Om de recidivekans te verkleinen, en zeker ook vanuit zorg, heeft zij een individuele ambulante behandeling geadviseerd, gericht op de PTSS-klachten, de copingstrategieën en de emotieregulatie van de verdachte, hierbij rekening houdend met zijn autismespectrumstoornis. Verder kan volgens haar worden bekeken of de verdachte baat heeft bij een vervolg van EMDR-therapie of een ander soort therapie, welke uitgevoerd zou kunnen worden bij de forensische psychiatrische polikliniek De Horst. Daarnaast heeft de psycholoog gesteld dat de verdachte al is aangemeld bij de GGZ-instelling Max Ernst te Venlo en dat vanuit hier mogelijk kan worden toegewerkt naar een passende behandeling bij een forensische polikliniek.
Deze behandelingen zouden, samen met een reclasseringstoezicht, opgelegd kunnen worden in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

3. De reclassering kan zich vinden in voornoemde Pro Justitia-rapportage van de psycholoog. Zij heeft in navolging van de psycholoog geadviseerd aan de verdachte een (deels) voorwaardelijk straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting.

4. De verdachte is niet eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld. Op zijn strafblad prijkt slechts één (andersoortige) zaak waarvoor hij een transactie heeft voldaan.

5. Hoewel juridisch gezien sprake is van een poging tot doodslag, is in dit geval het verschil met een zware mishandeling niet heel groot, terwijl het verschil met het uitgangspunt bij de strafoplegging in geval van een zware mishandeling wel groot is. Het uitgangspunt in geval van een veroordeling voor zware mishandeling met behulp van een wapen is namelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden tot één jaar.

6. Het slachtoffer heeft zich voorafgaande aan de aanval van de verdachte niet onbetuigd gelaten. Volgens de verdachte en diverse op het bedrijfsfeest aanwezige collega’s heeft hij, wetende dat de verdachte leed aan een vorm van autisme, gedurende de avond ruzie gezocht met de verdachte, waarbij hij hem heeft uitgescholden en gekleineerd. Uiteraard rechtvaardigt dit op geen enkele manier wat hem vervolgens is aangedaan, maar van een geheel onschuldig slachtoffer is geen sprake.

Alles op een rij zettend, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de verdachte zich zo spoedig mogelijk laat behandelen bij Forensisch Psychiatrische Polikliniek De Horst, dan wel een soortgelijke instelling, waarbij er aandacht is voor zijn PTSS-klachten, copingstrategieën en emotieregulatie bij angst en agressie. Deze noodzaak strookt niet met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Om die reden zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen met een voorwaardelijk gedeelte van de maximale duur van twee jaar en met een onvoorwaardelijk gedeelte dat gelijk is aan de duur van het voorarrest. Met het opleggen van deze straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan de behandeling van de verdachte en daarmee aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Daarnaast zal de rechtbank, om de ernst van het bewezenverklaarde feit tot uitdrukking te brengen aan de verdachte de maximale taakstraf van 240 uur opleggen.

Gelet op de op te leggen straffen zal de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een schadevergoeding gevorderd van € 2.166,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Deze schadevergoeding bestaat uit € 416,19 aan materiële schade en € 1.750,00 aan immateriële schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de gevorderde materiële schade voldoende onderbouwd en heeft gerekwireerd tot volledige toewijzing hiervan. De gevorderde immateriële schade acht hij gedeeltelijk toewijsbaar, te weten tot een bedrag van € 1.500,00. Hiertoe heeft de officier van justitie verwezen naar de door de benadeelde partij overgelegde uitspraak uit de smartengeldgids. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd de toe te wijzen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft overigens benadrukt dat zijns inziens geen sprake is van eigen schuld van de zijde van het slachtoffer.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte toerekeningsvatbaar is, acht de verdediging de gevorderde materiële schade toewijsbaar. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging verzocht deze te matigen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat naar civiel recht zou worden aangenomen dat bij het slachtoffer sprake is van ‘eigen schuld’, nu hij, wetende dat de verdachte lijdt aan autisme, hem fysiek heeft aangevallen en hem ‘kut-autist’ heeft genoemd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Aan de benadeelde partij is rechtstreeks schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Nu het door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan materiële schade ad € 416,19 niet door de verdediging is betwist, stelt de rechtbank de hoogte van de materiële schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op dit schadebedrag.

De gevorderde immateriële schade stelt de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid vast op € 1.250,00. Hierbij houdt de rechtbank rekening met enerzijds het toegebrachte letsel en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer en anderzijds de rol die het slachtoffer heeft gespeeld in de aanloop naar het bewezenverklaarde feit. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, heeft het slachtoffer zich voorafgaande aan de aanval van de verdachte niet onbetuigd gelaten, nu hij, wetende dat de verdachte leed aan een vorm van autisme, ruzie heeft gezocht met de verdachte, waarbij hij hem heeft uitgescholden en gekleineerd. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bepaalde mate van eigen schuld bij het slachtoffer die noopt tot deze matiging.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijzen tot een bedrag van € 1.666,19, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen.

Voorts legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op voor een bedrag van € 1.666,19, opdat de inning van het verschuldigde bedrag de benadeelde partij uit handen wordt genomen door de Staat. Het opleggen van deze maatregel is mogelijk, nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

8 Het beslag

De rechtbank zal de inbeslaggenomen glasscherven met bloed (voorwerpnummer 920417) en zonder bloed (voorwerpnummer 920418) onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het feit is begaan met behulp hiervan en ze van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36b, 36c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het primair bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 733 dagen, waarvan 730 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. de veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis bij Reclassering Nederland op het adres Bredeweg 28b te Roermond (telefoonnummer 088-804 15 01), waarna hij zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. de veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de reclassering;

  3. de veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen bij Forensisch Psychiatrische Polikliniek De Horst - of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering in overleg met de huidige behandelaar - waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het primair bewezenverklaarde voorts tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer] , wonende te [V] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.666,19, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 maart 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer] , van € 1.666,19, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 19 maart 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

  • -

    glasscherven met bloed (voorwerpnummer 920417);

  • -

    glasscherven zonder bloed (voorwerpnummer 920418).

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wapenaar, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. J.M.G. Gunsing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 april 2018.

Buiten staat

Mr. J.M.G. Gunsing is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

primair

hij op of omstreeks 19 maart 2017 te Velden, gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een stuk glas tegen het hoofd en/of de hals van die [slachtoffer] heeft geslagen, gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 19 maart 2017 te Velden, gemeente Venlo, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een blijvend litteken in het oor en/of de hals) heeft toegebracht door meermalen met een stuk glas op/tegen/in het oor, het hoofd en/of de hals van voornoemde [slachtoffer] te slaan, te snijden en/of te steken.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, district Venlo, registratienummer 2017044707, gesloten d.d. 3 mei 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 172.

2 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] d.d. 19 maart 2017 op pagina 86.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2017 op pagina 76.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2017 op de pagina’s 76 en 77.

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2017 op pagina 77.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 maart 2017 op pagina 113.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 maart 2017 op de pagina’s 116 en 117.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 maart 2017 op pagina 113.

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2017 op pagina 52.

10 Het proces-verbaal veiligstellen en overdracht DNA-sporendrager t.b.v. DNA-kit d.d. 19 maart 2017 op pagina 149 in combinatie met het proces-verbaal ontvangen DNA-kit d.d. 19 maart 2017 op pagina 148 en de foto’s van het gebroken glas op pagina 157.

11 Het proces-verbaal aanhouding d.d. 19 maart 2017 op pagina 13.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 21 maart 2017 op pagina 35.

13 Medische informatie en beoordeling door forensisch arts met betrekking tot [slachtoffer] , opgemaakt op 2 mei 2017 door [naam arts] (forensisch arts KNMG) op pagina 106.