Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3364

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
6534050 CV EXPL 17-917
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van overeenkomsten van opdracht. Inspannings- versus resultaatsverbintenis. Betalingsverplichting in geval van wanprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6534050 CV EXPL 17-9179

MD

Vonnis van de kantonrechter van 11 april 2018

in de zaak van:

[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,
gemachtigde mr. C.S.B.E. Reinders,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

valkenhuizen exploitatie b.v. ,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Heerlen,

gedaagde partij,

vertegenwoordigd door dhr. [naam directeur] (directeur) en dhr. [naam gevolmachtigde] (volmacht).

Partijen zullen hierna [eiser] en Valkenhuizen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de exploot van dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de brief waarbij een comparitie van partijen is bepaald en waarbij Valkenhuizen tevens is verzocht om enkele specifieke producties in het geding te brengen;

- de producties die Valkenhuizen naar aanleiding van voormelde brief heeft overgelegd;

- de aanvullende producties van [eiser] ;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 27 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] houdt zich bedrijfsmatig bezig met installatietechnische werkzaamheden.

2.2.

Valkenhuizen exploiteert benzinelaadstations en autowasstraten, onder meer in Heerlen en Luik (België). In Heerlen exploiteert Valkenhuizen een restaurant en winkel. Verder is in Heerlen in een van haar ruimtes een CBR-kantoor gehuisvest.

2.3.

[eiser] heeft een zestal facturen (met een totaalsom van € 2.829,07 inclusief btw) van Valkenhuizen onbetaald gelaten, te weten:

- (1) factuur d.d. 30 september 2016 ten bedrage van € 284,35;

- (2) factuur d.d. 19 december 2016 ten bedrage van € 90,75;

- (3) factuur d.d. 19 december 2016 ten bedrage van € 444,67;

- (4) factuur d.d. 21 december 2016 ten bedrage van € 121,00;

- (5) factuur d.d. 31 december 2016 ten bedrage van € 1.071,55;

- (6) factuur d.d. 31 december 2016 ten bedrage van € 816,75.

2.4.

Op 23 januari 2017 heeft dhr. [naam directeur] (eveneens directeur van Valkenhuizen) aan [naam projectmanager] (project manager) van Romijnders Service B.V. (hierna: Romijnders) te Wijchen opdracht verstrekt om een defecte gasgestookte rooftopunit ten behoeve van het restaurant en de winkel in Heerlen te vervangen. De hiervoor door Romijnders bij Valkenhuizen in rekening gebrachte bedragen (bij facturen van 27 januari 2017 en twee facturen van 17 februari 2017) zijn door Valkenhuizen voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Valkenhuizen te veroordelen tot betaling aan haar van:

I. een bedrag van € 2.829,07 wegens onbetaalde facturen (zie 2.3.), althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf het intreden van verzuim, althans vanaf 6 december 2017 (dag der dagvaarding) tot aan de dag der algehele voldoening;

II. een bedrag van € 407,91 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2017 (dag der dagvaarding) tot aan de dag der algehele voldoening;

III. de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.1.1.

[eiser] legt aan de door haar gevorderde hoofdsom ten grondslag dat zij diverse opdrachten voor Valkenhuizen heeft verricht, in het kader waarvan zij ook goederen aan Valkenhuizen heeft geleverd. De opdrachten zijn steeds naar behoren uitgevoerd, aldus [eiser] . Desalniettemin is Valkenhuizen tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van voormelde overeenkomsten van opdracht.

3.2.

Valkenhuizen voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter zal hierna achtereenvolgens de verschuldigdheid van de facturen beoordelen waarvan [eiser] in dit geding betaling vordert. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat niet is gesteld, noch is gebleken, dat [eiser] krachtens één ‘doorlopende’ overeenkomst van opdracht met Valkenhuizen de onderhavige werkzaamheden heeft verricht. Daarom moet per factuur allereerst vast komen te staan of er een (mondelinge) overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen ten aanzien van de in die factuur in rekening gebrachte werkzaamheden en geleverde goederen. Tussen partijen staat

namelijk vast dat die overeenkomsten van opdracht niet schriftelijk zijn aangegaan.

Factuur (1) d.d. 30 september 2016

4.2.

Valkenhuizen heeft gemotiveerd weersproken dat zij opdracht heeft gegeven om de bij deze factuur in rekening gebrachte werkzaamheden door [eiser] te laten verrichten. [eiser] is zelf niet ter comparitie is verschenen om aan de kantonrechter duidelijkheid te verschaffen over wanneer en op welke wijze die mondelinge opdracht door of namens Valkenhuizen aan hem zou zijn verstrekt. Bezien in het licht van het gemotiveerde verweer van Valkenhuizen had die nadere toelichting zeker van [eiser] mogen worden gevergd, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten. Aldus is niet komen vast te staan dat partijen voor de bij deze factuur in rekening gebrachte werkzaamheden een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan. Deze factuur ontbeert daarmee een grondslag en wordt afgewezen.

Factuur (2) d.d. 19 december 2016

4.3.

Voor deze factuur geldt hetzelfde als hiervoor ten aanzien van factuur (1) is overwogen. De inhoud van rechtsoverweging 4.2. geldt als hier herhaald en ingelast, hetgeen ertoe leidt dat ook deze factuur een grondslag mist en wordt afgewezen.

Factuur (3) d.d. 19 december 2016

4.4.

Voor deze factuur geldt hetzelfde als hiervoor ten aanzien van factuur (1) is overwogen. De inhoud van rechtsoverweging 4.2. geldt als hier herhaald en ingelast, hetgeen ertoe leidt dat ook deze factuur een grondslag mist en wordt afgewezen.

Factuur (4) d.d. 21 december 2016

4.5.

Valkenhuizen erkent dat voor de bij deze factuur in rekening gebrachte werkzaamheden (gedeelte van CBR-kantoor waarin examinatoren kandidaten ontvangen) door Valkenhuizen aan [eiser] opdracht is verleend. Voorts staat vast dat, nadat deze werkzaamheden door [eiser] zijn verricht, parafering voor uitvoering van die werkzaamheden namens Valkenhuizen heeft plaatsgevonden, zodat vaststaat dat de bij deze factuur in rekening gebrachte werkzaamheden ook daadwerkelijk door [eiser] zijn verricht.

4.6.

Valkenhuizen stelt echter dat de reparatie op 2 november 2016 (waarop deze factuur betrekking heeft) niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, omdat de ontvangstruimte in het CBR-kantoor na de ‘reparatie’ nog altijd niet is verwarmd. Omdat het resultaat van de reparatie uit is gebleven, weigert Valkenhuizen deze factuur te voldoen. Valkenhuizen merkt op dat, nadat de firma Romijnders (zie rechtsoverweging 2.4.) door haar is ingeschakeld, het beoogde resultaat (een werkende verwarming) wél is bereikt.

4.6.1.

Met dit verweer miskent Valkenhuizen dat de aard van reparatiewerkzaamheden meebrengt dat oorzaken moeten worden getest en uitgesloten. Wanneer het onderliggende probleem niet wordt gevonden en/of direct kan worden opgelost, leidt dit er niet toe dat de kosten voor het onderzoeken van dat probleem en het (mogelijkerwijs) oplossen van dat probleem zonder meer voor rekening van de installateur behoort te komen. De verbintenis tussen partijen kwalificeert als een inspanningsverbintenis (en dus niet als een resultaatsverbintenis, zoals Valkenhuizen aanvoert). Dat [eiser] is tekortgeschoten in de inspanningen die van hem als redelijk handelend installateur mochten worden gevergd, is niet komen vast te staan. Ten slotte geldt ook nog dat – zelfs indien er sprake zou zijn van een wanprestatie zijdens [eiser] – die enkele wanprestatie niet meebrengt dat vorderingen van die partij daarom niet (meer) behoeven te worden voldaan. Een dergelijke rechtsregel kent het Nederlands recht niet. Die bevrijding van de eigen betalingsverplichting had door ontbinding van de overeenkomst bewerkstelligd kunnen worden. Ook had de betalingsverplichting, bijvoorbeeld door verrekening met schade, teniet kunnen gaan. Valkenhuizen heeft zich echter niet beroepen op verrekening of ontbinding. De conclusie is dat het verweer van Valkenhuizen faalt en dat het in rekening gebrachte bedrag van € 121,00 voor toewijzing gereed ligt.

Factuur (5) d.d. 31 december 2016

4.7.

Voor deze factuur geldt hetzelfde als hiervoor ten aanzien van factuur (4) is overwogen. De inhoud van rechtsoverwegingen 4.5. tot en met 4.6.1. geldt als hier herhaald en ingelast, hetgeen ertoe leidt dat ook deze factuur toewijsbaar is. Het bedrag van
€ 1.071,55 wordt derhalve toegewezen.

Factuur (6) d.d. 31 december 2016

4.8.

Deze factuur betreft ‘revisie draaistroommotor’. Valkenhuizen heeft gemotiveerd weersproken dat zij aan [eiser] opdracht heeft gegeven om een motor te reviseren. Bovendien heeft Valkenhuizen, zowel bij antwoord, als ter comparitie, betwist dat die gereviseerde motor op een van haar vestigingen is afgegeven. Aangezien ook ten aanzien van deze factuur geldt dat [eiser] niet zelf ter comparitie is verschenen om een nadere toelichting te geven, is niet komen vast te staan dat er een opdracht tot het reviseren van een draaimotor is verstrekt en dat die gereviseerde draaistroommotor op een van de vestigingen van Valkenhuizen is afgegeven. Deze factuur ontbeert daarmee een grondslag en wordt afgewezen.

Conclusie ten aanzien van hoofdsom

4.9.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de volgende facturen toewijsbaar zijn:

- factuur (4) d.d. 21 december 2016 ten bedrage van € 121,00

- factuur (5) d.d. 31 december 2016 ten bedrage van € 1.071,55

Totaal toewijsbaar aan hoofdsom: € 1.192,55.

Wettelijke handelsrente

4.10.

Dat partijen de onderhavige overeenkomsten van opdrachten zijn aangegaan in de uitoefening van hun beroep of bedrijf staat vast. Dit brengt mee dat de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW verschuldigd is. Die wettelijke handelsrente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf 6 december 2017 (dag der dagvaarding), nu gesteld noch gebleken is dat het verzuim vóór die datum is ingetreden. Weliswaar staat op de facturen een vervaldatum (14 dagen netto na factuurdatum), maar [eiser] heeft niet gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat deze termijn als fatale termijn geldt waarna verzuim zonder ingebrekestelling intreedt.

Buitengerechtelijke kosten

4.11.

[eiser] heeft voldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De omvang van de buitengerechtelijke kosten zal – met inachtneming van de wet en het Besluit normering buitengerechtelijke kosten – worden gerelateerd aan het toewijsbare bedrag aan hoofdsom. Dit betekent dat een bedrag van € 178,88 (exclusief niet gevorderde btw daarover) als vergoeding van buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen als gevorderd.

Proceskosten

4.12.

De vordering van [eiser] is voor een dusdanig gedeelte toegewezen, dat Valkenhuizen als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen. Valkenhuizen dient derhalve in de proceskosten te worden veroordeeld, met dien verstande dat bij het salaris gemachtigde wordt uitgegaan van het toegewezen in plaats van het gevorderde bedrag. Dit betekent dat een tarief van € 150,00 in plaats van € 175,00 wordt gehanteerd. Die proceskosten worden tot op vandaag begroot op:

- exploot van dagvaarding: € 80,42

- griffierecht: € 223,00
- salaris gemachtigde: € 300,00 (2 x tarief € 150,00)

Totaal: € 603,42.

4.12.1.

De nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen op hierna in het dictum te bepalen wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Valkenhuizen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 1.192,55, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Valkenhuizen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 178,88 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
6 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt Valkenhuizen tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot worden op € 603,42, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na de dag van betekening van dit vonnis te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag daarna tot die van de algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt Valkenhuizen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 75,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving tot aan de dag van algehele voldoening;
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening tot aan de dag van algehele voldoening;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en is in het openbaar uitgesproken.