Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:3288

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
03/864502-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen van gewoontewitwassen. Onder de gegeven omstandigheden hoefde de verdachte geen wetenschap of gerechtvaardigd vermoeden van witwassen c.q. criminele herkomst te hebben bij giften van haar vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/864502-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.B.C. Nicolaes, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 november 2017. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op 15 maart 2018.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van geldbedragen en/of een personenauto.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie zijn van mening dat het tenlastegelegde feit is bewezen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de stiefvader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , grote hoeveelheden contant geld heeft gestort op zijn eigen bankrekeningen en die van zijn (stief)kinderen en tevens over een grote hoeveelheid geld in zijn woning beschikte, terwijl uit onderzoek is gebleken dat hij geen inkomsten uit dienstbetrekking en/of andere inkomsten had. De officieren van justitie achten de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] over de herkomst van zijn gelden onaannemelijk en zijn van mening dat deze gelden een criminele herkomst hebben. De officieren van justitie wijzen erop dat de verdachte had moeten vermoeden dat het geld van haar stiefvader een criminele herkomst had, nu uit OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat haar stiefvader zich met criminele zaken bezighield.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard over haar gezinssituatie, waaruit volgt dat zij niet beter wist dan dat haar ouders eigen ondernemingen, onroerend goed en veel (contant) geld hadden. De gestorte geldbedragen waren bestemd om de verdachte in haar levensonderhoud te ondersteunen. De in de tenlastelegging genoemde bedragen dienen overigens gecorrigeerd te worden, nu niet alle stortingen door medeverdachte [medeverdachte] zijn gedaan en niet kan worden uitgesloten dat een gedeelte zakelijke stortingen betreft van verdachte en/of haar toenmalige partner. Gelet op deze correctie en de lange tenlastegelegde periode was er geen sprake van uitgesproken hoge bedragen bij deze stortingen. De gift van de Audi A3 zag wel op een hogere luxe-uitgave maar was niet ongebruikelijk in het milieu van de verdachte. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat een kind geen diepgaande onderzoeksplicht heeft ten opzichte van de financiële situatie van zijn of haar ouders. Uit het door de officieren van justitie aangehaalde OVC-gesprek blijkt geen verwijzing naar crimineel gedrag van de stiefvader van de verdachte. Dit gesprek d.d. 6 september 2013 ligt bovendien na de tenlastegelegde periode. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte destijds geen wetenschap had van de strafbare feiten waarvan haar stiefvader wordt verdacht. De raadsvrouw verwijst in dit verband naar uitspraken van de rechtbank Overijssel d.d. 21 januari 2014 (ECLI:NL:RBOVE:2014:236), het Gerechtshof Amsterdam d.d. 7 juli 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2749) en de Hoge Raad d.d. 16 maart 2013 (RvdW 2013/623).

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Onderhavige zaak maakt deel uit van het grootschalig onderzoek ‘Wolf/Beretta’, waarin het Openbaar Ministerie een aantal verdachten verwijt dat zij op enigerlei wijze in georganiseerd verband betrokken zijn geweest bij de import in Nederland van verdovende middelen en/of de handel daarin. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de rechtbank bij vonnis van heden medeverdachte [medeverdachte] , zijnde de stiefvader van de verdachte, veroordeeld ter zake van (onder andere) het op grote schaal overtreden van de Opiumwet.

De rechtbank stelt op grond van het zaaksdossier, alsook gelet op het verhandelde ter zitting, vast dat medeverdachte [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2013 aan de verdachte, te weten zijn stiefdochter, met grote regelmaat geldbedragen en tevens een personenauto (Audi A3, gekentekend [kenteken] ) heeft gegeven.

De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de vraag of de door medeverdachte [medeverdachte] aan de verdachte geschonken geldbedragen en auto (on)middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren omdat de rechtbank hoe dan ook niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte dit wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij niet beter wist dan dat haar ouders eigen ondernemingen, onroerend goed en veel (contant) geld hadden. De verdachte wist ook dat haar ouders een villa in Zuid-Frankrijk hadden, die verhuurd werd. Deze verklaring van de verdachte wordt gesteund door de inhoud van het zaaksdossier waaruit volgt dat de verdachte van kindsaf aan in welstand heeft geleefd en ook toen zij volwassen was financiële bijstand van haar stiefvader is blijven ontvangen. De gelden en de auto die medeverdachte [medeverdachte] aan zijn stiefdochter schonk, passen naar het oordeel van de rechtbank binnen de gewoontes die reeds lange tijd, binnen gezinsverband, tussen hen bestonden. Indien en voor zover deze goederen een criminele herkomst hadden, hoefde dit - gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden - niet kenbaar te zijn voor de verdachte. Het is niet ongebruikelijk dat ouders die het kunnen betalen hun kinderen tijdens de (jonge) volwassenheid blijven ondersteunen. Door dit enkele gegeven hoefden er dus geen alarmbellen te gaan rinkelen bij de verdachte. Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat een kind, onder de gegeven omstandigheden, geen wetenschap of gerechtvaardigd vermoeden van witwassen hoeft te hebben bij dergelijke giften van een ouder.

Het door de officieren van justitie aangevoerde OVC-gesprek van 6 september 2013 maakt dit niet anders. In dit gesprek tussen de verdachte en haar stiefvader vertelt de verdachte dat zij is gevolgd, vertelt haar stiefvader dat hij al tweeëneenhalf jaar wordt gevolgd en vraagt verdachte haar stiefvader of hij niet alles uit zijn handen kan laten vallen en overal mee kan stoppen. Volgens de officieren van justitie kan hieruit wetenschap van de verdachte van de criminele activiteiten van haar stiefvader worden afgeleid. De verdachte betwist dit en geeft een alternatieve verklaring, te weten dat het gesprek ziet op de vechtscheiding van haar stiefvader en moeder. Wat de rechtbank betreft kan de waarheid op dit punt in het midden blijven nu de laatste storting door haar stiefvader op 3 april 2013 heeft plaatsgevonden. Indien de verdachte inderdaad, zoals de officieren stellen, op 6 september 2013 wist van de criminele activiteiten van haar stiefvader, dan kan daaruit niet worden afgeleid dat zij dat in de periode van de schenkingen reeds wist.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker en

mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

(zaaksdossier 16)

zij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006

tot en met 30 juni 2013, tezamen en in vereniging, althans alleen, te

Eindhoven, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte

heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar

medeverdachte(n), van (een) voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te

weten

- in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 juli 2012 een

geldbedrag van 75.690 Eur, in elk geval enig(e) bedrag(en) aan geld en/of

- in of omstreeks de periode van 7 juli 2012 tot en met 30 juni 2013 een

geldbedrag van 12.155 Euro, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of

- een personenauto (Audi A3, kenteken [kenteken] )

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben zij en/of haar

medeverdachte(n) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die

voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven

voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl zij en/of

haar medeverdachte(n) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) en/of dat/die

geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit misdrijf

en/of heeft zij, verdachte en/of haar medeverdachte(n), bovenomschreven

voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad,

overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en) en/of

dat/die geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar

medeverdachte(n) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art. 420ter Wetboek van Strafrecht

art. 420 bis lid1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht